Beantwoording technische vragen GBW-fractie agendapunt 5 toekomstplan sociaal ontwikkelbedrijf.pdf
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen GBW-fractie over agendapunt 5 Toekomstplan sociaal ontwikkelbedrijf Raadscommissievergadering van: 14-01-2026 Vraag
Antwoord
1.
Het toekomstplan is een startpunt en geen eindpunt. De komende vier jaar hebben we de ruimte om in de praktijk te ervaren wat werkt en wat niet werkt. Mede door de impulsgelden en de positieve meerjarenbegroting. In die periode wordt actief gemonitord of de instroom en de financiële uitgangspunten ook daadwerkelijk gehaald worden.
Het plan baseert de uitvoering grotendeels op Rijksmiddelen (impulsbudget, integratie-uitkering, BUIG) en positieve meerjarenbegrotingen van RWA/Amfors. Wat zijn de concrete scenario’s als deze middelen in de toekomst afnemen of als instroom en doorverwijzing lager zijn dan verwacht? Hoe wordt het financiële risico voor Woudenberg van 2% beperkt en gemonitord?
Het model is zo ingericht dat middelen zoveel mogelijk meebewegen met de realisatie. Rijksmiddelen zoals loonkostensubsidie, begeleidingsvergoedingen en BUIG komen alleen binnen als mensen daadwerkelijk geplaatst worden. Als de instroom hoger is, komen er ook meer middelen binnen en wordt het risico dus niet een openeind risico. Dat is ook uitgewerkt in de gevoeligheidsanalyse van het toekomstplan. Daarnaast geldt dat op dit moment nog niet alle middelen vanuit het Rijk geoormerkt zijn. Een deel zit in het gemeentefonds en wordt nu niet altijd volledig ingezet voor deze doelgroep. De verwachting is dat het Rijk deze middelen in de toekomst meer zal gaan oormerken. Dat betekent dat het budget sterker gekoppeld wordt aan het aantal gerealiseerde plaatsen. Mocht dat nodig zijn, dan kan het college in de toekomst bij de raad terugkomen met het verzoek om een groter deel van het hiervoor bedoelde budget ook daadwerkelijk vrij te maken. De verwachting is nu echter dat het ontwikkelbedrijf met module twee en drie financieel zelfredzaam zal worden. Het financiële risico voor Woudenberg beheersbaar en goed te volgen via de reguliere monitoring, zoals de jaarrekening en de meerjarenbegroting van RWA/Amfors, de tweewekelijkse opgavegroep waarin ook Woudenberg participeert en maandelijkse bestuurlijke stuurgroep.
2.
Het model valt of staat met actieve doorverwijzing door gemeenten en
De borging gebeurt via de implementatieagenda. Hierin komen heldere
Vraag
samenwerking binnen het netwerk. Welke mechanismen of contractuele afspraken worden ingebouwd om te waarborgen dat alle gemeenten en partners hun instroomdoelstellingen halen en rolonduidelijkheid wordt voorkomen?
Antwoord
netwerkafspraken over doorverwijzing naar het sociaal ontwikkelbedrijf, worden rollen en verantwoordelijkheden van diverse stakeholders vastgelegd en zo nodig komt er een herijking van de governance (incl. mogelijke aanpassing van de huidige gemeenschappelijke regeling of een andere samenwerkingsvorm). Het toekomstplan is het beginpunt, de komende periode zal alles concreet uitgewerkt worden.
3.
Het plan beoogt duurzame participatie, ontwikkeling en uitstroom naar regulier werk. Welke meetbare indicatoren en evaluatiemomenten worden gebruikt om de effectiviteit van bouwsteen 2 en 3 te beoordelen, en hoe wordt dit teruggekoppeld naar de deelnemende gemeenten en raad?
Duurzame participatie en ontwikkeling zijn de hoofddoelen van dit plan; uitstroom naar regulier werk is waar mogelijk het streven, maar we weten ook dat dit met name bij de doelgroep beschut werk niet altijd realistisch is. Voor een deel van deze mensen is een duurzame plek binnen neen sociaal ontwikkelbedrijf juist het beste resultaat. We werken de komende tijd met een twee-sporenaanpak. Aan de ene kant wordt er een implementatieagenda opgesteld waarin onder andere de concrete indicatoren, evaluatiemomenten en rapportagestructuur voor bouwsteen 2 en 3 worden vastgelegd. Het gaat daarbij om zaken als aantallen plaatsingen, doorstroom, duurzaamheid van werk en benutting van budgetten. Aan de andere kant wachten we niet af tot alles op papier staat, maar zijn we nu al gestart met het plaatsen van mensen en met pilots voor leer- en werktrajecten. De voortgang wordt in ieder geval het komende jaar in de praktijk gevolgd in de opgavegroep waarin Amfors, de centrumgemeente Amersfoort, de BBS-gemeenten en ook Woudenberg deelnemen. Deze groep komt tweewekelijks bijeen om de instroom, capaciteit en eventuele knelpunten te volgen en zo nodig bij te sturen. Ook is er een bestuurlijke stuurgroep die maandelijks de voortgang met elkaar bespreekt.
De gemeenteraad wordt hierover geïnformeerd via de jaarrekening en meerjarenbegroting van RWA/Amfors, aangevuld met raadsinformatiebrieven of bijeenkomsten. De verdere uitwerking van indicatoren en evaluatiemomenten wordt onderdeel van de implementatieagenda, zodat de raad daar ook zicht op krijgt.
Vraag
Antwoord
4.
De toegang van onze inwoners tot werkplekken bij Amfors wordt niet bepaald door dat aandeel, van 2% maar door het budget per persoon. Voor iedere inwoner met een indicatie beschut werk of banenafspraak die bij Amfors wordt geplaatst, wordt vanuit Woudenberg het bijbehorende budget beschikbaar gesteld, zoals loonkostensubsidie en begeleidingsvergoeding. Daarmee ‘neemt iedere inwoner zijn eigen budget mee’.
Het plan richt zich op een bredere doelgroep binnen de Participatiewet, maar Woudenberg draagt slechts 2% bij. Hoe wordt gegarandeerd dat ook inwoners van kleinere gemeenten daadwerkelijk toegang krijgen tot passende werkplekken en ontwikkeltrajecten, en dat kwetsbare groepen niet buiten beeld raken in het netwerkmodel?
Dat betekent dat Woudenbergse inwoners met een indicatie beschut werk of banenafspraak net zo goed toegang hebben tot een plek bij Amfors als inwoners van grotere gemeenten, zolang wij het daarvoor bedoelde budget inzetten. Voor bouwsteen 3 (modules, zoals leer-werktrajecten voor andere doelgroepen) geldt dat deze door gemeenten worden ingekocht uit het reguliere re-integratiebudget. Woudenberg heeft daarin, als kleine gemeente, een kleiner budget, zelfs in verhouding. Ambtelijk bewaken we dat de kosten voor iedere gemeente behapbaar en realistisch blijven.
Vraag
Antwoord
5.
Er is een breed palet aan instrumenten binnen de Participatiewet, waarbij het sociaal ontwikkelbedrijf één van de schakels is.
In de documenten over sociaal werk en het toekomstplan RWA/Amfors worden verschillende vormen genoemd, zoals beschut werk, banenafspraak en sociaal ontwikkelbedrijf. Kunt u voor de raad een overzicht geven van de belangrijkste vormen van sociaal werk in onze regio, hun doelgroep, en hoe deze elkaar aanvullen of overlappen?
In de regio Amersfoort – en dus ook voor Woudenberg – onderscheiden we grofweg vier hoofdvormen: 1. Voor mensen die kunnen werken bij een gewone werkgever, eventueel met begeleiding:
Loonkostensubsidie No-riskpolis Jobcoaching Praktijkleren Proefplaatsingen Werkgeversservicepunt (WSP) Regionaal beraad (vroegere werkcentrum
Dit is voor de grootste groep inwoners de voorkeursroute: zo regulier mogelijk werken. 2. Specialistische trajecten richting regulier werk voor mensen met complexere problematiek, zoals:
IPS/ Hoofdzaak Werk (psychische kwetsbaarheid) Sectorale ontwikkelpaden Leer-werktrajecten Scholing en werkervaringstrajecten
Deze trajecten worden vaak uitgevoerd door gemeenten, onderwijs, zorg en werkgevers samen en blijven ook bestaan naast Amfors.
3.
Beschut werk en Banenafspraak. Voor mensen die niet zelfstandig het minimumloon kunnen verdienen:
Vraag
Antwoord
Beschut werk (zeer intensieve begeleiding) Banenafspraak (met loonkostensubsidie)
Deze mensen werken bij een reguliere werkgever of, als dat (nog) niet lukt, bij RWA/Amfors in een aangepaste omgeving. 4.
Sociaal ontwikkelbedrijf (RWA/Amfors)
Amfors is géén vervanging van de andere instrumenten, maar:
een vangnet voor mensen die (tijdelijk of structureel) niet regulier kunnen werken én een springplank richting regulier werk via ontwikkeling, werkervaring en begeleiding
Daarom wordt het bedrijf verbreed met beschut werk, banenafspraak en modulaire trajecten.