2013236968 Bijlage Afwikkeling meerwerkclaim Prins Bernhardbrug
Tekst van het document
VAN DIT DOCUMENT IS DE GEHEIMHOUDING OPGEHEVEN PER 28-05-2021. Middels raadsbesluit 2021/6790.
Geheime bijlage bij besluitnota Raad: Afwikkeling meerwerkclaim Prins Bernhardbrug Achtergrondinformatie. In 2006 is gestart met het vervangen van de Prins Bernhardbrug. In één jaar tijd moest de oude brug gesloopt en de nieuwe brug gerealiseerd worden. Oorspronkelijke oplevering van het project was december 2006. Het ontwerp van de nieuwe Prins Bernhardbrug is destijds gemaakt door Royal Haskoning en de directievoering op het werk is gedaan door IV Infra. Beide bedrijven hebben expertise op gebied van het ontwerpen en voorbereiden/toezicht houden op de aanleg van beweegbare bruggen. Het project is destijds Europees aanbesteed en gegund aan de combinatie BAM/Mercon, waarbij het aannemingsbedrijf BAM de betonconstructie voor haar rekening zou nemen en Mercon de staalconstructie van de brug zou realiseren. Tijdens de uitvoering van het werk heeft de combinatie BAM/Mercon aangegeven dat er knelpunten zaten in het bestek. De combinatie kon aanvankelijk niet kwantificeren wat dit voor consequenties had, maar gaf wel aan dat het meerwerk wat hieruit voortkwam van beduidende omvang was. Uiteindelijk heeft de combinatie, toen het werk al ver gevorderd was, aangegeven dat het meerwerk in de miljoenen liep. Dit bedrag werd niet onderbouwd met een deugdelijke raming.
Toen het werk grotendeels uitgevoerd en financieel afgehandeld was, gaf de combinatie voor het eerst aan dat zij met twee grote meerwerkclaims zou komen (MSS 11 en MSS 13). Het totaal van deze claims zou een bedrag betreffen van rond de € 5,5 miljoen. Eind december 2006 was het werk grotendeels gereed en kon de Bernhardbrug in gebruik genomen worden. De daadwerkelijke oplevering heeft in de zomer 2007 plaatsgevonden nadat alle restwerkzaamheden uitgevoerd waren. Nadat de brug daadwerkelijk werd opgeleverd en de laatste afrekeningen hadden plaatsgevonden heeft de combinatie wederom aangegeven dat zij met een meerwerkclaim zouden komen. Dit heeft de combinatie ook de jaren daarna steeds aangegeven, dit om verjaring van de claim te voorkomen. In oktober 2009 wordt de gemeente Zaanstad door de advocaat van de combinatie benaderd met de melding dat de combinatie daadwerkelijk bezig was met de voorbereiding van een claim richting de gemeente. Op 16 september 2010 ontving de gemeente een afschrift van de memorie van eis van de advocaat van de combinatie. Hierin stond aangegeven dat zij voornemens waren een procedure aanhangig te maken bij de Raad van Arbitrage. Tevens gaf de combinatie aan dat ze open stond om met de gemeente in overleg te treden met de intentie het geschil minnelijk te regelen.
De gemeente heeft hierop destijds positief gereageerd en heeft samen met haar stadsadvocaat Houthoff Buruma, meerdere keren om tafel gezeten met de combinatie om te kijken of tot een regeling kon worden gekomen. Hierbij is altijd het voorbehoud gemaakt dat zowel college als raad met een dergelijke regeling moeten instemmen. In de memorie van eis ging de combinatie niet meer uit van de eerder genoemde meerwerkclaims MSS 11 en MSS 13, maar heeft zij uiteindelijk 7 hoofdvorderingen opgevoerd, waarbij zij op dat moment een bedrag op de gemeente vorderde van € 3.586.362,- miljoen, exclusief rente. De gemeente had hier tegenover een reconventionele vordering richting de combinatie van € 530.107,-. Samen met Houthoff Buruma heeft de gemeente toen een analyse gemaakt om haar positie te bepalen. Hier kwam destijds een realistische verwachting uit, na alle vorderingen tegen elkaar afgewogen te hebben, dat de gemeente veroordeeld zou kunnen worden voor een bedrag tussen de € 400.000 ,- en € 630.000,- aan de combinatie te moeten betalen, mocht het tot arbitrage komen. Om een juridische procedure met alle bijbehorende kosten te voorkomen, heeft Houthoff Buruma richting de gemeente aangegeven dat hun advies was, maximaal € 750.000,- aan de combinatie te betalen tegen algehele en finale kwijting.
Vanaf het najaar 2010 t/m juli 2011 heeft de gemeente meerdere keren om tafel gezeten met de combinatie. In deze periode zijn standpunten uitgewisseld en zijn facturen, meerwerken en betalingen naast elkaar gelegd, omdat in de meerwerkclaim van de combinatie reeds betaalde facturen verwerkt waren. In juli 2011 heeft de combinatie een voor haar uiterst schikkingsvoorstel neergelegd waarin zij aangaf de zaak te willen schikken tegen algehele en finale kwijting indien de gemeente een bedrag aan haar zou betalen van € 1,3 miljoen euro. De gemeente is hier destijds niet op ingegaan. Begin augustus 2011 maakt de combinatie kenbaar dat zij de memorie van eis bij de Raad van Arbitrage heeft neergelegd. In de periode hierna is nog wel overeenstemming bereikt over schikking van één van de 7 hoofdvorderingen om deze met elkaar te delen. Het bedrag van deze vordering was € 60.432,- en de gemeente heeft een bedrag van € 30.216,- aan de combinatie betaald. Reden was dat dit posten waren die een relatief klein bedrag vormden en waarvan ingeschat werd dat de gemeente deze zou moeten voldoen als de kwestie voor arbitrage werd voorgelegd. Door op deze posten te schikken zou bij een arbitrage niet onnodig veel tijd verloren gaan aan deze in verhouding kleine onderwerpen. Voor de afhandeling van deze hoofdpost is een vaststellingsovereenkomst opgesteld.
Van augustus 2011 t/m december 2012 is de procedure gelopen van memorie van eis tot en met memorie van repliek. In tussenliggende periode heeft de combinatie geen poging gedaan om in gesprek met de gemeente te komen. Op 13 mei en 16 mei 2013 hebben de e hoorzittingen plaatsgevonden. Aan het eind van de 2 dag was slechts de helft van de vorderingen behandeld, zodat er nogmaals 2 zittingsdagen ingepland moesten worden. Arbiters gaven richting de combinatie de suggestie mee, dat het verstandig zou zijn om alsnog te proberen om met de gemeente tot overeenstemming te komen. Ook gaven zij aan dat zij na deze 2 zittingsdagen niet dachten aan miljoenen, maar dat het om “tonnen” zou gaan die eventueel zouden worden toegekend. Samen met Houthoff Buruma is vanuit dit nieuwe perspectief opnieuw een analyse gemaakt om de nieuwe positie van de gemeente te bepalen. Hier kwam uit dat bij voortzetten van de lopende procedure ingeschat werd, dat de uiteindelijke veroordeling van de gemeente zou liggen tussen de € 350.000,- en de € 450.000,- als saldo van de vorderingen en de vorderingen in reconventie. Begin juni 2013 heeft toen een eerste gesprek plaatsgevonden tussen de directeur van Mercon en het sectorhoofd Realisatie & Beheer van de gemeente Zaanstad, waarbij Mercon aangaf nog recht te hebben op ruim € 600.000,-.
Na meerdere overleggen tussen de gemeente en de combinatie is uiteindelijk overeenstemming bereikt over een schikkingsvoorstel waarbij de gemeente € 373.000,- aan de combinatie betaalt tegen algehele en finale kwijting en na goedkeuring van de raad.