CConstaterende datZaanstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2021, Geconsolideerde tekst na 3e wijziging

Raadsvergadering 16 september 2021, gemeente ZaanstadBij agendapunt: Wijzigingsverordening Huisvestingsverordening 202140.422 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Artikel 2.5.9 Geldigheid van de urgentieverklaring 1. Het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder b, en in het derde en vierde lid van dit artikel is niet van toepassing op de SV-urgentieverklaring en de urgentieverklaringen waarmee een woningzoekende is ingedeeld in een urgentiecategorie als bedoeld in artikel 2.5.6, tweede lid, of artikel 2.5.7, eerste lid. 2. De urgentieverklaring vervalt: a. nadat de houder ervan niet meer behoort tot de urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring; of, b. na verloop van een termijn van 26 weken na verlening van de urgentieverklaring. 3. Burgemeester en wethouders van de gemeente die tot het in de urgentieverklaring vermelde zoekgebied behoort, kunnen besluiten dat de urgentieverklaring een langere termijn dan die bedoeld in het tweede lid geldig blijft indien: a. de omstandigheden bedoeld in artikel 2.5.5, eerste lid, zich niet voordoen; b. de houder van de urgentieverklaring nog steeds valt in de urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring. 4. Met inbegrip van de in het vorige lid bedoelde verlenging vervalt een urgentieverklaring na het verstrijken van een periode van 52 weken na het moment waarop zij verleend is.

2021/ 15856

Artikel 2.5.10 Wijzigen en intrekken van de urgentieverklaring 1. Burgemeester en wethouders trekken de urgentieverklaring in indien: a. bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en er, indien juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de urgentieverklaring zou zijn geweigerd; b. de houder van de urgentieverklaring niet meer behoort tot de urgentiecategorie welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring of zich één of meer toepasselijke, in artikel 2.5.5, eerste lid, opgenomen en op de desbetreffende urgentiecategorie toepasselijke weigeringsgronden voordoen; c. de houder van de urgentieverklaring daartoe verzoekt; of, d. de houder van de urgentieverklaring passende woonruimte heeft geweigerd of zich anderszins onvoldoende heeft ingespannen om zijn huisvestingsprobleem op te lossen. 2. Burgemeester en wethouders kunnen de urgentieverklaring wijzigen indien: a. bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en er, indien juiste of volledige gegevens verstrekt zouden zijn geweest, de urgentieverklaring niet zou zijn geweigerd maar anders op de aanvraag zou zijn besloten; of b. de houder van de urgentieverklaring behoort tot een andere urgentiecategorie dan die welke aanleiding was voor verlening van de urgentieverklaring. 3.

Ter voorbereiding van een besluit tot intrekking of wijziging van de urgentieverklaring kunnen burgemeester en wethouders zich laten adviseren door een ter zake deskundig persoon. 4. Indien burgemeester en wethouders een voorwaarde aan de urgentieverklaring hebben verbonden, treedt de urgentieverklaring pas in werking als aan de voorwaarde is voldaan.

Artikel 2.5.11 Hardheidsclausule 1. Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien: a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en, b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn. 2. Burgemeester en wethouders registreren de gevallen waarin met toepassing van het in het eerste lid bepaalde een urgentieverklaring wordt verleend. De registratie bevat tenminste de datum waarop de urgentieverklaring wordt verleend en de specifieke omstandigheden van het geval die leiden tot de verlening van de urgentieverklaring.

Artikel 2.5.12 Overgangsrecht urgentieverklaringen Urgentieverklaringen die zijn verleend voor inwerkingtreding van onderhavige verordening, worden gelijkgesteld met de op grond van artikel 2.5.1 van deze verordening te verlenen urgentieverklaringen.

Paragraaf 2.6 Opbouw situatiepunten Artikel 2.6.1 Aanvraag om een verklaring opbouw situatiepunten 1. Een verklaring opbouw situatiepunten wordt aangevraagd bij burgemeester en wethouders. 2. Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen deze termijn eenmaal verlengen met ten hoogste vier weken en maken hun besluit daartoe bekend binnen de in de vorige zin genoemde termijn. 3. De aanvraag wordt schriftelijk ingediend bij het college met behulp van een door burgemeester en wethouders vastgesteld aanvraagformulier. Artikel 2.6.2 Toelatingscriteria opbouw situatiepunten

2021/ 15856 1. Een woningzoekende kan in aanmerking komen voor een verklaring opbouw situatiepunten indien hij verkeert in een van de volgende situaties: a. hij woont met zijn huishouden sinds ten minste een jaar voorafgaand aan de datum van aanvraag, in bij een persoon die rechthebbende is op de woning en die geen deel uitmaakt van het huishouden van woningzoekende; of, b. hij verkeert in een situatie van echtscheiding of relatiebreuk en kan niet in de voormalig gezamenlijke woning blijven wonen en kan niet over zelfstandige woonruimte beschikken, 2. De woningzoekende die verkeert in een situatie als bedoeld in het eerste lid onder a. dient te voldoen aan de volgende voorwaarden: a. de woningzoekende is in de twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken woonachtig geweest in de woningmarktregio blijkend uit een inschrijving op een adres in de regio in de basisregistratie personen; c. de woningzoekende vormt een huishouden met ten minste één minderjarig kind; en, d. de woningzoekende staat sinds ten minste één jaar, voorafgaand aan de datum van aanvraag, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres van de persoon bij wie hij inwoont. 3. De woningzoekende die verkeert in een situatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, dient te voldoen aan de volgende voorwaarden: a.

de woningzoekende is in de twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken woonachtig geweest in de woningmarktregio blijkend uit een inschrijving op een adres in de regio in de basisregistratie personen; b. de woningzoekende heeft in de drie jaren voorafgaand aan de datum van de aanvraag, ten minste twee jaar aaneensluitend ingeschreven gestaan in de basisregistratie personen op het adres van de gezamenlijke woning; en, c. de woningzoekende heeft (mede)gezag over en de zorg voor ten minste 1 dag per week voor ten minste één minderjarig kind. Artikel 2.6.3 Opbouw en intrekking van situatiepunten 1. Situatiepunten worden opgebouwd met één punt per verstreken maand vanaf de eerste dag van de kalendermaand volgend op de datum toekenning verklaring opbouw situatiepunten, met een maximum van twaalf situatiepunten. 2. Burgemeester en wethouders trekken opgebouwde situatiepunten in de volgende gevallen in: a. Bij niet op komen dagen bij een bezichtiging na aanvaarding van een uitnodiging door een woningzoekende; of, b. Bij de tweede weigering van een aangeboden woning; Artikel 2.6.4 Geldigheidsduur en verlenging situatiepunten 1. De verklaring opbouw situatiepunten heeft een geldigheidsduur van drie jaar vanaf de datum waarop deze is afgegeven. 2.

Burgemeester en wethouders kunnen besluiten tot verlenging van de verklaring situatiepunten opbouw voor een tweede termijn van drie jaar indien de aanvrager nog steeds aan de criteria voldoet op grond waarvan de verklaring opbouw situatiepunten is verleend. 3. Een aanvraag tot verlenging kan worden ingediend voordat de geldigheidstermijn van de verklaring is verstreken maar niet eerder dan twee jaar en zes maanden nadat de verklaring is verleend. Artikel 2.6.5 Algemene weigeringsgronden verklaring opbouw situatiepunten 1. Burgemeester en wethouders weigeren de verklaring opbouw situatiepunten indien naar hun oordeel de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 2.6.2 genoemde eisen. 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de toepassing van deze paragraaf. 3. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin toepassing van deze paragraaf naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van de bepalingen in deze paragraaf.

Paragraaf 2.7 Opbouw situatiepunten voor jongeren

2021/ 15856 Artikel 2.7.1 Van overeenkomstige toepassingverklaring Op een aanvraag om een verklaring opbouw situatiepunten voor jongeren zijn de artikelen 2.6.1, 2.6.3 en 2.6.4 van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.7.2 Toelatingscriteria opbouw situatiepunten voor jongeren Om in aanmerking te komen voor een verklaring opbouw situatiepunten voor jongeren dient de woningzoekende te voldoen aan de volgende voorwaarden: 1. De woningzoekende verkeert in een van de volgende situaties: a. hij is opgenomen in een pleeggezin of gezinshuis; of, b. hij beschikt over een Wmo beschikking voor ambulante ondersteuning, met een looptijd van ten minste 2 jaar, waarvan er één is verstreken voor de datum van aanvraag; en 2. De woningzoekende is op de datum van aanvraag meerderjarig maar heeft nog niet de leeftijd van vijfendertig jaar bereikt; en 3. De woningzoekende staat ten minste twee jaar, voorafgaand aan de datum van aanvraag, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres van de ouder, pleegouder of het gezinshuis; en 4. De woningzoekende is in de twee jaar, voorafgaand aan de aanvraag onafgebroken woonachtig geweest in de woningmarktregio blijkend uit een inschrijving op een adres in de regio in de basisregistratie personen; en 5. Een verklaring opbouw situatiepunten voor jongeren wordt niet verstrekt naast een verklaring opbouw situatiepunten als bedoeld in artikel 2.6.2.

Artikel 2.7.3 Opbouw en intrekking van situatiepunten voor jongeren 1. Situatiepunten voor jongeren kunnen worden opgebouwd tot de datum dat de woningzoekende de leeftijd van vijfendertig jaar bereikt. 2. Burgemeester en wethouders kunnen de verklaring situatiepunten en de opgebouwde situatiepunten voor jongeren intrekken als de woningzoekende niet langer voldoet aan de criteria als bedoeld in artikel 2.6.2. Artikel 2.7.4 Algemene weigeringsgronden verklaring opbouw situatiepunten voor jongeren 1. Burgemeester en wethouders weigeren de verklaring opbouw situatiepunten indien naar hun oordeel de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 2.7.2 genoemde eisen. 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de toepassing van deze paragraaf. 3. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin toepassing van deze paragraaf naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van de bepalingen in deze paragraaf.

Paragraaf 2.8 Tijdelijk experiment startpunten voor jongeren Artikel 2.8.1 Aanvraag om een verklaring startpunten 1. Een verklaring opbouw startpunten wordt aangevraagd bij burgemeester en wethouders. 2. Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen deze termijn eenmaal verlengen met ten hoogste vier weken en maken hun besluit daartoe bekend binnen de in de vorige zin genoemde termijn. 3. De aanvraag wordt schriftelijk ingediend bij het college met behulp van een door burgemeester en wethouders vastgesteld aanvraagformulier. Artikel 2.8.2 Toelatingscriteria startpunten Om in aanmerking te komen voor een verklaring startpunten dient de woningzoekende te voldoen aan de volgende voorwaarden: a. de woningzoekende is een jongere met een huurovereenkomst als bedoeld in artikel 2.2.3, vierde lid, onderdeel a, met betrekking tot een jongerenwoning in de gemeente Zaanstad; en,

2021/ 15856 b. de woningzoekende staat ten minste vier jaar en zes maanden, voorafgaand aan de datum van aanvraag, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres waarop de huurovereenkomst als bedoeld in onderdeel a, betrekking heeft; en, c. het huishoudinkomen van woningzoekende bedraagt maximaal € 44.655 (prijspeil 2021); en, I. de woningzoekende heeft aantoonbaar maximale inspanning gepleegd om op eigen kracht andere woonruimte te vinden; of, II. de woningzoekende heeft een inwonend kind of kinderen waarvan er één de leeftijd van vijf jaar nog niet heeft bereikt. Artikel 2.8.3 Toekenning, verval en geldigheidsduur startpunten 1. Bij toekenning van de verklaring startpunten krijgt de woningzoekende tien startpunten. 2. De verklaring startpunten heeft een geldigheidsduur van twee jaar en zes maanden. 3. Startpunten kunnen alleen worden ingezet voor een woonruimte in de gemeente waar de startpunten zijn toegekend en worden in die gemeente toegevoegd aan de woonpunten als bedoeld in artikel 1, onderdeel eee. 4. Startpunten kunnen worden ingezet voor een woonruimte die wordt verhuurd voor onbepaalde tijd en voor een woonruimte als bedoeld in artikel 2.4.5, vierde lid, onderdeel a. 5.

Bij niet op komen dagen bij een bezichtiging na aanvaarding van een uitnodiging door een woningzoekende of bij een tweede weigering van een aangeboden woning door een woningzoekende worden alle startpunten ingetrokken. Artikel 2.8.4 Algemene weigeringsgronden verklaring opbouw startpunten 1. Burgemeester en wethouders weigeren de verklaring opbouw startpunten indien naar hun oordeel de aanvrager niet voldoet aan de in artikel 2.8.3 genoemde eisen. 2. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de toepassing van deze paragraaf. 3. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin toepassing van deze paragraaf naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van de bepalingen in deze paragraaf.

Hoofdstuk 3 Wijziging van de woningvoorraad Afdeling I Omzetting en woningvorming Paragraaf 3.1 Werkingsgebied Artikel 3.1.1 Werkingsgebied Met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad of het behoud van de leefbaarheid van de woonomgeving wordt de volgende categorie woonruimte aangewezen: 1. Woonruimte in de gemeente Zaanstad. 2. In afwijking van het eerste lid is deze afdeling niet van toepassing op woonruimte in eigendom van corporaties.

Artikel 3.1.2 Reikwijdte vergunningplicht 1. Verbod op omzetting in onzelfstandige woonruimte/ kamergewijze verhuur zonder

vergunning

Het is verboden om woonruimte aangewezen in artikel 3.1.1 zonder vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder c, van de wet van zelfstandig in onzelfstandige woonruimte om te zetten en

2021/ 15856 omgezet te houden of omgezet te houden, in algemeen spraakgebruik ook wel aangeduid als zijnde kamergewijze verhuur. 2. Verbod op woningvorming/ bouwkundig splitsen zonder vergunning Het is verboden om woonruimte aangewezen in artikel 3.1.1 zonder vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder d, van de wet tot twee of meer woonruimten te verbouwen of in verbouwde staat te houden, in deze verordening ook wel aangeduid als zijnde woningvorming en in algemeen spraakgebruik ook wel bekend als zijnde bouwkundig splitsen.

Artikel 3.1.3 Vrijstelling van de vergunningsplicht 1. Omzetting ten behoeve van verhuur in gebruik geven aan één persoon/

hospitabewoning

Voor het omzetten of gedeeltelijk omzetten van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte ten behoeve van inwoning is geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder c, van de wet noodzakelijk mits en zolang: a. de verhuurder degene die de woonruimte in gebruik geeft zijn hoofdverblijf zelf in de betreffende woning heeft; b. er sprake is van onderverhuur aan, of inwoning door, één persoon; 2. Omzetting bij verhuur in gebruik geven aan 2 personen Voor het omzetten of gedeeltelijk omzetten van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte is geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder c, van de wet noodzakelijk mits en zolang de verhuurder verhuurt de woonruimte in gebruik wordt gegeven aan ten hoogste twee volwassenen en de verhuurder degene die de woonruimte in gebruik geeft niet ook zelf in de woning woonachtig is. 3. Woningvorming ten behoeve van mantelzorgwoning Voor de woningvorming is geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder d, van de wet noodzakelijk mits en zolang de woningvorming noodzakelijk is voor mantelzorg. 4. Woningvorming met eerder verleende omgevingsvergunning Voor de woningvorming is geen vergunning als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder d, van de wet noodzakelijk mits voor de woningvorming een omgevingsvergunning is verleend voor het aflopen van de geldigheid van het voorbereidingsbesluit t.w. 1 april 2021.

Paragraaf 3.2 Procedure aanvraag omzettingsvergunning en woningvormingsvergunning Artikel 3.2.1 Aanvraag vergunning 1. De aanvraag wordt ingediend door de eigenaar van de woonruimte respectievelijk het gebouw. 2. Een aanvraag langs elektronische weg wordt gedaan met gebruikmaking van het elektronische formulier dat op de datum van indiening van de aanvraag beschikbaar is via de gemeentelijke website. 3. Een schriftelijke aanvraag wordt gedaan met gebruikmaking van een door burgemeester en wethouders vastgesteld formulier. 4. Samenloop omgevingsvergunning 5. Indien voor het gebouw of de gebouwgedeelten waarop de aanvraag betrekking heeft, tevens een omgevingsvergunning is aangevraagd, kan bij de aanvraag voor overeenkomstige

2021/ 15856 gegevens en bescheiden worden verwezen naar de coördinatiebepaling voor vergunningaanvragen uit de gemeentelijke bouwverordening voor zover die is opgenomen. .

Artikel 3.2.2 In te dienen bescheiden 1. Burgemeester en wethouders vermelden op of bij het aanvraagformulier welke gegevens of stukken de aanvrager moet verstrekken. 2. Bij de aanvraag worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: a. Dagtekening; b. de naam en het adres van de eigenaar; c. de gegevens over de bestaande situatie, welke, voor zover van toepassing, omvatten: I. het adres van de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft; II. de bestemming; III. een situatietekening (schaal 1:500); IV.het aantal kamers; V. de gebruiksoppervlakte; VI.de staat van onderhoud; d. de gegevens over de beoogde situatie: I. En voor zover van toepassing de bouwtekening (schaal 1:100) of de bouwvergunning; II. De aard en het huidige gebruik van de woonruimte(n) waarop de aanvraag betrekking heeft; III. De motivering van het verzoek.

Artikel 3.2.3 Beslistermijn 1. 2. 3.

Burgemeester en wethouders beslissen binnen acht weken na datum van indiening op de aanvraag voor een huisvestingsvergunning woningvormings- of omzettingsvergunning. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de beslistermijn eenmalig te verlengen met vier weken zes weken. Op de omzettingsvergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing

Artikel 3.2.4 In de vergunning op te nemen gegevens De vergunning bevat tenminste de volgende gegevens: a. de woonruimte(n) waarop de beschikking betrekking heeft, aangeduid met de straat, het huisnummer of de kadastrale ligging, waarbij voor het overige kan worden verwezen naar de bijgevoegde bescheiden als bedoeld in artikel 3.2.2; b. de van toepassing zijnde voorwaarden en voorschriften als bedoeld in artikel 3.3.2; en c. de mededeling dat in beginsel binnen één jaar nadat de vergunning onherroepelijk is geworden van de vergunning moet worden gebruikgemaakt en van de termijn in geval van een tijdelijke vergunning.

Paragraaf 3.3 Vergunningverlening voorraadvergunningen Artikel 3.3.1 Weigeringsgronden omzettingsvergunning en woningvormingsvergunning 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet kan worden geweigerd in het geval wordt in elk geval geweigerd als: a. naar het oordeel van burgemeester en wethouders het belang van behoud of samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met de omzetting of woningvorming gediende belang; b. naar het oordeel van burgemeester en wethouders omzetting of woningvorming een negatief effect heeft op de leefbaarheid;

2021/ 15856 c. het onder a genoemde belang van behoud en samenstelling dan wel het in b genoemde negatieve effect op de leefbaarheid niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden dan wel voorschriften aan de vergunning; d. b. er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen; e. naar het oordeel van burgemeester en wethouders de aanvrager van de vergunning niet aan de criteria van goed verhuurderschap voldoet; f. c. vergunningverlening zou leiden tot strijd met de voorschriften uit het bouwbesluit en/of g. d. vergunningverlening zou leiden tot strijd met het bestemmingsplan, omgevingsplan of beheersverordening. 2. Een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet kan in ieder geval worden geweigerd indien: a. naar het oordeel van burgemeester en wethouders omzetting of woningvorming een negatief effect heeft op de leefbaarheid; b. het onder a genoemde negatieve effect op de leefbaarheid niet voldoende kan worden gediend door het stellen van voorwaarden dan wel voorschriften aan de vergunning; c. naar het oordeel van burgemeester en wethouders de aanvrager van de vergunning niet aan de criteria van goed verhuurderschap voldoet. d. het onderhoudsniveau onvoldoende is.

Artikel 3.3.1a Weigeringsgronden omzettingsvergunning

1. Geen omzettingsvergunning in aangewezen wijken Burgemeester en wethouders verlenen geen omzettingsvergunningen in de gebieden die zijn opgenomen in bijlage 3. 2. Overige weigeringsgronden Burgemeester en wethouders weigeren de omzettingsvergunning indien: a. het gebruiksoppervlak in de woning per persoon (kamer plus deel gemeenschappelijke ruimte) kleiner is dan 25 m2 het per persoon beschikbare gebruiksoppervlak in de woning (kamer plus deel gemeenschappelijke ruimte) gemiddeld genomen kleiner is dan 25m2; b. verhuurd wordt de woning in gebruik wordt gegeven aan 5 of meer personen; c. bij grondgebonden woningen binnen een straal van 100 meter een andere vergunning voor kamerverhuur omzettingsvergunning is verleend; d. bij appartementencomplexen voor meer dan 10% van de woningen een vergunning is verleend.

Artikel 3.3.1b Weigeringsgronden woningvormingsvergunning Burgemeester en wethouders weigeren de omzettingsvergunning woningvormingsvergunning indien: a. het gebruiksoppervlak van de woning voor splitsing kleiner is dan 140 m2 of b. het gebruiksoppervlak van de woningen) na de voorgenomen splitsing kleiner is dan 50 m2. c. het onderhoudsniveau onvoldoende is

Artikel 3.3.2 Voorwaarden en voorschriften 1. Voor een vergunning voor het omzetten van een zelfstandige woonruimte in meerdere onzelfstandige woonruimten gelden de volgende voorschriften: a. elke onzelfstandige woonruimte wordt door maximaal één volwassene bewoond; b. elke bewoner staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente Zaanstad; c. de kamerverhuur mag alleen plaatsvinden in het hoofdgebouw plaatsvinden; 2. Aan een vergunning als bedoeld in artikel 21 van de wet kunnen burgemeester en wethouders aanvullende voorwaarden en voorschriften verbinden, over onder andere: a. de periode waarbinnen van de vergunning gebruik gemaakt moet worden; b. de geldingsduur van de vergunning, indien de vergunning voorziet in een tijdelijke behoefte;

2021/ 15856 c. de leefbaarheid; d. goed verhuurdersschap; e. het onderhoudsniveau.

Artikel 3.3.3 Intrekken vergunning 1. Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.2, intrekken indien: a. niet binnen één jaar nadat de beschikking onherroepelijk is geworden, is overgegaan tot omzetting of woningvorming; b. de vergunning is verleend op grond van door de vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig waren; c. niet wordt voldaan aan de ingevolge dit hoofdstuk bij de vergunning gestelde voorwaarden en voorschriften; d. er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur; of, e. de vergunninghouder schriftelijk te kennen heeft gegeven van de vergunning geen gebruik meer te willen maken. 2. Wanneer de omzettings- of woningvormingsvergunning als bedoeld in artikel 3.1.2 is ingetrokken, dient de woonruimte die respectievelijk is omgezet in onzelfstandige woonruimten of bouwkundig is gesplitst weer als zelfstandige woonruimte in gebruik te worden genomen. In het geval van een situatie als bedoeld in artikel 3.1.2, is daarna opnieuw een vergunning vereist.

Paragraaf 3.4 Bestuurlijke boete omzettingsvergunning en woningvormingsvergunning Artikel 3.4.1 Bestuurlijke boete 1. Overtreding van de verboden, bedoeld in de artikelen 21 onder c en d van de wet, of het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 24 van de wet, kan worden beboet met een bestuurlijke boete. 2. In afwijking van het eerste lid is de bestuurlijke boete niet van toepassing op het in gebruik geven van woonruimte door corporaties; 3. De boete voor overtreding van de verboden, bedoeld in artikel 21 van de wet, of voor het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 24 van de wet, bedraagt maximaal € 21.750 (per 1 januari 2020). 4. De boete voor de eerste overtreding staat in de ‘Tabel bestuurlijke boete omzetting en woningvorming' in de kolom ‘1e overtreding’, 5. Indien binnen een tijdvak van vier jaar voorafgaand aan de constatering van die overtreding een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van hetzelfde verbod, bedraagt de boete het bedrag in de kolom ‘recidive’. 6. De bedragen in tabel als bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid worden geïndexeerd overeenkomstig de boetemaxima uit artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor boetebedragen onder een maximum geldt dat deze relatief worden geïndexeerd overeenkomstig de boetemaxima als bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht. Tabel Bestuurlijke boete omzetting en woningvorming Overtreden van de verboden Boete (per 1 januari 2020) Omzetten van één woonruimte/ woning zonder omzettingsvergunning (artikel 3.1.2, eerste lid, obv artikel 21 € 4.350,onder c van de wet) en Bouwkundig splitsen van één woonruimte/ woning zonder woningvormingsvergunning

Recidive (per 1 januari 2020)

€ 8.700,-

2021/ 15856 (artikel 3.1.2, tweede lid obv artikel 21 onder d van de wet) Omzetten van meerdere woonruimten/ woningen zonder omzettingsvergunning (obv artikel 21 onder c van de wet) en

€ 8.700,-

€ 21.750,-

Bouwkundig splitsen van meerdere woonruimtes/ woningen zonder woningvormingsvergunning (artikel 3.1.2, tweede lid obv artikel 21 onder d van de wet)

Afdeling II Toeristische verhuur van woonruimte Paragraaf 3.5 Werkingsgebied Artikel 3.5.1 (obv artikel 22) gewijzigde Huisvestingswet) Werkingsgebied Met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad en het behoud van de leefbaarheid van de woonomgeving worden de volgende categorieën woonruimte aangewezen: 1. Woonruimte, al dan niet gedeelte van een woonruimte, in de gemeente 2. Vormen van toeristische verhuur zijn: a. Particuliere vakantieverhuur en b. Bed & Breakfast.

Artikel 3.5.2 (obv artikel 23a) Verbod verhuur en verbod publiceren zonder registratienummer

1. Het is verboden om een woonruimte of deel daarvan, behorend tot artikel 3.5.1, voor toeristische verhuur aan te bieden zonder het registratienummer van die woonruimte te vermelden bij iedere aanbieding van die woonruimte voor toeristische verhuur. 2. Een registratienummer als bedoeld in het eerste lid, wordt aangevraagd door degene die een woonruimte of deel daarvan aanbiedt voor toeristische verhuur. 3. Het is verboden om een aanbod tot het gebruik van een woonruimte of deel daarvan, als bedoeld in het eerste lid, voor toeristische verhuur te publiceren zonder dat daarbij een registratienummer is vermeld.

Artikel 3.5.3 (obv artikel 23b) Verbod verhuur meer dan 30 nachten en verbod verhuur zonder melding vooraf voor particuliere vakantieverhuur

1. Het is verboden een woonruimte voor particuliere vakantieverhuur meer dan 30 nachten per kalenderjaar in gebruik te geven voor particuliere vakantieverhuur. 2. Het is verboden de woonruimte in gebruik te geven voor particuliere vakantieverhuur, zonder deze verhuring vooraf te melden bij burgemeester en wethouders. 3. Een melding als bedoeld in het tweede lid, wordt gedaan door degene die de woonruimte in gebruik geeft voor particuliere vakantieverhuur.

Artikel 3.5.4 (obv artikel 23d) Dienstverlener informeert aanbieder over verboden

2021/ 15856 Degene die een dienst verleent gericht op het publiceren van aanbiedingen voor toeristische verhuur van woonruimte, dient degene die een woonruimte aanbiedt voor toeristische verhuur te informeren over de verboden, bedoeld in artikel 23a, eerste lid en artikel 23b, eerste en tweede lid.

Artikel 3.5.5 (obv artikel 23 e) Verbod op publiceren voor dienstverlener indien in kennis gesteld over verhuur woonruimte meer dan 30 nachten

Het is verboden dat degene die een dienst verleent, zoals genoemd in artikel 3.5.4, een aanbieding voor particuliere vakantieverhuur toont gedurende de rest van het kalenderjaar, indien diegene door burgemeester en wethouders ervan in kennis is gesteld dat de woonruimte die wordt aangeboden reeds voor 30 nachten in dat kalenderjaar in gebruik is gegeven voor particuliere vakantieverhuur.

Paragraaf 3.6 Procedure aanvraag registratie en melding Artikel 3.6.1 (obv artikel 23f) Aanvraag registratienummer 1. Het registratienummer, bedoeld in artikel 23a, kan uitsluitend via elektronische weg worden aangevraagd. 2. Burgemeester en wethouders zijn verantwoordelijk voor de inrichting van het systeem ten behoeve van het afgeven van het registratienummer, bedoeld in artikel 23a, en voor de verwerking van persoonsgegevens in dit systeem. 3. De persoonsgegevens die verwerkt worden in het kader van de aanvraag van het registratienummer, bedoeld in artikel 23a, kunnen ook verwerkt worden voor: a. het toezicht op de naleving van de krachtens artikel 2 van de Woningwet (of indien artikel 4.3 van de Omgevingswet in werking treedt of is getreden, de krachtens artikel 4.3 van de Omgevingswet) gegeven voorschriften vanuit het oogpunt van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid van de woonruimte, en b. de heffing en invordering van de toeristenbelasting, bedoeld in artikel 224 van de Gemeentewet.

Artikel 3.6.2 Te verstrekken gegevens voor registratienummer Bij de aanvraag van het registratienummer worden de volgende gegevens verstrekt: a. de naam, het adres en de woonplaats en het telefoonnummer van de aanvrager in Nederland, alsmede het; b. e-mailadres van de aanvrager c. de straat, het huisnummer waarop de aanvraag betrekking heeft; d. of de aanvraag betrekking heeft op particuliere vakantieverhuur of Bed and Breakfast.

Artikel 3.6.3 (obv artikel 23g) Melding particuliere vakantieverhuur 1. De melding, bedoeld in artikel 3.5.3 , tweede lid, kan uitsluitend via elektronische weg worden gedaan. 2. Burgemeester en wethouders zijn verantwoordelijk voor de inrichting van het systeem ten behoeve van de melding, bedoeld in artikel artikel 3.5.3, tweede lid, en voor de verwerking van persoonsgegevens in dit systeem. 3. De persoonsgegevens die verwerkt worden in het kader van de melding, bedoeld in artikel 23b, tweede lid, kunnen ook verwerkt worden voor de heffing en invordering van de toeristenbelasting, bedoeld in artikel 224 van de Gemeentewet.

Artikel 3.6.4 Intrekking en verval registratie 1. Burgemeester en wethouders kunnen de registratie intrekken, indien: a. de aanvrager de in de registratie vermelde woonruimte niet meer in gebruik geeft voor toeristische verhuur; 2. Als burgemeester en wethouders een woonruimte registreert voor toeristische verhuur als men al beschikt over een registratienummer, wordt de eerdere registratie gelijktijdig ingetrokken.

2021/ 15856

Paragraaf 3.7 Sancties toeristische verhuur Artikel 3.7.1 Bestuurlijke boete toeristische verhuur en last onder dwangsom 1. Burgemeester en wethouders kunnen een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van de verboden bedoeld in artikel 23a, 23 b, 23 d en 23 e van de wet. 2. Indien burgemeester en wethouders gebruikmaken van de bevoegdheid uit het eerste lid leggen zij een boete op: voor overtredingen in de zin van artikel 23a, 23 b, 23 d en 23 e van de Huisvestingswet overeenkomstig de ‘Tabel Bestuurlijke boete toeristische verhuur’. 3. De bedragen in de ‘Tabel Bestuurlijke boete’ als bedoeld in het tweede lid worden geïndexeerd overeenkomstig de boetemaxima uit artikel 23 van het Wetboek van Strafecht. Voor boetebedragen onder een maximumbedrag geldt dat deze relatief worden geïndexeerd overeenkomstig de boetemaxima als bedoeld in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht. Tabel Bestuurlijke boete toeristische verhuur Overtreden van de verboden Boete (per 1 januari 2020) Verhuur zonder registratienummer € 8.700,(artikel 3.5.2, eerste lid obv artikel 23a, eerste lid van de wet)

Boetemaxima Het bedrag dat is vastgesteld voor de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor overtreding van het verbod, bedoeld in de artikelen 23a, eerste of derde lid, 23b, tweede lid, 23d of 23e

Publiceren zonder registratienummer (artikel 3.5.2, derde lid obv artikel 23 a, derde lid van de wet) Particuliere vakantieverhuur meer dan 30 nachten per kalenderjaar (artikel 3.5.3, eerste lid obv artikel 23b, eerste lid van de wet)

€ 8.700,-

Het bedrag voor derde categorie.

€ 21.750,-

Particuliere vakantieverhuur meer dan 30 nachten per kalenderjaar (artikel 3.5.3, eerste lid obv artikel 23b, eerste lid van de wet), indien binnen een tijdvak van vier jaar voorafgaand aan de constatering van die overtreding een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van hetzelfde verbod.

€ 21.750,-

Particuliere vakantieverhuur zonder melding (artikel 3.5.3, tweede lid obv artikel 23b, tweede lid van de wet) Dienstverlenen gericht op publiceren van aanbiedingen voor toeristische verhuur zonder informeren van aanbieder over verboden

€ 8.700,-

Het bedrag dat is vastgesteld voor de vierde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor overtreding van de verboden, bedoeld in artikel 8, tweede lid, artikel 21, artikel 22, eerste lid, artikel 23b, eerste lid, of artikel 23c, eerste lid, of voor het handelen in strijd met de voorwaarden of voorschriften, bedoeld in artikel 26 Het bedrag dat is vastgesteld voor de vijfde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, voor overtreding van een verbod als bedoeld in artikel 8, tweede lid, artikel 21, artikel 23b, eerste lid, of artikel 23c, eerste lid, indien binnen een tijdvak van vier jaar voorafgaand aan de constatering door een ambtenaar als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van die overtreding een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van hetzelfde verbod. Het bedrag voor derde categorie.

€ 8.700,-

Het bedrag voor derde categorie.

2021/ 15856 (artikel 3.5.4 obv artikel 23d van de wet) Dienstverlenen gericht op publiceren van aanbiedingen voor toeristische verhuur indien in kennis gesteld over verhuur woonruimte meer dan 30 nachten (artikel 3.5.5 obv artikel 23e van de wet)

€ 8.700,-

Het bedrag voor derde categorie.

4. Burgemeester en wethouders kunnen een last onder bestuursdwang ter handhaving van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opleggen, voor zover het betreft de verplichting tot het verlenen van medewerking aan de krachtens artikel 4.2.2 aangewezen ambtenaren.

Artikel 3.7.2 (obv artikel 33a) Verbod toeristische verhuur en aanwijzing digitaal platform na opleggen bestuurlijke boetes

Burgemeester en wethouders kunnen: a. een verbod tot het in gebruik geven van een woonruimte voor toeristische verhuur opleggen voor ten hoogste een jaar aan een aanbieder indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de constatering door een ambtenaar als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van een overtreding van de bij deze huisvestingsverordening aan toeristische verhuur gestelde eisen, ten minste twee maal een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van de bij deze huisvestingsverordening aan toeristische verhuur gestelde eisen; b. een aanwijzing kunnen geven aan een digitaal platform om de aanbieding voor toeristische verhuur van de aanbieder aan wie een verbod tot het in gebruik geven van een woning voor toeristische verhuur als bedoeld in het eerste lid is opgelegd te blokkeren.

Hoofdstuk 4 Verdere bepalingen Paragraaf 4.1 Handhaving en toezicht Artikel 4.1.1 Handelen zonder of in strijd met een vergunning Hij die handelt in strijd met enig aan de vergunning als bedoeld in artikel 8, 21 of 22 van de wet verbonden voorschrift, wordt geacht zonder vergunning te hebben gehandeld.

Artikel 4.1.2 Toezicht Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de daartoe door het college op grond van artikel 33, eerste lid van de wet aangewezen ambtenaren.

Paragraaf 4.2 Wijzigingen Artikel 4.2.1 Overleg bij wijziging Bij de voorbereiding van een besluit tot wijziging van deze verordening plegen burgemeester en wethouders overleg met de colleges van burgemeester en wethouders van de andere regiogemeenten,

2021/ 15856 met de in de woningmarktregio werkzame corporaties en met andere daarvoor naar zijn oordeel in aanmerking komende organisaties die binnen de woningmarktregio werkzaam zijn op het gebied van de volkshuisvesting.

Paragraaf 4.3 Verslaglegging en monitoring Artikel 4.3.1 Verstrekken van inlichtingen 1. Burgemeester en wethouders verstrekken burgemeester en wethouders van de andere gemeenten in de woningmarktregio de inlichtingen, die nodig zijn voor een juiste afstemming over de wijze waarop burgemeester en wethouders deze verordening uitvoeren. 2. Jaarlijks, in de eerste helft van het jaar, dragen corporaties die werkzaam zijn in Zaanstad er zorg voor dat op heldere en toegankelijke wijze aan burgemeester en wethouders de gegevens kenbaar worden gemaakt over de verhuringen, waaronder de in deze verordening genoemde doelgroepen en voorrangskandidaten.

Paragraaf 4.4 Restbepaling Artikel 4.4.1 Hardheidsclausule Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen Artikel 5.1 Overgangsbepalingen beschikkingen a. Vergunningen, toestemmingen, urgentieverklaringen, met inbegrip van daaraan verbonden voorwaarden en voorschriften vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de onderhavige verordening verleend, gelden als vergunningen, toestemmingen, urgentieverklaringen en indicaties, met inbegrip van daaraan verbonden voorwaarden en voorschriften als bedoeld in deze verordening. b. Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor inwerkingtreding van onderhavige verordening blijft van toepassing op een huisvestingsvergunning een beschikking tot weigering, wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is. c. Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor inwerkingtreding van onderhavige verordening blijft van toepassing op een beschikking tot toepassing van een bestuurlijke sanctie, genomen wegens de overtreding van het bepaalde bij of krachtens de Huisvestingswet, of een beschikking tot weigering, wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is. d. De inschrijfduur van een woningzoekende als bedoeld in artikel 2.2.3 tweede lid wordt bij de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening omgezet naar wachtpunten in de verhouding 1:1.

Artikel 5.2 Overgangsbepalingen en coulanceregeling omzetten woonduur naar inschrijfduur

1. Indien een woningzoekende zich in de periode van 1 januari 2016 tot 1 juli 2019 als zodanig inschrijft, wordt de woonduur die hij heeft opgebouwd onmiddellijk voorafgaand aan 31 december 2015, omgezet naar inschrijfduur indien de woningzoekende bij of na die inschrijving bij de beheerder van het aanbodinstrument of bij een corporatie aangegeven heeft dat bedoelde woonduur omgezet moet worden naar inschrijfduur.

2021/ 15856 2. De in het eerste en tweede lid bedoelde omzetting van woonduur naar inschrijfduur vindt plaats in een verhouding van 1:1. 3. De inschrijfduur die met toepassing van de vorige leden is ontstaan door omzetting van woonduur vervalt op 1 juli 2030. 4. Wachtpunten als gevolg van omgezette woonduur gelden uitsluitend als de kandidaat nog woont in de woonruimte waar de woonduur is opgebouwd en deze leeg oplevert bij verhuizing. 5. De wachtpunten die zijn ontstaan door in inschrijfduur omgezette woonduur vervallen op 1 juli 2030.

Artikel 5.3 Overgangsbepaling registratie toeristische verhuur Voor aanbieders die hun woonruimte al voor de inwerkingtreding van het verbod aanboden voor toeristische verhuur, geldt het verbod bedoeld in artikel 3.5.2 (obv artikel 23a van de wet) niet eerder dan zes maanden na de inwerkingtreding van deze Wijzigingsverordening.

Artikel 5.4 Overgangsbepaling omzetting 1. Voor aanvragers die hun woonruimte al voor de inwerkingtreding van het verbod bedoeld in artikel 3.1.2 eerste lid, aantoonbaar verhuurden, geldt het verbod niet eerder dan zes maanden na inwerkingtreding van deze verordening. 2. Voor aanvragers in de gebieden, zoals opgenomen in bijlage 3 bij deze verordening, die voor de inwerkingtreding van het verbod zoals opgenomen in artikel 3.1.2, eerste lid, de woning aantoonbaar verhuurd hadden, geldt dat zij uitgezonderd worden van de weigeringsgrond zoals benoemd in artikel 3.3.1a, eerste lid. 3. Voor aanvragers die voor de inwerkingtreding van het verbod zoals opgenomen in artikel 3.1.2 eerste lid, de woning aantoonbaar verhuurd hadden, geldt dat zij worden uitgezonderd van de weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 3.3.1a, tweede lid onder a en b, met dien verstande dat aan de vergunningverlening de voorwaarde zal worden verbonden dat zij binnen twee jaar na vergunningverlening hun verhuur in lijn hebben gebracht met de toegestane situatie. 4. Voor aanvragers die voor de inwerkingtreding van het verbod zoals opgenomen in artikel 3.1.2, eerste lid, de woning aantoonbaar verhuurd hebben, geldt dat zij uitgezonderd worden van de weigeringsgronden zoals opgenomen in artikel 3.3.1a, tweede lid onder c of d. 5.

De uitzonderingsbepalingen uit het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op aanvragers die zijn aangevangen met kamerverhuur in de periode waarin dit op grond van het Voorbereidingsbesluit Woningsplitsing en kamerverhuur Zaanstad verboden was, te weten de periode 2 april 2020 tot en met 1 april 2021.

Artikel 5.5 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2021.

Artikel 5.6 Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en vervalt na 4 jaar. 2. De artikelen 2.3.11 tot en met 2.3.14 zijn in werking getreden op 1 mei 2018, na akkoord van het Ministerie van Binnenlandse Zaken met aanvraag op grond van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek en blijven ook na 1 mei 2022 in werking op voorwaarde dat het Ministerie van Binnenlandse Zaken akkoord is met verlenging op grond van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek.

2021/ 15856

Bijlage 1 Toepassingsgebied Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek Sociale huurwoningen van corporaties in Poelenburg en Peldersveld Behorende bij artikel 2.3.11 Artikelen 9 en 10 - Sociale huurwoningen corporaties Poelenburg

Peldersveld

1503AC

1504DG

1504JJ

1503AA

1503GE

1503AE

1504DJ

1504JL

1503AL

1503TC

1503AD 1504AC

1504AD 1504AE

1504AH 1504AL

1504AP

1504AR 1504AS

1504BA 1504BB

1504BH 1504BJ

1504BK 1504BL

1504BM 1504BN 1504BP

1504BR

1504CA 1504CB

1504CC

1504CD 1504CE

1504CG

1504CM 1504CN 1504CS

1504CT

1504CV

1504CW 1504CX

1504DA

1504DH 1504EA 1504EB

1504EH 1504EJ

1504EK 1504EL

1504EN 1504EP

1504ER 1504ES

1504ET

1504GD 1504GE

1504GG

1504GH 1504GJ

1504GK 1504GL

1504HC

1504HD 1504HE

1504HG 1504HK 1504HL

1504HM 1504HN 1504HP 1504JC

1504JD 1504JE

1504JG

1504JH

1504JK 1504KD 1504KE

1504KG

1504KH 1504KK 1504KL

1504KM 1504KN 1504KP 1504LB

1504LC

1504LD 1504LJ

1504LK 1504LL

1504LM 1504LN

1504NC

1504ND 1504NE

1504NG

1504NH 1504NJ

1504NK 1504NL

1504NM 1504NN 1504NP

1504NR 1504NS

1504NT

1503AK 1503AP

1503AR 1503AS

1503AT

1503AV

1503AW 1503AZ 1503BA 1503BB

1503BD 1503BE 1503BJ

1503BS

1503BT

1503BV

1503BW 1503BX 1503BZ

1503CA 1503CB

1503CC

1503CD 1503CE 1503EA 1503EB

1503EC

1503ED 1503EE

1503GA 1503GB

1503GC

1503GD

1503TB 1503TE

1503TG

1503TH 1503TJ

1503TK 1503TP

1503TR 1503TS

1503VA 1503VB

1503VH 1503VJ

1503VK 1503VL

1503VM 1503VN 1503VP

2021/ 15856

Bijlage 2 Toepassingsgebied Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek Vrije sector huurwoningen corporatie en particuliere huurwoningen in Poelenburg en Peldersveld Behorende bij artikel 2.3.11 Artikel 10 - Vrije sector huurwoningen corporatie en particuliere huurwoningen Poelenburg 1503AC Particulier 1504CR Particulier 1504KN 1503AE Particulier 1504CS Vrije sector 1504LB 1503AG Particulier 1504DA Particulier 1504LC 1503AH Particulier 1504DE Particulier 1504LD 1503AJ Particulier 1504DG Particulier 1504LE 1503KW Particulier 1504EC Particulier 1504LG 1504AG Particulier 1504EE Particulier 1504LH 1504AH Part/vrije sector 1504EG Particulier 1504LJ 1504AL Particulier 1504EJ Particulier 1504LN 1504AM Particulier 1504EM Particulier 1504NA 1504AN Particulier 1504GB Particulier 1504NB 1504AR Vrije sector 1504GC Particulier 1504ND 1504AS Part/vrije sector 1504GG Particulier 1504NE 1504AT Particulier 1504HA Particulier 1504NH 1504AV Particulier 1504HB Particulier 1504NP 1504AW Particulier 1504HC Vrije sector 1504NV 1504BA Particulier 1504HD Vrije sector 1504NW 1504BC Particulier 1504HH Particulier 1504NX 1504BD Particulier 1504HJ Particulier 1504NZ 1504BE Particulier 1504HK Particulier 1504BG Particulier 1504HN Particulier 1504BH Particulier 1504JA Particulier 1504BN Particulier 1504JB Particulier 1504BZ Particulier 1504JC Particulier 1504CB Part/vrije sector 1504JE Vrije

sector 1504CC Particulier 1504JJ Particulier 1504CH Particulier 1504JM Particulier 1504CJ Particulier 1504KA Particulier 1504CK Particulier 1504KB Particulier 1504CL Particulier 1504KC Particulier 1504CM Particulier 1504KD Vrije sector 1504CP Particulier 1504KJ Particulier Peldersveld 1503AA Vrije sector 1503BL Particulier 1503TA 1503AB Particulier 1503BM Particulier 1503TB 1503AK Vrije sector 1503BN Particulier 1503TC 1503AL Particulier 1503BP Particulier 1503TD 1503AM Particulier 1503BS Vrije sector 1503TE 1503AN Particulier 1503BW Particulier 1503TG 1503AP Vrije sector 1503BX Vrije sector 1503TH 1503AR Particulier 1503BZ Part/vrije sector 1503TJ 1503AS Particulier 1503CA Particulier 1503TK 1503AV Vrije sector 1503EA Particulier 1503TM

Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier Vrije sector Vrije sector Particulier Particulier Vrije sector Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier

Particulier Vrije sector Part/vrije sector Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier

2021/ 15856

1503AW 1503AX 1503AZ 1503BA 1503BB 1503BC 1503BG 1503BH 1503BK

Part/vrije sector Particulier Part/vrije sector Vrije sector Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier

1503EB 1503EC 1503ED 1503EE 1503GA 1503GB 1503GC 1503GD 1503GE

Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier Particulier

1503TN 1503TP 1503TR 1503TS 1503VB 1503VD 1503VE 1503VH 1503VR

Particulier Part/vrije sector Part/vrije sector Part/vrije sector Vrije sector Particulier Particulier Particulier Particulier

2021/ 15856

Bijlage 3 Gebieden waar geen omzettingsvergunningen worden verleend: Poelenburg, Peldersveld, Zaandam- Zuid en Russische buurt. Behorende bij artikel 3.3.1a

2021/ 15856

Toelichting 1. Algemene toelichting 1.1. Aanleiding Als gevolg van de Wet afschaffing plusregio’s is de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 vervallen per 1 januari 2016. Dit betekende dat voor die datum nieuwe regels over de verdeling van woonruimte en, desgewenst, over woonruimtevoorraadbeheer door de gemeenteraden van de regiogemeenten vastgesteld moesten zijn. In regionaal verband is er toen voor gekozen om de gemeenteraden van de afzonderlijke regiogemeenten te verzoeken de woonruimteverdelingsregels uit de meest recente versie van de Regionale Huisvestingsverordening Stadsregio Amsterdam 2013 vast te stellen. Stadsregio Amsterdam. Dit model was de basis voor de Huisvestingsverordening gemeente Zaanstad 2016 (HVV) Deze toelichting is in belangrijke mate gebaseerd op de toelichting uit 2013. Een nieuw regionaal woonruimteverdelingssysteem voor sociale huurwoningen van woningcorporaties Er is schaarste in het aantal beschikbare sociale huurwoningen in de regio Amsterdam. Om die schaarse woningen eerlijk te verdelen zijn er regels voor woonruimteverdeling die regionaal gelden. Op dit moment worden sociale huurwoningen op basis van inschrijfduur verdeeld. Binnen dat systeem is het voor huishoudens met een dringende behoefte of noodzaak om in de regio te komen wonen of binnen de regio te verhuizen nu erg lastig om woonruimte in de regio te vinden.

Soms veranderen omstandigheden plotseling waardoor een spoedvraag naar een nieuwe woning ontstaat. Om hier meer rekening mee te kunnen houden is regionaal nieuw beleid voor woonruimteverdeling ontwikkeld. Dit heeft opengestaan voor inspraak in de zomer van 2020 en de uitkomsten daarvan worden nu geïmplementeerd. Hiervoor moet ook de Huisvestingsverordening worden aangepast. In het nieuwe systeem kunnen spoed-, zoek- en wachtpunten worden opgebouwd. Deze punten tezamen worden woonpunten genoemd en bepalen wie in aanmerking komt voor een beschikbare sociale huurwoning. Er zijn groepen woningzoekenden die niet in aanmerking komen voor een urgentieverklaring maar voor wie de noodzaak om te verhuizen wel groter is dan voor anderen: in geval van echtscheiding of een relatiebreuk waarbij minderjarige kinderen betrokken zijn; woningzoekenden met kinderen die in het geheel niet beschikken over eigen woonruimte en inwonen bij anderen; jongeren die nog thuis wonen en voor wie dit door de omstandigheden problematisch is geworden. Deze woningzoekenden kunnen een aanvraag doen om situatiepunten te kunnen opbouwen. Door de versnelde opbouw van extra punten komen zij sneller in aanmerking voor een woning. Woningzoekenden kunnen daarnaast hun kans op een woning gaan beïnvloeden door actief te zoeken: dan worden zoekpunten opgebouwd.

In het nieuwe systeem is tot slot inschrijfduur ook nog steeds mede bepalend, dit gaat alleen vertaald worden in wachtpunten. Vanaf de inwerkingtreding van de gewijzigde verordening zal het effect geleidelijk intreden. Een woningzoekende die in aanmerking komt voor zoekpunten heeft ten minste twee jaar en zes maanden nodig om het maximum aantal van dertig zoekpunten te bereiken. Een woningzoekende die zowel voor zoekpunten als voor situatiepunten in aanmerking komt kan parallel nog één situatiepunt per maand extra opbouwen, met een maximum van twaalf situatiepunten. Voor woningzoekenden met een urgentieverklaring veranderen de volgorderegels niet. In het kader van de discussie over de regionale woonruimteverdeling hebben enkele gemeenten in de woningmarktregio aangegeven bij wijze van experiment te willen voorzien in extra ondersteuning voor jongeren die na afloop van hun jongerencontract dakloos (dreigen te) worden. Zaanstad is er daar één van. Als deze jongere woningzoekenden zelf serieuze inspanning leveren om te zoeken naar andere woonruimte kan dit worden ondersteund met extra startpunten. Als een aanvraag wordt toegekend krijgt

2021/ 15856 de jongere in een keer 10 startpunten die aan de woonpunten worden toegevoegd en ingezet kunnen worden in de gemeente waar de startpunten zijn toegekend. De startpuntenregeling wordt gemonitord en uiterlijk na twee jaar geëvalueerd. 1.2. Waarom regels over woonruimteverdeling? Binnen de woningmarktregio die gevormd wordt door het gebied van de voormalige Stadsregio Amsterdam overschrijdt de vraag naar sociale huurwoningen elk jaar het aanbod in ruime mate. Dit wordt veroorzaakt door het grote beroep dat woningzoekenden op dit deel van de voorraad doen en de gemiddeld lage mutatiegraad in dit deel van de voorraad. Als gevolg van deze schaarste zitten diverse groepen woningzoekenden in de knel. Om in termen van de Huisvestingswet 2014 - en in zekere zin ook in termen van de oude Huisvestingswet - te spreken: zij ervaren de onevenwichtige en onrechtvaardige gevolgen van de schaarste aan goedkope woonruimte. De lokale overheid kan proberen de schaarste aan goedkope woonruimte te beperken door te sturen op beschikbaarheid. Daarvoor kan zij planologische instrumenten inzetten, maar ook de in de HVV opgenomen regels over woonruimtevoorraadbeheer. Verder kan de overheid samen met corporaties in de prestatieafspraken afspraken maken over de omvang van de voorraad aan betaalbare huurwoningen.

Net als de oude Huisvestingswet biedt de Huisvestingswet 2014 daarnaast de mogelijkheid om de onevenwichtige en onrechtvaardige gevolgen van schaarste aan goedkope woonruimte te bestrijden door in een huisvestingsverordening regels te stellen over de verdeling van woonruimte. Deze regels beschrijven, kort gezegd, welke groepen woningzoekenden met voorrang in aanmerking komen voor welke categorieën betaalbare huurwoningen. Ook kan een huisvestingsverordening regels bevatten over de wijze waarop verhuurders hun betaalbare huurwoningen te huur aanbieden. Voor een verdere toelichting op de aan de HVV ten grondslag liggende beleidsmatige keuzes wordt verwezen naar het Beleidsvoorstel actualisatie regels woonruimteverdeling en woonruimtevoorraad en het raamwerk woonruimteverdeling van de vm. Stadsregio. 1.3. De regionale Intentieovereenkomst betaalbare voorraad De Huisvestingswet 2014 stelt dat de regels over woonruimteverdeling gesteld in een verordening tijdelijk van aard zijn. De regels kunnen de schaarste aan sociale huurwoningen niet oplossen, zij kunnen alleen tijdelijk nadelige effecten hiervan beperken. Bij de onderbouwing van nut en noodzaak wordt daarom opgenomen welke maatregelen genomen worden om schaarste op te heffen. In de Woningmarktregio is hierbij verwezen naar o.a. de intentieovereenkomst betaalbare voorraad uit 2014.

In deze overeenkomst hebben partijen de gezamenlijke intentie vastgelegd om te zorgen voor beschikbaarheid van een substantiële betaalbare voorraad. De omvang van de betaalbare voorraad is geen vast gegeven, maar afhankelijk van een aantal factoren, waaronder de doelgroep die daarop is aangewezen, de doelmatige benutting van de voorraad, de mate van doorstroming in die betaalbare voorraad en de kansen van andere groepen op de markt, waaronder de huishoudens met een (lager) middeninkomen. Daarbij is betaalbaarheid van woonlasten voor de minima een aandachtspunt. Uitgangspunt bij de overeenkomst is een evenwichtige spreiding van het aanbod sociale huurwoningen over de woningmarktregio, waarbij de verschillen in de omvang tussen het noordelijk en zuidelijk deel van de woningmarktregio niet verder toe zullen nemen. De schaarste rechtvaardigt de regels in de Huisvestingsverordening. Sinds het vaststellen van de Huisvestingsverordening 2018 is de schaarste helaas niet afgenomen. Ondanks alle inspanningen is de druk op de Zaanse woningmarkt heel groot. De vraag naar woningen is enorm en er is een tekort in elk segment. Deze schaarste in Zaanstad en in de regio wordt bevestigd door regionaal onderzoek.

In de Metropoolregio Amsterdam (MRA) is in 2019 een regio breed onderzoek onder de bevolking verricht naar hun woonsituatie en verhuiswensen (Wonen in de Metropoolregio Amsterdam (WiMRA 2019 en WiMRA 2019 rapportage Zaanstad van RIGO). 1.4. De huisvestingsvergunningplicht

2021/ 15856 In artikel 2.1.1. van de verordening is het deel van de huurmarkt aangewezen dat onder de huisvestingsvergunningplicht valt. In alle regiogemeenten geldt de huisvestingsvergunningplicht in ieder geval voor de zelfstandige huurwoningen van corporaties, met een rekenhuur tot de liberalisatiegrens. Rekenhuur is de prijs die bij huur en verhuur per maand is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte zoals omschreven in artikel 5 van de Wet op de huurtoeslag. De liberalisatiegrens is het huurbedrag genoemd in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet op de huurtoeslag (het maximale huurbedrag waarvoor, als het huishoudinkomen daartoe aanleiding geeft, huurtoeslag kan worden verkregen). Als een woning onder de huisvestingsvergunningplicht valt, is het verboden deze woning in gebruik te geven of te nemen zonder een door burgemeester en wethouders af te geven huisvestingsvergunning. Dat verbod, in de verordening opgenomen in artikel 2.1.2, richt zich tot zowel de verhuurder van de woning (die geeft immers in gebruik) als de bewoner/huurder (die neemt immers in gebruik). Om voor een huisvestingsvergunning in aanmerking te komen, moet de woningzoekende achtereenvolgens aan een aantal eisen voldoen. 1.5.

Huurwoningen van corporaties en de huisvestingsvergunningplicht Betreft het een huisvestingsvergunningplichtige huurwoning van corporaties, dan gelden de volgende eisen: a. de woningzoekende moet toegelaten worden tot het deel van de woningmarkt waarvoor de huisvestingsvergunningplicht geldt. Om toegelaten te kunnen worden, moet de woningzoekende voldoen aan de toelatingscriteria opgenomen in artikel 2.2.1 van de HVV; b. de woningzoekende moet op grond van de regels opgenomen in paragraaf 2.3 van hoofdstuk 2 de HVV als eerste voor een huisvestingsvergunning in aanmerking komen; c. de corporatie moet bereid zijn om met de woningzoekende een huurovereenkomst te sluiten; d. er moeten zich geen andere (dan de bovenstaande) weigeringsgronden voordoen. ad a. De toelatingscriteria zijn opgenomen in artikel 2.2.1 van de HVV. Deze criteria houden in dat tenminste één van de leden van het huishouden bevoegd is een huurovereenkomst te sluiten (het onder a van artikel 2.2.1 genoemde criterium) en dat alle leden van het huishouden in Nederland mogen verblijven (het onder b van artikel 2.2.1 genoemde criterium). Voldoet een kandidaat-woningzoekende niet aan de toelatingscriteria, dan kan hij geen huisvestingsvergunning krijgen. Anders dan de passendheids- of bindingscriteria zijn de toelatingscriteria daarmee weigeringsgronden en geen voorrangsgronden. ad b.

Paragraaf 2.3 van hoofdstuk 2 van de HVV bevat de regels aan de hand waarvan kan worden bepaald of een woningzoekende inderdaad als eerste in aanmerking komt voor de huisvestingsvergunning. Er zijn twee routes waarlangs dat bepaald wordt: 1. de route van het openbaar aanbod. Deze route houdt in dat de corporatie een huurwoning adverteert op een aanbodinstrument (bijvoorbeeld: WoningNet). Woningzoekenden die zich in een in de woningmarktregio gebruikt aanbodinstrument hebben ingeschreven, reageren vervolgens op een via een in de woningmarktregio gebruikt aanbodinstrument aangeboden huurwoning. Vervolgens wordt beoordeeld wie van hen als eerste voor een huisvestingsvergunning in aanmerking komt. Daarbij wordt altijd getoetst aan een algemeen volgordecriterium (inschrijfduur of loting) en eventueel ook op de desbetreffende woning van toepassing zijnde passendheidscriteria en bindingscriteria. 2. de route van de directe bemiddeling, zie de artikel2.4.9 van de HVV. Deze route houdt in dat de corporatie een huurwoning rechtstreeks aan een woningzoekende te huur aanbiedt, zonder dat deze woningzoekende gereageerd hoeft te hebben op een aanbod van de woning op een aanbodinstrument. Vaak wordt in dat geval een woning niet eens aangeboden op een aanbodinstrument. Ook bij directe bemiddeling kunnen passendheidscriteria en bindingscriteria van toepassing zijn op een woning. ad c.

2021/ 15856 Het is belangrijk dat de woningzoekende met wie de corporatie een huurovereenkomst wil sluiten, dezelfde woningzoekende is aan wie een huisvestingsvergunning verleend kan worden. Artikel 2.3.2, eerste lid, aanhef en onder e bevat daarom een grond waarop de vergunning geweigerd kan worden als de corporatie om goede redenen niet bereid is om de huurovereenkomst aan te gaan. Het kan daarbij gaan om de volgende situaties: - de woningzoekende heeft een overlast verleden of heeft zich in zijn vorige woning gevaarlijk gedragen (bijvoorbeeld door wiet te telen). Op deze situatie slaat de zinsnede "gelet (...) op haar belang als verhuurder, daaronder mede begrepen haar verantwoordelijkheid voor de bescherming van de overige huurders en de waarborging van het woongenot"; - de corporatie kan, gelet op de met de aanstaande wijziging van de Woningwet, in te voeren passendheidstoets voor corporaties redelijkerwijs niet gehouden worden met deze woningzoekende een huurovereenkomst te sluiten omdat het huishoudinkomen te hoog is. Op deze situatie slaat de zinsnede "gelet op haar taak als toegelaten instelling"; - de woningzoekende heeft een huurschuld en daarvoor geen betalingsregeling getroffen of een getroffen betalingsregeling niet nageleefd. ad d. Artikel 2.3.2 bevat naast de hiervoor behandelde weigeringsgronden nog andere weigeringsgronden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10412841/1