Beantwoording fractievragen delegatie, adviesrecht en participatie Omgevingswet-GBW.pdf
Tekst van het document
Beantwoording vragen GBW-fractie over agendapunt 8 Delegatie …. Omgevingswet. Raadscommissievergadering van: 12-01-2022
Vraag
Antwoord
In bijlage 1.2 , art 1 delegatie worden onder 2 de wijzigingsbevoegdheden uit het BP Buitengebied gedelegeerd aan het College. Deze wijzigingsbevoegdheden dateren uit 2010 en zouden, in de oude systematiek van 10-jarige bestemmingsplannen reeds in 2020 zijn geactualiseerd. Ziet het College, kijkend naar deze bevoegdheden risico’s in het ongewijzigd overnemen van deze bevoegdheden onder de omgevingswet, 12 a 16 jaar nadat deze bevoegdheden zijn verkregen ? Zo ja, hoe zouden deze risico’s van opnemen van verouderd beleid, kunnen worden verminderd ?
Tot nu toe hebben wij in de dagelijkse praktijk in het bestemmingsplan Buitengebied geen wijzigingsbevoegdheden geconstateerd die binnen huidig beleid of wetgeving tot ongewenste gevolgen leiden. De wijzigingsbevoegdheden maken het juist mogelijk om flexibel om te gaan met veranderingen in bedrijfsvoering. Niet voor niets zijn de meest gebruikte wijzigingsbevoegdheden de vormverandering van agrarische bedrijven en de VAB regeling voor een stoppend bedrijf. In 2010 is bewust gekozen voor een generieke regeling met wijzigingsbevoegdheden en het buitenplans verklaren van maatwerk. Wij zien in de huidige wijzigingsbevoegdheden dan ook geen risico. Om gelijktijdig de flexibiliteit voor burgers en bedrijven te behouden stellen wij daarom ook voor deze onder de delegatie te brengen.
Een van de drie pijlers onder de Omgevingswet is Participatie. Hoe wordt voorzien in het tijdig betrekken van de inwoners om de participatie en de mogelijkheden tot participatie voorafgaand aan de invoering actief onder de aandacht van de inwoners te brengen. Komt daartoe ook onder meer een communicatiecampagne dan wel wordt een ander instrumentarium daartoe ontwikkeld en kan dat gedeeld worden en zo ja wanneer?
De invoering van de Omgevingswet leidt tot extra taken. In de meerjarige
Indien u van mening bent dat bepaalde regels verouderd zijn en u het risico wil verminderen, dan dient u deze uit te sluiten van het delegatie besluit. Daarmee is de regeling direct met de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer van toepassing. Wij adviseren u dan wel om vooraf de voors- en tegens te bespreken met de ambtelijke organisatie en (indien van toepassing) de vertegenwoordigers van de (beroeps)groep die in het verleden gebruik gemaakt heeft van deze regeling. Een van de pijlers is inderdaad participatie, maar de wet maakt daarin ook een duidelijk onderscheid in rollen. Als overheid moeten wij bij onze eigen plannen ruim en tijdig ruimte bieden voor participatie, dat zal dan ook onderdeel zijn van het betreffende project. Bij projecten van derden moeten wij vooral toezien en participatie stimuleren. De participatie wijzer is daarvoor het instrumentarium. Helaas zal de rijksoverheid, anders dan bij invoering van de Wabo, geen landelijke campagne uitvoeren rond de Omgevingswet. Er komt mogelijk een online campagne. Lokaal zullen wij bezien, samen met omliggende gemeenten, welke acties het meest passend zijn, naast het tijdig aanpassen van onze eigen website. Het is nog lastig om een compleet beeld te geven. Daarom hieronder wat voorbeelden.
Vraag
Antwoord
begroting zijn daartoe middelen voorzien. Kan inzicht worden gegeven in deze extra taken alsook naar verwachting de daarmee samenhangende kosten per taak?
Vooroverleg wordt belangrijker, dus vooraf meedenken en betrekken van partijen, daarmee krijgt de gemeente meer een adviesfunctie dan nu alleen de toetsende taak. Met name bij de echte vergunning onderdelen is dat een andere en aanvullende manier van werken. Want de toetsverplichting blijft ook bestaan. Termijnen worden korter met name voor complexe plannen, dat houdt in dat meer dan nu alles bij indienen goed moet zijn. Geen tijd meer om aanvullingen te vragen, maar sneller noodzaak tot weigering. Bij verplichte participatie moet controle plaatsvinden, en kan de gemeente besluiten om (binnen de termijn) de participatie van de indiener van een plan over te nemen. Toepasbare regels: in het DSO wordt verwacht dat doormiddel van vragenbomen iedereen kan herleiden of wel of niet een vergunning nodig is voor een bepaalde activiteit op een bepaalde plek. Waar in het verleden iedereen in een bestemmingsplan hoorde te kunnen kijken en de wet te kennen, moeten wij als gemeente in het kader van de dienstverlening, juridische regels vertalen in vraagbomen. Een totaal nieuw werkveld.
8.08 Participatie (inspraak) Verordening is voorzien in mei 2023. Is dit juist en waarom?
8.07 Bijlage 5 : de ingekaderde opmerking is in zichzelf onbegrijpelijk (op basis van de 2-jarige rapportage is tussentijdse evaluatie mogelijk). Graag nadere toelichting. Bijlage 2.1 De tekst bij art 1.1 vraagt om verduidelijking. Betekent de uitzondering dat bij transformatie en functieverandering van bestaande gebouwen en omliggende de ontwikkeling waarin meer dan 4 woningen worden ontwikkeld (bv 20, of 60 woningen) niet voor advies aan de gemeenteraad wordt voorgelegd? Als op bovenstaande vraag met ja wordt geantwoord, lijkt dit in tegenspraak met art 1.2.. waarbij transformaties van bestaande gebouwen wel voor advies aan de gemeenteraad worden voorgelegd (met uitzondering van de
Naast de Omgevingswet zal landelijk een participatiewet in werking treden. Deze laatste verplicht om binnen 1 jaar na inwerking de inspraakverordening te vervangen door een participatie verordening. De datum klopt dus. Deze verordening heeft ook een bredere bereik dan alleen de Omgevingswet, en betreft alle gemeentelijke participatie dus ook die in bijvoorbeeld het sociaal domein. In principe vindt na 2 jaar een evaluatie plaats van de gekozen werkwijze. Twee keer per jaar ontvangt de raad een overzicht. Indien uit de tweejaarlijkse rapportages al blijkt dat een eerdere evaluatie (en/of bijsturing) noodzakelijk is, kan hier op verzoek van de raad tot worden overgegaan. Wij merken dat de verwoording van 1.1 en daarmee ook van 1.3 verwarring geeft. Doel van 1.1. is dat plannen van 4 of meer woningen voor advies naar de raad gaan. 1.2 geeft aan dat alle transformaties van gebouwen en gronden ten behoeve van woningen (met uitzondering van toepassing van de wijzigingsbevoegdheid) langs de raad gaan. Artikel 1.3 geeft aan dat alle andere nieuwe functies naar de raad gaan. Het tweede zinsdeel van 1.1 en 1.3 die transformatie als uitzondering benoemd,
Vraag
Antwoord
wijzigingsbevoegdheden). Zo nee, kunt u dan nog op een andere manier omschrijven hoe art 1.1 gelezen moet worden.
omdat die in 1.2. staan, geeft verwarring. Wij zullen ten behoeve van de raadsbehandeling de teksten verduidelijken door het tweede deel van de zin weg te laten. Dus alle plannen voor transformatie, alle plannen voor meer dan 4 woningen en alle nieuwe functies komen langs de raad met uitzondering van de wijzigingsbevoegdheid (gelijk aan de huidige situatie).
Bijlage 2.1 De tekst bij artikel 2 geeft aan wanneer een plan in het buitengebied aan de gemeenteraad voorgelegd moet worden voor advies. Hier wordt de uitbreiding van agrarische bedrijvigheid niet genoemd. Betekent dit dat alle agrarische ontwikkelingen bv verdubbeling bouwvlak, uitbreiding stikstofuitstoot niet voor advies aan de gemeente worden voorgelegd. Ik kan dat niet scharen onder nieuwe overige functies, daar een agrarisch bedrijf een bestaande functie is. (tekstuele opmerking. Moet de nummering van de artikelen onder 2 niet zijn 1.2 tot en met 2.5?)
Wat ons betreft vallen agrarische ontwikkelingen onder nieuwe overige functies (artikel 2.2). Gezien landelijk en provinciaal beleid zijn uitbreidingen van agrarische bedrijven groter dan huidige bestemmingsplan/ Omgevingsplan mogelijk maakt niet te verwachten. Maar in een agrarische gemeente als Woudenberg is het inderdaad goed om deze groep van ontwikkelingen apart te benoemen. Wij stellen voor om bij de raadsbehandeling de volgende tekst toe te voegen -
Nieuw vestiging van agrarische bedrijven en vergroting van een agrarisch bouwvlak, behalve als die ontwikkeling mogelijk werd gemaakt door een wijzigingsbevoegdheid van het bestemmingsplan Buitengebied.
Tevens zullen wij de nummering van artikel 2 correct maken. Bijlage 4.2, blz 2. Het schema op blz A geeft aan in welk participatielevel een initiatief valt. Zou het voor bewoners niet gemakkelijker zijn als er veel voorkomende voorbeelden bij de participatielevels gegeven zijn, denk aan de aanvraag van een dakkapel, uitbreiding van een garage tot de erfgrens?
Een goede suggestie alleen deze is alleen voor level 1 echt duidelijk te maken bij het genoemde voorbeeld van de dakkapel en uitbreiding erfgrens, bij alle andere vormen van bouwplannen zal de specifieke situatie al een rol gaan spelen. Daarnaast kunnen initiatiefnemers bij vragen altijd de behandeld ambtenaar raadplegen.
Bijlage 4.2, blz 3 Op het moment dat een plan van een initiatiefnemer alleen effect heeft op een buurman, maar dat effect is wel `heel veel’, dan valt het plan alsnog in beperkte participatie (1-1-7-1/4). Je zou de buren alleen hoeven te informeren. Maar zou het niet wenselijk zijn om als het effect heel groot is op 1 buurman, alsnog met de buurman in gesprek te gaan over het plan, in plaats van alleen maar informeren.
Doel van informeren van buurman is dat er een gesprek ontstaat. De Omgevingswet legt de verantwoordelijkheid voor participatie nadrukkelijk bij de initiatiefnemer. Als gemeente kunnen wij een gesprek tussen buren niet afdwingen.