1. Onderzoek subsidiebeleid-bestuurlijke nota
Tekst van het document
Onderzoek subsidiebeleid Bestuurlijke nota Rekenkamer Zaltbommel 16 oktober 2025
Onderzoek Subsidiebeleid – Bestuurlijke nota – Rekenkamer Zaltbommel – 20251016
1
Inleiding De Rekenkamer van de gemeente Zaltbommel (in het vervolg: de Rekenkamer) heeft onderzoek gedaan naar het subsidiebeleid van de gemeente. De keuze voor dit onderwerp komt voort uit de gesprekken die de Rekenkamer met de verschillende fracties uit de raad heeft gevoerd en nader overleg met de klankbordgroep. Het beleidskader De gemeenteraad heeft een Kadernota subsidiebeleid gemeente Zaltbommel 2022-2025 vastgesteld. Hierin zijn de visie en uitgangspunten vastgelegd van het subsidiebeleid. De gemeente heeft op grond daarvan het subsidiestelsel opnieuw ingericht. Dit subsidiestelsel bestaat uit de Algemene subsidieverordening gemeente Zaltbommel 2022 en – op dit moment –negen specifieke subsidieregelingen voor de verschillende activiteiten, te weten: - Sociale basis - Ontmoetingsactiviteiten - Sport - Cultuur - Dorpshuizen - Buurtbusvervoer - EHBO - Goed idee, doe er iets mee - Groene tuin. De gemeente Zaltbommel streeft naar een leefbare, gezonde en veilige samenleving, waarin iedereen de mogelijkheid heeft om mee te doen. De gemeente Zaltbommel verstrekt subsidies voor het uitvoeren van activiteiten die bijdragen aan het realiseren van gemeentelijke beleidsdoelstellingen. De gemeente ziet subsidies dus als instrument om op maatschappelijke doelen resultaat te halen: de ‘outcome’. In de kadernota is dit in een beknopt schema weergegeven.
Gemeente verstrekt subsidie voor activiteit (input)
Organisatie voert activiteit uit (output)
Activiteit draagt bij aan doelstelling gemeente (outcome)
Deze doelstellingen en resultaten komen voort uit het sectorale beleid op de verschillende beleidsterreinen, zoals welzijn, sport, kunst en cultuur. De onderzoeksvraag Het onderzoek van de Rekenkamer is gericht op de doeltreffendheid en doelmatigheid van het subsidiebeleid om deze ‘outcome’ te realiseren. De hoofdvraag is: In hoeverre is het subsidiebeleid van de gemeente Zaltbommel zodanig opgesteld dat subsidies bijdragen aan beleidsdoelen (doeltreffend), hoe zorgt de gemeente dat de ingezette middelen in verhouding staan tot de resultaten (doelmatig), en hoe werkt het subsidiebeleid in de praktijk? Eerst is het subsidiebeleid in algemene zin onderzocht. Op grond van de bevindingen en een gesprek met leden van de raad is een keuze gemaakt voor een verdiepingsslag op de volgende deelregelingen: - Sociale basis, met name de deelregeling jeugd; - Cultuur;
Onderzoek Subsidiebeleid – Bestuurlijke nota – Rekenkamer Zaltbommel – 20251016
2
- Goed idee, doe er iets mee en Ontmoetingsactiviteiten; - Dorpshuizen. Hiervoor zijn gesprekken gevoerd met betrokken ambtenaren, de verantwoordelijke wethouders en met ontvangers van de subsidies. Onderzoek, rapportage en bestuurlijke nota Voor de uitvoering van het onderzoek heeft de Rekenkamer opdracht gegeven aan onderzoeksbureau Unravelling. De bevindingen uit het onderzoek heeft Unravelling opgenomen in het rapport ‘Rekenkameronderzoek Subsidiebeleid Gemeente Zaltbommel’ van 12 september 2025. Hierin zijn de opmerkingen uit het ambtelijk wederhoor verwerkt. Het rapport is als bijlage bij deze bestuurlijke nota gevoegd. Op grond van de bevindingen heeft de Rekenkamer conclusies getrokken en aanbevelingen geformuleerd. In deze bestuurlijke nota komen achtereenvolgens aan de orde: - Beantwoording van de onderzoeksvragen. Deze zijn een-op-een overgenomen uit genoemd onderzoeksrapport; - Conclusies van de Rekenkamer; - Aanbevelingen van de Rekenkamer aan de raad, het college en de ambtelijke organisatie; - Overzicht van de samenvattingen van de bevindingen met betrekking tot beleid, uitvoering, doeltreffendheid en doelmatigheid en de rol van de raad. Deze zijn een-op-een overgenomen uit het onderzoeksrapport en voor het totaaloverzicht bijeen geplaatst. Voor de nadere uiteenzetting van de onderzoeksresultaten wordt verwezen naar het hierboven vermelde rapport.
Beantwoording onderzoeksvragen 1. Op welke wijze is de gerichtheid op maatschappelijk resultaat (outcome) in het subsidiestelsel gewaarborgd? Het subsidiebeleid is gebaseerd op beleidsstukken zoals de Beleidsnota Samenleving en is uitgewerkt in de Algemene Subsidieverordening (Asv) en negen subsidieregelingen. Deze regelingen geven invulling aan beleidsdoelen via subsidiabele activiteiten die bijdragen aan maatschappelijke doelen. De vertaling van beleid naar regeling is meestal niet expliciet. Veel regelingen verwijzen naar vastgesteld beleid zoals de Beleidsnota Samenleving of sectorale visies. In sommige gevallen ontbreekt echter een directe beleidsgrondslag, zoals bij de subsidie Sport, Cultuur en Armoede. Hierdoor is de beleidsmatige onderbouwing wisselend van kwaliteit. De meeste regelingen bevatten daarmee algemene doelstellingen, maar concrete, toetsbare beoogde resultaten ontbreken vaak. Alleen bij grotere structurele subsidies zijn inhoudelijke evaluaties gangbaar. Er worden geen indicatoren of prestatiecriteria gebruikt om maatschappelijke uitkomsten meetbaar te maken. De focus ligt op input of output, niet op maatschappelijke uitkomst. Aanvragen worden beoordeeld door accounthouders en zijn vaak afhankelijk van kwalitatieve inschattingen.
Bij subsidies boven de €50.000,- vindt gestructureerde monitoring plaats, maar bij kleinere bedragen ontbreekt inhoudelijke evaluatie. 2. Op welke wijze is de gerichtheid op maatschappelijk resultaat (outcome) in de deelregeling uitgewerkt en geborgd en hoe werkt dit in de praktijk? Er zijn grote verschillen tussen de subsidieregelingen in openstelling, beoordelingscriteria en verantwoordingseisen. Sommige regelingen, zoals ‘Goed idee, doe er iets mee’, zijn laagdrempelig en open, terwijl andere, zoals de Sociale Basis, gericht zijn op vaste partijen met duidelijke beleidskoppeling. De regeling bepaalt in belangrijke mate de vorm van sturing op maatschappelijke
Onderzoek Subsidiebeleid – Bestuurlijke nota – Rekenkamer Zaltbommel – 20251016
3
resultaten. De beoordeling vindt deels vooraf plaats op basis van aanvraagformulieren, en deels via monitoring door accounthouders. Tijdens en na uitvoering is er beperkte inhoudelijke toetsing bij kleinere subsidies. Bij grotere subsidies wordt geëvalueerd op basis van prestatieafspraken, maar dit is niet uniform geregeld. Continuïteit wordt vooral geborgd via vaste meerjarige subsidies aan bekende partners. Er is weinig ruimte voor dynamiek of het afbouwen van bestaande subsidies, wat de flexibiliteit in het systeem beperkt. Dit belemmert de toetreding van nieuwe initiatieven. Uitvoerders en subsidieontvangers ervaren het aanvraagproces soms als onduidelijk of omslachtig. Beleidsmedewerkers noemen het gebrek aan toetsbare criteria als een knelpunt. Ze geven aan behoefte te hebben aan meer kaders en structuur voor beoordeling. Subsidieontvangers pleiten voor meer transparantie, duidelijke beoordelingscriteria en ruimte voor innovatieve initiatieven. Ze vragen daarnaast om betere communicatie en begeleiding. Door beleidsmedewerkers wordt het werken met waardennetwerken gezien als kans om gezamenlijk sturing te geven aan maatschappelijke doelen. 3.
Op welke wijze is en wordt de raad bij de totstandkoming en uitvoering van het subsidiebeleid betrokken en welke rol en houding neemt de raad daarin zelf? De gemeenteraad stelt het subsidiebeleid formeel vast via de Asv, beleidsnota’s en het subsidiebudget in de begroting. In de praktijk heeft de raad weinig zicht op de uitvoering en monitoring van het subsidiebeleid. Er is geen structurele informatievoorziening of evaluatierapportage aan de raad. Raadsleden geven aan behoefte te hebben aan meer grip en overzicht, maar nemen een vrij passieve rol aan. Informatie wordt vooral ad hoc verkregen via vragen, moties of incidentele raadsinformatiebrieven.
Conclusies Op grond van de bevindingen uit het onderzoek en de antwoorden op de drie onderzoeksvragen komt de Rekenkamer tot de volgende conclusies: 1. De Kadernota is duidelijk in het algemene, overkoepelende doel van het subsidiebeleid en de uitgangspunten en voorwaarden voor de inrichting van het subsidiestelsel. Het algemene doel is dat subsidies dienen bij te dragen om op maatschappelijke doelen die de gemeente heeft gesteld resultaat te halen: de ‘outcome’. Daarvoor is nodig dat deze resultaten duidelijk en meetbaar zijn geformuleerd. Op grond daarvan kan dan bepaald te worden of een subsidieregeling een effectief instrument is om het maatschappelijk resultaat te bereiken en wat dit resultaat in meetbare termen dient te zijn. Dit zal zijn beslag moeten krijgen in het sectorale beleid. 2. In het algemeen is in het sectorale beleid nog onvoldoende expliciet gemaakt welke maatschappelijke resultaten bereikt moeten worden en hoe subsidies daaraan effectief kunnen bijdragen. Voor een deel ontbreken daartoe de beleidskaders, voor een ander deel zijn zij te globaal en niet meetbaar geformuleerd. Daardoor ontbreekt het ook aan onderlinge samenhang tussen de regelingen. 3. De basis om te sturen op maatschappelijke resultaten, dus op outcome, ontbreekt of is niet duidelijk genoeg.
Onderzoek Subsidiebeleid – Bestuurlijke nota – Rekenkamer Zaltbommel – 20251016
4
Het gevolg hiervan is dat in de uitwerking van deelregelingen de criteria waaraan een subsidieaanvraag dient te voldoen (doelen, voorwaarden) en waarop de resultaten worden beoordeeld niet altijd duidelijk zijn en niet vanuit een vergelijkbaar beginsel zijn opgesteld. 4. Zowel voor de uitvoerende organisatie als voor de aanvrager is niet altijd duidelijk op welke gronden een aanvraag moet worden toegekend of afgewezen of een subsidierelatie moet worden voortgezet dan wel beëindigd. Hierbij komt dat verschillende subsidieregelingen een (soms lange) geschiedenis kennen met langdurige subsidierelaties gebaseerd op vertrouwen. Of de subsidierelatie nog wel nodig of wenselijk is komt niet of nauwelijks aan de orde. 5. Langdurige structurele subsidierelaties bieden zekerheid en stabiliteit, maar stimuleren niet tot vernieuwing en eigen draagkracht, en geven weinig ruimte voor nieuwe initiatieven. Een deel van de subsidies is incidenteel. Ze betreffen eenmalige activiteiten die daarna niet meer terugkomen. Als ze wel terugkomen worden ze opnieuw beoordeeld. Een eenmalige activiteit kan echter in termen van maatschappelijk rendement zo succesvol blijken, dat deze een structurele vorm krijgt. De vraag rijst dan of dat ook voor de subsidierelatie zou moeten gelden.
Met andere woorden om het maatschappelijke rendement vervolgens voor langere tijd te borgen, kan het wenselijk of noodzakelijk zijn de eenmalige subsidieregeling in een structurele regeling om te zetten. 6. Bij incidentele subsidies is onvoldoende duidelijk of en hoe deze naar een structurele relatie kunnen worden uitgebouwd indien de activiteit maatschappelijk succesvol blijkt. Als voortzetting van een eenmalige subsidieregeling in een structurele regeling maatschappelijk wenselijk is, dan legt dat een structureel beslag op het totale subsidiebudget. Er zal een afweging gemaakt moeten worden met de voortzetting van andere bestaande structurele regelingen. Of de budgetruimte wordt vergroot omdat de nieuwe regeling besparingen oplevert op andere begrotingsposten. Uit de conclusies 2 tot en met 5 blijkt dat een dergelijk afwegingskader ontbreekt. Ook dit staat vernieuwing en vergroting van het algehele maatschappelijk rendement in de weg. 7. Onvoldoende inzicht in de maatschappelijke effecten belemmert de sturing op doeltreffendheid, zowel op het geheel, als op de afzonderlijke regelingen en hun onderlinge verhouding. Het gevolg van dit alles is dat het overzicht ontbreekt, dossiers en verantwoordelijkheden en bevoegdheden over verschillende organisatieonderdelen verdeeld zijn en werkzaamheden omslachtig en tijdrovend zijn, zowel voor de ambtenaar als de aanvrager. 8.
In de uitvoering leidt dit alles tot een verzwaring van de druk op de organisatie, beperking van de toegankelijkheid voor de aanvrager en inconsistenties in de verantwoording en verslaglegging. Het ontbreken van inzicht op de maatschappelijke effecten belemmert de raad in het controleren van de doeltreffendheid en doelmatigheid van het beleid. De kaders die de raad heeft gesteld zijn vooral gericht op de instrumentele inrichting van het subsidiebeleid. Het uitgangspunt dat subsidie moeten bijdragen aan het bereiken van maatschappelijke doelen (outcome) is helder, de inhoudelijke uitwerking daarvan op de verschillende deelterreinen ontbreekt of is onvoldoende meetbaar en toetsbaar geformuleerd.
Onderzoek Subsidiebeleid – Bestuurlijke nota – Rekenkamer Zaltbommel – 20251016
5
9. De raad heeft onvoldoende greep op het subsidiebeleid, maar toont ook zelf weinig initiatief om die greep te vergroten.
Aanbevelingen De Rekenkamer komt op grond van haar conclusies tot de volgende aanbevelingen. De Kadernota stelt als algemeen uitganspunt dat subsidies moeten bijdragen aan het bereiken van resultaat op de door de gemeente gestelde maatschappelijke doelen. Daarom: 1. Vertrek vanuit het inhoudelijke beleid. Stel voor elk beleidsveld resultaatgerichte en toetsbare doelen. Bepaal of en hoe subsidieverlening aan dat resultaat kan bijdragen en richt de regeling daarop in. De Kadernota biedt afdoende uitgangspunten voor de technische en formele uitwerking en inrichting, maar op de inhoud is voor elk beleidsveld een nadere uitwerking en concretisering nodig. Daarom: 2. Stel per regeling duidelijke tijdgebonden resultaatgerichte doelen op, gekoppeld aan indicatoren die inzicht geven in de maatschappelijke effecten. De tijd staat niet stil. Omstandigheden veranderen en daarmee ook de maatschappelijke opgaven en prioriteiten. Dat heeft ook gevolgen voor de wenselijkheid, noodzakelijkheid en de mogelijkheid tot het verlenen van subsidies en de effectiviteit daarvan in het behalen van maatschappelijke resultaten. Daarom: 3. Bouw momenten in waarop het stelsel als geheel, de regelingen afzonderlijk en de toekenningen getoetst worden aan hun oorspronkelijke doel en het daarin te bereiken resultaat. Dit kan leiden tot wijzigingen in het stelsel, de regelingen en de toekenningen.
Om daarin een transparante en onderbouwde afweging te kunnen maken is inzicht nodig in hoe de subsidieverlening in de praktijk verloopt en wat subsidies opleveren. Daarom: 4. Monitor en evalueer het stelsel en de regelingen op verschillende niveaus en momenten en richt daarvoor een werkwijze in. Voor de aanvragers en gebruikers van subsidies zal duidelijk moeten zijn wat de gemeente van hen als prestatie verwacht en dat voortzetting van een subsidierelatie geen vanzelfsprekende zaak is. Ook kunnen er factoren buiten de subsidierelatie spelen die tot wijzigingen kunnen leiden. Daarom: 5. Zorg voor toegankelijke en duidelijke informatie en communicatie. Het primaire uitgangspunt is het bereiken van resultaat op maatschappelijke doelen. Het subsidiestelsel is voor een belangrijk deel historisch gegroeid tot wat het nu is. Het zou ook een uitdagender karakter kunnen krijgen waardoor er meer ruimte komt voor nieuwe initiatieven en bestaande gebruikers worden geprikkeld tot vernieuwing. Voorbeelden daarvan zijn startsubsidies, subsidies voor experimenten en vormen van mededinging. Daarom: 6. Zet subsidieregelingen in als uitdaging aan de samenleving om vernieuwing op gang te brengen.
Onderzoek Subsidiebeleid – Bestuurlijke nota – Rekenkamer Zaltbommel – 20251016
6
Bij bepaalde structurele activiteiten en taken kan de vraag gesteld worden of een subsidieregeling wel de meest effectieve methode is om te komen tot een zo hoog mogelijk maatschappelijk rendement. Daarbij is niet alleen de doeltreffendheid en doelmatigheid aan de orde, maar ook de rechtmatigheid en transparantie. Aanbesteding biedt een andere weg om deze te bereiken. Daarom: 7. Herijk de verhouding tussen subsidie, inkoop en aanbesteding bij structurele taken om de transparantie en rechtmatigheid te versterken. De raad stelt kaders en controleert. De aanbevelingen 1 en 2 gaan over het stellen van kaders. Daarbij is de inhoud van het sectorale beleid het vertrekpunt. De consequentie daarvan is dat ook bij de uitoefening van de controlerende rol de inhoud van het sectorale beleid het vertrekpunt is. De effectiviteit van subsidieregelingen is beter te beoordelen als onderdeel van evaluatie en voortgangsrapportage van het betreffende sectorale beleid dan vanuit het geheel van Kadernota en subsidiestelsel dat immers vooral instrumenteel gericht is en inhoudelijk geen samenhang heeft. Daarom: 8. Maak de controle op de doeltreffendheid en doelmatigheid tot een onderdeel van de evaluatie en voortgangsrapportages van het sectorale beleid.
Aanvragers, ambtenaren en bestuurders hebben er belang bij dat er een centraal punt binnen de ambtelijke organisatie is waar de verantwoordelijkheid voor het subsidiebeleid en de uitvoering daarvan ligt. Daarmee wordt ook de kennis en ervaring gebundeld en kunnen de administratie, archivering, procedures en verantwoording effectief en efficiënt worden ingericht. Daarom: 9. Zorg dat de ambtelijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het subsidiebeleid en op één punt in de organisatie wordt neergelegd. Tot slot zijn er nog enkele praktische aanbevelingen en suggesties om de doelmatigheid in de uitvoering te vergroten en tegelijk op een efficiënte wijze te voorzien in de onderleggers die noodzakelijk zijn voor de strategische aanbevelingen hierboven. Daarom: 10. Maak het aanvraagproces zowel intern als voor aanvragers eenvoudiger en lichter: a. Verminder administratieve lasten door gesplitste aanvraagstructuren, bijvoorbeeld bij dorpshuizen: aparte posten voor activiteiten en vaste lasten, onderhoud en verduurzaming. Zo komen maatschappelijke activiteiten niet in de knel door stijgende kosten. b. Overweeg een toekenningsminimum van bijvoorbeeld € 1.000,-- vanwege de verhouding tussen bedrag en administratieve lasten. c. Stel een categorie waarderingssubsidies in, die nagenoeg geen administratieve lasten en verantwoording met zich meebrengen.
Hieronder kunnen EHBO, buurtbusvervoer en andere kleine activiteiten worden geschaard. d. Voer meerjarige zekerheid en indexering in: leg structureel vast hoe indexering plaatsvindt en geef partners meer stabiliteit via meerjarige afspraken. e. Maak subsidietoekenningen voorspelbaarder door beschikkingen tijdig (bijvoorbeeld 3 tot 6 maanden vooraf) vast te stellen, zodat ontvangers activiteiten goed kunnen voorbereiden. f. Zorg voor begrijpelijke taal en heldere communicatie in subsidiebeschikkingen en beleid.
Onderzoek Subsidiebeleid – Bestuurlijke nota – Rekenkamer Zaltbommel – 20251016
7
Overzicht samenvatting bevindingen Voor een totaaloverzicht zijn hieronder de samenvattingen van de bevindingen uit het onderzoeksrapport bijeen geplaatst. Beleid (Zie hoofdstuk 2 van het onderzoeksrapport) -
-
-
Subsidies worden ingezet als middel om maatschappelijke doelen te realiseren, met een nadruk op het subsidiëren van concrete activiteiten (output) die bijdragen aan beleidsdoelen (outcome). Sommige regelingen zijn open voor meerdere aanvragers, anderen gericht op vaste partijen, wat de toegang van nieuwe initiatiefnemers bemoeilijkt. Het ontbreken van onderliggende beleidskaders voor onder meer armoede, cultuur en sport verhindert dat deze (deel)subsidies worden gekoppeld aan duidelijke doelstellingen, en leidt tot onduidelijke beoordelingscriteria en verantwoordingseisen. Voor sport zal in september 2025 een nieuw beleidskader aan de raad worden voorgelegd ter vaststelling. De gemeente hanteert verschillende verantwoordingsvereisten (VNG-model) op basis van de hoogte van de subsidie, met een grens bij € 5.000,-. Veel subsidierelaties zijn gebaseerd op wederzijds vertrouwen. Dit biedt stabiliteit, maar beperkt de ruimte voor nieuwe initiatieven en maakt het lastig om relaties af te bouwen.
Uitvoering (Zie hoofdstuk 3 van het onderzoeksrapport) -
-
-
-
-
In sommige regelingen zijn activiteiten en doelgroepen duidelijk afgebakend, in anderen verwijzen activiteiten vooral naar beleidsdoelen, niet naar concrete output. Selectiecriteria zijn niet expliciet geformuleerd in de Kadernota of de subsidieregelingen. Criteria zijn ‘verstopt’ in artikelen over o.a. doelgroepen, activiteiten en weigeringsgronden. In de regeling Goed idee, doe er iets mee worden relatief veel aanvragen afgewezen vanwege onduidelijkheden of misinterpretaties. De aanstelling van de Cultuurmakelaar in 2024 heeft geleid tot sterkere samenwerking en kennisdeling binnen het culturele veld en tot een beter afgestemd aanbod op lokale behoeften. Zowel de gemeente als culturele aanbieders waarderen deze rol. De gemeente maakt bij grotere subsidies (>€50.000,-) gebruik van prestatieovereenkomsten waarin doelen en activiteiten worden vastgelegd. Monitoring en verantwoording verlopen via accountgesprekken of jaarstukken, maar steunen op niet-formeel vastgelegde doelen. Dit maakt het proces kwetsbaar en methodisch inconsistent. Monitoring en evaluatie leiden zelden tot terugvordering van subsidiegeld, hoewel dat in specifieke gevallen wel kan voorkomen. Administratieve lasten en kennisniveau verschillen sterk tussen subsidieontvangers.
Grote instellingen zijn vertrouwd met verantwoording, terwijl kleine stichtingen en vrijwilligersorganisaties vaak moeite hebben met administratie en beperkte capaciteit. Het aanvraagproces is digitaal en transparant ingericht, maar vraagt verdere professionalisering in communicatie en subsidiebeheer. Er is geen herkenbare ‘frontoffice’ waar aanvragers zich tot kunnen richten. Actieve monitoring is niet strikt gekoppeld aan het subsidiebedrag, maar aan de inschatting van de gemeente of bijsturing wenselijk is, en is methodisch inconsistent.
Onderzoek Subsidiebeleid – Bestuurlijke nota – Rekenkamer Zaltbommel – 20251016
8
-
De gemeente is niet in staat gebleken complete en intern consistente informatie aan te leveren ten behoeve van dit onderzoek. Dit is een signaal van gebreken in de administratie. Het gegeven dat er in de subsidieregeling cultuur €308.000,- als totaalplafond is genoemd terwijl de deelplafonds optellen tot €313.000,- is hiervan een klein voorbeeld. De gebrekkigheden in de administratie dragen het risico met zich mee dat de controlerende functie van de gemeenteraad gehinderd wordt.
Doeltreffendheid en doelmatigheid (Zie hoofdstuk 4 van het onderzoeksrapport) -
-
-
-
-
-
-
De structurele samenwerking voor de JGZ vertoont alle kenmerken van een inkooprelatie, maar is vormgegeven als subsidie. Dit belemmert transparantie, juridische duidelijkheid en sturing op doelen en beoogde resultaten. De JGZ zal vanaf 2026 niet meer worden ingericht via een subsidierelatie. Ontbrekend onderliggend beleid belemmert doelgerichte inzet, waardoor sturing op resultaten beperkt mogelijk is. De sturing op resultaten gebeurt via gesprekken tussen subsidiepartners en de gemeente. Daar vindt, volgens gemeente en gesubsidieerden, vaak ‘het goede gesprek’ plaats. Dit is echter afhankelijk van de visie van afzonderlijke ambtenaren, en draagt risico’s met zich mee bij personele wisselingen. Daarnaast hindert een dergelijke werkwijze het gestructureerd sturen op maatschappelijke resultaten (outcome-gericht werken) en het hindert ook de controlerende mogelijkheden van de raad omdat zij er geen zicht op kunnen hebben. Verantwoording bestaat vooral kwalitatieve gegevens die beperkt inzicht geven in maatschappelijke impact. Op basis hiervan is de effectiviteit lastig te beoordelen, ook bij subsidies met prestatieafspraken en grotere verantwoordingslast. Er is geen overkoepelend kader dat subsidies op elkaar afstemt. Hierdoor sluiten regelingen onvoldoende op elkaar aan en worden nieuwe initiatieven gemist.
Het gebrek aan overzicht bemoeilijkt bovendien het signaleren van overlap, waardoor vergelijkbare activiteiten soms via meerdere regelingen worden gefinancierd. De grens tussen structurele en incidentele subsidies is onduidelijk, doordat incidentele subsidies vaak herhaaldelijk worden toegekend zonder inhoudelijke onderbouwing of vastgelegd beleid. Structurele subsidies kennen nauwelijks afbouwmechanismen, waardoor de financiële ruimte voor nieuwe initiatieven steeds verder onder druk komt te staan. De afhankelijkheid van tijdelijke SPUK-gelden vergroot deze druk. Incidentele subsidies zijn onvoldoende in beeld en worden niet systematisch vastgelegd. Dit belemmert controleerbaarheid, rechtmatigheid en budgetbeheer en hindert transparantie. Indexering van subsidiebedragen blijft achter bij stijgende kosten, wat de financiële houdbaarheid van (kleinere) subsidieontvangers ondermijnt. Beleidsmatige ambities worden niet systematisch vertaald naar subsidiebesluiten, waardoor de beleidsintentie en uitvoering onvoldoende op elkaar aansluiten. Er is dan geen systematisch verband tussen uitgaven en maatschappelijke meerwaarde.
De rol van de gemeenteraad (Zie hoofdstuk 5 van het onderzoeksrapport) -
-
Kaderstellen gebeurt formeel, maar inhoudelijk beperkt. De raad stelt algemene subsidiekaders vast via de ASV en programmabegroting. In enkele gevallen stelt de raad ook inhoudelijke kaders, zoals bij de Gezondheidsnota 2022–2025 en de regeling peuteropvang/VVE. De raad beïnvloedt specifieke subsidies via vaststelling van beleidsdocumenten, zoals het vastleggen van voorwaarden voor het masterplan Loevestein.
Onderzoek Subsidiebeleid – Bestuurlijke nota – Rekenkamer Zaltbommel – 20251016
9
-
-
Controle-instrumenten worden zelden specifiek voor subsidies ingezet; de raad handelt vooral reactief. Er zijn weinig moties of amendementen over subsidies. Wel worden af en toe schriftelijke vragen gesteld, waarmee de raad informatie opvraagt over subsidierelaties. De raad ontvangt ad-hoc informatie via losse informatienota’s, bijvoorbeeld over het ondersteuningsfonds (Klinkende Munt) en Slot Loevestein. Deze nota’s geven inzicht in subsidiebedragen, voorwaarden en verantwoording, maar zijn niet structureel. Raadsleden geven aan behoefte te hebben aan beter informatievoorzieningen via vaste rapportages of een ‘subsidiespiegel’. Nu ontbreekt het zicht op doelrealisatie en maatschappelijke effecten.
Onderzoek Subsidiebeleid – Bestuurlijke nota – Rekenkamer Zaltbommel – 20251016
10