1.4 Vast te stellen bestemmingsplan 'Zaltbommel, Fietstunnel Hogeweg - Steenweg' Bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan Zaltbommel, fietstunnel Hogeweg - Steenweg vastgesteld
bestemmingsplan Bijlagen bij toelichting
Zaltbommel, fietstunnel Hogeweg Steenweg vastgesteld 14-03-2023
bestemmingsplan Zaltbommel, fietstunnel Hogeweg - Steenweg
Inhoudsopgave
Bijlagen bij toelichting
5
Bijlage 1
Beeldkwaliteitsplan
7
Bijlage 2
Archeologisch bureauonderzoek tbv fietstunnel N322
21
Bijlage 3
Goedgekeurd programma van eisen (IVO-P)
31
Bijlage 4
Verkennend (water)bodemonderzoek tbv fietstunnel N322
65
Bijlage 5
Watercompensatietoets
215
Bijlage 6
Quickscan flora en fauna
223
Bijlage 7
Stikstofberekening
253
Bijlage 8
Onderzoek Niet-gesprongen explosieven
277
3
bestemmingsplan Zaltbommel, fietstunnel Hogeweg - Steenweg
4
bestemmingsplan Zaltbommel, fietstunnel Hogeweg - Steenweg
Bijlagen bij toelichting
5
bestemmingsplan Zaltbommel, fietstunnel Hogeweg - Steenweg
6
bestemmingsplan Zaltbommel, fietstunnel Hogeweg - Steenweg
Bijlage 1 Beeldkwaliteitsplan
7
Inpassing en Beeldkwaliteit fietstunnel Hogeweg/N322 Zaltbommel − Provincie Gelderland
Fietstunnel N322 Zaltbommel Inleiding
De onderdoorgang
De bestaande omgeving
Eisen beeldkwaliteit
Provincie Gelderland gaat een fietsonderdoorgang onder de N322 in Zaltbommel aanleggen. Deze onderdoorgang maakt onderdeel uit van de snelfietsroute Zaltbommel - ’s-Hertogenbosch. De beoogde beeldkwaliteit en inpassing van de fietstunnel wordt in dit document vastgelegd als onderdeel van de ruimtelijke procedures.
Ligging N322 in het landschap De N322 vormt een belangrijk oost-west verbinding in het rivierengebied. Zij verbindt de A27 bij Werkendam met de A2 bij Zaltbommel en verder naar het oosten richting Beneden Leeuwen met de A50 bij Nijmegen. Tussen km 28.8 en 30.5 valt de N322 op door een autonome ligging ten opzichte van het landschap. Hier speelt de functionele verbinding met de A2 de hoofdrol. De weg ligt verhoogd in het landschap, met grasbermen voorzien van laanbeplanting van essen. Richting de A2 ligt de weg geleidelijk hoger met een verharde middenberm en grasbermen die overgaan in het talud. Ten oosten van de kruising met de Steenweg-Hogeweg ligt de N322 aanzienlijk hoger dan het omliggende gebied. Het zicht op bedrijfslocaties aan de noordzijde van de N322 speelt een prominente rol. De begeleidende bomenrij aan de zuidzijde van de weg staat aan de voet van het talud zodat de boomkronen de weg ten opzichte van de omgeving camoufleren. Landschappelijke structuren De N322 ligt in het rivierenlandschap tussen Maas en Waal. De belangrijkste landschappelijke structuren in dit gebied zijn dan ook duidelijk aan het rivierenlandschap gerelateerd. Karakteristiek voor het rivierenlandschap is de afwisseling tussen besloten oeverwallen en meer open komgronden.
Rond de N322 zijn twee typen landschap te onderscheiden: Het historisch gegroeide rivierlandschap met de karakteristieke afwisseling tussen komgronden en oeverwallen. En een meer modern en functioneel landschap dat duidelijk gericht is op zakelijk en efficiënt ruimtegebruik dat weinig verbondenheid vertoont met het oorspronkelijke landschap. Bomen De gesloten bomenrij aan de zuidzijde vormt een duurzame beplanting die binnen zo kort mogelijke tijd het zicht vanuit het zuiden op de N322 wegneemt. De bomenrij beperkt de lichthinder van het verkeer vanaf de afrit A2 voor de omgeving. “Het talud van de N322 is niet steiler dan 1:2. Een getrapte uitvoering is mogelijk mits dit ten goede komt aan de aanplant van bomen.” Water In het kader van het plan D’n Tol realiseerde de gemeente Zaltbommel de waterberging ten zuiden van de N322. bon: Ambitiedocument ruimtelijke en ecologische kwaliteit N322
N322
m
g
d
rw
al
oe
ve
ko
n ro
Inpassing en beeldkwaliteit fietsonderdoorgang N322
De N322 vormt op de locatie van de onderdoorgang een grens tussen het moderne woon-werklandschap aan de noordzijde en het open rivierenlandschap aan de zuidzijde. De weg ligt in een ophoging met een bomenrij op de zuidelijke taluds om de weg te camoufleren. Daarnaast is aan de zuidzijde een waterberging aanwezig.
Algemene eisen • De vormgeving is robuust en passend bij het landschap en de plek. • Het esthetisch ontwerp moet minimaal voldoen aan de ambities, die in het architectonisch referentieontwerp naar voren komen. • In het ontwerp vormen de verschillende onderdelen van de opgave één rustig, vanzelfsprekend en samenhangend geheel en geen optelsom van losse componenten. • Overgangen tussen verschillende onderdelen en randen zijn zorgvuldig en samenhangend ontworpen en gedetailleerd. • De bomenrij wordt na realisatie weer aangevuld tot aan de tunnelwand zodat de kronen weer één gesloten scherm zullen vormen. • De oevers worden na realisatie ingericht op dezelfde wijze als de aansluitende oevers. Architectonische hoofdopzet • Kenmerkend is het contrast in de benadering van de tunnel; In het fietstraject vormt de onderdoorgang in de N322 een scherpe grens tussen de verschillende landschappen, deze contrasten zijn bij de inpassing zichtbaar gemaakt. • Aan de zuidzijde loopt het fietspad door een open landschap. Ter plaatse van de waterberging worden de wanden maximaal verlaagd om het open karakter van het landschap te blijven beleven. De waterberging wordt vergroot om de wanden van de open toerit overal dezelfde lage hoogte te kunnen geven.
• Aan de noordzijde wordt het fietspad omringd door bebouwing; hier worden de wanden hoger opgezet en doen ze tevens dienst als valbeveiliging (met locale verlagingen in het maaiveld, zie pag 9). • De toeritten en tunnel en horen qua vormgeving en karakter bij het landschap. Sociale veiligheid en verlichting • Bijzondere aandacht verdienen de sociale veiligheid en het afwerkingsniveau, omdat de tunnel op de grens met het buitengebied ligt. Daarom zijn de volgende aspecten zeer van belang: Lange zichtlijnen door en in de tunnel, schuin geplaatste wanden, het ontbreken van “dode” hoeken en een goed verlichtingsniveau in de tunnel. • De fietstunnel, tunnelmonden en de taluds zijn dusdanig vormgegeven dat zoveel mogelijk natuurlijke lichtinval in de tunnel aanwezig is. • Om de natuurlijke lichtval in de tunnel en het ruimtelijke gevoel in de onderdoorgang te verhogen, hellen alle wanden 100 naar buiten. De schuine wanden vormen een doorlopend vlak. • De tunnel en toeritten vormen samen één rechte lijn zonder knikken of bochten. • De verlichting voldoet minimaal aan de Provinciale verlichtingseisen voor SnelFietsRoutes. Robuust en onderhoudsarm, afwerkingsniveau • Het plan is zodanig gedetailleerd dat de beeldkwaliteit met normaal onderhoud bewaard kan blijven.
• Alle wanden worden afgewerkt in beton waarin in de gebruikshoogte (ca 2,3m) een reliëf is opgenomen om gedurende de levensduur gebruikssporen te verhullen. • Betonranden in het zicht zijn glad afgewerkt. • Het plan is zodanig gedetailleerd, dat vervuiling de beeldkwaliteit niet aantast. • Risico’s voor aanbrengen graffiti zijn beperkt en er zijn voorzieningen getroffen om graffiti gemakkelijk te kunnen verwijderen.
4 november 2022
blad 2 - 11
Fietstunnel N322 Zaltbommel
paginatitel vet blauw −
Hog ewe g
geplande ontwikkeling bedrijven
locatie onderdoorgang
bome
nrij
N32
2
bom
enri
j wate
Alineatekst
eg nw
ee St
rber ging
situatie vanaf akkerpad zuidzijde
situatie vanaf N322 richting A2
situatie vanaf hogeweg noordzijde
situatie vanaf N322 richting westzijde
Inpassing en beeldkwaliteit fietsonderdoorgang N322
4 november 2022
blad 3 - 11
Fietstunnel N322 Zaltbommel
onderhoudspad sifon sifon
N332
toegang waterkelder
breedte vlg benodigd bergend oppervlak
onderhoudspad waterkelder
breedte vlg benodigd bergend oppervlak
duiker
N
Bovenaanzicht onderdoorgang
Inpassing en beeldkwaliteit fietsonderdoorgang N322
4 november 2022
blad 4 - 11
Fietstunnel N322 Zaltbommel
Aanzicht zuidzijde
Inpassing en beeldkwaliteit fietsonderdoorgang N322
4 november 2022
blad 5 - 11
Fietstunnel N322 Zaltbommel
constructieve wand ODG
aanvullend keerelementen overgang tot maaiveld
Aanzicht zuidzijde, inpassing in groene omgeving met taluds
bermen visueel door laten lopen
princiepedoorsnede zuidzijde Aanzicht zuidzijde, keerwand met steenkorven
Inpassing en beeldkwaliteit fietsonderdoorgang N322
4 november 2022
blad 6 - 11
Fietstunnel N322 Zaltbommel
toegang waterkelder
Sober hekwerk in kleur aardetinten kleur als steenvulling schanskorven bovenregel en 1 tussenregel
Aanzicht zuidzijde, keerwand met steenkorven
Inpassing en beeldkwaliteit fietsonderdoorgang N322
4 november 2022
blad 7 - 11
Fietstunnel N322 Zaltbommel
toegang waterkelder
begroeide taluds (het landschap loopt visueel door)
onderhoudspad naar waterkelder uit halfverharding of grasbetontegels (het landschap loopt visueel door)
Aanzicht zuidzijde, keerwand met steenkorven
Inpassing en beeldkwaliteit fietsonderdoorgang N322
4 november 2022
blad 8 - 11
Fietstunnel N322 Zaltbommel
Verlaging maaiveld tbv valveiligheid keerwand Constructieve wand ODG Aanvullend keerelementen overgang niveauverschil tot maaiveldhoogte Indicatie toekomstige gevel bij bouwen ‘Op de perceelsgrens’
Aanzicht noordzijde, inpassing in omgeving met taluds
Princiepedoorsnede noorzijde; Door het aanbrengen van een verlaging van het maaiveld van minimaal 70cm nabij de wand is een aanvullend hekwerk niet nodig (Er blijft voldoende ruimte voor een onderhoudspad richting sifon)
Inpassing en beeldkwaliteit fietsonderdoorgang N322
Indicatie belendende bebouwing bij ‘bouwen op de perceelsgrens’
4 november 2022
blad 9 - 11
Fietstunnel N322 Zaltbommel
• • •
Sober hekwerk in kleur aardetinten kleur als steenvulling schanskorven bovenregel en 1 tussenregel openbare verlichting: lijnvormig, in hart plafond
569317 "Avignon" Aanzicht noordzijde Kering grond van de verkeersweg met steenkorven in aardetinten. Betonrelief in wanden in de zone (ca 2,3m) tussen doorgaande plint en bovenrand wand noordzijde camouflage vervuiling & schade
Inpassing en beeldkwaliteit fietsonderdoorgang N322
4 november 2022
569317 Avignon
blad 10 - 11
Wagemaker Burgemeester Burgerslaan 44/30 5245 NH Rosmalen Datum: Opsteller: Controle:
4 november 2022 , Architect , Projectleider
bestemmingsplan Zaltbommel, fietstunnel Hogeweg - Steenweg
20
bestemmingsplan Zaltbommel, fietstunnel Hogeweg - Steenweg
Bijlage 2 Archeologisch bureauonderzoek tbv fietstunnel N322
21
Fietstunnel N322 (gem. Zaltbommel) Aanvullend bureauonderzoek
© ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, maart 2021 Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld
ADC ArcheoProjecten Postbus 1513 3800 BM Amersfoort Tel 033 299 8181 Fax 033 299 8180 Email info@archeologie.nl
2
Administratieve gegevens van het onderzoeksgebied Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Kaartblad: Coördinaten:
Projectverantwoordelijke: Bevoegde overheid: Deskundige namens de bevoegde overheid: ADC-projectcode: Beheer en plaats documentatie:
Bijlage 1: Ontwerptekening Fietstunnel N322
Gelderland Zaltbommel Zaltbommel Fietstunnel N322 45A 145645; 423045 145745; 423025 145565; 422715
Gemeente Zaltbommel 4230076 ADC ArcheoProjecten
3
1
Inleiding In opdracht van Bugel Hajema heeft ADC ArcheoProjecten een bureauonderzoek uitgevoerd voor een locatie ter hoogte van de N322 in de gemeente Zaltbommel (zie afb. 1). Op deze locatie is de aanleg van een fietstunnel beoogd. Het doel was inzicht te krijgen in de vraag of bij de aanleg van de fietstunnel eventueel aanwezige archeologische resten verstoord zouden worden en of er om die reden nader archeologisch onderzoek noodzakelijk zou zijn. Dit bureauonderzoek kan worden beschouwd als aanvulling op een eerder uitgevoerd Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek, waarmee het huidige plangebied voor een groot deel overlapt.1 Projectverantwoordelijke en uitvoerder van ADC ArcheoProjecten was , senior prospector.
Afb . 1 Topografische kaart met de ligging van het plangebied.
1
Huizer, J., 2012: Verbreding en o ml eggin g N322, ge meente Zaltbo mme l. Een Bureauon der zoek en Inventariserend Veldonde rzo ek in de vorm van een verkenne nd booron der zoek. ADC-rapport 3112. Amersf oort.
4
2
Omschrijving van de ingrepen De N322 zal ten zuiden van Zaltbommel worden voorzien van een ongelijkvloerse kruising voor fietsers. Dit wordt gerealiseerd door het aanleggen van een fietstunnel onder de N322, die de ten noorden van de N322 gelegen Hogeweg zal verbinden met de Steenweg ten zuiden van de N322. De tunnel zal ter plaatse van de onderdoorgang onder de N322 het laagste punt bereiken; de onderkant van de betonnen tunnelbak bevindt zich dan enkele decimeters onder NAP (bijlage 1). Ten noorden en ten zuiden van de onderdoorgang wordt het wegdek onder talud aangelegd, waarbij de hoogte van het wegdek binnen een horizontale afstand van 90 m geleidelijk overgaat van ca. 2,5 à 3 m +NAP naar ca. 0 N AP. De tunnelbak krijgt een breedte van 8,30 m. Ten zuiden van de N322 zal aan weerszijden van de fietstunnel een sloot worden aangelegd.
3
Resultaten eerder uitgevoerd onderzoek Het in 2012 uitgevoerde bureau- en booronderzoek (Huizer 2012) betrof het onderzoek van een te verbreden en te verleggen gedeelte van de N322. Het betreffende tracédeel had een lengte van ca. 2,5 km. Het huidige plangebied, de aan te leggen fietstunnel, bevindt zich ongeveer in het midden van het in 2012 onderzochte tracé (zie afb. 2). Hoewel er volgens de literatuur diverse meandergordels (oude rivierlopen) in de ondergrond van het in 2012 onderzochte tracé aanwezig zouden zijn, is op basis van het booronderzoek gebleken dat deze voor een belangrijk deel bestaan uit kom - op beddingafzettingen. Eventuele archeologische resten werden voornamelijk op oeverafzettingen verwacht, maar deze bleken in 2012 slechts aanwezig op relatief kleine tracégedeelten in het uiterste westen en uiterste oosten van het plangebied. Alleen voor deze twee gedeelten werd vervolgonderzoek aanbevolen (afb. 2). In het gedeelte daartussen (waar zich ook een gedeelte van het huidige plangebied t.b.v. de aan te leggen fietstunnel bevindt) werden wegens het ontbreken van aanwijzingen voor oeverafzettingen in de boringen, geen vervolgonderzoek geadviseerd.
5
Afb . 2 Het huidige plangebied en het in 2012 onderzochte plangebied.
4
Extrapolatie naar het huidige plangebied De aanleg van de fietstunnel zal grotendeels plaatsvinden in het in 2012 onderzochte (en vrijgegeven) gebied. Het gedeelte wat nog niet is onderzocht, maar waar bij de aanleg van de tunnel wel verstoringen worden verwacht, betreft een strook van ca. 60 x 8,3 m ten noorden van de N322 en een strook van ca. 60 x 8,3 m ten zuiden van de N322 en twee sloten van ca. 45 x 8 m. Dit levert een totale verstoring op van ca. 1730 m 2 . Op afb. 3 is de ligging van deze te ontgraven gedeelten weergegeven. Als ondergrond is de archeologische beleidskaart van de gemeente Zaltbommel gebruikt. Het grootste gedeelte van het te ontgraven deel bevindt zich in een zone waarvoor Waarde-archeologie 3 en 4 geldt (resp. lichtgeel en bruin): hier is archeologisch onderzoek nodig bij ingrepen dieper dan 30 resp. 150 cm – mv en met een oppervlakte groter dan 2500 m 2. Daarnaast is er in het zuiden van het te ontgraven gedeelte sprake van een kleine zone (donkerroze) met Waarde -archeologie 1. Hier geldt dat archeologisch onderzoek nodig is bij ingrepen dieper dan 30 cm –mv en met een oppervlakte groter dan 30 m 2. Het gedeelte wat in deze zone valt en wordt ontgraven, heeft een oppervlakte van ca. 200 m 2. Omdat bij de huidige plannen de oppervlaktevrijstellingsgrens zal worden overschreden, geldt voor dit gedeelte een onderzoeksplicht.
6
Afb . 3 Te ontgraven gedeelten geprojecteerd op de archeologische beleidskaart van de gemeente Zaltbommel en Archis-onderzoeksmeldingen. Donkerroze = Waarde-archeologie 1, lichtgeel = Waarde-archeologie 3, b ruin = Waarde-archeologie 4. In Archis, de landelijke database waar archeologische onderzoeken worden gemeld, wordt ter plaatse van deze zone melding gemaakt van een archeologisch booronderzoek uit 20012, waar ca. 15 m ten zuidoosten van het tunneltracé een vindplaats met onder meer vuursteenfragmenten uit de periode Neolithicum/Bronstijd zijn aangetroffen.3 De aanwezigheid van deze vindplaats is er de reden van dat op een gedeelte van het destijds onderzochte perceel een zone met Waardearcheologie 1 wordt weergegeven. Overigens wordt bij de beschrijving van de onderzoeksmelding in Archis opgemerkt dat de vindplaats zich tot buiten het destijds onderzochte gebied kan uitstrekken. Voor het fietstunneltracé betekent dit dat ook ten westen en ten noorden van de donkerroze zone met Waarde -archeologie 1 rekening moet worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische resten.
2
Onderzo eksmelding-zaakidnr. 201334 6100; Boer, G.H. de, 2001: Bouwlocatie De Tol te Kerkwijk, geme ente Zaltbo mmel; een inventariserend archeolog isch onderzo ek. RAAP-brief rapport 2001-2544/RT. 3 Vondstmeldingsnr. 1072718.
7
5
Conclusies Zoals vooraf werd verwacht, bevindt een groot deel van het plangebied zich in een zo ne, die naar aanleiding van eerder archeologisch booronderzoek (Huizer 2012) werd vrijgegeven, omdat er destijds in het tracé van de N322 geen aanwijzingen waren voor de aanwezigheid van oeverafzettingen. Hoewel het voor de hand lijkt te liggen om deze geologische/archeologische situatie c.q. verwachting te extrapoleren naar het huidige plangebied, bleek volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart een klein deel van het plangebied te zijn gelegen in een zone met Waarde-archeologie 1. Hier blijkt op basis van de gegevens uit Archis een vindplaats met onder meer fragmenten vuursteen uit het Neolithicum en Bronstijd aanwezig te zijn, die zich vermoedelijk tot in het plangebied uitstrekt. Aangezien deze vindplaats volgens de beschrijving in Archis is aangetroffen op oeverafzettingen, is hier blijkbaar over korte horizontale sprake van een significant verschil in bodemopbouw.
6
Aanbevelingen In het gedeelte van het tracé dat ten zuiden van de N322 is gelegen, bestaat de kans op de aanwezigheid van een vindplaats. Bij het aanleggen van de tunnelbak en de waterpartijen bestaat een reële kans dat archeologische resten worden aangetast. Normaal gesproken dienen dergelijke civieltechnische werkzaamheden voorafgegaan te worden door een booronderzoek, maar gezien het feit dat er voor deze zone al in detail bekend is welk type archeologische resten worden verwacht en op welk stratigrafisch niveau (De Boer 2001), stellen wij voor om in overleg met de bevoegde overheid (gemeente Zaltbommel) deze fase over te slaan en ter plaatse van de zone zoals aangegeven in afb. 4 een Inventariserend Veldonderzoek in vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) uit te (laten) voeren en de onderzoeksvragen, -methoden etc. vooraf vast te leggen in een Programma van Eisen.
8
Afb . 4 Advieskaart
bestemmingsplan Zaltbommel, fietstunnel Hogeweg - Steenweg
Bijlage 3 Goedgekeurd programma van eisen (IVO-P)
31
bestemmingsplan Zaltbommel, fietstunnel Hogeweg - Steenweg
Bijlage 4 Verkennend (water)bodemonderzoek tbv fietstunnel N322
65
Rapport:
VERKENNEND (WATER)BODEMONDERZOEK Realisatie Fietstunnel N322 te Zaltbommel
Opdrachtgever:
Provincie Gelderland Postbus 9090 6800 GX Arnhem
Rapportnummer:
2003157
Rapportdatum: Status:
21 januari 2020 Definitief
Versie: 1
Auteur:
Kwaliteitscontrole:
Lankelma Geotechniek Zuid BV – afdeling milieu Putstraat 9A Middelbeers KvK. nr.: 17131641
Tel. 0499-782642 Website: www.lankelma-zuid.nl E-mail: info@lankelma-zuid.nl
IBAN: NL98ABNA0590577670 BIC ABNANL2A BTW: NL 8105.11.654.B.01
Verkennend (water)bodemonderzoek, N322 Fietstunnel Zaltbommel rapport: 2003157 versie 1, 21 januari 2020
Inhoudsopgave 1
Inleiding .......................................................................................................................................... 1 1.1 Opdrachtvorming ..................................................................................................................... 1 1.2 Doelstelling .............................................................................................................................. 1 1.3 Gevolgde richtlijnen en opbouw rapportage ............................................................................ 2 2 Vooronderzoek ............................................................................................................................... 3 2.1 Locatiegegevens ..................................................................................................................... 3 2.2 Historische informatie .............................................................................................................. 3 2.3 Gebiedsgericht beleid en/of kwaliteit grond en grondwater .................................................... 4 2.4 Regionale bodemopbouw en geohydrologie ........................................................................... 5 2.5 Bevindingen bodemonderzoeken en/of archief onderzoek .....................................................
5 2.6 Resumé ................................................................................................................................... 5 3 Hypothese en Onderzoeksstrategie ............................................................................................. 6 3.1 Hypothese ............................................................................................................................... 6 3.2 Onderzoeksstrategie ............................................................................................................... 6 4 Veldwerkzaamheden ...................................................................................................................... 8 4.1 Grond ....................................................................................................................................... 8 4.2 Grondwater .............................................................................................................................. 8 4.3 Asbest ...................................................................................................................................... 9 4.3.1 Visuele inspectie maaiveld en weersomstandigheden.................................................... 9 4.3.2 Visuele inspectie grove fractie .........................................................................................
9 4.4 Waterbodem .......................................................................................................................... 10 4.5 Afwijkingen BRL-SIKB 2000 protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018 .................................... 10 5 Analyses en resultaten laboratoriumonderzoek ....................................................................... 11 5.1 Samenstelling en analyseparameters ................................................................................... 11 5.2 Toetsingscriteria .................................................................................................................... 11 5.2.1 Generiek referentiekader Wet bodembescherming (Wbb)............................................ 11 5.2.2 Generiek referentiekader kader Besluit bodemkwaliteit (Bbk) ...................................... 11 5.2.3 Asbest in grond.............................................................................................................. 12 5.2.4 Bepaling veiligheidsklasse (CROW 400)....................................................................... 12 5.2.5 Geactualiseerd Tijdelijk handelingskader PFAS (2 juli 2020) ....................................... 13 5.2.6 Grond en baggerspecie toepassen op landbodem boven grondwaterniveau...............
13 5.2.7 Grond en baggerspecie grootschalig toepassen op de landbodem boven grondwaterniveau........................................................................................................................... 13 5.3 Toetsingen ............................................................................................................................. 14 5.3.1 Grond ............................................................................................................................. 14 5.3.2 Grondwater .................................................................................................................... 16 5.3.3 Asbest ............................................................................................................................ 16 5.3.4 Waterbodem .................................................................................................................. 17 5.3.5 PFAS ............................................................................................................................. 17 5.4 Verklaring analyseresultaten ................................................................................................. 18 5.5 Resumé en aanbeveling ........................................................................................................ 19
Bijlagen Bijlage 1: Overzichtstekening met boorlocaties Bijlage 2: Situatietekening met boorlocaties Bijlage 3: Profielbeschrijvingen Bijlage 4: Analysecertificaten Bijlage 5: Toetsingstabellen Wbb Bijlage 6: Indicatieve toetsingstabellen Bbk Bijlage 7: PFAS analyse resultaten Bijlage 8: Toetsingstabellen Waterbodem
Verkennend (water)bodemonderzoek, N322 Fietstunnel Zaltbommel rapport: 2003157 versie 1, 21 januari 2020
1 Inleiding 1.1
Opdrachtvorming
In opdracht van de Provincie Gelderland heeft Lankelma Geotechniek Zuid B.V. een verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van de N322 te Zaltbommel. De aanleiding voor het laten uitvoeren van een (water)bodemonderzoek zijn de voorgenomen reconstructiewerkzaamheden ter plaatse van de onderzoekslocatie. Als gevolg hiervan dient de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater vastgelegd te worden. Daarnaast dient door middel van onderhavig onderzoek beoordeeld te worden of aanvullende procedures noodzakelijk zijn in het kader van de Wet bodembescherming (Wbb). Opgemerkt wordt dat bij een bodemonderzoek sprake is van een steekproefsgewijze bemonstering die erop is gericht om te kunnen beoordelen of (mogelijke) bodemverontreinigingen aanwezig zijn, evenals het bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. De mogelijkheid blijft daarom bestaan dat puntverontreinigingen, welke niet voortkomen uit het historisch onderzoek, niet door het onderzoek worden aangetoond. Tevens wordt erop gewezen dat het uitgevoerde onderzoek een momentopname is. Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de Nederlandse normen NEN5740, NEN5720 en NEN5707/C2. Het veldwerk is onder certificaat uitgevoerd op grond van beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000. Tevens is de richtlijn van de CROW-publicatie 400 “Werken in en met verontreinigde grond” gevolgd.
Het hierbij behorende procescertificaat en keurmerk van Lankelma Geotechniek Zuid B.V. is van toepassing op het gehele proces van het veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, vanaf acceptatie tot aan de overdracht van de veldgegevens en monsters. Lankelma Geotechniek Zuid B.V. heeft geen binding met de opdrachtgever en de onderzoekslocatie anders dan als onafhankelijk onderzoeksbureau. Verder is zij gecertificeerd in het kader van ISO-9001 en de BRL-SIKB 2000 “veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek” en de daarbij behorende protocollen. Hierbij gelden de ten tijde van het uitvoeren van het veldwerk, vigerende versies van deze documenten. 1.2
Doelstelling
De doelstelling van het onderzoek wordt onderstaand puntsgewijs benoemd: historisch onderzoek naar bodembedreigende activiteiten/situaties binnen de locatie middels welke een inschatting wordt gemaakt of en waar op de locatie bodemverontreiniging te verwachten is; bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie; bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de (water)bodem; bepalen van de milieuhygiënische kwaliteit van de nieuwe (achterblijvende) waterbodem na de uitvoering van de werkzaamheden; bepalen of de bodem wel dan niet verdacht is voor asbest; op basis van de resultaten vaststellen of in het kader van de Wbb sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging; vaststellen van de gehalten aan PFAS in de (sterk verontreinigde) grond; bepalen van de veiligheidsklassen volgens de CROW 400.
1
Verkennend (water)bodemonderzoek, N322 Fietstunnel Zaltbommel rapport: 2003157 versie 1, 21 januari 2020
1.3
Gevolgde richtlijnen en opbouw rapportage
De werkzaamheden zijn door Lankelma Geotechniek Zuid B.V. onder certificaat uitgevoerd, te weten conform BRL-SIKB 2000 en de daaraan gekoppelde protocollen: 2001: “Plaatsen van handboringen en peilbuizen, maken boorbeschrijvingen, nemen van grondmonsters en waterpassen”; 2002: “Het nemen van grondwatermonsters” (daar waar mogelijk werkzaamheden onder grondwaterniveau zullen plaatsvinden). 2003: “Veldwerk bij milieuhygiënisch waterbodemonderzoek”; 2018: “Locatie-inspectie en monsterneming van asbest in bodem”. In de BRL SIKB 2000 wordt verwezen naar de Nederlandse normen voor bodemonderzoek die eveneens bepalend zijn voor de uitvoering van het bodemonderzoek. De belangrijkste en meest bepalende normeringen zijn de NEN5725: 2017 “Bodem-landbodem-strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek”, de NEN5717:2017 “Bodem – Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek”, de NEN5720: 2017 “Bodem - Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend onderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van waterbodem en baggerspecie“ en de NEN5740/A1: 2016 “Onderzoeksstrategie bij verkennend bodemonderzoek” en de “NEN5707/C2: 2017 “Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in de bodem en partijen grond”. Verder is bij het bepalen van de veiligheidsklassen gewerkt conform de CROW-publicatie 400 “Werken in en met verontreinigde grond”.
Voorliggend rapport presenteert de resultaten van het vooronderzoek (hoofdstuk 2), de onderzoekshypothese en –strategie (hoofdstuk 3) en de resultaten van het veldwerk (hoofdstuk 4) en analytisch onderzoek (hoofdstuk 5) en de aan het onderzoek te verbinden interpretatie van de onderzoeksresultaten incl. conclusies en aanbevelingen (hoofdstuk 5).
2
Verkennend (water)bodemonderzoek, N322 Fietstunnel Zaltbommel rapport: 2003157 versie 1, 21 januari 2020
2 Vooronderzoek Conform het onderzoeksprotocol NEN5725 is ten behoeve van de bepaling van de onderzoeksstrategie op onderhavige locaties een vooronderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit vooronderzoek zijn opgenomen in voorliggend hoofdstuk. De in paragraaf 2.1 t/m 2.5 opgenomen informatie is afkomstig van/uit: terreininspectie; Geoatlas van de Provincie Gelderland; archiefonderzoek van Lankelma Geotechniek Zuid B.V.; informatie opdrachtgever; TNO (Regis); Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME); stortplaatsen kaart van de provincie Gelderland; website www.topotijdreis.nl; website www.bodemloket.nl. Vermeld dient te worden dat de verantwoordelijkheid voor de resultaten van onderhavig onderzoek worden beperkt tot de aan deze resultaten ten grondslag liggende en op het moment van onderzoek ter beschikking staande gegevens alsmede de bij de terreininspectie geconstateerde situatie. Aanleiding en aspecten van het vooronderzoek De aanleiding voor het opstellen van onderhavig vooronderzoek sluit aan bij vooronderzoek A ‘opstellen hypothese over de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’, uit de NEN5725. 2.1
Locatiegegevens
Algemeen De onderzochte locatie bevindt zich ter hoogte van de N322 te Zaltbommel. De te onderzoeken locatie ligt globaal gezien ter hoogte van hectometerpaal 29.6. Terreininspectie Door een gecertificeerd medewerker van Lankelma Geotechniek Zuid b.v. is een terreininspectie uitgevoerd en wel voorafgaande aan de veldwerkzaamheden. De locatie is in gebruik als berm, watergang of weiland. Er zijn tijdens de terreininspectie voorafgaande aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden geen bijzonderheden (zoals verdachte plekken, artefacten of bodembeschermende voorzieningen, puin op of in de bodem, asbest op of in de bodem, asbest beschoeiingen, verzakkingen, ophogingen, verkleuringen of brandplekken) geconstateerd. 2.2
Historische informatie
Gebruik locatie: heden en verleden Uit het historisch kaartmateriaal blijkt dat er eind 19e eeuw sprake was van een gebied met een voornamelijk agrarische bestemming. Deze bestemming is in de loop van van deze eeuw gewijzigd naar een meer stedelijk gebied. De globale structuur van de N322 is te herkennen vanaf 1998 op het historisch kaartmateriaal en sinds 2016 niet significant meer gewijzigd. Uit informatie van de opdrachtgever blijkt dat in het verleden asbestverdachte grond is opgebracht ter plaatse van de zuidelijk gelegen wegberm. Deze grond is afgedekt met onverdachte grond. Voor zover bekend is deze grond niet eerder onderzocht.
3
Verkennend (water)bodemonderzoek, N322 Fietstunnel Zaltbommel rapport: 2003157 versie 1, 21 januari 2020
Voormalige stortlocatie Ter plaatse van de onderzoekslocatie is voor zover bekend geen sprake van een (voormalige) stortlocatie. Explosieven De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft voor Nederland een landelijk overzicht op een kleine schaal van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed. De onderzoekslocatie is gesitueerd in de zone ‘Overige gebieden’. Binnen deze zone kunnen resten worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen. Waterbodem De watergangen zijn gelegen langs de N322, aan beide zijden van het tracé. Binnen het projectgebied is de begrenzing tussen bodem en waterbodem aanwezig. In bijlage 2 is de ligging van de watergangen weergegeven. De watergangen kunnen worden omschreven als (afwaterings)sloot. In navolgende tabel zijn de historische gegevens van de aanwezige watergangen weergegeven. tabel 2.1 Historische gegevens watergang Adres
N338
Plaats
Duiven-Drempt
Afbakening: globale lengte en breedte (m)
Watergang SL01: 50 m lang, circa 7,5 m breed Watergang SL02: 50 m lang, circa 17,5 m breed
Afbakening: verticaal
Watergang SL01 en SL02: 0,5 meter minus onderzijde sliblaag c.q. waterbodem
Type watergang
Sloot
Bestemming omgeving
Landelijk
Ontstaan watergang
Antropogeen
Voormalige waterhuishoudkundige functie
Afvoer overtollig water
Huidige functie
Afvoer overtollig water
Toekomstige functie
Afvoer overtollig water
Stromingsrichting oppervlaktewater
Niet eenduidig
Te baggeren profiel
Niet van toepassing
Eerdere baggerwerkzaamheden
Onbekend
Puntbronnen
Onbekend
Diffuse bronnen
Wegverkeer en bebouwing
Kwaliteit aangevoerd water
Geen bijzonderheden
Sedimentatie en erosie
Nee
(Water)bodemonderzoeken
Geen voorgaande onderzoeken bekend
2.3
Gebiedsgericht beleid en/of kwaliteit grond en grondwater
Het onderhavige onderzoeksgebied is gelegen binnen een gebied waarvoor een bodemkwaliteitskaart ‘Regio Rivierenland, juli 2019’ is opgesteld. Volgens de kaart valt het onderzoeksgebied binnen de bodemfunctieklasse Landbouw/ Natuur. De milieuhygiënische kwaliteit wordt als zijnde klasse achtergrondwaarde beschouwd.
4
Verkennend (water)bodemonderzoek, N322 Fietstunnel Zaltbommel rapport: 2003157 versie 1, 21 januari 2020
2.4
Regionale bodemopbouw en geohydrologie
De regionale geohydrologische bodemopbouw is uit gegevens van het regionaal geohydrologische informatiesysteem (regis) van TNO afgeleid. Deze opbouw is weergegeven in onderstaande tabel. tabel 2.2 Diepte [m-mv] 0 – 11
Geohydrologische bodemopbouw. Formatienaam Lithologie Holocene afzetting
11 – 18
Formatie van Kreftenheye
18 – 25,5
Formatie van Beegden
25,5 – 56
Formatie van Sterksel
Complexe eenheid, bestaande uit een afwisseling van zandige klei, midden en fijn zand, klei en veen en een weinig grof zand Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei en veen Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof zand, grind en midden zand, weinig zandige klei en fijn zand, een spoor klei en kans op stenen, keien en blokken Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit grof en midden zand, weinig zandige klei, fijn zand en grind en een spoor klei
Het grondwater in het ondiepe (freatische) grondwater stroomt lokaal gezien in overwegend noordwestelijke richting. De locatie ligt niet in het intrekgebied van een grondwaterwinning c.q. een grondwaterbeschermingsgebied. 2.5
Bevindingen bodemonderzoeken en/of archief onderzoek
Op basis archiefonderzoek zijn gegevens bekend van diverse eerder uitgevoerde bodemonderzoeken in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. In onderstaande tekst zijn de bevindingen hiervan in het kort omschreven: Steenweg N322, BUS melding, BK ingenieurs, rap.nr. 151926 d.d. 7 mei 2015. Uit dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Om te aanwezige verontreiniging te verwijderen of te beheren moet gestart worden met saneren. Het is onduidelijk wat de status is van de genoemde sanering. 2.6
Resumé
Uit het vooronderzoek blijkt dat in het verleden asbestverdachte grond is opgebracht ter plaatse van de zuidelijk gelegen wegberm. Deze grond is afgedekt met onverdachte grond. Voor zover bekend is deze grond niet eerder onderzocht. Verder is er geen informatie naar voren gekomen waaruit zou kunnen blijken dat op of in de directe nabijheid van de locatie (<25 meter) sprake is, of is geweest van bedrijfsmatige activiteiten welke een bedreiging voor de (water)bodemkwaliteit zouden kunnen vormen. Algemeen kan worden gesteld dat ter plaatse van wegbermen verhoogde gehalten aan met name PAK in de grond geen uitzondering zijn. Deze kunnen variëren van licht tot sterk verhoogd en worden veelal gerelateerd aan atmosferische depositie c.q. antropogene invloeden.
5
Verkennend (water)bodemonderzoek, N322 Fietstunnel Zaltbommel rapport: 2003157 versie 1, 21 januari 2020
3 Hypothese en Onderzoeksstrategie 3.1
Hypothese
Grond Op basis van de resultaten van het vooronderzoek wordt de locatie aanzien van de grond als ‘verdacht’ gekwalificeerd. De verdachte parameters, met name zware metalen en PAK, zijn reeds opgenomen in het standaard analysespakket. De zuidelijke berm is verdacht op het voorkomen van asbest in de grond. Waterbodem Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is de watergang als zijnde ‘onverdacht’ gekwalificeerd ten aanzien van een waterbodemverontreiniging. 3.2
Onderzoeksstrategie
Grond Voor de onderzoekslocatie is bij het vaststellen van de onderzoeksstrategie de boor-, bemonsteringsen analysestrategie de ‘Onderzoeksstrategie voor een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming (VED-HE)’ gehanteerd, zoals beschreven in de NEN5740/A1. De situering en de diepte van de boringen is mede bepaald aan de hand van de beoogde ontgravingsdiepte tijdens de voorgenomen reconstructiewerkzaamheden. De boringen ter plaatse en in de directe nabijheid van de provinciale weg worden doorgezet tot een diepte van 5 m-mv. De meest noordelijk en zuidelijk gesitueerde boringen worden doorgezet tot een diepte van 1,5 m-mv. Waterbodem Voor de watergangen SL01 en SL02 is bij het vaststellen van de onderzoeksstrategie de boor-, bemonsterings- en analysestrategie gehanteerd zoals beschreven in de NEN5720 ‘Onderzoeksstrategie voor waterbodemonderzoek overig water lintvormig normale onderzoeksinspanning (OLN)’. Asbest Ter plaatse van de zuidelijke wegberm is bij het vaststellen van de onderzoeksstrategie de boor-, bemonsterings- en analysestrategie gehanteerd, zoals beschreven in de NEN5707 ‘Diffuus belaste locaties met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging’ (tabel 7). De asbestproefgaten worden met een boor (diameter 120 mm) doorgezet tot circa 1 meter in de oorspronkelijke onverdachte grondslag.
Dit kom voor de boorpunten bovenaan het talud neer op circa 3 m-mv en voor de boringen onder aan het talud op een diepte van circa 2 m-mv. In eerste instantie worden, in het kader van het worst case scenario, de meest verdachte mengmonsters geanalyseerd. PFAS Op verzoek van de opdrachtgever is verspreidt over de onderzoekslocatie 1 PFAS grondmengmonster samengesteld en geanalyseerd op PFAS. Tevens is het slib van de waterbodem SL01 geanalyseerd op PFAS. In tabel 3.1 is een overzicht opgenomen van de uit te voeren veld- en laboratoriumwerkzaamheden van het reguliere bodemonderzoek. In tabel 3.2 is een overzicht opgenomen van de uit te voeren velden laboratoriumwerkzaamheden betreffende het asbest onderzoek. tabel 3.1 Veld- en laboratoriumwerkzaamheden bodemonderzoek Oppervlak (m2) Veldwerk waterbodem 1,5 m-mv 5,0 m-mv 0,5m sliblaag < 7.000 20 x 8x 16 x
peilbuis 2x
Analyses Grond / Waterbodem 46 x NEN57401, # 2 x PFAS4 3 x NEN57203
Grondwater 2 x NEN5740
6
Verkennend (water)bodemonderzoek, N322 Fietstunnel Zaltbommel rapport: 2003157 versie 1, 21 januari 2020
1
3
#
4
Standaard NEN5740 pakket voor grond: zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink), organische parameters (PAK (som 10), M. olie, PCB (som 7)), lutum en organische stof. NEN5720: zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel, zink), PAK (10 VROM), M. olie, PCB (som 7) en lutum en gloeirest. De analyses worden uitgevoerd conform AS3000 # Opgemerkt wordt dat dit meer is dan voorgeschreven volgens de vigerende normen. Aanleiding hiervan kan bijvoorbeeld zijn het aantreffen van verschillende grondslagen, het dieper doorzetten van de boringen en/ of het aantreffen van bodemvreemde bijmengen uit de uitkomende grond.
De volgende stoffen zijn onderzocht onder de noemer PFAS: perfluorbutaanzuur (PFBA), perfluorbutaansulfonaat (PFBS), perfluorpentaanzuur (PFPeA), perfluorpentaansulfonaat (PFPeS), perfluorhexaanzuur (PFHxA), perfluorhexaansulfonaat (PFHxS), perfluorheptaanzuur (PFHpA), perfluorheptaansulfonaat (PFHpS), perfluoroctaanzuur (PFOA), perfluoroctaansulfonaat (PFOS), perfluornonaanzuur (PFNA), perfluordecaanzuur (PFDA), perfluordecaansulfonaat (PFDS), perfluorundecaanzuur (PFUnDA), perfluordodecaanzuur (PFDoDA), perfluortridecaanzuur (PFTrDA), perfluortetradecaanzuur (PFTeDA), perfluorhexadecaanzuur (PFHxDA), perfluoroctadecaanzuur (PFODA), perfluoroctaansulfonylamide(N-ethyl)acetaat, N-methylperfluoroctaansulfonamide (MeFOSA), N-methylperfluoroctaansulfonamide acetaat, perfluoroctaansulfonamide (FOSA), 10:2 fluortelomeer sulfonzuur (10:2 FTS), 4:2 fluortelomeer sulfonzuur (4:2 FTS), 6:2 fluortelomeer sulfonzuur (6:2 FTS), 8:2 fluortelomeer fosfaat diester (8:2 diPAP) en 8:2 fluortelomeer sulfonzuur (8:2 FTS).
tabel 3.2 Uitgevoerde veld- en laboratoriumwerkzaamheden asbestbodemonderzoek Oppervlak (m2) Veldwerk Analyses 0,5 m-mv 2 m-mv grondmengmonsters
plaatmateriaal
1 x < 1.000 m2 (grond)
-
#
5 asbestgaten #
-
3 x NEN5898 (grond)
De asbestproefgaten worden met een boor (diameter 120 mm) doorgezet tot circa 1 meter in de oorspronkelijke onverdachte grondslag. Dit kom voor de boorpunten bovenaan het talud neer op circa 3 m-mv en voor de boringen onder aan het talud op een diepte van circa 2 m-mv.
7
Verkennend (water)bodemonderzoek, N322 Fietstunnel Zaltbommel rapport: 2003157 versie 1, 21 januari 2020
4 Veldwerkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder procescertificaat van de BRL-SIKB 2000, conform de protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018 van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer. Evenals de daaraan gekoppelde Nederlandse Eenheidsnormen (NEN). 4.1
Grond
De veldwerkzaamheden zijn door de KWALIBO erkende personen , en uitgevoerd op 18 en 19 december 2020 (uitvoering boringen, plaatsing peilbuizen en bemonstering grond). De veldmedewerkers verklaren de (veld)werkzaamheden onafhankelijk van de opdrachtgever te hebben uitgevoerd, conform de eisen van de BRL-SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen. In tabel 4.1 zijn de uitgevoerde werkzaamheden opgenomen. tabel 4.1 Uitgevoerde werkzaamheden Boringen
Diepte [m-mv]
Filterdiepte [m-mv]
B01, B02, B21 t/m B26 B03, B04, B06 t/m B16 en B18 t/m B20 B05 B17
1,5 5,0 4,2 3,8
3,2 – 4,2 2,8 – 3,8
De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 5,0 m-mv afwisselend uit matig fijn, matig siltig zand en zwak zandige klei. Met name de bovengrond is zwak humushoudend. Plaatselijk is de bodem zwak grindig. De situering van de onderzoekslocatie en de geplaatste boringen is opgenomen in bijlage 1 en 2. Voor de complete boorbeschrijvingen wordt verwezen naar bijlage 3. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. In de uitkomende grond zijn lokaal waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. In tabel 4.2 volgt per monsternametraject een opsomming van de waargenomen bijzonderheden. tabel 4.2 Waargenomen bijzonderheden Boring B02 B10 B12 B14
4.2
Diepte boring (m -mv) 1,50 5,00 5,00 5,00
Traject (m -mv) 0,50 - 1,00 1,30 - 1,80 1,30 - 1,80 1,00 - 1,70
Grondsoort
Waargenomen bijzonderheden
Klei Zand Zand Zand
resten glas sporen puin sporen puin sporen puin
Grondwater
De peilbuizen zijn, na voldoende doorspoeling, door dhr. C. Renders bemonsterd. De toestroming tot de peilbuis was goed. Er was geen drijflaag aanwezig en tevens zijn geen verdere afwijkingen geconstateerd. In de navolgende tabel zijn de gegevens hiervan weergegeven. tabel 4.3 Peilbuisgegevens Watermonster Filterdiepte Grondwater-stand pH EC Troebelheid (m -mv) (m -mv) (-) (µS/cm) (NTU) B05-1-1 3,20 - 4,20 1,40 7,7 648 164* B17-1-1 2,80 - 3,80 2,00 7,2 695 227* *De troebelheid van het grondwater uit de peilbuis kan hoog worden genoemd. De in de NEN5744 gehanteerde waarde voor troebelheid van 10 NTU kan indicatief worden genoemd. Deze is gebaseerd op standaard factoren die zich in de natuur voordoen. Hogere troebelheden duiden op het feit dat onnatuurlijk hoge krachten op de bodemdeeltjes rond (de omstorting van) het peilfilter zijn of worden uitgeoefend. Aangezien de peilbuis recentelijk is geplaatst en het feit dat de bodemopbouw uit zeer fijn zand bestaat (lees: zeer fijne fracties) is het gemeten verhoogde NTU gehalte niet vreemd te noemen. In onderhavig geval gaan wij er vanuit dat de troebelheid wordt veroorzaakt door de in suspensie zijnde vaste (grond)deeltjes.
8
Verkennend (water)bodemonderzoek, N322 Fietstunnel Zaltbommel rapport: 2003157 versie 1, 21 januari 2020
4.3
Asbest
Veiligheid De arbeid hygiënische maatregelen tijdens het uitvoeren van het onderzoek moeten voldoen aan de voorschriften uit het Arbeidsomstandighedenbesluit (hoofdstuk 4: afdeling 1 en 2). De maatregelen zijn uitgewerkt in de CROW-publicatie 400 “Werken in en met verontreinigde grond”. Voorafgaand aan het onderzoek is een beoordeling uitgevoerd van mogelijke blootstellingsrisico’s aan schadelijke stoffen. Voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden is vastgesteld dat het bodemvochtgehalte meer dan 10% betrof. Tijdens de beoordeling van de locatie zijn geen blootstellingsrisico’s gedefinieerd. Derhalve zijn naast de standaard persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM: veiligheidsschoenen en handschoenen) geen aanvullende maatregelen getroffen c.q. PBM’s gebruikt. 4.3.1 Visuele inspectie maaiveld en weersomstandigheden De veldwerkzaamheden met betrekking tot het asbestbodemonderzoek zijn door de KWALIBO erkend persoon dhr. T van der Staak uitgevoerd op 19 december 2020. De veldmedewerker verklaart de (veld)werkzaamheden onafhankelijk van de opdrachtgever te hebben uitgevoerd, conform de eisen van de BRL-SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen. Bij de uitgevoerde inspectie van het maaiveld zijn geen bodemvreemde materialen, kleuren e.d. aangetroffen, welke een aanwijzing zou kunnen zijn voor een mogelijke bodemverontreiniging.
De inspectie efficiëntie bedraagt meer dan 25% (lees: de gehele locatie is braakliggend), op basis van de uitgevoerde visuele inspectie van het maaiveld. De weersomstandigheden kunnen als volgt worden omschreven: regenval minder dan 10 mm; geen hagel en/of sneeuwval; tussen zonsop- en -ondergang; geen mist (zicht > 50 meter). 4.3.2 Visuele inspectie grove fractie Op basis van de opgestelde onderzoeksstrategieën is een 5 tal inspectiegaten gegraven (ABG10 t/m ABG14) en verder doorgeboord tot een diepte van 5,0 m - mv. Voor de uiteindelijke situering van boringen, verwijzen wij naar bijlage 1 en 2 van dit schrijven. In bijlage 3 zijn de profielen van de boringen weergegeven. De uitkomende bodemmaterialen zijn naast de boorgaten uitgespreid en visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbesthoudende materialen. Hierbij zijn asbestverdachte materialen >20 mm aangetroffen. Vervolgens is de grond gezeefd met een grove zeef (maaswijdte 20 mm). Hierbij zijn geen asbesthoudende materialen aangetroffen. Wel zijn asbestverdachte materialen aangetroffen in de vorm van bodemvreemde bijmengingen, zijnde puin. Van de fijne fractie zijn vervolgens drie grondmonsters geselecteerd voor analyse op asbest.
Indien aangetroffen zijn alle asbestverdachte materialen op het maaiveld en per boring en/of indien van toepassing van elk soort aangetroffen asbestmateriaal verzameld en in het veld gewogen. Indien van toepassing zijn deze ter analyse op asbest aangeboden bij SYNLAB en conform de NEN5896 onderzocht. In tabel 4.4 is een overzicht weergegeven van de monsterselectie en het maximale dieptetraject. Opgemerkt dient te worden dat de betreffende monsters op boorpuntniveau niet exact op dezelfde diepte zijn bemonsterd als gevolg van de hoogteverschillen (talud). Voor het analyserapport verwijzen wij naar bijlage 4. Tabel 4.4 Monsterselectie boringen Analysemonster MMABG1 MMABG2 MMABG5
Max. traject (m -mv) 1,0 - 1,8 0,5 - 1,3 1,7 - 2,4
Boringen
Analysepakket
ABG10, ABG12 en ABG14 ABG10, ABG12 en ABG14 ABG12 en ABG14
Grond: 10-12.5 kg Grond: 10-12.5 kg Grond: 10-12.5 kg
9
Verkennend (water)bodemonderzoek, N322 Fietstunnel Zaltbommel rapport: 2003157 versie 1, 21 januari 2020
4.4
Waterbodem
De veldwerkzaamheden zijn door de KWALIBO erkend persoon uitgevoerd op 29 oktober 2020 (uitvoering boringen en bemonstering waterbodem / vaste bodem). De veldmedewerker verklaart de (veld)werkzaamheden onafhankelijk van de opdrachtgever te hebben uitgevoerd, conform de eisen van de BRL-SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen. Samengevat zijn ten behoeve van het onderzoek de onderstaande werkzaamheden verricht. tabel 4.5 Uitgevoerde werkzaamheden Deellocatie/ watergang Watergang SL01
Watergang SL01
4.5
Boring m.b.v. zuigerboor) SL01 SL02 SL03 SL04 SL05 SL06 SL07 SL08 SL09 SL10 SL01 SL02 SL03 SL04 SL05 SL06 SL07 SL08 SL09 SL10
Dikte waterkolom (m) / dikte sliblaag (m)]
Vaste bodem (m)
1,00 / 0,10 sliblaag 1,00 / 0,10 sliblaag 1,00 / 0,10 sliblaag 1,00 / 0,10 sliblaag 1,00 / 0,10 sliblaag 1,00 / 0,10 sliblaag 1,00 / 0,10 sliblaag 1,00 / 0,10 sliblaag 1,00 / 0,10 sliblaag 1,00 / 0,10 sliblaag 0,50 / geen sliblaag 0,50 / geen sliblaag 0,50 / geen sliblaag 0,50 / geen sliblaag 0,50 / geen sliblaag 0,50 / geen sliblaag 0,50 / geen sliblaag 0,50 / geen sliblaag 0,50 / geen sliblaag 0,50 / geen sliblaag
0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5 0,5
Afwijkingen BRL-SIKB 2000 protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018
Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden zijn geen kritieke afwijkingen opgetreden in het kader van de BRL SIKB 2000 protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018. Opgemerkt wordt dat de troebelheid niet op de onderzoekslocatie is gemeten maar ten kantore van Lankelma te Oirschot. Het grondwatermonster wordt pas dan genomen, wanneer conform de NEN5744 en het protocol 2002 is voldaan aan de overige gestelde eisen. Het meten van de troebelheid vindt als laatste handeling plaats, voorafgaande aan de daadwerkelijke monstername van het grondwater. Deze laatste stap wordt door Lankelma dus omgedraaid. Hetgeen verder niet van invloed kan zijn op de daadwerkelijk gemeten waarde. Derhalve wordt dit niet als een kritieke afwijking beschouwd. Gezien de spoedeisendheid van het project is afgeweken van BRL-SIKB 2000 protocol 2002. Het grondwater is direct na de plaatsing van de peilbuizen, na goed doorspoelen, bemonsterd. Daar er slechts een enkele licht verhoogde concentratie is aangetroffen in het grondwater, wordt aangenomen dat het in acht nemen van de voorgeschreven week rusttijd geen significant ander beeld zou hebben opgeleverd. Deze afwijking wordt derhalve als een niet kritieke afwijking beschouwd en heeft geen invloed op de conclusie versus het doel van dit bodemonderzoek.
10
Verkennend (water)bodemonderzoek, N322 Fietstunnel Zaltbommel rapport: 2003157 versie 1, 21 januari 2020
5 Analyses en resultaten laboratoriumonderzoek 5.1
Samenstelling en analyseparameters
De grondmengmonsters zijn in het laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. in Rotterdam (door de RvA erkend) chemisch geanalyseerd. De analyses zijn uitgevoerd conform Accreditatieschema AS3000. Het aantal samengestelde en/of analytisch onderzochte grondmengmonsters en waterbodemmonsters is in overeenstemming met de onderzoeksstrategie zoals opgenomen in hoofdstuk 3. De analysecertificaten zijn weergegeven in bijlage 4. De resultaten zijn getoetst aan de achtergrondwaarden en interventiewaarden en weergegeven in bijlage 5. In bijlage 6 is de indicatieve toetsing weergegeven conform het Besluit bodemkwaliteit. 5.2
Toetsingscriteria
Teneinde de mate van verontreiniging van de bodem te kunnen beoordelen, zijn de chemische analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters getoetst aan de richtlijnen die zijn vastgesteld door het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (de zogenaamde generieke referentiewaarden). 5.2.1 Generiek referentiekader Wet bodembescherming (Wbb) De gehalten en concentraties van de milieuschadelijke stoffen in respectievelijk de grond- dan wel grondwatermonsters worden gerelateerd aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering (Per 1 juli 2013), die een onderdeel vormt van de Wet bodembescherming (Wbb). Bij de referentiewaarden wordt onderscheid gemaakt in zogenaamde generieke ofwel landelijke achtergrondwaarden (in geval van grond), streefwaarden (in geval van grondwater) en de interventiewaarden (zowel grond als grondwater): achtergrondwaarde (grond) of S-waarde (grondwater) ½ (AW of SW+I) waarde of bodemindex
=
waarde voor een schone, multifunctionele bodem
=
interventiewaarde of I-waarde
=
Waarde waarbij men een aanvullend/nader onderzoek in overweging dient te nemen ((achtergrond- of streefwaarde + interventiewaarde) / 2) interventiewaarde voor sanering(sonderzoek)
De referentiewaarden voor grond zijn mede afhankelijk gesteld van het gehalte lutum (fractie <2m) en organische stof. Dit betekent dat bij elk (verkennend) bodemonderzoek de gemeten waarden moeten worden omgerekend als zijnde “standaard bodem” (10% organische stof en 25% lutum). De omgerekende waarden worden vervolgens getoetst aan de vigerende referentiewaarden. Ten aanzien van de resultaten van de toetsing wordt in voorliggend rapport de volgende terminologie gehanteerd: licht verhoogd gehalte: gehalte tussen de achtergrondwaarde (grond) c.q. streefwaarde (grondwater) en de ½ (AW+I) waarde; matig verhoogd gehalte: gehalte tussen de ½ (AW of SW+I) waarde of bodemindex en gelijk interventiewaarde; sterk verhoogd gehalte: gehalte groter dan de interventiewaarde. 5.2.2 Generiek referentiekader kader Besluit bodemkwaliteit (Bbk) Bij het op basis van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) toepassen van een partij grond, volgens het generieke toetsingskader, spelen de kwaliteit en de functie van de ontvangende bodem een belangrijke rol. In verband met hergebruiksmogelijkheden van de grond voor een toepassing als zijnde landbodem, zijn de in de grond(meng)monsters gemeten gehalten indicatief getoetst aan de waarden afkomstig uit de Regeling bodemkwaliteit (Bijlage B, tabellen 1 en 2). Dit is geschied met behulp van het toetsingsinstrument BoToVa (Bodemtoets- en validatieservice).
Ten aanzien van de resultaten van de toetsing wordt in voorliggend rapport de volgende terminologie gehanteerd: 11
Verkennend (water)bodemonderzoek, N322 Fietstunnel Zaltbommel rapport: 2003157 versie 1, 21 januari 2020
achtergrondwaarden: grond die vrij toepasbaar is bij elke bodemfunctie en elke bodemkwaliteit; wonen: grond kan worden toepast bij de bodemfuncties en bodemkwaliteiten ‘wonen’ en ‘industrie’; industrie: grond kan worden toegepast bij bodemfunctie en bodemkwaliteit ‘industrie’; niet toepasbaar: grond kan niet elders worden toegepast en dient te worden afgevoerd naar een erkend verwerker.
5.2.3 Asbest in grond De resultaten van het asbestonderzoek ‘grond’ zijn getoetst aan interventiewaarde opgenomen in bijlage B (grond en baggerspecie) van de Regeling bodemkwaliteit. Deze is van toepassing wanneer men de grond wil hergebruiken. In deze bijlage is opgenomen dat een concentratie van 100 mg/kgds wordt gehanteerd. Dit op basis van de gewogen norm (concentratie serpentijn asbest + 10 x concentratie amfibool asbest). In de NEN5707 (2017) is opgenomen dat indien het asbestgehalte kleiner is dan de helft van de interventiewaarde (afkomstig uit de Circulaire bodemsanering), het statistisch aannemelijk is dat ook in een nader onderzoekstraject de interventiewaarde niet zal worden overschreden. In deze gevallen geldt er geen noodzaak tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest. Bij een asbestgehalte groter dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. De hoogst bepaalde waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. 5.2.4 Bepaling veiligheidsklasse (CROW 400) Vanaf 1 januari 2019 is, tijdens het werken in de grond of met verontreinigd(e) grond(water), de CROW publicatie 400 van toepassing. Deze publicatie geeft bedrijven handvatten om de risico’s van blootstelling aan stoffen tijdens het werken met of in verontreinigde bodem te onderzoeken.
Er zijn echter geen ‘standaardpakketten’ maatregelen, die gekoppeld zijn aan de veiligheidsklasse. Bedrijven moeten voor elk project zelf maatregelen ‘op maat’ bepalen, op basis van het actuele risico. Deskundigen kunnen ondernemers hierbij ondersteunen. Er dient een Veiligheids- en Gezondheidsplan (V&G-plan) op gesteld te worden voor de specifieke situaties in het betreffende project met daarin op te nemen voldoende maatregelen om de veiligheid van de werknemer te borgen. Verder is de publicatie in een sterke samenhang met milieuwetgeving opgesteld. Op basis van voorgaande bevat de CROW 400 een methode die de werkzaamheden indeelt in een veiligheidsklasse, op basis van aanwezige verontreinigingen. De indeling in een veiligheidsklasse uit CROW 400 is gebaseerd op: het gehalte van de aanwezige verontreinigingen; de vraag of het om vluchtige of niet-vluchtige stoffen gaat; de aan- of afwezigheid van voldoende ventilatie (in geval van vluchtige stoffen); de aan- of afwezigheid van kankerverwekkende of mutagene stoffen (inclusief asbest). SRC-humaan waarden (Serious Risk Concentration-humaan waarden) zijn het uitgangspunt om de veiligheidsklasse te bepalen op basis van het gehalte stoffen in de bodem. ‘Humaan’ betekent: gebaseerd op de mogelijke gezondheidsrisico’s voor de mens. Voor vluchtige stoffen wordt uitgegaan van Interventiewaarden.
CROW 400 onderscheidt deze zes veiligheidsklassen: Oranje – niet-vluchtig: tussen 75% en 100% van de SRC-humaan waarde; Oranje – vluchtig: lager dan interventiewaarden, maar hoger dan de ½ (AW of SW+I) waarde of bodemindex; Rood – niet-vluchtig: hoger dan de SRC-humaan waarde en/of de aanwezige CM-stof *: minder dan 1.000 milligram per kilo; Rood – vluchtig: hoger dan de Interventiewaarde en voldoende ventilatie; Zwart – niet-vluchtig: hoger dan de SRC-humaan waarde en/of de aanwezige CM-stof*: meer dan 1.000 milligram per kilo en/of asbest meer dan 100 milligram per kilo; Zwart – vluchtig: hoger dan de Interventiewaarde en onvoldoende ventilatie. * Kankerverwekkende of mutagene stof
Naast de genoemde veiligheidsklasse kan er sprake zijn van werken die vallen buiten een veiligheidsklasse. Deze vallen in dit schrijven onder de benaming “geen veiligheidsklasse”.
12
Verkennend (water)bodemonderzoek, N322 Fietstunnel Zaltbommel rapport: 2003157 versie 1, 21 januari 2020
Door middel van onderhavige bodemonderzoek worden de voorlopige veiligheidsklasse op basis van de richtlijnen van de regeling vastgesteld. Deze vormen de basis van een op te stellen ontwerp V&Gplan. Ten tijde van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden zal de aannemer een definitief V&G-plan (uitvoeringsfase) opstellen. Alhier wordt opgemerkt dat basishygiëne en basiskennis ook van toepassing is bij werk buiten een veiligheidsklasse. 5.2.5 Geactualiseerd Tijdelijk handelingskader PFAS (2 juli 2020) In het geactualiseerd tijdelijk handelingskader PFAS zijn de toepassingsnormen opgenomen. De toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem boven grondwaterniveau zijn in onderstaande tabel 5.1 opgenomen. Voor andere toepassingen wordt verwezen naar het geactualiseerd tijdelijk handelingskader PFAS (2 juli 2020). Tabel 5.1: Toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem boven grondwaterniveau1 (in µg/kg d.s.) – categorie 4.1 uit tabel 12 Kwaliteitsklasse in de zin van het Besluit bodemkwaliteit landbouw/natuur