CConstaterende datZaanstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Verordening op het Referendum Zaanstad 2019 (2019-19801)

Raadsvergadering 3 februari 2022, gemeente ZaanstadBij agendapunt: Referendumverordening5.692 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

2021/2178 (origineel 2019/19801)

Verordening op het Referendum Zaanstad 2019 De raad van de gemeente Zaanstad; gelet op de artikelen 84, 149 en 154 van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de Referendumverordening Zaanstad

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen Artikel 1. Het referendum 1. Een referendum is een volksstemming waarbij kiesgerechtigden zich uitspreken over een ontwerp raadsbesluit. 2. Een referendum kan worden gehouden op initiatief van de raad dan wel op initiatief van kiesgerechtigden.

Artikel 2. Toepassingsgebied Een referendum wordt gehouden onder de kiesgerechtigden van het hele grondgebied van de gemeente Zaanstad.

Hoofdstuk 2 Referendumonderwerpen Artikel 3. Uitzonderingen Onderwerp van een referendum is een ontwerp raadsbesluit met uitzondering van besluiten: a. in bezwaar- en beroepsprocedures en besluiten tot het voeren van rechtsgedingen; b. over individuele kwesties, zoals benoemingen, ontslagen, schorsingen, kwijtscheldingen, schenkingen; c. over de vaststelling, wijziging of intrekking van de arbeidsvoorwaardenregeling en daaruit voortvloeiende besluiten met betrekking tot de griffier en de medewerkers van de griffie; d. over rechtspositionele regelingen, en besluiten over geldelijke voorzieningen voor ambtsdragers, gewezen ambtsdragers, en hun nabestaanden; e. over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en de rekening; f. over het voor kennisgeving aannemen van notities en rapporten; g. in het kader van deze verordening; h. over de vaststelling van gemeentelijke tarieven en belastingen; i. die naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder genomen besluit waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden; j. ter uitvoering van een besluit van het Rijk of de provincie waarbij de raad geen beleidsvrijheid heeft; k. waarvan de raad van mening is dat er andere zwaarwegende redenen zijn om er geen referendum over te houden.

Hoofdstuk 3 Referendumcommissie Artikel 4. Samenstelling referendumcommissie

2019/19801 1. 2. 3. 4. 5. 6.

De raad stelt een referendumcommissie in en benoemt haar leden. De referendumcommissie bestaat uit ten minste drie leden en kiest uit haar midden een voorzitter. De referendumcommissie wordt ondersteund door een door de griffier aan te wijzen medewerker van zo mogelijk de griffie. De voorzitter en de leden van de referendumcommissie maken geen deel uit van of zijn werkzaam onder verantwoordelijkheid van de gemeente Zaanstad. De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Aftredende leden kunnen worden herbenoemd, met een maximum van drie termijnen. De leden ontvangen presentiegeld en/of een uurvergoeding voor overige werkzaamheden.

Artikel 5. Taken en vergaderingen referendumcommissie 1. De referendumcommissie heeft tot taak: a. de raad te adviseren over: 1°. de toelaatbaarheid van een onderwerp waarover is voorgesteld of verzocht een referendum te houden; 2°. de vraagstelling van een referendum inclusief beide antwoordmogelijkheden; en 3°. de datum van het te houden referendum; b. de voorzitter van de raad te adviseren over: 1°. de papieren en digitale ondersteuningsformulieren; c. burgemeester en wethouders te adviseren over: 1°. de stembiljetten; en 2°. de verstrekking van subsidies als bedoeld in artikel 10; d. toezicht te houden op: 1°. de uitvoering van deze verordening, en 2°. het neutrale karakter van de door de gemeente te verstrekken voorlichting over het referendum; e. klachten te behandelen in het kader van de toezichttaak, genoemd onder d; f. binnen drie maanden na de dag waarop het referendum is gehouden dan wel binnen drie maanden nadat duidelijk is dat geen referendum plaatsvindt, een evaluatie uit te brengen over het referendumproces. 2. De referendumcommissie kan gevraagd en ongevraagd advies uitbrengen over zaken die het referendum betreffen. 3. De referendumcommissie vergadert in beslotenheid. 4. De adviezen van de referendumcommissie zijn openbaar.

Hoofdstuk 4 Initiatief tot het houden van een referendum Artikel 6. Initiatief van de raad 1. De raad kan het initiatief nemen en besluiten tot het houden van een referendum. 2. Zo spoedig mogelijk nadat dit besluit is genomen, behandelt de raad het ontwerp raadsbesluit waarover het referendum zal worden gehouden. Het ontwerp raadsbesluit zoals dat luidt na verwerking van eventuele aangenomen amendementen, wordt vervolgens aangehouden tot de eerstvolgende vergadering na de dag waarop de uitslag van het referendum is bekendgemaakt. Artikel 7. Initiatief van kiesgerechtigden, stap 1: inleidend verzoek

2019/19801 1. 2. 3.

4. 5.

6. 7. 8.

Kiesgerechtigd voor het inleidend verzoek zijn inwoners van Zaanstad die stemgerechtigd zijn voor de raadsverkiezingen op de dag dat het formulier als bedoeld in het vijfde lid wordt verstrekt. Kiesgerechtigden kunnen middels een inleidend verzoek schriftelijk aangeven dat zij een initiatief willen nemen tot een referendum over een ontwerp raadsbesluit. Het inleidend verzoek moet ten minste 5 dagen vóór de raadsvergadering waarvoor het besluit is geagendeerd bij de voorzitter van de raad schriftelijk worden ingediend. Het inleidend verzoek gaat vergezeld van ten minste 1.000 geldige ondersteuningsverklaringen van kiesgerechtigden. Een ondersteuningsverklaring bestaat uit een handtekening met bijbehorende naam, adres, woonplaats en geboortedatum. Ondersteuningsverklaringen worden geplaatst op een daartoe door de voorzitter van de raad verstrekt formulier waarop de titel van het ontwerp raadsbesluit is opgenomen plus eventueel een beknopte beschrijving van het onderwerp. De voorzitter van de raad controleert de ondersteuningsverklaringen op kiesgerechtigdheid aan de hand van naam, adres, woonplaats en geboortedatum. De raad beslist of het inleidend verzoek tot het houden van een referendum wordt ingewilligd. Als het verzoek wordt ingewilligd, behandelt de raad het ontwerp raadsbesluit waarop het verzoek zich richt.

Het ontwerp raadsbesluit zoals dat luidt na verwerking van eventuele aangenomen amendementen, wordt vervolgens aangehouden tot de eerstvolgende vergadering na de dag waarop de uitslag van het referendum is bekendgemaakt, tenzij eerder negatief over de ontvankelijkheid van het referendumverzoek wordt beslist.

Artikel 8. Initiatief van kiesgerechtigden, stap 2: definitief verzoek 1. Kiesgerechtigd voor het definitief verzoek zijn inwoners van Zaanstad die op de dag dat de raad het inleidend verzoek heeft ingewilligd stemgerechtigd zijn voor de raadsverkiezingen. 2. Een definitief verzoek om een referendum te houden wordt ingediend door ten minste 5.000 kiesgerechtigden binnen een uiterlijke termijn van 6 weken. Deze termijn begint twee werkdagen na de dag waarop de raad op basis van de kennisgeving heeft besloten dat over een te nemen ontwerp raadsbesluit een referendum kan worden gehouden. 3. Artikel 7, derde tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing. In aanvulling op artikel 7, vijfde lid, voorziet de gemeente in de mogelijkheid om digitale ondersteuningsverklaringen in te dienen. Deze digitale mogelijkheid komt zoveel mogelijk overeen met het papieren ondersteuningsformulier. 4. De voorzitter van de raad maakt wekelijks bekend hoeveel geldige ondersteuningsverklaringen zijn ingediend. 5. De voor het inleidend verzoek verzamelde handtekeningen tellen niet mee voor het definitief verzoek om een referendum te houden. 6. In de eerstvolgende vergadering van de raad na afloop van de termijn, bedoeld in het tweede lid, neemt de raad een besluit over het houden van het referendum.

Hoofdstuk 5 Datum en vraagstelling Artikel 9. Datum referendum 1. De raad bepaalt tegelijk met het besluit om een referendum te houden, of zo spoedig mogelijk daarna, de dag waarop het referendum plaatsvindt. 2. Het referendum vindt plaats uiterlijk 5 maanden nadat besloten is tot het houden van een referendum.

2019/19801 3.

4.

De raad kan deze termijn met ten hoogste twee maanden verlengen om de stemming te combineren met een reguliere verkiezing of om te voorkomen dat de stemming in een door de minister vastgestelde schoolvakantie voor het basis- en voortgezet onderwijs in regio Noord Nederland valt. Er kunnen twee of meer referenda op dezelfde dag worden gehouden.

Artikel 10. Vraagstelling referendum 1. De raad stelt tegelijk met het besluit om een referendum te houden, of zo spoedig mogelijk daarna, de vraagstelling en beide antwoordmogelijkheden vast. 2. De vraagstelling kan geen betrekking hebben op afzonderlijke onderdelen van het ontwerp raadsbesluit. 3. Aan kiesgerechtigden wordt de vraag voorgelegd of zij vóór of tegen het ontwerp raadsbesluit zijn. Als het ontwerp raadsbesluit twee inhoudelijke oplossingsrichtingen betreft, wordt kiesgerechtigden gevraagd hun voorkeur uit te spreken voor een van de twee inhoudelijke oplossingsrichtingen. 4. De vraagstelling wordt weergegeven op de stempas, de kiezerspas en het volmachtbewijs.

Hoofdstuk 6 Budget en subsidie Artikel 11. Budget en subsidieplafond 1. De gemeentebegroting bevat een voorziening om de kosten van ten minste één referendum per jaar te kunnen dekken. 2. Onmiddellijk nadat is besloten tot het houden van een referendum, stelt de raad een budget vast voor de organisatie van en de voorlichting over het referendum. 3. Tegelijk met het budget stelt de raad het subsidieplafond vast voor activiteiten ter ondersteuning van het publieke debat en de meningsvorming over het onderwerp waarop het referendum betrekking heeft. Dit budget wordt onderverdeeld in drie gelijke deelplafonds voor activiteiten die tot doel hebben: a. de kiesgerechtigden te laten stemmen voor het ontwerp raadsbesluit dan wel een van de oplossingsrichtingen; b. de kiesgerechtigden te laten stemmen tegen het ontwerp raadsbesluit dan wel een van de oplossingsrichtingen, en c. het debat over het ontwerp raadsbesluit of oplossingsrichtingen op neutrale wijze te bevorderen. 4. Burgemeester en wethouders maken het subsidieplafond en de deelplafonds en de begin- en einddatum van de aanvraagtermijn, plus een redelijke termijn waarop eventuele onvolledige aanvragen dienen te worden aangevuld, bekend. 5. Op subsidies verstrekt op grond van deze verordening is de Algemene subsidieverordening (ASV) Zaanstad 2018 niet van toepassing. Artikel 12. Subsidiecriteria 1.

Subsidie wordt uitsluitend verstrekt aan: a. collectieven van ten minste vier kiesgerechtigden (in de zin van artikel 16, lid 1); en b. rechtspersonen, met uitzondering van politieke groeperingen als bedoeld in hoofdstuk G van de Kieswet 2. Niet voor subsidie komen in aanmerking activiteiten die:

2019/19801

3. 4. 5. 6.

a. geheel of gedeeltelijk plaatsvinden na de dag van stemming; b. met winstoogmerk worden ondernomen; c. die zijn begonnen voordat over de subsidieaanvraag is beslist. De subsidie wordt verstrekt ter bekostiging van materiële kosten tot een maximum van € 2.000,Loonkosten of kosten voor eigen arbeid komen niet in aanmerking voor subsidie. Indien loonkosten voor externe professionals noodzakelijk zijn, dan worden deze gemaximeerd op € 35,00 per uur met een maximum van 15 uur per campagne-activiteit. Subsidieverlening vindt plaats aan de hand van de volgende criteria: a. de activiteiten leveren naar redelijke verwachting een bijdrage aan het publieke debat en de meningsvorming; en b. de activiteiten zijn voldoende voor het publiek toegankelijk en/of de uitingen zijn voldoende openbaar; en c. de activiteiten zijn vooraf bekend gemaakt bij het publiek, althans wanneer de activiteiten zich daar redelijkerwijs voor lenen; en d. er is sprake van voldoende spreiding over aanvragers, soort en inhoud van de activiteiten; en e. het gevraagde bedrag staat in redelijke verhouding tot het product of het verwachte resultaat van de activiteit.

Artikel 13. Subsidieaanvragen Burgemeester en wethouders stellen een aanvraagformulier beschikbaar welke een opgave bevat van de volgende gegevens: a. de aard en inhoud van de activiteit en of deze in de zin van artikel 11, lid 3, voor het ontwerp raadsbesluit of een van de oplossingsrichtingen, tegen het ontwerp raadsbesluit of een van de oplossingsrichtingen of neutraal is; b. de wijze waarop een bijdrage aan het publieke debat en de meningsvorming wordt gerealiseerd en het beoogde publieksbereik van de bijdrage; c. een gespecificeerde begroting die inzicht geeft in de geraamde inkomsten en uitgaven voor zover deze betrekking hebben op de activiteit; d. een zo concreet mogelijke tijdsplanning; e. de rechtsvorm, de statutaire naam, en het vestigingsadres van de rechtspersoon namens welke de aanvraag wordt gedaan en de handtekeningen van degene(n) die bevoegd is/zijn de rechtspersoon te vertegenwoordigen; f. indien het een collectief van kiesgerechtigden betreft: de achternaam, voorletter(s), het adres, de woonplaats, de geboortedatum en de handtekening van vier kiesgerechtigden; en g. het rekeningnummer waarop het subsidiebedrag bij toekenning overgemaakt dient te worden. Artikel 14. Subsidieverlening en vaststelling 1. Een week na afloop van de sluitingsdatum van de aanvraagtermijn beslissen burgemeester en wethouders, over de subsidieverlening. 2.

De verleende subsidie wordt uitgekeerd in de vorm van een voorschot. 3. Uiterlijk acht weken na het referendum dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in. De aanvraag bevat een inhoudelijk verslag of bewijsstukken waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht. 4. Burgemeester en wethouders besluiten uiterlijk acht weken na de datum van de aanvraag over de vaststelling van de subsidie.

2019/19801 Hoofdstuk 7 De procedure van de voorbereiding, de stemming en de uitslag Artikel 15. Uitvoering Het college van burgemeester en wethouders is belast met de uitvoering van het raadsbesluit tot het houden van een referendum. Artikel 16. Procedures stemming 1. Kiesgerechtigd voor het referendum zijn inwoners van Zaanstad die op de drieënveertigste dag voor de dag waarop het referendum wordt gehouden kiesgerechtigd zijn voor de raadsverkiezingen. 2. De bepalingen van de Kieswet en het Kiesbesluit zijn op de gang van zaken bij het referendum van overeenkomstige toepassing. Artikel 17. Uitslag 1. Het centraal stembureau berekent de uitslag van het referendum en geeft aan hoeveel stemmen voor en tegen het ontwerp raadsbesluit zijn uitgebracht, alsmede het aantal blanco en ongeldige stemmen en het aantal stemmen bij volmacht. Tevens stelt het stembureau vast of een meerderheid voor dan wel tegen het voorgenomen raadsbesluit dan wel een van de voorgelegde oplossingsrichtingen heeft gestemd; hierbij worden blanco en ongeldige stemmen buiten beschouwing gelaten. 2. Het centraal stembureau brengt de uitslag over aan de raad, vergezeld van het proces-verbaal, en maakt beide onverwijld bekend op een algemeen toegankelijke wijze. 3.

De raad doet op basis van het door het centraal stembureau vastgestelde proces-verbaal een uitspraak over de vraag of de stemming op wettige wijze is geschied.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen Artikel 18. Strafbepaling Met een hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie wordt gestraft degene die: a. stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen namaakt of vervalst met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; b. stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen die hij zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of vervalsing hem, toen hij deze ontving, bekend was, opzettelijk als echt en onvervalst gebruikt of door anderen doet gebruiken; c. stembiljetten, volmachtbewijzen of stempassen voorhanden heeft met het oogmerk om deze wederrechtelijk te gebruiken of door anderen te doen gebruiken; d. als gemachtigde stemt voor een persoon, wetende dat deze is overleden; e. bij een referendum door gift of belofte een kiesgerechtigde omkoopt om volmacht te geven tot het uitbrengen van zijn stem; f. stelselmatig personen aanspreekt of anderszins persoonlijk benadert teneinde hen te bewegen het formulier op hun stempas, bestemd voor het stemmen bij volmacht, te ondertekenen en deze kaart af te geven. Artikel 19. Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de 8 e dag na die van de bekendmaking.

2019/19801 2.

De Referendumverordening (19 februari 1998) wordt gelijktijdig met de inwerkingtreding van de Referendumverordening 2019 ingetrokken.

Artikel 20. Citeertitel 1. Deze verordening wordt aangehaald als: Referendumverordening Zaanstad. Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van .. De voorzitter, De griffier,

2019/19801 Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Het referendum Hier wordt toegelicht wat een referendum is. Daarnaast wordt aangegeven dat er twee verschillende referenda mogelijk zijn. Eén referendum waarbij het initiatief wordt genomen door de gemeenteraad, ook wel raadplegend referendum genoemd, en één waarbij de kiesgerechtigde inwoners van Zaanstad het initiatief nemen, het zogenoemde raadgevend referendum. Artikel 2 Toepassingsgebied Een referendum wordt gehouden onder alle kiesgerechtigde inwoners van de gemeente Zaanstad. Een referendum houden onder een deel van de inwoners is principieel onwenselijk en praktisch niet goed uitvoerbaar. Dit zal altijd leiden tot discussie over de exacte reikwijdte van het referendumonderwerp en daardoor wie wel mag meestemmen en wie niet. Het principiële uitgangspunt is dat de gemeente Zaanstand een enkele, ondeelbare gemeenschap van burgers is. Artikel 3 Uitzonderingen Bepaalde onderwerpen waarover de raad een besluit kan nemen, lenen zich niet of althans minder goed voor een referendum. Deze onderwerpen zijn als uitzondering opgenomen. De lijst is mede gebaseerd op de referendumverordeningen en ervaringen van andere gemeenten.

De uitzondering voor het vaststellen van belastingen of leges gaat overigens niet zo ver, dat elk ontwerp raadsbesluit waarin gesproken wordt over het opleggen van of wijzigen van een belasting of leges daardoor automatisch niet referendabel is. Een voorstel over het parkeerbeleid van de gemeente zal bijvoorbeeld veel aspecten, inclusief financiële, omvatten (wel of niet betaald parkeren, op welke tijden, parkeergarages, autodeelmogelijkheden etc.) maar in wezen niet om belastingen of leges gaan, waardoor deze uitzonderingsgrond niet van toepassing is. De uitzonderingsgrond dat er al een eerdere mogelijkheid voor een referendum is geweest, ziet met name op grote (infrastructurele) projecten waarbij in de loop van de tijd aanvullende besluiten worden genomen. In de vorige referendumverordening van de gemeente was de algemene uitzonderingsgrond uit artikel k nog verder uitgewerkt in een bepaling die ziet op spoedeisende gemeentelijke belangen en een bepaling die ziet op besluiten waarbij het belang van het referendum niet opweegt tegen de verantwoordelijkheid van de raad voor kwetsbare groepen en hun plaats in de samenleving. Deze twee bepalingen zijn geschrapt, omdat deze vallen onder de bepaling onder k. Bij gebruikmaking van de algemene uitzonderingsgrond is de motivering bijzonder belangrijk en heeft de gemeenteraad een aanzienlijke ‘bewijslast’.

De referendumcommissie heeft overigens een belangrijke rol bij de advisering over de toepassing van met name deze uitzonderingsgrond. Omdat de raad beoordelingsvrijheid heeft, toetst de rechter terughoudend (zie ABRvS 23-04-2014, ECLI:NL:RVS:2014:1402). Zie verder voor de toepassing van een vergelijkbare maar ruimere uitzonderingsgrond Rb Oost-Brabant, ECLI:NL:RBOBR:2016:3494 (asielzoekerscentrum Den Bosch): de raad kon in redelijkheid tot het oordeel komen dat het inleidend verzoek moest worden afgewezen. In Rb Noord-Holland ECLI:NL:RBNHO:2017:11154 oordeelde de rechter dat de raad niet afdoende had gemotiveerd dat er dringende redenen waren als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder k, van de Referendumverordening Zaanstad (dezelfde uitzonderingsgrond als in artikel 2, tweede lid, onder j). Ook in Rb Zutphen 22-06-2011, ECLI:NL:RBZUT:2011:BQ8972, had de raad niet afdoende gemotiveerd waarom er zwaarwegende redenen waren om geen referendum te houden. De rechter overwoog bovendien dat het simpele ontbreken van politieke bereidheid om een referendum te houden, zich niet verhoudt met de aard van het correctief referendum.

2019/19801

Artikel 4. Samenstelling referendumcommissie De referendumcommissie wordt ingesteld op basis van artikel 84 Gemeentewet. De referendumcommissie is een permanente commissie en dient dat te zijn, omdat een referenduminitiatief ineens kan opkomen en dit vraagt om snel handelen van de commissie. In dat geval dient er immers binnen enkele dagen een advies te worden uitgebracht over bijvoorbeeld de toelaatbaarheid van een voorgesteld onderwerp of ontwerp raadsbesluit. In de praktijk kan het voorkomen dat de leden van een commissie lange tijd niet bij elkaar komen. Als er geen referenduminitiatief is, zal er immers doorgaans geen reden zijn om te vergaderen. Een (soms groot) deel van de werkzaamheden van de leden van de referendumcommissie vinden niet plaats tijdens bijeenkomsten waarvoor een vergoeding volgens de presentiegeldregeling kan worden verstrekt. Daarom is ook de mogelijkheid opgenomen om een uurtarief te hanteren. Artikel 5. Taken en vergaderingen referendumcommissie De referendumcommissie heeft diverse specifieke adviserende taken. Daarnaast houdt de referendumcommissie toezicht op het gehele referendumproces. De referendumcommissie kan gevraagd en ongevraagd advies geven. Eerste lid, onder a, b en c staat de advisering aan respectievelijk de raad, de voorzitter van de raad en het college van burgemeester en wethouders.

De commissie heeft een adviserende rol bij diverse stappen in het referendumproces die gevoelig kunnen liggen of voor discussie kunnen zorgen. Onder d is de rol van de referendumcommissie als toezichthouder op het hele referendumproces vastgelegd. Een uitvloeisel van die rol is de behandeling door de referendumcommissie van klachten over het referendumproces (onder e). Klachten kunnen over uiteenlopende zaken gaan, bijvoorbeeld het afkeuren van ondersteunende handtekeningen, het aantal en de locatie van stembureaus of een campagne uiting van de gemeente, een organisatie of kiesrechtigde(n). Wellicht ten overvloede: de taak die de referendumcommissie heeft ten aanzien van klachten over het referendumproces is niet gelijk aan het klachtrecht zoals dat wordt geregeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb); dat klachtrecht gaat immers alleen over gedragingen van bestuursorganen en personen die daarbij werkzaam zijn. De afdoening daarvan is een taak van het bestuursorgaan zelf. De referendumcommissie brengt na afloop van elk referendumproces een evaluatie uit (onder f). Dit kan gaan om een referendumproces inclusief een gehouden referendum, maar ook over een referendumproces waarbij het niet tot een daadwerkelijk gehouden referendum is gekomen. Artikel 6. Initiatief van de raad De raad kan het initiatief nemen om een referendum te houden.

Elk raadslid heeft op grond van artikel 147a van de Gemeentewet het recht van initiatief om een (uitgewerkt) voorstel voor bijvoorbeeld een referendum te doen. Ook kan elk raadslid een motie daartoe indienen. Een initiatiefvoorstel of motie kan bijvoorbeeld een voorstel voor een referendum inhouden over een onderwerp waarbij aan kiesgerechtigden inhoudelijke alternatieven worden voorgelegd en waarbij het college wordt verzocht een en ander in een nota uit te werken. Over een initiatiefvoorstel moet op grond van artikel 147a, vierde lid, van de Gemeentewet het college de gelegenheid krijgen wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Initiatiefvoorstellen en moties worden behandeld conform het Reglement van Orde van de raad. Op grond van artikel 4, eerste lid, onder a, van deze referendumverordening heeft de referendumcommissie de taak te adviseren alvorens de raad besluit een referendum te houden. Het is

2019/19801 daarom zaak om een voorgenomen referenduminitiatief zo snel mogelijk bij de referendumcommissie te melden. Artikel 7. Initiatief van kiesgerechtigden, stap 1: inleidend verzoek Het inleidend verzoek van de kant van kiesgerechtigden heeft twee functies: het aantonen dat er onder de bevolking enig draagvlak is voor een referendum, en het creëren van een toetsmoment of over het betreffende onderwerp een referendum kan worden gehouden. Daarom is het aantal handtekeningen voor het inleidende verzoek relatief laag. Als richtlijn wordt ongeveer 1% van het totale aantal kiesgerechtigden gehanteerd. Het definitieve verzoek (artikel 8) moet aantonen dat er voldoende draagvlak binnen de gemeente is om daadwerkelijk een referendum te houden. Voor dit definitieve verzoek wordt het aantal van ongeveer 5% van de kiesgerechtigden als richtlijn gebruikt. Ondersteuningsverklaringen kunnen in de procedure van het inleidend verzoek alleen schriftelijk worden ingediend op specifieke formulieren. De handtekeningen (en overige persoonsgegevens) moeten worden geplaatst op formulieren die door de voorzitter van de raad worden verstrekt. Op dit formulier staat de titel van het ontwerp raadsbesluit, met zo nodig een beknopte nadere inhoudelijke aanduiding, zodat voor de ondersteuners helder is welk onderwerp het betreft.

De ervaring leert dat opschriften van raadsbesluiten niet altijd duidelijk zijn; daarom is het mogelijk om eventueel een korte beschrijving van het onderwerp toe te voegen. De referendumcommissie heeft hierbij een adviserende rol. Bij het controleren van de ondersteuningen wordt de kiesgerechtigdheid van de ondertekenaars beoordeeld. Omdat ‘kiesgerechtigdheid’ in de Kieswet is gekoppeld aan de dag van de verkiezingen, levert dit hier een praktisch probleem op, omdat op het moment van het inzamelen van ondersteuningen van het inleidende verzoek namelijk nog niet duidelijk is of er een referendum komt en wat in dat geval de dag van stemming zal zijn. Er moet daarom een andere datum worden gebruikt om te bepalen of iemand kiesgerechtigd is voor het inleidend verzoek. Hier is gekozen om aan te sluiten bij de dag waarop de voorzitter van de raad de handtekeningenlijsten verstrekt. Op die dag dient de ondersteuner kiesgerechtigd te zijn voor de verkiezingen van de gemeenteraad van Zaanstad. Om verwarring over deze datum te voorkomen, is het goed om deze uitgiftedatum expliciet op het ondersteuningsformulier te vermelden. Het ligt voor de hand ook de controle van de ondersteuning van het inleidende verzoek te laten uitvoeren door de voorzitter van de raad. Deze heeft immers toegang tot de basisregistratie persoonsgegevens. De raad beslist of het inleidend verzoek wordt ingewilligd.

Hierbij wordt getoetst aan de in artikel 3 vermelde onderwerpenlijst. En wordt tevens beoordeeld of er een voldoende aantal geldige ondersteunende handtekeningen is. De referendumcommissie heeft hierbij een adviserende rol. Het besluit van de raad op het inleidend verzoek is een besluit in de zin van de Awb. Hiertegen staat bezwaar en beroep open. Als de raad het ontwerp raadsbesluit referendabel acht, wordt dat raadsbesluit inhoudelijk besproken, waarbij uiteraard amendementen (en moties) kunnen worden ingediend. Over het ontwerp raadsbesluit zelf wordt niet gestemd; de eindstemming wordt aangehouden. Wel wordt gestemd over de amendementen, omdat deze het ontwerp raadsbesluit veranderen. Die eventuele verandering kan van belang zijn voor kiesgerechtigden om te bepalen of ze wel of geen referendum willen aanvragen dan wel ondersteunen middels een definitief verzoek. Het stemmen over het gehele ontwerp raadsbesluit gebeurt pas nadat het referendum is gehouden, of nadat de raad, op basis van het verzoek uit artikel 8, heeft besloten dat er geen referendum gehouden kan worden.

2019/19801

Artikel 8. Initiatief van kiesgerechtigden, stap 2: definitief verzoek De procedure voor het definitief verzoek is in grote lijnen gelijk aan die bij het inleidend verzoek; de leden vier tot en met zeven van artikel 7 zijn van overeenkomstige toepassing. Dit houdt onder meer in dat de voorzitter van de raad controleert op voldoende geldige handtekeningen . De kiesgerechtigdheid kan hier in deze fase van het proces gekoppeld worden aan de dag dat de raad besloten heeft dat het inleidend verzoek wordt ingewilligd. In de procedure voor het definitieve verzoek wordt door de gemeente ook de digitale mogelijkheid opengesteld (tweede lid, tweede volzin), op een wijze die overigens zo goed als mogelijk vergelijkbaar is met de papieren versie van het ondersteuningsformulier. Dat de ondersteuningsverklaringen van het inleidend verzoek niet meetellen voor het definitief verzoek heeft de volgende reden. Tijdens het inleidend verzoek is het ontwerp raadsbesluit nog niet besproken door de raad; het voorstel kan gedurende de behandeling in de raad gewijzigd worden als gevolg van amendementen. Daarom is het mogelijk dat een kiesgerechtigde het inleidend verzoek ondersteunt, maar geen handtekening wil zetten voor het definitief verzoek, bijvoorbeeld omdat inmiddels aan zijn of haar bezwaren tegemoet is gekomen.

Het oorspronkelijke ontwerp raadsbesluit kan immers aanzienlijk afwijken van het definitieve ontwerp raadsbesluit waarover in de eindstemming besloten wordt. Of over het onderwerp een referendum kan worden gehouden is eerder in het proces, te weten bij het inleidend verzoek, beslist. Een voldoende aantal geldige ondersteuningsverklaringen voor het definitieve verzoek zal dan ook een positief besluit tot het houden van het referendum inhouden. Artikel 9 Datum stemming Over de dag van de volksstemming brengt de referendumcommissie advies uit (artikel 4, eerste lid, onder a, sub 3°). De termijn waarbinnen het referendum gehouden dient te worden, kan aangepast worden om rekening te houden met schoolvakanties of om een combinatie met een andere verkiezing of referendum mogelijk te maken. Daarnaast is het subsidietraject voor campagne-activiteiten van belang voor het vaststellen van de datum. Dit subsidietraject inclusief de rechtsbeschermingsmogelijkheden kent enkele vaste termijnen waar rekening mee gehouden dient te worden. Artikel 10. Vraagstelling referendum De raad stelt de vraagstelling van het referendum vast na advies van de referendumcommissie; deze commissie zal daarover doorgaans in overleg treden met de initiatiefnemers van het referendum en de portefeuillehouder uit het college.

Bij een referendum op initiatief van kiesgerechtigden ligt de vraagstelling grotendeels vast: de vraag is direct en nauw gekoppeld aan het ontwerp raadsbesluit. Doorgaans zal hierdoor de vraagstelling zijn: bent u voor of tegen het raadsbesluit X. In het geval het raadsbesluit bestaat uit meerdere oplossingsrichtingen waaruit de raad uiteindelijk een keuze dient te maken, wordt aan de kiesgerechtigden een keuze tussen twee oplossingsrichtingen voorgelegd. Gekozen is om maximaal twee antwoordmogelijkheden aan de kiesgerechtigden voor te leggen. Hoe meer antwoordopties er zouden zijn, des te ingewikkelder het wordt voor de kiezer maar ook hoe ingewikkelder het wordt om een politiek-neutrale stemprocedure te hanteren en een (winnende) referendumuitkomst te duiden. Dit houdt in dat in het geval het ontwerp raadsbesluit in eerste instantie meer dan twee oplossingsrichtingen omvat, de raad deze terug dient te brengen tot niet meer dan twee opties. Na het inhoudelijk debat kan door het indienen van amendementen het ontwerp raadsbesluit worden

2019/19801 aangepast zodat er twee oplossingsrichtingen overblijven die in een referendum aan de kiesgerechtigden worden voorgelegd. Bij een referendum op initiatief van de raad is de vraagstelling vergelijkbaar. De raad kan aan de kiesgerechtigden de (eenvoudige) vraag voorleggen of zij vóór dan wel tegen het ontwerp raadsbesluit zijn of de raad kan twee inhoudelijk verschillende oplossingsrichtingen aan de kiesgerechtigden voorleggen. Artikel 11. Budget en subsidieplafond Als duidelijk is dat er een referendum komt, dient de raad een budget vast te stellen, allereerst voor de organisatie van het referendum (stempassen, stembiljetten, stembureaus, enz). Daarnaast dient er een bedrag voor voorlichting te worden gereserveerd. De referendumcommissie heeft een toezichthoudende rol bij het verstrekken van deze neutrale informatie door de gemeente. Tevens wordt een subsidieplafond vastgesteld voor het verstrekken van subsidies voor activiteiten die kiesgerechtigden en maatschappelijke organisaties vanwege het referendum organiseren. Voor subsidie komen activiteiten in aanmerking die het publieke debat en de meningsvorming rond het referendum op enigerlei wijze kunnen ondersteunen. Naast een totaalbudget stelt de raad vast hoe de verdeling over de verschillende categorieën (voor, tegen en neutraal) is.

Voor het referendum in 2018 was in dezen een totaalbudget van € 60.000,- beschikbaar. Een subsidieplafond is belangrijk, omdat daardoor openeinderegelingen worden voorkomen. Als het subsidieplafond is bereikt, moet de aanvraag om subsidie namelijk worden geweigerd (artikel 4:25, tweede lid, van de Awb). Bij de bekendmaking van een subsidieplafond moet ook worden bekendgemaakt hoe het wordt verdeeld (artikel 4:26, tweede lid, van de Awb). Dat gebeurt in dit geval via de bekendmaking van deze verordening: in artikel 12 is bepaald hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld. De Algemene subsidieverordening (ASV) geeft diverse standaardbepalingen, bijvoorbeeld voor aanvraag- en beslistermijnen, die voor de hier bedoelde referendumsubsidies niet toepasbaar zijn en waarvan moet worden afgeweken. Ook bevat de ASV een bepaling waarin de bevoegdheid om nadere regels te stellen aan het college wordt gedelegeerd. Dat is bij een referendum niet wenselijk; het gaat immers om een instrument van de raad. Artikel 12 Subsidiecriteria Hier is een inhoudelijke toets van de subsidieaanvragen opgenomen in de vorm van weigeringsgronden. De aanvragen die niet worden geweigerd, worden vervolgens beoordeeld op de manier die is beschreven in artikel 12.

Het doel van de subsidieverstrekking is dat de meningsvorming wordt bevorderd en het publiek debat over het referendumonderwerp gevoerd wordt onder de burgers in de gemeente, zodat mensen hun mening (nader) kunnen vormen voordat zij al dan niet hun stem uitbrengen. Vaak zijn initiatiefnemers van een referendum en andere betrokkenen kiesgerechtigde burgers. Om hun een mogelijkheid te bieden subsidie aan te vragen voor het stimuleren van het publieke debat en de meningsvorming, wordt hier gesproken van een collectief van (ten minste vier) kiesgerechtigden. Daarnaast kunnen verenigingen, wijkorganen, stichtingen en dergelijke subsidie aanvragen. De referendumcommissie heeft een adviserende rol bij de subsidietoekenning. Alleen de kosten die direct samenhangen met en benodigd zijn voor de activiteit en die redelijk zijn in relatie tot de verwachte bijdrage van de activiteit aan het doel van deze subsidie zoals vermeld in het

2019/19801 tweede lid, komen in aanmerking. Loonkosten van bijvoorbeeld personen die bij een subsidieontvanger in dienst zijn of de subsidieaanvrager(s) zelf, zijn expliciet uitgezonderd van honorering. Onder bijzondere omstandigheden kan wel de (redelijke en gelimiteerde) vergoeding voor een speciaal aangetrokken deskundige voor subsidie in aanmerking komen. Deze noodzakelijke loonkosten zijn altijd onderdeel van het totale maximumbedrag van € 2.000,-. De subsidie wordt verstrekt om zoveel mogelijk verschillende initiatieven te ondersteunen die een zo divers en ruim mogelijk kiesgerechtigd publiek bereiken. Nadat de aanvraagtermijn gesloten is, wordt een besluit genomen over de aanvragen, nadat de referendumcommissie hierover heeft geadviseerd. Een systeem waarbij op volgorde van binnenkomst wordt beslist is niet geschikt, omdat de activiteiten dan onmogelijk evenwichtig onderling kunnen worden afgewogen zodat uiteindelijk een meest aantrekkelijke en effectieve mix van initiatieven en activiteiten kan worden gehonoreerd. Met de methode die in het tweede en derde lid is neergelegd, is het mogelijk de aanvragen te toetsen op een aantal criteria en onderling af te wegen. De referendumcommissie heeft hierbij een belangrijke adviserende rol. Artikel 13 Subsidieaanvragen De termijn waarop subsidie kan worden aangevraagd en verstrekt is kort.

Een helder aanvraagformulier is nuttig voor een zo efficiënt mogelijk proces. Artikel 14. Subsidieverlening en vaststelling Een referendumproces wordt naar mag worden verwacht nauwlettend gevolgd door onder meer (kiesgerechtigde) inwoners en lokale media. Hoewel het om relatief lage subsidiebedragen zal gaan, moet wel helder verantwoording over de besteden gelden worden afgelegd voordat de subsidie definitief wordt vastgesteld. Dat gebeurt via de zogeheten aanvraag tot vaststelling. Als uit de overgelegde stukken (of op een andere manier) blijkt dat de activiteiten niet of niet geheel hebben plaatsgevonden, kan de subsidie lager worden vastgesteld dan was verleend of worden ingetrokken. Hierbij kan het versterkte voorschot (vierde lid ) –gedeeltelijk of geheel – worden teruggevorderd (artikelen 4:48, eerste lid, en 4:57 van de Awb). Artikel 15 Uitvoering Uit Gemeentewet, artikel 162 volgt dat burgemeester en wethouders belast zijn met de uitvoering van het referendum. Artikel 16. Procedures stemming Het ligt voor de hand om voor de procedures rond de stemming aan te sluiten bij de gang van zaken bij de raadsverkiezingen. Vandaar dat de betreffende bepalingen uit de Kieswet en het Kiesbesluit van overeenkomstige toepassing worden verklaard, voor zover er geen regeling in deze verordening is opgenomen.

Ook wordt in dit artikel aangegeven wie kiesgerechtigd is voor het referendum. Artikel 17. Uitslag In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de taken van het centraal stembureau bij de telling, de vaststelling en de bekendmaking van de uitslag van een referendum. Deze wijken deels af van betreffende bepalingen in de Kieswet of vullen deze aan. Onder andere artikel P23 van de Kieswet (onderdeel van paragraaf 4) is van overeenkomstige toepassing. Daarin is geregeld dat het centraal stembureau zijn proces-verbaal met weglating van de

2019/19801 ondertekening onverwijld op een algemeen toegankelijke wijze elektronisch openbaar maakt. Daarbij is ook bepaald dat hiervoor bij ministeriële regeling een internetadres kan worden aangewezen. In het tweede lid van dit artikel is verder bepaald dat het centraal stembureau de uitslag aan de raad overbrengt. Het vierde lid regelt dat de raad een uitspraak doet over de wettigheid van de stemming. Artikel 18. Strafbepaling Op grond van artikel 154, eerste lid, van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van een verordening een straf stellen van ten hoogste drie maanden hechtenis of een geldboete van de tweede categorie (€ 4.150,- in 2019). Voor het bepalen van wat strafbaar is, is aangesloten bij hoofdstuk Z, paragraaf 1, van de Kieswet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10054595/1