CConstaterende datZaanstad
Koppel je AI →
Document · PDF

Aangepaste Verordening Wijziging Verordening Maatschappelijke ondersteuning gemeente Zaanstad 2020

Raadsvergadering 25 november 2021, gemeente ZaanstadBij agendapunt: Wijzigingsverordening WMO16.662 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

2021/25492 De raad van de gemeente Zaanstad, « gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van …. 2021; nr « gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, [eerste, tweede,] derde en zevende lid, [2.1.5, eerste lid,] 2.1.6, [2.1.7, 2.3.6, vierde lid,] en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2020; « overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; « dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; « dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; « dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;

besluit vast te stellen de wijzigingsverordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zaanstad 2020 WIJZIGINGSVERORDENING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING GEMEENTE ZAANSTAD 2020 Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking. De voorziening is algemeen verkrijgbaar en niet (veel) duurder dan vergelijkbare producten; - algemene voorziening: een vrij toegankelijke dienst of activiteit gericht op maatschappelijke ondersteuning, dat wil zeggen zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruiker. - andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2020; - arrangement: vastgesteld bedrag per periode met een resultaatafspraak voor cliënt en aanbieder;’ - beschikking: een specifieke, individuele of concrete vorm van een besluit. Het is een schriftelijk besluit dat niet algemeen is.

- bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet; - CAK: Centraal Administratie Kantoor; - collectieve woonvoorzieningen: aanpassingen aan een wooncomplex in de algemene ruimte of hulpmiddelen die aanvragers gemeenschappelijk kunnen gebruiken in een wooninitiatief waar men een zelfstandige bewoning heeft zijnde geen toegelaten zorg instellingen; - financiële tegemoetkoming: een geldbedrag dat door de aard van de voorziening niet in natura kan worden verstrekt. - gemachtigde of gevolmachtigde: iemand die officieel iets mag doen namens een ander. De persoon die zich wil laten vertegenwoordigen dient schriftelijk een machtiging te overleggen. - gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; - hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; - kostprijs: de prijs waarvoor de gemeente de maatwerkvoorziening heeft ingekocht, dan wel een afgeleide daarvan; - maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen. De gemeente geeft voor het recht op een maatwerkvoorziening een beschikking af;

2021/25492 -

-

-

mantelzorg: vrijwillige, onbetaalde en vaak langdurige zorg die iemand geeft aan naasten, bijvoorbeeld aan een partner, ouder of kind. Ook de zorg voor een buurman, vriend of kennis kan vallen onder mantelzorg. De mantelzorger heeft een persoonlijke band met degene voor wie hij of zij zorgt. Het gaat om hulp die de gebruikelijke hulp die in redelijkheid mag worden verwacht van partners, ouders, kinderen of andere huisgenoten overstijgt. melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet; niet-professionele ondersteuning: hulp uit het sociaal netwerk welke op basis van sociale en morele overwegingen wordt verleend. ondersteuningsplan: plan dat in samenspraak met de cliënt en/of diens vertegenwoordiger en de eventuele mantelzorger wordt opgesteld met betrekking tot de benodigde zorg en ondersteuning; persoonlijk budgetplan: plan dat de aanvrager voor een maatwerkvoorziening indient ter motivering de voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget verstrekt te krijgen; persoonlijk plan: plan dat de hulpvrager –al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk opgesteld- kan indienen voorafgaand aan het onderzoek door de gemeente; pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet; professionele ondersteuner: iemand die beroepsmatig ondersteuning biedt en voldoet aan de (kwaliteits)eisen die daaraan gesteld zijn.

uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen; wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2020; wettelijk vertegenwoordiger: iemand die door de wet of de rechter als vertegenwoordiger is aangewezen. Een wettelijk vertegenwoordiger handelt en beslist namens een inwoner. Denk aan de ouders of voogd van minderjarigen, een curator of bewindvoerder. woningsanering: het vervangen van de zachte vloerbedekking door harde vloerbedekking in woonkamer en slaapkamer. Indien dit noodzakelijk is als gevolg van astma en COPD klachten is de woningsanering een onderdeel van het plan van aanpak van de longverpleegkundige/ longspecialist.

Artikel 2. Melding hulpvraag 1. Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. Als de cliënt daarom verzoekt, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. 2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk. 3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Artikel 3. Cliëntondersteuning 1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning. Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek. 2.

Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 3. Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

2021/25492 4. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren 1. Het college onderzoekt in samenspraak met de degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken na ontvangst van de melding: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f.

de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang; g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze. 2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. 3.

Het college informeert de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. Artikel 6. Verslag 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. 2. Na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. 3. De cliënt tekent het verslag voor akkoord of niet-akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar wordt geretourneerd aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd, als de cliënt niet binnen 5 werkdagen een ondertekend exemplaar heeft ingediend, kan de gemeente bepalen de termijn van afhandeling op te schorten. 4. Als de cliënt tekent voor niet-akkoord, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is. 5. Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag. Artikel 7. Aanvraag 1. Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.

2021/25492 2. Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven. 3. Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening, met uitzondering van opvang in de Maatschappelijke opvang. 2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. 3.

Een cliënt met psychische of psychosociale problemen en een cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. 4. Een cliënt komt enkel in aanmerking voor een financiële maatwerkvoorziening voor zover: a. hiermee naar oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, en b. het betreft één van de volgende voorzieningen: 1.

Kosten voor verhuizing en inrichting: tot een maximum bedrag van € 2.500 voor alleenstaanden, echtparen en gezinnen met meerderjarige kinderen, en een maximum bedrag van € 3.775 voor alleenstaanden of gezinnen met minderjarige kinderen en tot een maximum bedrag van € 3.775 voor personen die op verzoek van de gemeente een aangepaste woning vrijmaken. 2. Kosten voor woningsanering: een bedrag gebaseerd op de gangbare prijs. Voor woningsanering gelden de volgende afschrijvingstermijnen: - is een artikel nieuwer dan 2 jaar: 100% vergoeding - is een artikel 2-4 jaar oud: 75% vergoeding - is een artikel 4-6 jaar oud: 50% vergoeding - is een artikel 6-8 jaar oud; 25% van de werkelijk gemaakte kosten - is een artikel 8 jaar of ouder: geen vergoeding. 3. Kosten voor het gebruik van een vervoermiddel, de daadwerkelijke kosten tot een maximum van - € 1.436 per jaar bij gebruik eigen auto, - € 548 per jaar, bij gebruik van een bruikleenauto, - € 856 per jaar bij gebruik van een bruikleenbusje - € 1.700 per jaar bij gebruik van een taxi, en - € 2.475 per jaar bij gebruik van een rolstoeltaxi. 4. Kosten in de aanpassing van de eigen auto tot een maximum van € 1.250 als men voor 5 jaar afziet van het gebruik van het collectief vervoer. 5.

Kosten voor sportvoorzieningen en -hulpmiddelen: - sportrolstoel: € 2.877 voor de aanschaf en het onderhoud van de rolstoel gedurende een periode van 3 jaar. - elektrische sportrolstoel: € 5.753 voor de aanschaf en het onderhoud van de rolstoel gedurende een periode van 6 jaar.

2021/25492 -

overige sportvoorzieningen en –hulpmiddelen: de daadwerkelijke kosten met een maximum van € 2.877 voor aanschaf en eventueel onderhoud gedurende een periode van 3 jaar. 6. Kosten voor het bezoekbaar maken van een woning: de daadwerkelijke kosten van het bezoekbaar maken van de woning met een maximum van € 5.000 per jaar. 7. Kosten voor onderhoud en reparatie van trapliften, plafondliften, elektrische deuropeners, was- föhninstallaties en elektrisch verstellingen van keukens of wastafels worden vergoed als deze niet vallen onder het contract met de leverancier. 8. Een voorziening waarvoor niet tijdig een passende voorziening in natura beschikbaar is. 9.De pgb tarieven worden jaarlijks met de index van de Zin-tarieven geïndexeerd en op de financiële tegemoetkomingen wordt jaarlijks de gemeentelijke prijsindex toegepast. 5. Als het college van oordeel is dat een cliënt zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, kan het college besluiten dat de cliënt niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid of participatie. 6. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, 1.

tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; 2. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of 3. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning. 7. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate tijdig beschikbare voorziening. 8. Het college kan maatwerkvoorzieningen verstrekken gericht op deelname aan het maatschappelijk verkeer in de vorm van een: a. vervoersvoorziening; b. gebruikerspas voor de maatwerkvoorziening collectief vervoer; c. financiële maatwerkvoorziening als de cliënt geen gebruik kan maken maatwerkvoorzieningen in natura of deze niet als (goedkoopst) passende bijdrage kunnen worden aangemerkt, als de cliënt geen gebruik kan maken van het reguliere Openbaar Vervoer. 2. De maatwerkvoorzieningen als bedoeld in het eerste lid zijn slechts gericht op het zich lokaal kunnen verplaatsen. 3. Onder lokaal wordt tot 23 kilometer rondom de woning verstaan waarbij deelname aan het maatschappelijk verkeer mogelijk is met een omvang van 1500 kilometer per jaar. 4. Het college kan in individuele gevallen, gelet op de mate van beperkingen in de participatie, afwijken van het gestelde in het vorige lid.

Artikel 9. Advisering Het college wint een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist. Artikel 10. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking [tevens] in ieder geval vastgelegd:

2021/25492 a. welke de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking tevens in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn; e. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd. Artikel 11. Regels voor pgb 1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet. 2. Het college kan nadere regels vaststellen omtrent het verstrekken van een pgb. De hoogte van een pgb: a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan waarin in ieder geval uiteen is gezet: 1. welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, de cliënt van het budget wil betrekken, en: 2.

indien van toepassing, welke hiervan de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk; b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief: 1. waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om tijdig veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken; 2. waarbij rekening is gehouden met redelijke overheadkosten van derden van wie de cliënt diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren wil betrekken, en 3. wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering; c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate in de gemeente tijdig beschikbare maatwerkvoorziening in natura. 3. De hoogte van een pgb voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten. Voor professionele begeleiding en professionele dagbesteding bedraagt het tarief 90% van de kostprijs van de maatwerkvoorziening in natura. Voor niet-professionele begeleiding, niet-professionele dagbesteding en voor hulp in het huishouden (zowel professioneel als niet-professioneel) bedraagt het tarief 70% van de kostprijs van de maatwerkvoorziening.

Voor beschermd wonen (zowel professioneel als nietprofessioneel) bedraagt het tarief 75% van de kostprijs (exclusief de woonkosten) van de maatwerkvoorziening in natura. 4. De hoogte van een pgb voor een materiële voorziening wordt gebaseerd op de zin tarieven van de periode 2016-2020 en daarna jaarlijks geïndexeerd. De hoogte van een pgb is gelijk voor zowel een nieuwe voorziening als een tweedehands voorziening, rekening houdend met onderhoud en verzekering, mits de tweedehands voorziening minimaal nog dezelfde levensduur heeft als een nieuwe voorziening. 5. Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen onder de volgende voorwaarden, betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk:

2021/25492 a.de cliënt motiveert in het persoonlijk budgetplan waarin de hulp vanuit het sociaal netwerk de gebruikelijke hulp overstijgt, en b.de cliënt geeft in het persoonlijk budgetplan aan hoe de hulp uit het sociaal netwerk bijdraagt aan het bereiken van het resultaat. Artikel 12. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt. 2. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor: a. collectieve woonvoorzieningen en woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten; b. sportvoorzieningen en –hulpmiddelen; c. bezoekbaar maken van een woning; d. aanvullend openbaar vervoer; e. de financiële maatwerkvoorziening f. tijdelijke huisvesting; g. begeleiding personen met een zintuigelijke beperking; h. begeleiding van dak- en thuislozen die niet in de maatschappelijke opvang zitten; i. ondersteuning van personen in de Hospice; j. voor cliënten die de leeftijd van 23 jaar nog niet bereikt hebben, met uitzondering van personen in verblijf beschermd wonen. k. voor vrouwen in de vrouwenopvang die als gevolg van aantoonbare lasten van de achtergelaten woning in een financieel onhoudbare situatie verkeren. l.

cliënten met een uitkering als bedoeld in artikel 23, eerste lid van de Participatiewet, die in een instelling verblijven. 3. De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per bijdrageperiode voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4, derde lid, van de wet, hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 [of het volgende lid] geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 3.1. Voor de maatwerkvoorziening maatschappelijke opvang (inclusief overbruggingswoningen) en vrouwenopvang geldt dat een bijdrage verschuldigd is, indien een persoon van 18 jaar of ouder gebruik maakt van de volgende voorzieningen: - 24-uurs of voltijd verblijf vrouwenopvang (excl. crisisopvang zoals bedoeld in art.3.8 lid 4 onder c van het Uitvoeringsbesluit.); - 24-uurs of voltijd verblijf maatschappelijke opvang (excl. crisisopvang zoals bedoeld in art.3.8 lid 4 onder c. van het Uitvoeringsbesluit); 3.2. Voor de maatwerkvoorziening beschermd wonen geldt dat een bijdrage verschuldigd is, indien een persoon van 18 jaar of ouder gebruik maakt van de voorziening 24-uurs of voltijd verblijf beschermd wonen. 3.3. De bijdrage als bedoeld in artikel 3.1 en 3.2.

is afhankelijk van het verschil tussen het inkomen en het bedrag aan zak- en kleedgeld, zoals vermeld in artikel 23, eerste lid van de Participatiewet, alsmede een bedrag i.v.m. de standaardpremie, bedoeld in de Wet op de zorgtoeslag. 4. Voor het gebruik van de maatwerkvoorziening collectief vervoer is de cliënt een op het reguliere OV-tarief gebaseerde ritbijdrage en een eventuele reserveringstoeslag verschuldigd aan de aanbieder. Over 2022 wordt dit gefaseerd ingevoerd: Per 1-1-2022: Opstarttarief naar € 0,70 en tarief per km naar € 0,16 Per 1-8-2022: Opstarttarief naar € 0,99 en tarief per km naar € 0,17 5. De kostprijs van een: a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;

2021/25492 Artikel 13. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in toepasselijke sector erkende keurmerken. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. Artikel 14. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet 1.

Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. 2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet. 3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt langer dan 2 maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet; e. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of f. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt. 4.

Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 5. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb. Artikel 15. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan. Artikel 16. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht.

2021/25492 2. De jaarlijkse blijk van waardering heeft een waarde van ten hoogste € 140 en wordt door het college vastgesteld. 3. Het college kan bij nadere regeling regels stellen over de wijze waarop zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 17. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3.

Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; d. reis en opleidingskosten; e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad. Artikel 18. Klachtregeling 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 19. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1.

Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van ondersteuningsdiensten. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders van ondersteuningsdiensten door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek. Artikel 20. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Het college betrekt ingezetenen van de gemeente Zaanstad bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning overeenkomstig de Verordening Cliëntenparticipatie Zaanstad 2017.

2021/25492 Artikel 21. Hardheidsclausule Het college is bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar zijn oordeel tot een bijzondere en onvoorziene hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening, indien daar zeer dringende redenen voor zijn. Artikel 22. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zaanstad 2015 wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zaanstad 2020, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken. 3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zaanstad 2020 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zaanstad 2020. 4.

Een cliënt die voor de inwerkingtreding van deze verordening in aanmerking kwam voor een persoonsgebonden budget in Begeleiding en/of huishoudelijke ondersteuning en door de inwerkingtreding van deze verordening een lager persoonsgebonden tarief voor deze zorgtypes ontvangt komt in aanmerking voor een overbruggingsperiode van 6 maanden om te wennen aan het nieuwe tarief en om in staat gesteld te worden onderhandelingen met de zorgaanbieder te starten over het nieuwe tarief. 5. Een cliënt die voor de inwerkingtreding van de verordening 2020 een maximale bijdrage termijn van 39 perioden is opgelegd en deze termijnen bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet (volledig) hebben voldaan, blijven betalingsplichtig totdat alle termijnen zijn voldaan of een nieuwe bijdrage op grond van deze verordening wordt opgelegd. 6. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zaanstad 2020, wordt beslist met inachtneming van deze wijzigingsverordening. Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2022. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Wijzigingsverordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zaanstad 2020.

2021/25492

Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zaanstad 2020 Algemeen Met de Wet maatschappelijke ondersteuning 2020 (hierna: Wmo 2020) is iedere gemeente verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische, psychische of psychosociale problemen. De ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Voor mensen met psychische of psychosociale problemen en of voor mensen die, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, voorziet de gemeente in de behoefte aan beschermd wonen en opvang. Deze verordening geeft uitvoering aan de Wmo 2020. De Wmo 2020 maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning. Hierbij wordt deels voortgeborduurd op de weg die met die wet al was ingezet.

Er wordt bekeken wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij. De belangrijkste wijzigingen van de huidige Wmo zijn het vervallen van de compensatieplicht en het vervallen van de compensatiedomeinen. Door het vervallen van de compensatieplicht ligt de nadruk niet meer op het compenseren van een gebrek maar op het versterken van de zelfredzaamheid en de participatie. De compensatiedomeinen waarop de gemeenten de burger met een belemmering moet compenseren (huishouden voeren, zich verplaatsen in en om de woning en lokaal en medemensen ontmoeten), zijn in de Wmo 2020 niet meer opgenomen. In plaats daarvan wordt er gesproken over: maatwerkvoorzieningen bieden ter ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie, beschermd wonen en opvang. De toegangsprocedure De cliënt die zich met een hulpvraag meldt doorloopt een zorgvuldige toegangsprocedure, zodat bij de beoordeling van de hulpvraag helderheid wordt verkregen over zijn behoeften en de gewenste resultaten.

Daarnaast wordt onderzocht wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk, dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten, kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of te verbeteren. Verder wordt bepaald of de cliënt met gebruikmaking van een algemene voorziening de ondersteuningsbehoefte kan invullen, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2020 valt. De inzet van een maatwerkvoorziening in de ondersteuningsbehoefte heeft als doel het leveren van een bijdrage aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Zelfredzaamheid is in de Wmo 2020 gedefinieerd als: het in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Participatie is gedefinieerd als: het deelnemen aan het maatschappelijk verkeer. De nadruk bij de inzet van maatwerkvoorzieningen ligt op het versterken van de zelfredzaamheid en de participatie. Versterken betekent niet altijd bevorderen van, maar kan ook vertaald worden als het in stand houden van de situatie waardoor iemand in de eigen leefomgeving kan blijven.

De inwoner heeft met zijn vraag om ondersteuningsbehoefte een doel, welke centraal staat in het onderzoek naar de oplossing. Dit doel wordt bij de inzet van een (gedeeltelijke) maatwerkvoorziening als het te bereiken resultaat voor de inzet van de voorziening aangemerkt. Door de inwoner aan te spreken op wat er redelijkerwijs van hemzelf verwacht mag worden zal deze ook meer de eigen verantwoording nemen in het bereiken van resultaten ten behoeve van zijn ondersteuningsbehoefte. Zo werkt de inwoner mee aan de invulling van de benodigde ondersteuning en kan de gemeente aanvullende ondersteuning bieden als uit het onderzoek blijkt dat de aanvrager niet in staat is om zelf of met zijn netwerk of met een algemene voorziening de oplossing te organiseren.

2021/25492 Het wegvallen van de compensatieplicht en de compensatiedomeinen enerzijds en het toepassen van passende ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening anderzijds, vereist een benadering waarbij de gemeente zich richt op het bereiken van een resultaat dat waar mogelijk, zoveel mogelijk aansluit bij de wensen en mogelijkheden van de cliënt en zijn sociale omgeving. Passend aanbod is per definitie een aanbod dat passend is bij de individuele cliënt en hoeft daardoor niet te bestaan uit een standaard oplossing. De borging van de kwaliteit van het onderzoek en de uitkomsten daarvan (het passende aanbod) ligt in een goed georganiseerde toegangsprocedure. De Wmo 2020 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom in hoofdlijnen vast. Waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is. De ondersteuning die de gemeente kan bieden, kan bestaan uit het ondersteunen van de burger om regie over zijn eigen situatie te voeren, het aanbieden van algemene voorzieningen en/of maatwerkvoorzieningen.

Bij een maatwerkvoorziening kan het gaan om ondersteuning in natura of om ondersteuning in de vorm van een persoonsgebonden budget. Inbreng van de cliënt Om maatwerk te kunnen bieden zal de gemeente in samenspraak met de cliënt en diens netwerk de hulpvraag afpellen naar de integrale ondersteuningsvraag en –op basis van dat inzicht- naar een in die situatie passend ondersteuningsaanbod. Bij de melding van de hulpvraag informeert de gemeente de cliënt over de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen. In dit plan kan de cliënt (al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk) de omstandigheden en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst beschrijven. Dit plan wordt door de gemeente meegenomen in het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte. Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar.

De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven. Als de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening zal in samenspraak met de cliënt en eventueel de zorg-leverancier, een ondersteuningsplan worden opgesteld waarin de ondersteuningsbehoefte en de invulling van de maatwerkvoorziening en het beoogde resultaat staan uitgewerkt. Als de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening wordt aan de cliënt informatie over het persoonsgebonden budget (pgb) verstrekt. Indien een cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget geleverd wenst te krijgen wordt onderzocht of de cliënt in aanmerking komt voor een pgb verstrekking. Voor de motivering van de pgb aanvraag wordt aan de cliënt een persoonlijk budgetplan gevraagd. Maatwerkvoorziening De maatwerkvoorziening kan bestaan uit een dienstverlening of uit een materiele verstrekking. Voor beide voorzieningsvormen geldt dat het resultaat leidend is.

Bij een materiele verstrekking (hulpmiddelen zoals een duwrolstoel, scootmobiel of trapllift) zal dit effect door middel van een passing direct “meetbaar” zijn. Bij de inzet van dienstverlening zijn resultaten pas op termijn zichtbaar. Het niet functioneren van een materiele verstrekking of het niet passend zijn van een dergelijke verstrekking zal bij een cliënt direct merkbaar zijn en leiden tot verzoek tot herstel. Er worden kwaliteitseisen voor maatschappelijke ondersteuning aan de aanbieders gesteld en hierop wordt toegezien. Door het toezicht dat de gemeente houdt kan onder andere door de cliëntervaringsgegevens het niet functioneren van- of in-adequaatheid van de inzet van dienstverlening worden opgemerkt.

2021/25492 Sociale Wijkteams Al vanaf 2012, is ter voorbereiding van de Wmo 2015 maar ook de Jeugdwet en de Participatiewet, een visie verwoord met wat de gemeente Zaanstad voor ogen heeft met de transformatie van het maatschappelijk domein: “De gemeente Zaanstad streeft naar participatie door iedereen, naar vermogen en op eigen wijze. Want ook al hebben mensen moeilijkheden of beperkingen, we vinden dat iedereen mee moet kunnen doen in de maatschappij, door goed op te groeien en op te voeden, door te werken of een maatschappelijk en/of persoonlijk zinvolle dagbesteding te vinden”. Vanuit deze visie zijn Jeugdteams en Sociale Wijkteams opgezet om de nieuwe taken uit te voeren op zo’n manier dat de hulpvragen in onderlinge samenhang worden aangepakt. In de gemeente Zaanstad vormen vijf jeugdteams een lokaal dekkende structuur voor jeugdhulpverlening. Het streven is een verbetering van de dienstverlening door simpeler en gerichter aan te sluiten bij wat mensen nodig hebben. Het moet voor mensen ook overzichtelijker worden waar ze terecht kunnen met hun ondersteuningsvraag. Voorheen moesten mensen zelf hun weg vinden tussen de vele organisaties en loketten. Straks kunnen ze terecht bij het Jeugdteam of het Sociaal Wijkteam, dat ook veel zaken zelf kan oplossen. Voor volwassenen is er het Sociaal Wijkteam. Er zijn momenteel elf teams en zij vormen een dekkend netwerk over de stad.

Het wijkteam heeft globaal 2 opdrachten: - Versterken van het netwerk in de wijk, burgerkracht, zorgen voor de voorzieningen waar vraag naar is. Dit kunnen nadrukkelijk ook de algemene voorzieningen zijn. - Het verzorgen van de toegang tot voorzieningen, waaronder de maatwerkvoorzieningen in de Wmo. De wijkteamleden voeren het gesprek en wanneer er een maatwerkvoorziening nodig is, verzorgen zij de aanvraag (en nemen het besluit). Wat de gemeente moet regelen in de Verordening. De Wmo 2020 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning.

In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2020 in ieder geval bepaald te worden: · op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt; · op welke wijze de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; · welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; · ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is; · ten aanzien welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is; · op welke wijze ingezeten, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg; · op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en · op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de

gemeente. Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2020 per verordening regels te stellen: · voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet; · ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2020 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

2021/25492 Keuzes voor de gemeente vanuit de wet Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2020: 1. bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn; 2. de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met een persoonsgebonden budget, in de verordening verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen en dat de bijdrage afhankelijk is van het inkomen en het vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot; 3. bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd; 4. bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële draagkracht; 5.

bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Gemeenten kunnen zelf bepalen hoe ze deze onderwerpen regelen. Voor Zaanstad zijn er op onderdelen al keuzes gemaakt, daarop wordt aangesloten. Dit wordt hieronder toegelicht. Ad 1 +2: De gemeente Zaanstad werkt met sociale wijkteams en heeft de verantwoordelijkheid voor voorzieningen in de wijk bij de hoofdaannemers neergelegd. De hoofdaannemer heeft onder andere als opdracht om te zorgen voor algemene voorzieningen in de wijk, die tevens de beweging van de “tweede naar de eerste lijn” versterken. De hoofdaannemers kunnen dus binnen grenzen zelf bepalen welke algemene voorzieningen er precies in een wijk komen en, omdat de algemene voorzieningen niet in elke wijk exact hetzelfde hoeven te zijn. De gemeente Zaanstad kiest er dan ook niet voor om de algemene voorzieningen en bijdrage voor algemene voorzieningen in de verordening vast te leggen (zie ook de toelichting op artikel 12). Er wordt dan ook niet vanuit de gemeente bepaald welke groepen eventueel een korting op de bijdrage krijgt. Ad 3: Ingevolge de Verordening Eigen bijdrage maatschappelijke opvang en vrouwenopvang wordt de bijdrage geïnd door de instellingen zelf. Deze verordening is niet meer van kracht in 2015.

Het is gewenst dat instellingen zelf de bijdrage gaan innen, derhalve zijn zij in het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Zaanstad aangewezen als instantie die deze bijdrage kan innen. Ad 4: de gemeente Zaanstad zal een regeling voor de tegemoetkoming voor meerkosten bij chronische ziekte of handicap koppelen aan het beleid voor de Bijzondere bijstand. Dit is uitgewerkt in een nadere regeling. Ad 5: de gemeente Zaanstad maakt voor de verstrekking van het Pgb onderscheid tussen het inhuren van een professional of iemand uit het sociaal netwerk (zie toelichting op artikel 11). Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Begripsbepalingen In de begripsbepalingen zijn begrippen uitgewerkt die niet al in de wet zijn gedefinieerd. Voor het overzicht is de begrippenlijst uit de Wmo 2020 integraal overgenomen. Een algemeen gebruikelijke voorziening is in principe voor iedereen beschikbaar, of mensen nu wel of geen beperking hebben. Een voorbeeld is een fiets met trapondersteuning. ’Gebruikelijke hulp’ is niet in de verordening, maar in de wet gedefinieerd en is bijvoorbeeld de hulp van een partner van de cliënt. Zie ook de wettelijke definitie hieronder. Het gesprek duidt op het vervolggesprek na de melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning vraagt, de gehele leefsituatie van de aanvrager inventariseert.

Dit gaat onder andere over de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociaal netwerk de zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorkomen dat gebruik moet worden gemaakt van beschermd wonen of opvang.

2021/25492 Eveneens wordt geïnventariseerd of met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn zelfredzaamheid of participatie te verbeteren of te voorkomen dat hij gebruik moet maken van beschermd wonen of opvang. De aanvrager mag een persoonlijk plan indienen voorafgaand aan het onderzoek door de gemeente om de hulpvraag te motiveren. Dit is geen verplichting. Door de gemeente wordt altijd in samenspraak met de cliënt en/of diens vertegenwoordiger en de eventuele mantelzorger een ondersteuningsplan opgesteld met betrekking tot de benodigde zorg en ondersteuning. Indien de aanvrager voor een persoonsgebonden budget in aanmerking wil komen, dient er door de aanvrager altijd een persoonlijk budgetplan ingediend te worden. De mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en het verplicht indienen van een persoonlijk budgetplan bij een pgb, benadrukken de eigen verantwoordelijkheid die de cliënt heeft bij de motivering van zijn hulpvraag en/of de wens om de voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget te krijgen. Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet (in artikel 1.1.1) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Voor de duidelijkheid zijn een aantal belangrijke wettelijke definities hieronder weergegeven.

- aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren; - algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning; - begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven; - cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid; - cliёntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen; - gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten; maatschappelijke ondersteuning: o 1°.

bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, o 2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psycho-sociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving, o 3°. bieden van beschermd wonen en opvang; - maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen: 1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, 2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen, 3°.

ten behoeve van beschermd wonen en opvang; - mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; - participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;

2021/25492 -

persoonsgebonden budget: bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken; - sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliёnt een sociale relatie onderhoudt; - vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake; - voorziening: algemene voorziening of maatwerkvoorziening; - zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal (definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid): een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen, en ‘beschikking’ (artikel 1:2). Een aanvraag is een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen. Een beschikking is een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. Artikel 2.

Melding hulpvraag In de wet is bepaald (artikel 2.3.2, eerste lid) dat als er bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling is ook verankerd in de verordening. Bij het college kan een melding worden gedaan. Voor het doen van een uiteindelijke aanvraag is ingevolge de wet (artikel 2.3.2, negende lid) bepaald dat dit niet eerder kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. Zie de algemene toelichting over mandatering door het college. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen. In het eerste lid van de verordening is met gebruik van de in artikel 1 gedefinieerde term ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen.

Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Wet werk en bijstand en de Leerplichtwet. Zie ook de tekst en toelichting van artikel 8, tweede lid. In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Indien de melding mondeling of telefonisch is gedaan, zou dit ook kunnen worden afgesproken. Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding. Artikel 3. Cliëntondersteuning Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10743166/1