CConstaterende datZaanstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Vaststellen Transitievisie Warmte Zaanstad en startwijken bijlage

Raadsvergadering 16 september 2021, gemeente ZaanstadBij agendapunt: Transitievisie warmte Zaanstad17.856 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ook als het warmtenet er niet komt zijn er voldoende alternatieven beschikbaar om de woningen duurzaam en betaalbaar te verwarmen, zoals een collectieve warmtepomp die in de plaats komt van de blokverwarming. De investering in een collectieve warmtevoorziening bij grotere complexen is dus noregret. Bij warmtenetten wordt vaak gedacht aan grootschalige netten in steden zoals Amsterdam en Rotterdam. Grootschalige netten zijn logisch en nodig als er al grote bestaande warmtenetten en warmtebronnen zoals industriële restwarmte beschikbaar zijn. In Zaanstad is dat niet het geval. 20

Warmtenetten in de Zaanse context zijn dus in eerste instantie kleinschalig, met lokale bronnen en enkele honderden aansluitingen, die op termijn eventueel gekoppeld kunnen worden om bijvoorbeeld piek- en back-upvoorzieningen te delen. Het voordeel van kleinschalige netten is dat zij organisch kunnen ontwikkelen en ook interessant zijn voor energiecoöperaties. Lokaal bronnet Een bronnet lijkt op een warmtenet, met als verschil dat bij een bronnet de warmte in het gebouw nog op een nuttige temperatuur moet worden gebracht middels een warmtepomp. Het aangevoerde water kan ook direct gebruikt worden voor koeling. Ook bij deze infrastructuur moet de capaciteit van het elektriciteitsnet in de wijk worden verhoogd. Een voorbeeld van een bronnet is een WKO-bron (mogelijk gecombineerd met aquathermie), die door enkele kantoorgebouwen wordt gedeeld en die door en bronnet zijn verbonden. Aangezien een warmtepomp ook op woning- of gebouwniveau in veel gevallen een efficiënte bron kan hebben, zoals bodemlussen, zal een bronnet voor een gehele wijk in veel gevallen geen toegevoegde waarde hebben. In wijken waar in hoge dichtheid gebouwd is, kan er mogelijk beperkt ruimte zijn voor lokale warmtebronnen, waardoor een bronnet wel een optie is.

In de bestaande bouw is in dat geval echter vaak een warmtenet een goedkopere optie omdat er dan minder gebouwgebonden maatregelen hoeven te worden genomen. Voor de bestaande bouw zal een bronnet vooral interessant zijn voor buurten met bedrijfsbebouwing en kantoren omdat deze minder gebouwgebonden maatregelen moeten treffen en omdat deze een grote koelvraag hebben in combinatie met het feit dat zij goedkoop elektriciteit kunnen inkopen. Warmtenet (40°C) Een bijzondere warmteoptie is het laagtemperatuur warmtenet. Bij deze warmteoptie wordt warmte van hooguit 40°C naar het gebouw gebracht en direct nuttig gebruikt voor ruimteverwarming. Voor deze warmteoptie moet er sprake zijn van isolatie op basisniveau en moet er een voorziening getroffen worden voor warm tapwater, zoals een boosterwarmtepomp. De combinatie van basisisolatie, het vervangen van radiatoren, de tapwatervoorziening en de aanleg van een warmtenet maakt dat deze warmteoptie voor de bestaande bouw kostentechnisch niet interessant is. Voor grootschalige nieuwbouw in hoge dichtheden daarentegen wel. Vanaf een schaalniveau van ca. 100 woningen in dichtheden vanaf 30 WEQ/ha wordt het interessant om bij nieuwbouwprojecten het lage temperatuur warmtenet te verkennen. De nabijheid van een warmtebron zal in sterke mate bepalen of deze warmteoptie uiteindelijk haalbaar is.

3.3.3 Tussenconclusie warmteopties Op basis van de beschreven warmteopties kunnen nu enkele tussentijdse conclusies worden getrokken: 

Het gasnet kan overal en ligt bovendien al bijna overal. Desalniettemin is dit geen toekomstbestendige warmteoptie vanwege de schaarste en onzekerheid rond duurzaam gas, en het risico op blijvende afhankelijkheid van aardgas. In buurten waar andere opties te duur of technisch niet haalbaar zijn is het gasnet een optie, mits er wel zoveel mogelijk gas wordt bespaard. In buurten waar we niet starten blijft het gasnet echter voorlopig nog liggen. Het is daarom wel belangrijk om in deze buurten te beginnen met energiebesparing. All electric is ook een warmteoptie die in principe overal kan omdat er alleen een elektriciteitsnet nodig is. Nadeel van all electric is dat het relatief veel tijd en geld kost om op natuurlijke momenten naar het basisniveau voor isolatie en binneninstallatie te komen. Hierdoor kan je met all electric in de bestaande bouw minder snelheid maken. Bovendien vergt all electric een grote capaciteit van het elektriciteitsnet. Dit is ongunstig voor Zaanstad omdat er in de regio grote beperkingen op het elektriciteitsnet zijn. All electric is wel een logische warmteoptie voor eengezinswoningen gebouwd na 1990 en kleinschalige nieuwbouw. Lokale bronnetten zijn een logische warmteoptie voor utiliteitsbouw en bedrijfsbebouwing omdat deze optie zowel warmte als koeling levert.

Bedrijven kunnen elektriciteit goedkoop inkopen waardoor nu al veel bedrijven gebruik maken van deze warmteoptie in de vorm van WKO. Voor bestaande woningen is deze optie niet logisch vanwege de hogere isolatie-eisen en de belasting van het elektriciteitsnet. 21

Kleinschalige warmtenetten die 70°C leveren zijn een logische warmteoptie voor de bestaande bouw in Zaanstad in buurten met voldoende dichtheid en een warmtebron in de omgeving. Vanwege de stedelijke omgeving van Zaanstad en de nabijheid van omgevingswarmtebronnen (zoals de Zaan) is dit in de meeste buurten van Zaanstad het geval. Warmtenetten die 40°C leveren (laagtemperatuur) zijn met name interessant voor grootschalige nieuwbouwprojecten in grote dichtheden.

Onderstaande tabel geeft de warmteopties schematisch weer. All electric

Duurzaam gas

Warmtenet 70°C

Warmtenet 40°C

Lokale bronnetten

In het gebouw

- E-koken - Basisisolatie - Warmtepomp

- (E-koken) - Basisisolatie - Warmtepomp

Verzwaard elektriciteitsnet Landelijk e-net

Landelijk gasnet met toekomstig duurzaam gas

Typische toepassing

- Woningen ≥ 1990 en nieuwbouw in lage dichtheden

Vooroorlogse bebouwing

- Warmtenet - (Collectieve warmtepomp) - Laagwaardige restwarmte - Ondiepe geothermie - Aquathermie - Zonthermie Grootschalige nieuwbouw in hoge dichtheden

Bronnet

Bronnen

- E-koken - Minimumisolatie, op termijn naar basisisolatie - Afleverset - Warmtenet - (Collectieve warmtepomp) - Hoogwaardige restwarmte - Geothermie - Aquathermie - Zonthermie

- E-koken - Basisisolatie - Afleverset

In de wijk

- E-koken - Minimumisolatie, op termijn naar basisisolatie - Hybride WP Bestaand gasnet

Gebouwen ≥ 1950 met hoge dichtheden

- Aquathermie - Zonthermie

Utiliteitsbouw ≥ 1950

Figuur 7: Overzicht van duurzame warmteopties

3.3.4 Stap 3: Inzet van duurzame warmtebronnen Wanneer de warmtevraag is beperkt en de optimale infrastructuur van de buurt is bepaald, resteert er nog de vraag welke bron wordt toegepast. Voor all electric en gasnetbuurten is deze stap niet interessant op gemeentelijk niveau, omdat zij hun energie uit het landelijke gas- en elektriciteitsnet halen. Warmtebronnen voor warmtenetten daarentegen zijn meestal lokaal. Eerder zagen we dat er waarschijnlijk voldoende haalbare potentie is van duurzame warmtebronnen in Zaanstad. Dit zijn echter allemaal nog bronnen die ontwikkeld moeten worden. Voor nieuwe warmtenetten is het daarom van belang om kleinschalig te beginnen met lokale bronnen die al elders in het land bewezen zijn. De meest kansrijke hiervan is thermische energie uit oppervlaktewater, bijvoorbeeld uit de Zaan. Daarmee zouden de eerste lokale warmtenetten ontwikkeld kunnen worden. Op den duur, bij voldoende schaalgrootte (vanaf ca. 5.000 bestaande aansluitingen), wordt geothermie een interessante optie. Bestaande warmtenetten kunnen dan gekoppeld worden en voor de basislast gebruikmaken van een centrale geothermiebron. 3.3.5 Opgave verduurzaming Zaanse industrie In Zaanstad wordt net zoveel aardgas gebruikt door de industrie als in de gebouwde omgeving, bleek uit de Energiemix.

Een groot deel van de warmtevraag in de industrie wordt bepaald door een klein aantal zeer grote bedrijven, die aardgas gebruiken voor proceswarmte, zoals het drogen, koelen, smelten, stollen en wassen van allerlei materialen. Voor de verduurzaming van de industrie geldt dat deze apart van de gebouwde omgeving is georganiseerd. Wel zijn er belangrijke raakvlakken die een plek verdienen in de Transitievisie Warmte. Ten eerste is er de kans van de warmtevraag: als de Zaanse industrie net als de gebouwde omgeving middentemperatuur warmte nodig heeft, kan de industrie flink bijdragen aan de benodigde schaal om bijvoorbeeld geothermie te ontwikkelen. Dit is met name interessant als de industrie in de buurt ligt van bijvoorbeeld corporatiebezit. In de praktijk zal de meeste industrie voor processen waar laagwaardige warmte nodig is eerder kiezen voor elektrificatie omdat dit goedkoper is. De mogelijkheid bestaat dat de industrie aansluit op een waterstofinfrastructuur vanuit het NZKG wat de koppeling met de gebouwde omgeving minder waarschijnlijk maakt.

22

Ten tweede is er de kans van warmteaanbod: sommige industrie heeft restwarmte over en kan dit zowel technisch als bedrijfseconomisch uitkoppelen. Of deze industrie ook in Zaanstad aanwezig is, is nog niet bekend. Op dit moment is de industrie met ZNSTD aan het verkennen met welke duurzame alternatieven zij hun processen kunnen voortzetten in een aardgasvrije toekomst en wat hun rol kan zijn in het leveren van warmte en energie12. Onze industrie is aan de ene kant grootgebruiker van energie en vervoersmiddelen en tegelijkertijd bieden bedrijfsprocessen mogelijk kansen voor de toekomstige warmtevoorziening De industrie heeft een plan van aanpak opgesteld dat onderdeel uitmaakt van het industriële cluster van het NZKG.

12 Regioplan Noordzeekanaalgebied, juni 2020

23

4 Waar gaan we van start? 4.1

Warmteopties per wijk

Op basis van een modelmatige analyse met het Warmtetransitiemodel is aan de hand van maatschappelijke kosten berekend wat de optimale warmteoptie is per wijk. Voor een uitvoerige beschrijving van het Warmtetransitiemodel wordt verwezen naar Bijlage 2.

Figuur 8. Warmteoptiekaart Zaanstad: deze kaart geeft aan welke warmteoptie in welke wijk de laagste maatschappelijke kosten heeft

Uit de warmteoptiekaart blijkt dat het grootste deel van Zaanstad warmtenetten als optimale optie heeft. Dit is in de lijn der verwachting gelet op het stedelijke karakter van Zaanstad. Hoewel in een eindsituatie deze warmtenetten verbonden kunnen zijn tot één net, is het vanwege het bronperspectief in Zaanstad logisch dat deze beginnen als kleinschalige warmtenetten van enkele honderden tot een paar duizend aansluitingen. Buurten waar bedrijfsbebouwing dominant is zien we bronnetten naar voren komen. In buurten waar bedrijfsbebouwing en woningen gemengd voorkomen zien we een gemengde warmteoptie van zowel lokale bronnetten als lokale warmtenetten. In de nieuwste buurten van Zaanstad zien we all electric, en in de lintbebouwing zien we het gasnet als optie: in deze buurten is te weinig dichtheid voor een warmtenet en de bebouwing is gemiddeld gezien te oud voor all electric. Buurten die komende jaren volledig getransformeerd gaan worden zijn ook als zodanig aangegeven. Hier zal een mix van laagtemperatuurwarmtenetten en all electric het meest logisch zijn. Het is belangrijk om te noemen dat deze analyse is gebaseerd op bepaalde aannames en uitgangspunten die met de kennis van vandaag worden gemaakt. Hoewel het een indicatie geeft van het eindbeeld zullen periodieke herijkingen van de Transitievisie Warmte leiden tot andere en nieuwe inzichten.

Om toch enig gevoel te geven bij de zekerheid van de uitkomsten is een gevoeligheidsanalyse uitgevoerd waarbij de twee warmteopties die het meest logisch zijn voor de bestaande woningbouw met elkaar zijn vergeleken, te weten all electric en het warmtenet.

24

Figuur 9. Gevoeligheidsanalyse warmteopties per buurt

Uit de gevoeligheidsanalyse blijkt dat in het merendeel van de wijken warmtenet en all electric een relatief klein kostenverschil laten zien van minder dan 10%. In buurten met een bijzonder hoge dichtheid van naoorlogse flats, zoals Zaanstad Oost, zien we een duidelijk kostenverschil tussen warmtenet en all electric. In Waterrijk zien we dat het kostenverschil zelfs groter is dan 30%. Dit wordt veroorzaakt doordat hier bijna alle bebouwing reeds is aangesloten op een warmtenet. Het beeld van deze gevoeligheidsanalyse is consistent met andere stedelijke gemeentes in Nederland. Deze kaart moet vooral gebruikt worden om aan te geven in welke wijken we starten met warmtenetten, omdat daar de kleinste onzekerheid is over het kostenverschil. 4.1.1 Clusters van kansrijke panden In aanvulling op de analyses op buurtniveau is er ook een analyse gemaakt van het meest kansrijke vastgoed voor zowel warmtenet als all electric. Er is daarbij gekeken naar gebouwkenmerken zoals bouwjaar, corporatiebezit, dichtheid, eventuele blokverwarming en energieverbruik. In gebieden waar kansrijk vastgoed geclusterd voorkomt ontstaan “kansgebieden”.

25

Figuur 10. Clusters van kansrijke panden voor warmtenet en all electric

4.1.2 Variatie binnen buurten: opt-out Het beeld dat de warmteoptiekaart al snel oproept is dat een hele buurt volledig overschakelt naar een alternatieve warmteoptie. Dit beeld is onjuist. Om allerlei redenen zullen gebouweigenaren soms kiezen voor andere warmteopties dan in de rest van de buurt. Dit noemen we opt-out. Het gaat dan bijvoorbeeld om:  

 

Bebouwing die (sterk) afwijkt van de rest van de buurt. Denk aan vooroorlogse buurten waar stadsvernieuwing heeft plaatsgevonden en dus een heterogene bebouwing is ontstaan. Bewonersinitiatieven die voorkeur geven aan een andere warmteoptie. Er zijn verschillende buurten in Zaanstad, waar bewoners willen pionieren met technieken die niet per se uit het kaartbeeld komen. Als zij een warmteoptie realiseren die niet overeenkomt met het kaartbeeld, dan is dat in de Transitievisie Warmte ondervangen met de opt-out. Een pilotproject om een andere, innovatieve techniek te proberen. Overige, specifieke en lokale omstandigheden.

Dat er binnen een buurt meerdere warmteopties worden gekozen is in principe niet erg. Alleen voor warmtenetten geldt dat er een bepaalde kritische massa moet zijn om deze optie mogelijk te maken. Gelet op de stedelijkheid en de hoge mate van corporatiebezit in Zaanstad wordt aan deze voorwaarde al snel voldaan. Ook sorteert de wetgever momenteel voor op de mogelijkheid van opt-out in de Wet collectieve warmtevoorziening, waarbij gebouweigenaren mogen kiezen voor een alternatieve warmteoptie, mits zij aantonen dat hun alternatief duurzamer is dan de voorkeursoptie in de buurt. Er is een inschatting gemaakt van het aantal woningequivalenten (WEQ)13 dat op welke warmteoptie overgaat, rekening houdend met de opt-out.

13 Een eenheidsmaat van zowel woningen als vierkante meters bedrijfsbebouwing, waarbij geldt dat 100m 2

bedrijfsbebouwing = 1 WEQ = 1 woning.

26

Buurtoplossing

Waarvan allelectric

Waarvan gasnet

Waarvan bronnetten

Waarvan warmtenetten (70°C)

Waarvan warmtenetten (40°C)

All-electric

80%

-

20%

-

-

Gasnet

15%

70%

15%

-

-

Lokale bronnetten

20%

-

80%

-

-

Lokale warmtenetten (70°C) Mix bronnetten en warmtenetten Nieuwbouw- en transformatiegebied

10%

-

10%

80%

-

20%

-

40%

40%

-

10%

-

10%

10%

70%

Figuur 11. Verdeling van warmteopties over de verschillende buurtkleuren. In de tabel is te zien dat er in de meeste buurten een dominante optie zal zijn, maar ook ruimte voor maatwerk door afwijkende warmteopties.

Uit de opt-outpercentages blijkt dat in alle buurten in meerdere of mindere mate all electric te verwachten valt. Dat is ook logisch aangezien iedere gebouweigenaar deze optie altijd zelfstandig kan nemen. Bovendien is dit ook de meest logische warmteoptie voor plukjes nieuwere bebouwing in verder oude(re) buurten. Hetzelfde geldt voor bronnetten, die logisch zijn voor plukjes utiliteitsbouw in een buurt die verder bestaat uit woningen. In gasnetbuurten is een relatief grote opt-out te zien van 30% omdat in de oudste buurten in de loop der jaren ook de meeste sloop-nieuwbouw heeft plaatsgevonden, relatief veel gebouweigenaren zullen daarom alsnog in deze buurten van het gas afgaan.

Figuur 12. Aantal WEQ per warmteoptie, inclusief opt-out en nieuwbouw

Uit de verdeling van WEQ over warmteopties blijkt dat iets minder dan de helft van de gebouwde omgeving in Zaanstad wordt aangesloten op warmtenetten die 70°C leveren. Dit is een genuanceerder beeld dan de kaarten, waar veel buurten groen kleuren. Het aandeel all electric en bronnetten is juist groter vanwege de opt-out. In deze cijfers zitten ook nieuwbouwgegevens verwerkt. In totaal gaat de analyse uit van 124 duizend WEQ in 2050, waarvan 21.000 nieuwbouw.

4.2

Fasering en prioritering van wijken

4.2.1 Criteria eerste wijken Niet heel Zaanstad kan in één keer aardgasvrij worden. Daarom zijn wijken geselecteerd die als meest kansrijk worden gezien om in de periode tot 2030 naar aardgasvrij te starten. Daarnaast is het voor de hele stad belangrijk dat isolatie wordt gestimuleerd zodat alle woningen klaar worden gemaakt voor de transitie naar aardgasvrij. De keuze van kansrijke wijken om te starten is gebaseerd op onderstaande criteria, die zijn opgesteld op basis van input uit de projectgroep, en aansluiten bij de algemene uitgangspunten zoals beschreven in hoofdstuk 2.

27

Criteria

Toelichting

1

Laagste maatschappelijke kosten

De laagste maatschappelijke kosten per wijk geven een indicatie van de betaalbaarheid van de transitie. En op basis van de gevoeligheidsanalyse kunnen we zien waar er de meeste zekerheid is over de laagste maatschappelijke kosten. Tot slot geven de clusters met de meest kansrijke panden aan waar de kansgebieden liggen om als eerste aan de slag te gaan.

2

Corporatiebezit en andere grote gebouweigenaren

De woningcorporaties zijn eigenaar van een kwart van de woningvoorraad in Zaanstad. Woningcorporaties investeren fors in de kwaliteit van de bestaande en toekomstige woningvoorraad. De kans om meters te maken met de warmtetransitie is het grootst in gebieden waar al wordt geïnvesteerd. Vandaar dat wijken met veel corporatiebezit kansrijker worden geacht om op korte termijn te starten. In de analyse zijn wijken met veel corporatiebezit daarom kansrijker beoordeeld voor het warmtenet. Ook is er gekeken naar andere grote gebouweigenaren zoals scholen, verzorgingstehuizen en ander maatschappelijk vastgoed en zijn bedrijventerreinen in kaart gebracht.

3

Geplande investeringen

De transitie kan efficiënter verlopen door werkzaamheden zo goed mogelijk af te stemmen. Dat betekent dat er is gekeken naar geplande investeringen boven en onder de grond. Hierbij is onder andere gekeken naar de ouderdom van de gasnetten van Liander, de riolerings- en stadsvernieuwingsplanningen van de gemeente en onderhouds-, renovatie- en sloopnieuwbouwplanningen van de woningbouwcorporaties Parteon, ZVH, Wormer Wonen en Rochdale. Ook verwachte werkzaamheden aan funderingen zijn meegenomen. De noodzaak voor funderingsherstel speelt een rol op veel plekken in Zaanstad (https://funderingen.zaanstad.nl/) en kan grote investeringen met zich meebrengen. Het afstemmen van planningen zorgt ervoor dat waar mogelijk onnodige investeringen en overlast voor bewoners worden voorkomen, en bepaalt daarmee deels het tempo van de warmtetransitie. Het is ook een randvoorwaarde om de juiste schaalgrootte te kunnen behalen voor de realisatie van een warmtenet.

4

Warmtenet in de buurt

Wijken grenzend aan een (toekomstig) warmtenet worden gezien als kansrijk om op termijn ook aan te sluiten. Op basis van het gerealiseerde tracé van het warmtenet in Zaandam-Oost is gekeken naar wijken die logisch zijn om in een volgende fase aan te sluiten.

5

Perspectief op duurzame bronnen

De keuze van een warmte-infrastructuur in de wijken moet overeenkomen met de bronnen om die infrastructuur (in de toekomst) te voeden en de verwarmingstemperatuur die past bij de bronnen. Voor de wijken aangeduid als kansrijk voor warmtenetten is specifiek gekeken of één of meerdere potentiële warmtebronnen beschikbaar zijn en wat dat betekent voor de verwarmingstemperatuur en de daaraan gekoppelde isolatieopgave.

Figuur 14: Criteria fasering en prioritering van buurten

4.2.2 De transitiekaart Op basis van deze criteria is een transitiekaart gemaakt, waarop te zien is in welke buurten er gestart wordt met welke warmteoptie. Hierbij gelden de algemene uitgangspunten uit het vorige hoofdstuk over de fasering per warmteoptie: voor warmtenetten en in mindere mate voor bronnetten is een gebiedsgerichte aanpak nodig om in een betrekkelijk korte tijd een buurt aan te sluiten op een warmtenet. Voor all electric en gasnetbuurten geldt dat deze een meer natuurlijk verloop kunnen hebben waarbij de transitie zich gestaag voltrekt tussen nu en het eindjaar. Voor nieuwbouwgebieden geldt dat zij een fasering hebben die afhankelijk is van de gebiedsontwikkeling. Bij de transitiekaart geldt een aantal kanttekeningen: 1) Een wijk of gebied is niet van de ene op de andere dag aardgasvrij In de kaart is een tijdsaanduiding gegeven voor de jaren waarin we starten met de warmtetransitie in de eerste wijken. Let wel, het jaar dat is aangeduid om te starten is het jaar dat we met de voorbereidingen gaan beginnen om toe te werken naar wonen zonder aardgas. Dit betekent niet dat in dat jaar de overstap naar aardgasvrij al gemaakt wordt. Starten betekent in dit geval samen met de belangrijke stakeholders in de wijk te beginnen met het opstellen van een concreet plan van aanpak voor de wijk. Daarbij worden ook bewoners in de wijk betrokken. In het plan van aanpak worden

28

keuzes gemaakt over de techniek, de organisatie, de financiering, de koppeling met andere opgaven in de wijk en de communicatie- en participatieaanpak. Het totale proces naar een aardgasvrije wijk of gebied kan vijf á tien jaar en soms zelfs langer duren afhankelijk van de complexiteit en daaraan gekoppelde benodigde acties en investeringen en de grootte van het gebied. Hoe meer er geïsoleerd moet worden voordat een warmteoptie kan worden toegepast, hoe langer het over het algemeen zal duren voordat de wijk aardgasvrij is. De complexiteit kan ook toenemen als er in een wijk veel verschillende vastgoedeigenaren aanwezig zijn, die allemaal op een voor hen natuurlijk moment in hun woning willen investeren.

Figuur 15: Transitiekaart Zaanstad

2) Grenzen liggen niet vast We kiezen in de warmtetransitie voor een gebiedsgerichte aanpak, dus wijken, combinaties van wijken of juist delen van wijken staan centraal. Dit betekent natuurlijk niet dat de aanpak ophoudt bij de grens van een wijk, of dat een bewonersinitiatief altijd maar in één wijk mag plaatsvinden. De wijkgrenzen mogen daarom ook niet beperkend zijn. Ze kunnen wel helpen om richting te geven en gebruikt worden om de communicatie op te starten. 3) De route naar aardgasvrij is niet in beton gegoten De fasering die in deze kaart is aangegeven is een visie. Deze ligt dus niet vast. Wat zeker is, is dat we beginnen in de aangegeven wijken. De warmtetransitie is een proces van ervaring opdoen en leren in de eerste wijken. Initiatief nemen en rekening houden met flexibiliteit in de uitvoering en fasering zijn daarbij belangrijk. Ook vinden we het belangrijk om initiatieven in de stad, die passen binnen de uitgangspunten van deze Transitievisie te stimuleren. Het kan dus ook zo zijn dat er in wijken die nu nog niet zijn aangegeven om te starten, toch al stappen worden gezet richting aardgasvrij.

29

4) Er is een opt-out Om uiteenlopende redenen zullen gebouweigenaren soms kiezen voor een andere warmteoptie dan de voorkeurswarmteoptie in de buurt. In de meeste gevallen is dit niet erg. De gemeente krijgt met de Wet collectieve warmtevoorziening meer instrumenten om te sturen op warmtenetten, maar gebouweigenaren krijgen daarin waarschijnlijk ook een opt-outmogelijkheid. In sommige buurten zal het niet wenselijk zijn dat te veel mensen niet meedoen met de voorkeursoplossing. Of en in welke mate zij het gebruik van de opt-out moet stimuleren of juist niet, kan zij met haar stakeholders per wijk afspreken in het Uitvoeringsplan. 5) Niet ingekleurd betekent niet niks doen De wijken die op de transitiekaart ingekleurd tellen op tot ongeveer 20% van de woningen en kantoren in de gemeente. Dat betekent niet dat er in de andere wijken helemaal niets hoeft te gebeuren voor 2030. In alle wijken geldt dat gebouweigenaren zoveel mogelijk op natuurlijke momenten hun gebouwen aanpassen tot het beoogde maatregelniveau in hun wijk (minimumniveau in de meeste buurten en basisniveau in all electricbuurten). In gasnetbuurten geldt dat eigenaren van nieuwe gebouwen zoveel mogelijk zullen overstappen naar gasvrije warmteopties.

4.3

Kansrijke wijken om vóór 2030 te starten

Er zijn twee gebieden gesignaleerd die we in deze Transitievisie identificeren als kansrijk om de haalbaarheid de komende jaren verder te verkennen. Voor deze gebieden dient te worden onderzocht of concrete wijkuitvoeringsplannen kunnen worden opgesteld. In dat plan wordt bepaald hoe de wijk aardgasvrij wordt, hoe de planning eruit ziet, wie welke rol heeft en hoe bewoners de mogelijkheid krijgen om op een betaalbare manier mee te doen. Pas wanneer er een haalbare businesscase is met een betaalbaar aanbod voor gebouweigenaren en bewoners, kan een plan richting uitvoering gaan. Dat dient te gebeuren in samenwerking met bewoners, bedrijven, woningcorporaties, netbeheerder en andere belanghebbenden in de wijk. 4.3.1 Zaandam-Oost Hoornseveld, Peldersveld gevolgd door Kogerveld, Poelenburg, Rosmolenbuurt-Zuid, Oud West-Zuid • Naoorlogs, veel 1950-1975 • Hoge dichtheid • Veel gestapelde bouw (60%) • Parteon, ZVH en Rochdale hebben veel bezit (55%) • Hoogstedelijke nieuwbouwlocaties (MAAK Centrum-Oost en Achtersluispolder) Eigenschappen

4.3.2   

 

• Warmtenet • Bestaande net met biowarmtebron. • Op termijn: temperatuur verlagen en duurzame bronnen toevoegen (aquathermie, geothermie, restwarmte). Kansrijke aardgasvrije oplossing

• Woningcorporaties • Gemengde VvE's • Eigenaar-bewoners • Nieuwbouwontwikkelaars

Wie?

Waarom is deze wijk kansrijk? Er is al een warmtenet in Zaandam-Oost Gestapelde bouw met hoge dichtheid is uitermate geschikt voor een warmtenet, dit is zeker de meest betaalbare optie voor dit gebied. Corporaties hebben veel bezit en kunnen afzet creëren. Zij hebben al een deel van de woningen geïsoleerd, andere woningen staan op de planning en kunnen worden voorbereid op collectieve verwarming. Er is zicht op beschikbaarheid van duurzame bronnen op termijn (aquathermie, ondiepe geothermie) De ligging in de buurt van hoogstedelijke MAAK-gebieden (Achtersluispolder, Hembrugterrein, Centrum-Oost) biedt koppelkansen

30

In Zaandam-Oost is eind 2019 een eerste stuk van een warmtenet aangelegd. Het gebied heeft veel hoogbouw met hoge bouwdichtheid. Zowel utiliteit, nieuwbouw als bestaand corporatiebezit met deels gemengde VvE’s worden aangesloten. Het tracé van dit warmtenet loopt door Hoornseveld en Peldersveld. In de eerste fase zullen vooral hoogbouwcomplexen van de woningcorporaties langs dit tracé aansluiten op het warmtenet. Het net kan worden doorontwikkeld in de periode tussen 2020 en 2030. Het warmtenet in Zaandam-Oost heeft als bron biogrondstof. Dit is een transitiebron die naar verwachting zo’n 15 jaar kan worden gebruikt. Het biowarmtestation levert minimaal 70°C aan de woningen en kan tot 90°C leveren. Afhankelijk van de ontwikkelingen kan daarna worden overgegaan op andere bronnen. Om die overstap mogelijk te maken, moet de maximale aanvoertemperatuur naar de woningen wel verlaagd kunnen worden naar maximaal 70°C. Ook is het wenselijk dat het warmtenet verder doorgroeit. Uitbreidingsmogelijkheden zien we in Kogerveld, Poelenburg en het Zuidelijke deel van de Rosmolenbuurt en Oud West. Ook de verwachte nieuwbouw in de MAAKgebieden Achtersluispolder, het Hembrugterrein en Centrum-Oost is geschikt voor de ontwikkeling van een warmtenet. Deze gebieden worden namelijk in hoge dichtheid ontwikkeld.

Het is zeker dat de doorontwikkeling van het warmtenet niet alleen met biogrondstoffen kan plaatsvinden. Het biowarmtestation dat in de warmte voor de eerste 2200 woningen voorziet, heeft nog extra capaciteit voor een paar honderd woningen, maar zeker niet voldoende voor het hele gebied. Er wordt dus ook gezocht naar alternatieve warmtebronnen en lokale oplossingen zoals wijkwarmtepompen, die het warmtenet kunnen voeden. Deze warmtepompen kunnen mogelijk gebruik maken van:    

Laagwaardige restwarmte uit de industrie Thermische energie uit oppervlaktewater (TEO), gezien de ligging boven de haven en de Noorder IJpolder. Thermische energie uit afvalwater of rioolwater (TEA), mede afhankelijk van de nieuwe locatie van de afvalzuiveringsinstallatie en de capaciteit van het rioolstelsel. Bij voldoende schaalgrootte kan ook gedacht worden aan warmte uit een ondiepe geothermieput van circa 1 km diepte.

De woningcorporaties spelen een belangrijke rol als eerste afnemers van het warmtenet in ZaandamOost. Zij creëren daarmee de mogelijkheid voor andere woning- en vastgoedeigenaren om mee te doen. Corporaties kunnen nu al aansluiten, omdat zij al investeren in isolatiemaatregelen voor bestaande woningen. Bovendien zien de corporaties dat het huidige warmteaanbod een voordeel is om hun huurders nu een duurzamer alternatief te bieden waarbij het uitgangspunt is dat de woonlasten niet stijgen. De verdere ontwikkeling van het warmtenet is sterk afhankelijk de planningen van de corporaties en andere grote vastgoedeigenaren. In Poelenburg en in Kogerveld is een aantal complexen bijvoorbeeld zeer geschikt om aan te sluiten op het warmtenet, maar in veel van deze woningen zijn net nieuwe Cv-ketels geïnstalleerd. In andere delen van deze wijken staan nog duurzaamheidsinvesteringen op de planning en kan al voorgesorteerd worden op een collectieve warmtevoorziening. De snelheid waarmee deze woningen aansluiten zal daarom verschillen per plek in deze wijken, op basis van renovatieplanningen en de keuze om ketels wel of niet vervroegd af te schrijven. Dat is de reden dat een deel van Poelenburg en heel Kogerveld gearceerd zijn als een gebied dat zowel in de eerste als in de twee fase kan starten met een warmtenet. Enkele complexen zijn gemengde VvE’s.

Dat betekent dat een deel van de woningen in het gebouw eigendom is van een woningcorporatie en een deel in particulier bezit. Om deze complexen te kunnen aansluiten moeten alle eigenaren meedoen. Dit vraagt om een specifieke aanpak voor deze complexen, waarbij alle eigenaren de mogelijkheid krijgen om voor een redelijk aanbod aan te sluiten.

31

4.3.3 Zaanstad-Noord: Krommenie en Wormerveer Snuiverbuurt, Rosariumbuurt, Noorderham, Zuiderham gevolgd door Wormerveer Noord • Naoorlogs, veel 1950-1975 • 900 woningen hebben collectieve warmtevoorziening op gas • Corporatiebezit (Parteon) • Bedrijventerrein wordt herontwikkeld tot woningen

• Kansrijk voor lokaal warmtenet • Starten met tijdelijke voorziening, op termijn aquathermie (ondiepe) geothermie of restwarmte • Starten met all electric bij sloop/nieuwbouw

Eigenschappen

Kansrijke aardgasvrije oplossing

4.3.4       

• Parteon 1500 woningen • Ontwikkelaars nieuwbouw • Utiliteit (bedrijventerreinen) • Eigenaar bewoners • Gemengde VvE

Wie?

Waarom is deze wijk kansrijk? In een deel van de wijk is gestapelde bouw met hoge dichtheid, waarvoor een warmtenet de meest geschikte oplossing is. Een aantal Parteon complexen is voorzien van collectieve gasgestookte ketels. Een aantal eengezinswoningen van Parteon staan in de planning om de komende jaren geïsoleerd te worden. Ligging naast transformatiegebied en bedrijven/industrieterreinen biedt mogelijkheden voor koppeling collectieve warmte-infrastructuur Gasnet van Liander is relatief oud in de Snuiverbuurt Er staat een aantal nieuwbouwwoningen op de planning Interessant gebied voor pilot met kleinschalige collectieve oplossing, bijvoorbeeld met oppervlaktewater.

De combinatie van hoogbouw, collectieve ketels en de waterrijke omgeving maken Krommenie een geschikt gebied om te onderzoeken of een lokaal warmtenet met oppervlaktewater mogelijk is, gebruik makend van het oppervlaktewater dat aanwezig is in de wijk. Met name in het centrale gebied van Krommenie staan veel complexen met een collectieve gasgestookte warmtevoorziening. Die complexen, in bezit van Parteon, hebben voldoende schaalgrootte voor een lokaal warmtenet. De bestaande verouderde collectieve warmtevoorziening zal gemoderniseerd moeten worden en er zullen een aantal isolatiemaatregelen genomen moeten worden op de panden geschikt te maken voor het verwarmen op 70°C. Het omliggende gebied is gearceerd aangeduid, omdat er in dit gebied per gebouw of per straat gekeken kan worden of het vastgoed mogelijk ook kan aansluiten op dit net. Dit hangt af van de mate waarin woningen al transitiegereed zijn en verwarmd kunnen worden met een temperatuur van 70°C en de investeringsbereidheid en capaciteit van de vastgoedeigenaren. Als tweede fase zou Wormerveer Noord kunnen volgen. Ook hier kan gestart worden met de meergezinswoningen en mogelijk ook met omliggende eengezinswoningen. Om een lokaal warmtenet met buurtwarmtepompen te kunnen realiseren is een schaal van een paar honderd woningen nodig.

De 900 bestaande collectief verwarmde woningen, in bezit van Parteon, hebben dus voldoende schaalgrootte voor de ontwikkeling van een lokaal warmtenet. Als uit de businesscase blijkt dat de oplossing op de korte termijn nog niet haalbaar is dan kunnen deze panden voorlopig ook nog gasgestookt blijven. Er kan dan bovendien gestart worden met het collectief verwarmen van andere complexen, die nu nog verwarmd worden met individuele ketels.

4.4

Indicatief tijdpad

Onderstaand schema geeft een indicatief tijdspad van wanneer we in welke wijken starten met het (voorproces) om te komen tot een wijkuitvoeringsplan.

32

Isoleren, ventileren en elektrisch koken Warmtenetbuurten eerste fase Peldersveld, Hoornseveld, Krommenie centrum

Warmtenetbuurten tweede fase Wormerveer-Noord, Oud-West Zuid en Rosmalenbuurt-Zuid, Bomenbuurt-Oost en Poelenburg

Overige warmtenetbuurten

All-electric, lokale bronnetten en duurzaam gas hybride

Tijd Figuur 16: Schematisch overzicht fasering van de fasering in de Transitievisie Warmte

33

5 Hoe nu verder? Handreiking tot uitvoering De Transitievisie Warmte geeft op gemeenteniveau richting aan de opgave van een aardgasvrije gebouwde omgeving. In deze visie hebben we aangegeven wáár en met welke opties we willen starten en hebben we geconstateerd dat veel woningen niet in een startwijk staan. Hoe komen we van een visie naar daadwerkelijke uitvoering van de plannen om ervoor te zorgen dat alle woningen en gebouwen aardgasvrij zijn? In dit hoofdstuk gaan we in op de gemeentebrede thema’s en vervolgstappen die nodig zijn. En hebben we in voorbereiding op de wijkuitvoeringsplannen nagedacht over de acties die nodig zijn om door te kunnen gaan met het aardgasvrij maken van Zaanstad.

5.1

Rolverdeling van partijen

In de uitvoering van de warmtetransitie hebben partijen verschillende rollen. We zien de volgende rolverdeling: 

5.2

Gemeente: voor de gemeente zien we enerzijds een procesrol van verbinder en facilitator, die het initiatief neemt tot planvorming zoals deze Transitievisie Warmte, en het vervolg erop zoals wijkuitvoeringsplannen of een bronnenstrategie. Maar we zien ook een formele rol voor de gemeente als bevoegd gezag. Nu is het instrumentarium voor gemeentes in de warmtetransitie nog beperkt. Onder de Wet collectieve warmtevoorziening krijgt de gemeente echter de mogelijkheid om warmtekavels uit te geven, en deze toe te wijzen aan warmtebedrijven. De selectieprocedure voor warmtebedrijven is publiekrechtelijk verankerd in de nieuwe warmtewet en wordt een verantwoordelijkheid van het gemeentebestuur. De gemeente kan wel andere partijen, zoals woningcorporaties, in deze selectieprocedure betrekken. Overigens kunnen warmtekavels ook worden toegewezen aan niet-commerciële partijen, zoals energiecoöperaties. Woningcorporaties: de primaire rol van woningcorporaties is de kerntaak om betaalbare woningen aan te bieden. Tegelijkertijd hebben woningcorporaties ook een rol in de warmtetransitie omdat zij een grote woningeigenaar zijn, en als “startmotor” kunnen fungeren in wijken waar zij veel bezit hebben. In die zin hebben woningcorporaties een rol als uitvoerder en expert: complexen transitiegereed maken en expertise inbrengen in de planvorming van de gemeente.

Daarbij bewaken woningcorporaties steeds de woonlasten van huurders. Dat betekent dat zij de vrijheid hebben om een eigen businesscase op te stellen om de voorkomen dat een onevenredig groot deel van de kosten terecht komt bij de corporatie of de huurder. Inwoners: in de warmtetransitie zijn vrijwel alle inwoners eindgebruiker van warmte. Een deel van de inwoners is huurder, en een ander deel is eigenaar-bewoner. In beide gevallen is het belangrijk dat inwoners gebruikmaken van mogelijkheden om te participeren zodat voorkeuren en zorgen meegenomen kunnen worden in planvorming. Voor eigenaar-bewoners is er daarnaast de rol om op termijn hun woning transitiegereed te maken en voor bewoners van corporatiecomplexen geldt bij sommige maatregelen het instemmingsrecht. Tijdens een webinar in januari 2021 is aan inwoners gevraagd hoe zij in de uitvoering van de Transitievisie Warmte betrokken willen worden. Hier kwam naar voren dat de deelnemers de voorkeur geven aan een groep bewoners die in een wijk kunnen meedenken boven een meer informatief proces. Ook blijkt dat de deelnemers min of meer in alle onderwerpen evenveel geïnteresseerd zijn en via allerlei verschillende kanalen betrokken willen worden. Netbeheerder: Liander is de regionale netbeheerder voor elektriciteit en gas.

Het is de kerntaak van Liander om zo efficiënt en effectief mogelijk een betrouwbare levering van elektriciteit en gas aan te bieden. Daarnaast is Liander een kennis- en uitvoeringspartner in de energietransitie: Liander is onderdeel van bijna ieder energietransitieproject, bijvoorbeeld om elektriciteitsaansluitingen te maken of om gasnetten te vervangen dan wel te verwijderen.

Stapsgewijs transitiegereed maken van alle woningen

In het grootste deel van Zaanstad gaan we niet direct beginnen met de transitie naar aardgasvrij. Dat betekent niet dat er in al die buurten voorlopig niets hoeft te gebeuren. Ook als een buurt niet behoort tot de startbuurten, moeten we daar beginnen met gebouwgebonden maatregelen, om twee redenen:

34

1. Om gereed te zijn voor de aardgasvrije warmteoptie wanneer dat wel aan de orde is. De gebouwen moeten “transitiegereed” worden. 2. Om al direct te beginnen met het besparen van aardgas en dus CO 2-uitstoot. Transitiegereed betekent dat het gebouw qua isolatie, binneninstallatie en ventilatie gereed is voor aardgasvrije verwarming, ongeacht de warmteoptie die voorzien is in de buurt. Ook elektrisch koken is onderdeel van transitiegereed. In Bijlage 1 is reeds een eerste handreiking voor gebouweigenaren opgenomen met daarin het handelingsperspectief per type gebouw. Voor veel eigenaren zal ook de vraag van ketelvervanging spelen. Moet ik nog een nieuwe cv-ketel aanschaffen of niet? In de buurten die geen startbuurten zijn is een cv-ketel in principe nog no-regret, maar een hybride warmtepomp is beter omdat die meer aardgas bespaart. Gebouweigenaren zullen ieder natuurlijk moment moeten gebruiken om toe te werken naar een transitiegereed gebouw. Enerzijds om de maatschappelijke kosten zo laag mogelijk te houden en anderzijds omdat er gewoon niet veel natuurlijke momenten zijn. Verhuizing, grootschalig schilderwerk en onderhoud (bijvoorbeeld aan dak of fundering) zijn voorbeelden van natuurlijke momenten. Een concrete vervolgstap die de gemeente kan initiëren na de Transitievisie Warmte is het opstellen van een isolatiestrategie.

Enerzijds is het belangrijk dat de gemeente duidelijkheid verschaft aan gebouweigenaren over wat nu no-regret is in welke buurten, en waarom het belangrijk is dat zij die maatregelen nemen. Dan weten gebouweigenaren waar zij aan toe zijn. Hiervoor kan de gemeente samenwerken met de woningcorporaties en het Regionaal Energieloket. Anderzijds kan de gemeente gebouweigenaren actief ondersteunen, bijvoorbeeld met subsidiebeleid of collectieve inkoopacties. Belangrijk is dat dit beleid is afgestemd op de Transitievisie Warmte: dus geen subsidiëring van maatregelen die niet no-regret zijn. Dat beleid kan ook verschillen per buurt: in een buurt waar op korte termijn het warmtenet komt is subsidiëring van een (hybride) warmtepomp onlogisch en ook onwenselijk met oog op de maatschappelijke kosten.

5.3

Startwijken en een Zaanse Warmtestrategie

5.3.1 Zaanse Warmtestrategie Uit deze Transitievisie Warmte blijkt dat in veel wijken het warmtenet de laagste maatschappelijke kosten heeft. Ook blijkt uit beschikbare data en onderzoek dat er perspectief is op verschillende warmtebronnen in Zaanstad. Dat is echter nog niet voldoende om te kunnen starten met het ontwikkelen van warmtenetten. Als vervolg op de Transitievisie Warmte kan Zaanstad een warmtestrategie opstellen, naar voorbeeld van gemeentes zoals Amsterdam, Haarlem en de Drechtsteden. Een warmtestrategie bestaat grofweg uit drie onderdelen: 

Het uitwerken van een Zaanse wijkaanpak. Hierin maakt de gemeente met haar stakeholders afspraken over de wijkgerichte aanpak, zoals een stappenplan, een participatieaanpak, ontwerp, aanbesteding, uitvoering en monitoring. Aangezien het belangrijk is om momentum vast te houden en omdat er zich op korte termijn koppelkansen voordoen in de startwijken, is het logisch de Zaanse wijkaanpak “al doende lerend” te ontwikkelen in de startwijken, en die lessen mee te nemen naar volgende wijken. In de volgende paragraaf is een handreiking voor de wijkaanpak opgenomen. Het uitwerken van de warmtebronnen. Hierin onderzoekt de gemeente wat de haalbare potentie is van de verschillende warmtebronnen voor Zaanstad, op basis van nader onderzoek gekoppeld aan de startwijken. Daarnaast spreken partijen in de bronnenstrategie een voorkeursvolgorde uit voor bronnen op basis van bijvoorbeeld kosten en duurzaamheid, en brengen ze externe (markt)partijen in kaart voor het ontwikkelen van deze warmtebronnen en inventariseren ze bij hen welke randvoorwaarden zij stellen voor realisatie. Tot slot gaat dit ook over het verduurzamen van de bestaande warmtebronnen in Zaanstad op termijn. Een groeistrategie voor warmtenetten.

Hierin brengt de gemeente in kaart hoe het groeimodel van warmtenetten in de gemeente er idealiter uitziet, welke (markt)partijen daarbij betrokken zijn, hoe de marktordening is geregeld en hoe het huidige en toekomstige instrumentarium ingezet kan worden.

35

Gelet op het feit dat deze drie onderdelen nauw verbonden zijn met elkaar en ook vaak dezelfde (markt)partijen aanspreken is het logisch deze gezamenlijk op te pakken in een “Zaanse Warmtestrategie”. 5.3.2 Handreiking voor een wijkaanpak Er is nog geen “standaardrecept” voor de wijkaanpak. Op meerdere plekken in het land worden momenteel pilots uitgevoerd in het kader van het nationaal programma “Proeftuinen Aardgasvrije Wijken”. De lessen uit deze pilots worden beschikbaar gesteld aan alle gemeentes. Wel zijn er bepaalde stappen en bepaalde onderdelen van de wijkgerichte aanpak die al wel duidelijk zijn. Die zijn gevisualiseerd in figuur 17. Stap 1 is daarbij het vastleggen van procesmatige keuzes voor het werken aan de wijkaanpak. Deze kunnen per wijk verschillen. Deze afspraken leggen we bij voorkeur vast in een gezamenlijke intentieovereenkomst. Hierbij staan de volgende vragen centraal:    

Welke partijen gaan in de wijken aan de slag? Hoe communiceren we met inwoners en hoe kunnen inwoners kunnen participeren bij de vervolgstappen? Welke vervolgonderzoeken zijn nodig en wat is de scope van deze onderzoeken? Denk bijvoorbeeld aan technisch en financieel haalbaarheidsonderzoek. Welke koppelkansen zijn er om met de aanpak bij aan te sluiten? Uitgangspunt van de Transitievisie Warmte is namelijk zoveel mogelijk afstemming met andere werkzaamheden in de wijk. Dit loopt uiteen van regulier onderhoud aan de wegen, riool, aanleg van glasvezel en andere infrastructuur van de gemeente en andere partijen. Niet alleen binnen een buurt moeten partners investeringen en planningen afstemmen, ook tussen buurten is dit essentieel om tot goede buurtuitvoeringsplannen en uitvoering te komen.

Figuur 17. Stappenplan wijkaanpak

Stap 2 is het opstellen van een Uitvoeringsplan of Wijkuitvoeringsplan (WUP). Hierin maken we bijvoorbeeld de definitieve technische keuzes (op buurt- en gebouwniveau) en werken we de businesscase verder uit. Als blijkt dat we voor een buurt aanvullende middelen nodig hebben, zijn er momenteel verschillende programma’s en subsidiemogelijkheden, waaronder de Proeftuinen Aardgasvrije Wijken. In deze stap wordt een concreet aanbod bedacht voor gebouweigenaren.

36

Stap 3: Aanbod en ontwerp. We doen een concreet voorstel aan inwoners en pandeigenaren om van het aardgas af te gaan. Dit houdt in dat we duidelijk zijn over de kosten, maar ook over de taken en verantwoordelijkheden die iedereen heeft voor de aardgasvrijtransitie in deze buurt. Aan het einde van deze stap zijn de afspraken definitief vastgelegd. Dat betekent voor warmtenetten dat er ook een exploitant bekend is die deze afspraken maakt met pandeigenaren en met de uitvoering aan de slag kan gaan. Stap 4: Uitvoering. Als alle afspraken op papier staan, kunnen we daadwerkelijk aan de slag. Voor warmtenetten betekent dit dat het net wordt aangelegd en de woningen en andere panden worden aangesloten. Voor all-electric kan dit betekenen dat de hele buurt in korte tijd van het aardgas af gaat, maar het is ook mogelijk dat we op een gefaseerde aanpak uitkomen, waarbij inwoners en woningeigenaren op natuurlijke momenten, waarop het hen zelf het beste uitkomt, overstappen. Stap 5: Monitoring en nazorg. We staan nog maar aan het begin van de warmtetransitie. Dat betekent dat niet alles meteen vlekkeloos zal verlopen. Daarom is het belangrijk dat we ook nadat de wijk van het aardgas af is goed in de gaten houden hoe het gaat. Zo kunnen we indien nodig bijsturen en leren we voor de volgende wijken.

5.4

Flexibiliteit van de Transitievisie Warmte

De Transitievisie Warmte wordt vastgesteld door de gemeenteraad en is zodoende beleid van de gemeente. Er wordt een duidelijke voorkeur uitgesproken voor de fasering van buurten en de oplossing per buurt. Zo lijkt het dat de gemeente een statisch eindbeeld vaststelt waarin geen ruime is voor flexibiliteit. Dit kan een spanningsveld creëren met bewonersinitiatieven die een andere oplossing ambiëren dan uit de Transitievisie Warmte, of met innovatieve technieken die in de Transitievisie nog niet in beeld waren. Het is belangrijk te benadrukken dat de Transitievisie meer flexibiliteit biedt dan op het eerste oog lijkt: 1. De definitieve keuze voor een oplossing per buurt volgt pas in het Uitvoeringsplan, waar de gemeenteraad ook over besluit. In het Uitvoeringsplan zijn zowel de warmteoptie als de fasering in groter detail uitgewerkt. 2. De Transitievisie Warmte wordt in principe iedere vijf jaar herijkt. Dat betekent dat de nieuwste technische en financiële inzichten kunnen worden verwerkt, en dat zowel fasering als warmteopties kunnen worden aangepast aan de laatste stand van zaken. 3. De Transitievisie Warmte zelf onderkent dat lokale omstandigheden altijd kunnen leiden tot andere afwegingen, en neemt daarom de opt-out in acht. Dit biedt bijvoorbeeld ook ruime aan particuliere initiatieven die een andere oplossing ambiëren dan de Transitievisie.

5.5

Inrichting projectorganisatie

Samenwerken in de warmtetransitie betekent meer dan het naast elkaar uitvoeren van de projecten van de individuele stakeholders. Enerzijds dient er gebiedsgerichte coördinatie te zijn op de (samenhang tussen) de specifieke projecten en opgaven. Anderzijds liggen er stevige uitdagingen op samenwerking, strategie, communicatie en participatie en financiering. Dit vraagt een gestructureerde aanpak en - sturing. De warmtetransitie is bovendien geen op zichzelf staande opgave. Het is belangrijk dat ambities en plannen worden afgestemd met de ambities en plannen op andere thema’s. Het gaat dan om thema’s als verbetering van de inrichting openbare ruimte, het verhogen van de leefbaarheid en het versterken van de sociale cohesie. De gemeente is regisseur van de warmtetransitie en zal als vervolg op de Transitievisie Warmte samen met de belangrijkste partners in Zaanstad een organisatiestructuur inrichten met bijbehorende uitvoeringsorganisatie, om de ambities in de visie te kunnen realiseren. Om dat te bereiken, is de eerste en essentiële stap het verder opbouwen van de samenwerking met deze partners, met onder andere als doel om een gedeeld beeld te krijgen over de meest geschikte manier van samenwerken en de best bijpassende organisatiestructuur.

37

Bijlage 1: Handreiking gebouweigenaren Figuur B1.1: Handreiking gebouweigenaren Type gebouw Meergezinswoningen gebouwd vóór 1990 Portiekflats, galerijflats, portiekwoningen

Meergezinswoningen gebouwd na 1990 Portiekflats, galerijflats, portiekwoningen Eengezinswoningen gebouwd vóór 1990: Rijwoningen, 2-onder-1kapwoningen en vrijstaande woningen

No-regret maatregelen (oplossingsneutraal)

Individueel per woning:  Bij aankoop van huis nagaan welke delen van de gevel nog niet zijn geïsoleerd en zo niet, of dit technisch mogelijk is (meenemen in bouwkundige rapportage), hoe er wordt gekookt en of woning voldoende wordt geventileerd.  Check alvast of de woning warm wordt als de gasketel op 70°C staat.  Overstap naar elektrisch koken bij verbouwen keuken/ aanschaf nieuw fornuis.  Vervangen van enkele beglazing door isolatieglas bij schilderbeurt (eventueel via VvE)  Bij casco renovatie de woning, indien geen spouw aanwezig, woning aan binnenzijde isoleren.  Bij plaatsen van nieuwe radiatoren deze dimensioneren op een zo laag mogelijke aanvoertemperatuur.  Bij plaatsen van een aan- of uitbouw deze isoleren op nieuwbouwniveau.  Bij verbouwing van zolder naar slaapkamers/ plaatsen van dakkapel ook dak aan binnenzijde isoleren. VvE:  Isoleren van plat dak, begane grondvloer en spouw in combinatie met natuurlijke momenten van onderhoud. Meenemen in de meerjarenonderhoudsplanning en -begroting. Indien van toepassing opdracht verlenen aan VvE beheerder.  Bij aankoop van huis nagaan of de VvE naast geld voor noodzakelijk onderhoud ook geld reserveert/ een planning heeft voor isolatie.  Bij aankoop van huis nagaan hoe er wordt gekookt.  Check alvast of de woning warm wordt als de gasketel op 70°C staat.  zet.

Overstap naar elektrisch koken bij verbouwen keuken of aanschaf nieuw fornuis.  Bij aankoop van huis nagaan welke delen van de gevel nog niet zijn geïsoleerd en zo niet, of dit technisch mogelijk is (meenemen in bouwkundige rapportage), hoe er wordt gekookt en of woning voldoende wordt geventileerd.  Check alvast of de woning warm wordt als de gasketel op 70°C staat.  Overstap naar elektrisch koken bij verbouwen keuken/ aanschaf nieuw fornuis.  Isoleren van dak, begane grondvloer en spouw indien aanwezig.  Vervangen van enkele beglazing door isolatieglas en daar waar mogelijk spouw isoleren en de begane grondvloer.  Bij casco renovatie de woning, indien geen spouw aanwezig, aan binnenzijde isoleren.  Bij verbouwing van zolder naar slaapkamers/plaatsen van dakkapel ook dak aan binnenzijde isoleren.  Als zolder weinig wordt gebruikt dan zolder vloer isoleren tussen de bestaande balken.  Bij plaatsen van nieuwe radiatoren deze dimensioneren op een zo laag mogelijke aanvoertemperatuur.  Bij plaatsen van een aan- of uitbouw deze isoleren op nieuwbouwniveau.

38

Eengezinswoningen  Bij aankoop van huis nagaan hoe er wordt gekookt. gebouwd na 1990:  Check alvast of de woning warm wordt als de gasketel op 70°C staat. Rijwoningen, 2-onder-1 Overstap naar elektrisch koken bij verbouwen keuken/ aanschaf nieuw kapwoningen en vrijstaande fornuis. woningen Wat te doen bij ketelvervanging? Warmtenet Plannen gemeente in de gaten houden, indien nodig gasketel vervangen. Advies is niet te kiezen voor een andere oplossing, omdat dit de kosten voor de gehele wijk duurder maakt. All-electric Bij ketelvervanging overwegen om warmtepomp aan te schaffen. De woning moet dan wel voldoende geïsoleerd zijn. Houd rekening dat in veel gevallen ook alle radiatoren vervangen moeten worden. Bij grotere complexen overwegen om voor collectieve oplossing te kiezen via de VvE. Gasnet Bij ketelvervanging overwegen om hybride warmtepomp aan te schaffen. De woning moet dan wel voldoende geïsoleerd zijn. Volledig all-electric is in enkele gevallen ook mogelijk. Bronnet Met name van toepassing voor utiliteitsbouw en naastgelegen meergezinswoningen, zie hiervoor warmtenet. Eengezinswoningen in deze buurten, zie all-electric.

39

Bijlage 2: Achtergrond Warmtetransitiemodel Zie separaat bijgevoegd document.

40

Bijlage 3: Vergelijking met Startanalyse 2020 Aanleiding In september 2020 heeft PBL de Startanalyse 2020 gepubliceerd. Dit is een geactualiseerde analyse met het Vesta MAIS-model die eerder in 2019 werd gepubliceerd, maar die in 2020 een grote update heeft gekregen. De Startanalyse is onderdeel van de Leidraad Transitievisie Warmte, een hulpmiddel vanuit de Rijksoverheid om gemeentes te helpen met de Transitievisie Warmte. De Startanalyse is een financieel-technische analyse met het Vesta MAIS model waarin op buurtniveau een uitspraak wordt gedaan over de warmteoptie met de laagste maatschappelijke kosten, vergelijkbaar met de analyse met het Warmtetransitiemodel zoals die voor de Transitievisie Warmte Zaanstad heeft plaatsgevonden.

Doel In deze notitie is een vergelijking gemaakt tussen de Startanalyse 2020 en het Warmtetransitiemodel, zowel op methodologie als op uitkomsten voor Zaanstad. Dit dient een aantal doelen:  

Gebruik maken van de Leidraad die door het Rijk beschikbaar wordt gesteld Het verklaren van eventuele verschillen tussen de modelstudies, om zo te voorkomen dat de twee modelstudies leiden tot vragen en onduidelijkheden.

Vergelijking op methodologie met de Startanalyse 2020 Voordat we de resultaten vergelijken, kijken we eerst naar de methodologie van beide modellen. De volgende tabel geeft de belangrijkste overeenkomsten en verschillen weer. Figuur B3.1: Vergelijkingsmatrix WTM en Startanalyse 2020

Optimalisatie

Warmtetransitiemodel

Startanalyse 2020 (Vesta MAIS)

Maatschappelijke kosten

Maatschappelijke kosten

Warmteopties  All electric (bestaande bouw)  Gasnet  Warmtenet  Bronnet Daarnaast zijn er combinatievarianten voor buurten waar twee opties verwacht zijn. Bouwkundige niveaus

Bestaande warmtenetten

Twee niveaus: Twee niveaus:  Minimumniveau (max. 80 kWh/m2).  Schillabel B Vergelijkbaar met schillabel B  Schillabel D  Basisniveau (max. 65 kWh). Vergelijkbaar met schillabel D Bij bestaande warmtenetten in een buurt Verondersteld wordt dat de capaciteit van nemen de kosten voor het warmtenet af naar bestaande warmtenetten precies past bij de rato van het aantal woningen dat reeds is vraag van de aangesloten gebouwen. aangesloten.

Warmtebronnen Verondersteld onbeperkt. Separaat toetsen aan beschikbare warmtebrondata voor de gemeente of regio. Duurzaam gas

 All electric  Gasnet met groen gas  Gasnet met waterstofgas  Warmtenet met MT/HT-bron  Warmtenet met LT-bron Iedere warmteoptie heeft daarnaast 2 tot 8 varianten.

Verondersteld beperkt, op basis van verdeelsystematiek en open data over warmtebronnen.

Verondersteld beperkt. Gasnet is een optie die Verondersteld beperkt. Er is een aanname alleen wordt toebedeeld aan buurten die gedaan over beschikbare hoeveelheid groen gas en waterstofgas en deze zijn op basis van

41

bouwkundig het meest complex en waar de alternatieven het meest kostbaar zijn.

maatschappelijke kosten toebedeeld aan de buurten waar dit gas de meeste waarde heeft.

De belangrijkste overeenkomst tussen de modellen is dat beide modellen optimaliseren op maatschappelijke kosten (in de Startanalyse “nationale kosten” genoemd). Daarmee zijn de resultaten in principe vergelijkbaar. Ook belangrijk is het feit dat beide modellen uitgaan van dezelfde bouwkundige niveaus, omdat het grootste kostendeel van de warmtetransitie in het gebouw zit. Er zijn verschillen in hoe de modellen omgaan met de warmteopties, warmtebronnen en duurzaam gas. De warmteopties zijn niet gelijk, en moeten dus geaggregeerd worden om ze te kunnen vergelijken. Ook gaan beide modellen op verschillende wijze om met de beschikbaarheid van warmtebronnen en duurzaam gas. Dit kan een verklaring zijn voor eventuele verschillen in de resultaten. Voor de aggregatie van de warmteopties zijn de twee gasnetopties in de startanalyse samengevoegd tot één categorie gasnet, en de twee warmtenetopties tot één categorie warmtenet. De lokale bronnetten in de analyse van het WTM zijn geclassificeerd als all electric. Zodoende ontstaan er drie categorieën voor beide modellen: gasnet, all electric en warmtenet.

Resultaten Uit de vergelijking van de resultaten op buurtniveau blijkt dat 28 van de 40 buurten dezelfde uitkomst hebben in beide analyses. In 20 buurten is er een verschillende uitkomst. Er is gecorrigeerd voor buurten waar een grootschalige transformatie of nieuwbouw te verwachten is. De overeenkomsten zien we in de oude linten (gasnet), bedrijventerreinen (all electric), en buurten met een hoge dichtheid, zoals Zaanstad Oost (warmtenet). Het zijn in deze buurten waar de warmteopties het meest logisch zijn op grond van de maatschappelijke kosten van de warmteopties. Figuur B3.2: Resultaat uitkomsten vergelijkende analyse

In de 20 buurten waar de modellen verschillende uitkomsten laten zien gaat het vrijwel overal om een verschil tussen warmtenet en all electric. Als verklaring voor dit verschil kunnen we kijken naar de kosten. In 14 van de 20 buurten zegt het WTM dat het kostenverschil tussen all electric en warmtenet 42

kleiner is dan 10% (figuur B3.3). Het is aannemelijk dat (kleine) verschillen in kostenkengetallen van beide modellen er in deze buurten voor kunnen zorgen dat de uitkomst net omslaat naar een andere warmteoptie. Figuur B3.3: Uitkomsten 20 buurten waar modellen verschillende uitkomsten laten zien Buurtnaam

WTM

Startanalyse

Gevoeligheidsanalyse WTM

Westerspoor

Warmtenet

All electric

Kostenverschil warmtenet en all electric kleiner dan 10%

Rooswijk Noord

All electric

Warmtenet

Kostenverschil warmtenet en all electric kleiner dan 10%

Parkrijk

All electric

Warmtenet

Kostenverschil warmtenet en all electric kleiner dan 10%

Oud West

Warmtenet

All electric

Kostenverschil warmtenet en all electric kleiner dan 10%

Spoorbuurt

All electric

Warmtenet

Kostenverschil warmtenet en all electric kleiner dan 10%

Zuiderhoofdbuurt

Warmtenet

All electric

Kostenverschil warmtenet en all electric kleiner dan 10%

Bomenbuurt

Warmtenet

All electric

Kostenverschil warmtenet en all electric kleiner dan 10%

Burgemeestersbuurt

Warmtenet

All electric

Kostenverschil warmtenet en all electric kleiner dan 10%

Het Eiland

All electric

Warmtenet

Kostenverschil warmtenet en all electric kleiner dan 10%

Westerwatering

Warmtenet

All electric

Kostenverschil warmtenet en all electric kleiner dan 10%

Oud Koog

Warmtenet

All electric

Kostenverschil warmtenet en all electric kleiner dan 10%

Rooswijk

Warmtenet

All electric

Kostenverschil warmtenet en all electric kleiner dan 10%

Wormerveer Noord

Warmtenet

All electric

Kostenverschil warmtenet en all electric kleiner dan 10%

Westzaan Noord

All electric

Gasnet

Kostenverschil warmtenet en all electric kleiner dan 10%

Westzanerpolder

All electric

Warmtenet

Lokaal bronnet

Karnemelksepolder

All electric

Warmtenet

Lokaal bronnet

Hoornseveld*

Warmtenet

All electric

Warmtenet 10% - 30% goedkoper

Westerkoog

Warmtenet

Gasnet

Warmtenet 10% - 30% goedkoper

Rosariumbuurt

Warmtenet

All electric

Warmtenet 10% - 30% goedkoper

Waterrijk*

Warmtenet

All electric

Warmtenet meer dan 30% goedkoper

* De verschillen in Hoornseveld en Waterrijk worden verklaard doordat in deze buurten reeds een warmtenet ligt. In het WTM wordt dit meegenomen waardoor het warmtenet in deze buurten relatief goedkoper is. In de Startanalyse wordt verondersteld dat de capaciteit van bestaande warmtenetten precies past bij de aangesloten gebouwen.

Conclusie In meer dan de helft van de buurten laten beide modellen dezelfde resultaten zien. De verschillen zitten voornamelijk in buurten waar het warmtenet en all electric elkaar in kosten niet ver ontlopen. De vraag is: is dit problematisch? In principe niet. De Transitievisie Warmte geeft richting aan warmteopties tot 2040 en moet daarom omgaan met diverse onzekerheden. Om die reden wordt de Transitievisie in principe iedere vijf jaar herijkt en bevat de Transitievisie zelf ook flexibiliteit middels de opt-out. Het belangrijkste is dat de modellen robuustheid laten zien in de startbuurten. Als we naar de startbuurten kijken zien we in twee buurten verschillende resultaten: Hoornseveld en de Rosariumbuurt. Het verschil in Hoornseveld wordt verklaard doordat er in Hoornseveld al een warmtenet ligt, en de modellen daar verschillend mee omgaan. Het verschil in de Rosariumbuurt wordt waarschijnlijk verklaard doordat dit een buurt is met uiteenlopende bouwjaren en gebouwtypen. Als hier gestart wordt met een warmtenet ligt het voor de hand om te kijken of ook echt alle gebouwen worden aangesloten of dat een aantal gebouwen gebruik maakt van de opt-out. Alle overige startbuurten laten een consistente uitkomst zien in beide modellen, namelijk een warmtenet. Al met al leidt deze vergelijkende analyse dus tot een robuustere onderbouwing van de warmteopties in de Transitievisie Warmte.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10408414/1