Gezamenlijke reactie gemeente en Zaanse Corporaties
Tekst van het document
2021/26119
Reactie op het verzoek van de Raad om verduidelijking ten aanzien van de wijziging Welstandsnota Zaanstad 2013 In de vergadering van het Zaanstad Beraad van d.d. 8 juni jongstleden heeft u als gemeenteraad een voorstel gedaan om de besluitvorming over de wijziging van de Welstandsnota uit te stellen en het college gevraagd opnieuw in gesprek te gaan met de woningcorporaties. Dit vanwege het feit dat de woningcorporaties, als belangrijke samenwerkingspartner in de stad, zeer kritisch stonden tegenover de voorgelegde wijzigingen. Het college heeft daarop uitgebreid ambtelijk overleg gevoerd en bestuurlijk overleg gepland met de woningcorporaties. Het doel van deze reactie is duidelijk te maken op welke onderdelen college en corporaties overeenstemming hebben bereikt en op welke onderdelen niet. De vertegenwoordigers van corporaties en gemeente beseffen dat vernieuwing en herstructurering van sociale woningbouwwijken alleen succesvol kan zijn als sprake is van een vruchtbare samenwerking, waarin zij elk hun opgave en rol zo goed mogelijk vervullen. De gesprekken verliepen zeer constructief. Dat neemt niet weg dat gemeente en corporaties niet op alle onderwerpen overeenstemming bereikten.
Uit de gesprekken werd goed duidelijk waarin voor de corporaties de grootste bezwaren liggen tegen de voorgestelde wijziging van de Welstandsnota en het huidige verloop van het planproces van de vernieuwing in de wijken.
Twee thema’s stonden centraal: planproces en wijziging Welstandsnota 2013 De vragen die de raad ons stelde (en die de leidraad vormden voor het overleg tussen college en corporaties) hebben deels betrekking op het planproces van vernieuwing van de Sociale Woningbouwwijken, deels op de wijziging van de Welstandsnota zelf. Daarbij ging het vooral om het (kostenverhogende) effect dat dit volgens de corporaties heeft op hun bouwprojecten. Met betrekking tot het planproces kunnen het college en de corporaties elkaar op hoofdlijnen vinden. Het verschil in opvattingen manifesteert zich vooral waar het gaat om de wenselijkheid van de wijziging Welstandsnota 2013. Hieronder gaan we eerst in op het planproces en daarna focussen we ons op de wijziging van de Welstandsnota zelf. Het planproces Het gesprek tussen medewerkers van gemeente en corporaties over het planproces had betrekking op de volgende vragen: -
Corporaties geven aan voorkeur te hebben om de afweging met betrekking tot historische waarden per project te maken (maatwerk) en niet generiek vast te stellen. Het generiek vaststellen van de richtlijnen zou onduidelijkheid tot gevolg hebben. De corporaties lijken voorkeur te hebben om de welstandscommissie vroegtijdig bij de planontwikkeling te betrekken. In hoeverre is dat mogelijk/haalbaar? Betrokkenheid van bewoners (huurders) in het vernieuwingsproces van buurten vraagt nadere uitwerking. Er lijkt onduidelijkheid of de toelichting en het stroomschema in het rapport Cultuurhistorische inventarisatie en waardering Sociale woningbouwwijken 1900-1945 onderdeel uitmaakt van de besluitvorming.
Toepassing Afwegingskader voor maatwerk De corporatie en college vinden elkaar in het standpunt dat de waarderingskaarten helpen om elkaar alert te maken over de vraag welke panden cultuurhistorisch van belang zijn. In zoverre concretiseren de waarderingskaarten de inbreng van cultuurhistorie in de afwegingen. Maar hierbij gaat het slechts om één van de tien criteria. Maatwerk ontstaat pas bij de afweging van de tien criteria waarvan cultuurhistorie er slechts één is. Per project kan het gewicht dat elk van de tien criteria krijgt verschillen. De corporaties willen op basis van de prestatieafspraken waarin het afwegingskader is opgenomen, benadrukken dat zij de uiteindelijke zeggenschap hebben over sloop of behoud van het eigen bezit. Zij
2021/26119 staan de volgende procedure voor wat betreft de toepassing van het afwegingskader. De corporaties verzamelen bij de start van een project informatie over de tien criteria uit het afwegingskader. Als alle informatie compleet is bespreken zij dit in dialoog met de gemeente en scherpen waar nodig nog punten aan. Dit leidt tot een bepaalde afweging en bouwplan. Het definitieve besluit tot een aanpak blijft liggen bij de eigenaar. Als in overleg met de gemeente tot een bepaalde afweging en bouwplan is gekomen, dan moet de Welstandsnota geen belemmering vormen om tot vergunningverlening en vervolgens uitvoering van dat bouwplan over te gaan. Het college kan zich goed vinden in de door de corporaties voorgestelde procedure. Bij woningen zonder monumentale status ligt het besluit voor de aanpak bij de eigenaar. Dat neemt niet weg dat erfgoed en ruimtelijke kwaliteit, net als verduurzaming, woonbeleid, enz. ook een algemeen belang dienen. Om die reden zal het college over belangrijke thema’s als verduurzaming, woonbeleid en dus ook erfgoed het gesprek met de corporaties aangaan als het besluit dreigt te botsen met het gemeentelijk beleid. De Welstandsnota vormt in zoverre geen belemmering tot vergunningverlening, wanneer het college van de welstandscommissie op het uiteindelijk renovatie- of nieuwbouwplan een positief advies krijgt.
Vanwege de verordening op de fysieke leefomgeving is de gemeente op basis van de Woningwet en straks ook van de Omgevingswet verplicht bij wijzigingen aan bestaande bebouwing (voor zover deze vergunningplichtig zijn) en bij nieuwbouw advies in te winnen bij de welstandscommissie. Eenduidigheid in rol van Supervisie en plaats van welstandsbeoordeling in planproces: Het college en de corporaties zijn het erover eens dat de welstandscommissie vroegtijdig bij de planontwikkeling betrokken wordt. De mogelijkheid van vooroverleg om schetsontwerpen met de welstandscommissie te bespreken is om redenen van capaciteitsgebrek en kosten afgeschaft. In die schaarse gevallen dat het wel gebeurt, is dat te incidenteel. In Zaanstad bestaat alleen de mogelijkheid voor de stedenbouwkundige van de gemeente om stedenbouwkundige plannen te bepreken in het zogeheten ‘stedenbouwkundig halfuurtje’ van de vergadering van de welstandscommissie. De corporaties geven aan dat niet ieder corporatie-project een complex project is. Wel gaat het natuurlijk vaak om meerdere woningen tegelijkertijd, maar dat betekent niet per definitie dat het om een complex project gaat. Vooroverleg aan de voorkant van een traject juichen de corporaties toe, waarbij zij een belangrijke kanttekening plaatsen: ook voor corporaties kost vooroverleg capaciteit en daarmee geld.
Vooroverleg moet daarom zo eenvoudig en doelgericht mogelijk zijn. Uitgangspunt is dat het definitieve advies van de welstand in lijn zal liggen met het advies uit het vooroverleg. Ook ten aanzien van de rol van Supervisie / Pre-visor bestaat onduidelijkheid. Nu verschilt per buurt de rol die de supervisor inneemt: in de Boerejonkerbuurt praat de supervisor mee over wat behouden moet worden, bij de Bomenbuurt beschouwt hij sloop als een fait accompli. Er moet één lijn in getrokken worden. Binnen de gemeente wordt met het oog op de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 juli 2022 nagedacht over een nieuwe organisatie van de advisering van ruimtelijke kwaliteit. Een belangrijk doel hiervan is, naast zorgdragen voor een integraal advies en een eenduidige werkwijze, het vroegtijdig betrekken van belanghebbenden. Op korte termijn biedt de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 juli 2022 voor de hier geschetste problematiek echter geen soelaas. Het college zal de raad voorstellen om voor de projecten van de corporaties (vanwege de complexiteit daarvan) de mogelijkheid van vooroverleg te herintroduceren en wil de daarmee gepaard gaande kosten in beeld brengen.
Betrokkenheid bewoners (huurders) in het vernieuwingsproces van buurten De corporaties geven aan dat huurders zich zorgen maken over de onduidelijkheid die de aangescherpte criteria scheppen over wat de welstandscommissie gaat adviseren en dat het uiteindelijke advies van de welstandscommissie het proces tussen corporaties en huurders doorkruist. De welstandscommissie beoordeelt het uiteindelijke plan waar corporaties en huurders eerder overeenstemming over hebben bereikt. Op het moment dat het uiteindelijke advies van de welstandscommissie kostenverhogend werkt, betekent dit dat de kosten op andere onderdelen van het plan verhaald moeten worden met als gevolg dat de corporaties opnieuw het gesprek met de huurders
2021/26119 aan moeten gaan om opnieuw overeenstemming te krijgen over het plan. Deze zorg wordt ook verwoord in de reactie die het Huurdersoverleg Zaanstreek formuleerde op deze gezamenlijke reactie. (Zie bijlage reactie van de HoZ). Het college erkent dat in het gesprek over behoud versus sloop/nieuwbouw het adviesrecht van de huurders zwaar meeweegt. Zij vraagt zich echter af of het bezwaar van de huurders wat betreft het kostenverhogend effect van de aangescherpte criteria niet vooral betrekking heeft op het verloop van de planprocedure en de fase waarin de welstandscommissie de plannen beoordeelt. Ook zonder wijziging van de Welstandsnota zullen de bezwaren van de HoZ zeer waarschijnlijk aanwezig blijven. Het college heeft naar aanleiding van lopende projecten als de Rode Buurt geconstateerd dat bewoners die ontevreden zijn over de communicatie met de corporaties, vaak contact opnemen met het college. Het college overlegt daarom graag met de corporaties om aan de voorkant van een vernieuwingsproces een proces en werkwijze vast te stellen, zodat ieders taak, rol en verantwoordelijkheid bepaald zijn. Tegelijk roepen historische verenigingen als Vereniging Zaans Erfgoed en architectuurplatform Babel op ‘om gebruikers, en zeker bewoners, positie te geven in het proces om te komen tot cultuurhistorische waardebepaling.
En er dus voor open te staan dat waarden niet alleen bestaan uit een uiterlijke verschijningsvorm, maar ook uit beleving.’ Het college heeft de intentie om, bij voorkeur in samenwerking met de corporaties, bewonerscommissies en de erfgoedverenigingen, te onderzoeken hoe participatie aan de voorkant van het vernieuwingsproces vorm kan krijgen. (Zie de bijlage met de brief van Vereniging Zaans Erfgoed) Stroomschema Over het stroomschema in de toelichting van het raadsvoorstel uit november 2020 kunnen we kort zijn. Ter voorkoming van verdere verwarring is dit schema niet opgenomen in de toelichting op het raadsbesluit van april 2021. De wijziging van de Welstandsnota 2013 Het gesprek tussen college en corporaties over de wijziging van de Welstandsnota op zich had betrekking op de volgende vragen: -
Hoe verhouden de overige 9 criteria van het afwegingskader sloop/nieuwbouw tot het voorliggende voorstel van de welstandsnota? Is “Cultuurhistorische identiteit en imago” en daarmee de welstandsnota alles bepalend? In de bijdragen vanuit de corporaties is bij herhaling gewezen op de kostenverhogende effecten van de huidige voorstellen (en de daaruit voortvloeiende gevolgen). Er lijkt behoefte aan meer informatie-uitwisseling om daarover helderheid te krijgen. Er blijkt onduidelijkheid - of op zijn minst verwarring - over het uitgangspunt in de gewijzigde Welstandsnota. “Kleine bouwplannen als bijbehorende bouwwerken aangebouwd en vrijstaand, kozijn- en gevelwijzigingen, dakkapellen, dakramen, dakterrassen, dakopbouwen, erfafscheidingen, installaties en reclame aan woningen in Sociale Woningbouwwijken 1900-1945 zijn deels vergunningsvrij. Dat betekent dat een deel van deze plannen niet vooraf wordt getoetst aan redelijke eisen van welstand. Indien een bouwwerk niet vergunningsvrij is, is een welstandstoets nodig. Het bestemmingsplan en het vrijstellingenbeleid treden in eerste instantie regelend op voor wat betreft plaatsing en afmetingen. Omdat bij kleine bouwplannen in Sociale Woningbouwwijken altijd sprake is van een bijzondere situatie wordt bij beoordeling gebruik gemaakt van de criteria Welstand objecten Sociale Woningbouwwijken 1900-1945.
-
Op onderdelen zijn de definities niet helder geformuleerd, bv. het begrip “kleine bouwplannen”. Hier lijkt behoefte aan verheldering/verduidelijking.
Wat betreft de wijziging Welstandsnota op zich, lopen de opvattingen van college en de corporaties uiteen. Zij zijn het er in ieder geval over eens dat de Waarderingskaarten Sociale Woningbouwwijken
2021/26119 1900-1945 gebruikt kunnen worden ter nadere invulling van het aspect cultuurhistorie als één van de tien afwegingsfactoren in het afwegingskader. College en corporaties zitten wat dat betreft op één lijn voor wat betreft de werking van wet- en regelgeving op het gebied van welstand qua juridische systematiek. Het belangrijkste bezwaar dat de corporaties hebben tegen de Wijziging Welstandsnota 2013 en hetgeen hen ook grote zorgen baart, is het vertragend / stagnerend effect van de beoogde nieuwe welstandscriteria voor alle panden die in orde 1 en 2 gebieden zijn gelegen. De corporaties hebben de hoop dat deze systematiek in de toekomst niet voor de na-oorlogse voorraad gaat gelden. Volgens de corporaties krijgt cultuurhistorie zo een dominante positie in het afwegingskader ten opzichte van de andere afwegingscriteria, terwijl de afspraak met de gemeente juist is dat cultuurhistorie één van de tien criteria zou zijn en niet het enige / dominante criterium.
Immers, als bij de start van een project een afweging is gemaakt met de andere negen criteria (waaronder: energie/verduurzaming, woningdifferentiatie en doelgroepen, funderingsproblematiek / bouwtechnische kwaliteit, wooncomfort / woon-technische kwaliteit, doorlooptijd en betaalbaarheid) en deze afweging vervolgens is uitgewerkt in een concreet bouwplan, dan betekent een negatief welstandsadvies over dat bouwplan dat die afweging/het bouwplan gewijzigd moet worden omwille van de cultuurhistorische waarden. Het effect van de cultuurhistorische welstandscriteria is dus dat er geen integrale afweging met de andere negen criteria meer mogelijk is, omdat cultuurhistorie dan doorslaggevend wordt. De Welstandsnota en de daarin opgenomen status van de ordewaarderingen kunnen dan als (oneigenlijk) middel ingezet worden om een specifieke wijze van renovatie te kunnen afdwingen van de corporaties. Welstand heeft pas aan het eind van de planvoorbereiding een formele rol De corporaties stellen: Door vage / onduidelijke welstandscriteria te hanteren is bij de start van een vernieuwing niet duidelijk wat nu precies wordt verlangd en hoe hoog de kosten voor renovatie zullen zijn, vooral omdat de welstand pas aan het eind van de planvoorbereiding een formele rol heeft.
Daarmee is er een risico dat (een deel van) de planvoorbereiding weer overgedaan moet worden (weggegooid geld), dat er vertraging optreedt en de projecten veel te duur en daarmee onuitvoerbaar worden. Voor de corporaties is van belang dat de haalbaarheid van planvoorstellen voor aanvang van het planproces vast staat. De gemeente heeft echter geen capaciteit om voor ieder project aan het begin van het planproces hierover dergelijke afspraken te maken. De corporaties hechten eraan om dit bezwaar te herhalen bij de vraag van de raad om inzicht te geven in het kostenverhogend effect van de voorstellen. De ervaring van de corporaties is dat de kosten verhogende werking tevens zit in de proceskosten en de risico opslag. Het is van tevoren niet bekend wat de welstand gaat adviseren. Dat maakt dat het risico groot is dat de aanvrager terug moet naar de tekentafel. De corporaties kunnen niet voor in het proces (meervoudig) aanbesteden op basis van objectieve criteria omdat na de gunning het plan mogelijk nog aangepast moet worden. Dat zorgt voor vertraging in tijd en leidt tot extra kosten in het proces. Daarbij maakt het ook uit of het om een groot of een klein project gaat. Bij een groot project kunnen extra kosten mogelijk nog deels worden omgeslagen vanwege het groot aantal woningen. Bij een klein project kan dat niet.
Bij sloopnieuwbouw is het nog ingewikkelder om dit vooraf te bepalen: wanneer van tevoren niet bekend is wat de welstand vraagt is van de kosten moeilijk een inschatting te maken. Hieronder worden opnieuw – beknopt – de zorgen van de corporaties weergegeven. In staccato: Kern van het probleem: Oorzaak van het probleem: Oplossing voor het probleem:
deze welstandscriteria hebben een vertragend / stagnerend effect, o.a. vanwege extra kosten/risico. te vage en te beperkende welstandscriteria. ander juridisch instrument inzetten tbv cultuurhistorie en huidige welstandsnota ongemoeid laten.
Kern van het probleem: vertragend / stagnerend effect Door onduidelijke en beperkende welstandscriteria te hanteren is bij de start van een vernieuwing niet duidelijk wat nu precies wordt verlangd en hoe hoog de kosten voor renovatie zullen zijn. Dit vooral omdat de welstand pas aan het eind van de planvoorbereiding een formele rol heeft. Daar komt bij dat
2021/26119 de mogelijkheid van vooroverleg om schetsontwerpen met de welstandscommissie te bespreken in Zaanstad om redenen van capaciteitsgebrek en kosten is afgeschaft. Daarmee bestaat het risico dat (een deel van) de planvoorbereiding overgedaan moet worden (weggegooid geld), dat er vertraging optreedt en de projecten veel te duur en daarmee onuitvoerbaar worden. Voor de corporaties is van belang dat de haalbaarheid van planvoorstellen voor aanvang van het planproces vast staat. Op basis daarvan vindt ook de participatie van bewoners plaats. De gemeente heeft echter geen capaciteit om voor ieder project aan het begin van het planproces hierover dergelijke afspraken te maken. Oorzaak van het probleem: te vage en te beperkende welstandscriteria Oorzaak van het probleem zijn de te vage en te beperkende welstandscriteria die de gemeente voorstelt voor sociale woningbouw. Dat de voorgestelde welstandscriteria beperkend zijn en onvoldoende houvast bieden, blijkt uit de tekst ervan. Onderstaand een vergelijking van (1) de welstandscriteria die worden voorgesteld voor sociale woningbouw en (2) de welstandscriteria uit de huidige Welstandsnota voor Zaanse Huizen (met ook een hoge CHW-waarde). Voorgestelde welstandscriteria voor Sociale Woningbouw, Orde 1 (p.
18 raadsvoorstel): Orde 1: hoog Stedenbouwkundige opzet: Voor de hooggewaardeerde stedenbouwkundige opzet geldt handhaving en restauratieve aanpak van de ruimtelijke structuur en architectuur. Uitgangspunt is handhaving en indien nodig herstel van de kwaliteit van het oorspronkelijke stedenbouwkundig concept en van de aanwezige samenhang met de vormgeving van de stedelijke ruimte. Architectuur: Bij de hooggewaardeerde architectuur is behoud en restauratie uitgangspunt. Dat komt neer op handhaven en herstellen van het beeld zoals dat tot uitdrukking komt in de oorspronkelijke elementen van vorm, maat, materiaal, detaillering, verhouding en kleur van de architectuur. In geval van storende verminkingen is waar mogelijk reconstructie van de oorspronkelijke bouwmassa aan te bevelen. Voor bouwwerken die ensembles vormen geldt als uitgangspunt een gezamenlijke aanpak van de daartoe behorende bouwwerken.
Welgeteld 6 volzinnen met erg algemene criteria, waarbij termen als ‘handhaving’, ‘restauratieve aanpak’, ‘herstel’ en ‘restauratie’ in veel gevallen een belemmering vormen voor gewenste vernieuwing zoals b.v. verduurzaming, uit-/opbouw voor meer wooncomfort, e.d. Bovendien laten deze begrippen veel ruimte over voor interpretatie (terwijl vooroverleg niet mogelijk is). Geldende criteria voor Zaanse huizen (Welstandsnota 2013, p. 51).
2021/26119 Deze criteria voor Zaanse huizen zijn specifieker en sturen – opvallend - niet op ‘restauratie’, ‘herstel’ e.d. Ook voor de welstandscriteria voor andere onderdelen van de huidige Welstandsnota 2013 (zie p. 52 e.v.: boerderijen, molens, Zaans nijverheid) geldt dat deze meer houvast bieden. Zie voor een ander door de corporaties aangedragen voorbeeld van hoe onduidelijk de criteria zijn de inspreektekst van de corporaties tijdens de eerdere raadsvergadering. Citaat: “2.2.
2.3.
2.4.
De Zaanse criteria zijn niet helder. Zie p. 18, in plaats van heldere criteria staat er: ‘handhaving en restauratieve aanpak van de ruimtelijke structuur en architectuur’ en ‘handhaving en herstellen van het beeld zoals dat tot uitdrukking komt in de oorspronkelijke elementen van vorm, maat, materiaal, detaillering, verhouding en kleur’. Wat staat hier nu? Mag een dakkapel nu wel of niet? Mogen er wel/geen zonnepanelen op het dak? Mag een opbouw nu wel of niet? De verwarring wordt nog groter doordat er nu – nieuw, niet besproken met de corporaties - een waslijst met eisen is opgenomen voor ‘kleine bouwplannen’ (zie p. 19). Wat onder ‘kleine bouwplannen’ valt, is niet beschreven. Als een heel blok wordt voorzien van dakkapellen met zonnepanalen, met daarbij funderingsherstel en isolatie, is dat dan een ‘klein bouwplan’? Of een fors renovatieproject? In de waslijst staan dakkapellen opgenomen en ook zonnepanelen. Dus: het lijkt er op dat dit mogelijk is. Alleen, dan wordt dus toch de ‘vorm, maat, materiaal’ van het gebouw anders. Voldoet die dakkapel met zonnepalen dan nu wel (want: op de ‘waslijst) of niet (want: wijziging vorm en maat) aan de welstandcriteria? Hierover mag geen onduidelijkheid bestaan, wil een architect aan de slag gaan.”
Oplossing voor het probleem De oplossing is eenvoudig: hanteer een ander juridisch instrument om de CHW te waarborgen. Laat de welstandsnota ongemoeid en gebruik de waarderingskaarten om binnen het afwegingskader met de corporaties afspraken te maken over behoud / versterking van de CHW-waarden per plan. Maatwerk dus. Dat gaat sneller, eenvoudiger en biedt ook huurders een platform.
Het college trekt zich de zorg van de corporaties aan Op het punt van de wijziging Welstandsnota hebben college en corporaties elkaar niet kunnen overtuigen. Wat voor het college zwaar meetelt is dat de wijziging van de Welstandsnota zich niet alleen richt op het corporatiebezit in de Sociale Woningbouwwijken, maar ook op de particuliere woningen die 67% van de bebouwing in deze wijken beslaat. Het college trekt zich de zorg van de corporaties echter wel degelijk aan. Het doel van welstandscriteria is namelijk het bieden van een handreiking om gezamenlijk te komen tot een goede ruimtelijke kwaliteit van deze wijken. Ze moeten inderdaad, zoals de corporaties aangeven, ruimte laten voor het gesprek tussen welstandscommissie en aanvrager. De kenmerken van de architectuur in een bepaald gebied en de criteria maken samen duidelijk, waarop de welstandscommissie bij de bespreking van de bouwplannen haar aandacht richt. De aanvrager van een bouwvergunning kan daarmee van tevoren rekening houden. Dat is in essentie de reden dat gemeentes sinds 2003 welstandsnota’s vaststellen. Zij ziet ook mogelijkheden om met aanpassing aan de wijziging tegemoet te komen aan de bezwaren van de corporatie. Zij hecht eraan op deze plek aan te geven waarom zij voor een wijziging van de welstandnota heeft gekozen.
De Wijziging Welstandsnota 2013 is bedoeld om de stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit van de Sociale Woningbouwwijken 1900-1945 te versterken. Zo sluit het college aan bij een landsbrede tendens om het erfgoedbeleid te verbreden van een objectgerichte benadering naar een gebiedsgerichte benadering. Zij doet dat door de kernwaarden die belichaamd worden in de stedenbouwkundige opzet en de architectonische vormgeving van deze wijken te beschrijven en te vertalen naar stedenbouwkundige en objectgericht criteria. De cultuurhistorische inventarisatie Cultuurhistorische inventarisatie en waardering Sociale woningbouwwijken 1900-1945 maakte deze kernwaarden expliciet. Ze komen ten eerste voort uit het verhaal van industriëlen die gezonde woningen bouwden voor hun werknemers en van arbeiders die zich verenigden om hun woonsituatie te verbeteren. Ze zijn ook te vinden in een voor die tijd nieuwe, dorpsachtige opzet waarin losjes gegroepeerde woningen de openbare ruimte, voorzien van veel groen, mee helpen vormgeven. Verder zijn ze ook aanwezig in de vaak speelse vormgeving met uitgesproken dakvormen en sierlijke metselverbanden van indertijd talentvolle architecten uit de Zaanstreek of van daarbuiten.
2021/26119 De waarderingskaarten, gekoppeld aan de Welstandsnota, zijn een beproefd middel om vroeg in het planproces duidelijk te maken wat die kenwaarden zijn en hoe er mee om te gaan. Zo leggen de kaarten en de beschreven kernwaarden een bodem onder het gesprek dat de betrokken partijen in dit planproces, particuliere eigenaren, corporaties, gemeente, bewoners, ontwerpers, met elkaar voeren. Dit past ook in de wijziging van de Woningwet uit 2003. Sinds dat jaar moet iedere gemeente in een Welstandsnota aangeven waar bij de behandeling van een bouwaanvraag op wordt gelet. Dan weet iedereen die wil (ver)bouwen of renoveren waar hij of zij in het welstandsoverleg rekening mee moet houden. Zaanstad groeit en verdicht in de komende jaren en heeft daarbij te maken met verschillende opgaven zoals de verduurzaming van de bestaande voorraad, het verkorten van de wachtlijsten voor sociale huur, de verdere verstedelijking en het bestrijden van kansenongelijkheid. Dat vraagt om een dynamische erfgoedbenadering. In de moderne erfgoedstad die Zaanstad wil en kan zijn, gaat het vooral om doorgeven van de kernwaarden die in dit erfgoed besloten liggen. Zo blijft de geschiedenis van de stad voor toekomstige generaties leesbaar, terwijl tegelijk de architectuur blijft voldoen aan veranderende eisen van wooncomfort.
Recent gerealiseerde woningbouwprojecten laten zien dat het hierbij niet altijd om het behoud van de architectuur zelf hoeft te gaan. Vissershop en de bebouwing op de hoek Rosmolenstraat-Kopermolenstraat laten geslaagde moderne interpretaties van die kernwaarden zien. De renovatie van bebouwing in de Havenbuurt en de Plantsoenen vieren juist de rijkdom van de historische architectuur. Het college trekt zich de zorg van de corporaties zeer zeker aan. Als de aangescherpte criteria naar het gevoel van de corporaties voor vertraging zorgt, kostenverhogend werkt en geen ruimte laten om alternatieve voorstellen voor te leggen aan de welstandscommissie, ziet zij wel mogelijkheden voor aanpassing van de wijziging. De Sociale Woningbouwwijken 1900-1945 blijft bij de aanpassing een apart Welstandsobject Sociale Woningbouwwijken 1900-1945. De waarderingskaartensystematiek kan echter gekoppeld worden aan de huidige criteria die in het hoofdstuk Vroege uitbreidingen te vinden zijn. Ze zijn vergelijkbaar met de voor de Zaans houtbouw genoemde criteria. De criteria voor Orde 1 panden zoals hierboven door de corporaties genoemd en bedoeld zijn voor die panden die een monumentale status hebben, kunnen komen te vervallen. Het college gaat actief in gesprek met de corporaties bij een eventuele aanpassing van de Wijziging Welstandsnota.
Kleine bouwplannen Ten aanzien van de ‘Kleine bouwplannen’ kan het volgende worden opgemerkt: De categorie kleine (bouw)plannen is een categorie in de huidige Welstandsnota. De definitie van kleine bouwplannen in deze nota (Hoofdstuk 3: welstand kleine plannen (p.27)) luidt: ‘Het gaat hierbij om bescheiden objecten, die zich lenen voor vereenvoudigde toetsing. Voor dit soort plannen zijn zo eenduidig en meetbaar mogelijke criteria opgenomen, die de planindiener vooraf een grote mate van duidelijkheid geven over de uitkomst van de toetsing. Daarnaast is het voor deze categorie plannen mogelijk gemaakt om aan te sluiten op reeds eerder gerealiseerde bouwwerken. Het gaat daarbij om plannen, die naar het oordeel van de commissie het navolgen waard zijn (de zogeheten trendsetters). Aansluiten op dit soort voorbeeldplannen past bij het uitgangspunt om in beginsel aan te sluiten op de omgeving.’ Om alle criteria die betrekken hebben op bebouwing in Sociale Woningbouwwijken op één plek in de nota bij elkaar te zetten, werden deze criteria in het hoofdstuk Welstandsobject Sociale Woningbouwwijken 1900-1945 herhaald. Maar de criteria werden toegespitst op de ordewaarderingen. In de aanpassing van de wijziging Welstandsnota 2013 die het college voor ogen heeft, kunnen deze echter komen te vervallen, omdat zij hierbij uitgaat van de huidige criteria.
De woningcorporaties blijven van mening dat het planproces en snelheid er baat bij hebben om vooraf duidelijkheid te hebben welke bouwplannen wel/niet mogelijk zijn, zeker voor kleinere bouwplannen.