CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

9.b Regels en motivering Hopeseweg 26a.pdf

Gemeenteraad 10 juli 2025, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken21.885 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

P2400445 Hopeseweg 26a Woudenberg 5 augustus 2024

19

De achtergrondwaarden (AW) zijn landelijk geldende waarden voor een multifunctionele bodemkwaliteit en geven de bovengrens aan voor wat in de dagelijkse praktijk ‘schone grond’ wordt genoemd. Deze achtergrondwaarden zijn vastgesteld op basis van gehalten zoals deze voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden. Dit omdat in dergelijke grond geen belasting door lokale verontreinigingsbronnen heeft plaatsgevonden. De streefwaarde (S) geeft het concentratieniveau in grondwater aan waarboven wél en waaronder géén sprake is van aantoonbare verontreiniging. De interventiewaarde (I) geeft het concentratieniveau in grond, waterbodem of grondwater aan waarboven de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant en dier heeft, in ernstige mate kunnen worden aangetast. In het overheidsbeleid wordt gesproken van een geval van ernstige bodemverontreiniging, indien de gemiddelde concentratie aan één stof de interventiewaarde overschrijdt in tenminste 25 m3 grond/slib of voor het grondwater in tenminste 100 m3 bodemvolume. 4. Bodemtypecorrectie De normen voor het toepassen van grond en baggerspecie en ook de achtergrondwaarden en interventiewaarden zijn opgesteld voor standaardbodems. Dat wil zeggen: bodems met 25% lutum en 10% organische stof. De normwaarden zijn echter afhankelijk van het daadwerkelijk gemeten lutum- en organische stofgehalte.

Daarom worden de gemeten concentraties van stoffen op basis van de daarin gemeten percentages lutum en organische stof omgerekend naar een zogenaamd ‘gecorrigeerd gehalte’. Dit gecorrigeerde gehalte kan vervolgens vergeleken worden met de normwaarden. Bij de interpretatie van de analyseresultaten met behulp van de toetsingstabel wordt de volgende classificatie aangehouden:  gehalte kleiner dan de achtergrondwaarde (referentiewaarde) of bepalingsgrens

-

(niet verontreinigd)

+

(licht verontreinigd)

 gehalte tussen de tussen- en interventiewaarde

++

(matig verontreinigd)

 gehalte groter dan de interventiewaarde

+++

(sterk verontreinigd)

 gehalte tussen de achtergrondwaarden of bepalingsgrens (indien hoger dan achtergrondwaarde) en tussenwaarde

5. Beperkingen analysemethoden Als gevolg van analysemethoden bij een door de Raad van Accreditatie (RvA) geaccrediteerd laboratorium kan soms een achtergrondwaarde lager zijn dan de bepalingsgrens/rapportage van het laboratorium. Hierdoor kan theoretisch sprake zijn van een achtergrondwaardeoverschrijding, die niet door het laboratorium is vast te stellen. Een concentratie lager dan de bepalingsgrens, is onzes inziens verwaarloosbaar. TOELICHTING TOETSING Voor het toetsen van de milieuhygiënische kwaliteit van landbodem alsmede het toepassen van grond en baggerspecie bestaan verschillende uitgangspunten: P2400445 Hopeseweg 26a Woudenberg 5 augustus 2024

20

1. Toepassen van grond en baggerspecie op landbodem. 2. Toepassen van grond en baggerspecie in oppervlaktewater. Voor het toetsen van de milieuhygiënische kwaliteit van grondwater is alleen het saneringscriterium van belang. Ad. 1 TOEPASSEN VAN GROND EN BAGGERSPECIE OP LANDBODEM In de normstelling is gekozen voor een ‘altijd’- en ‘nooit-grens’. De ‘altijd-grens’ bestaat uit de achtergrondwaarden. Partijen grond die voldoen aan de achtergrondwaarden zijn, voor wat betreft de chemische kwaliteit, altijd vrij toepasbaar. Achtergrondwaarden (AW 2000) Uit de Regeling bodemkwaliteit (tot voor kort: ‘streefwaarden’). Landelijk geldende waarden voor een multifunctionele bodemkwaliteit die de grens vormen aan wat in het dagelijks gebruik ‘schone grond en bagger’ wordt genoemd. De ‘nooit-grens’ wordt bepaald met behulp van het saneringscriterium. Het saneringscriterium is hierboven toegelicht. Grond en baggerspecie boven de grens van het onaanvaardbaar risico mogen nooit worden toegepast. Hierbij zijn van belang: Interventiewaarden Uit de Circulaire bodemsanering 2013. Landelijk geldende waarden die aangeven dat sprake is van potentiële ernstige vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant of dier. Tussen de ‘altijd’- en ‘nooit-grens’ liggen de Maximale Waarden.

Deze waarden geven de bovengrens aan van de kwaliteit die nodig is om de bodem blijvend geschikt te houden voor de functie die de bodem heeft. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen generiek beleid en gebiedsspecifiek beleid.

Generiek beleid

Het generieke kader is van toepassing op elk gebied waarvoor geen gebiedsspecifiek beleid is vastgesteld. Uitgangspunt van het generieke kader voor landbodems is dat de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie moet aansluiten bij de functie die de bodem heeft. Ook mag de kwaliteit van de ontvangende bodem niet verslechteren. Om op een eenvoudige manier te toetsen of de kwaliteit van een partij grond of baggerspecie aansluit bij de functie en kwaliteit van de ontvangende bodem, wordt in het generieke kader gewerkt met een klassenindeling voor de kwaliteit en functie. Toe te passen grond of baggerspecie (bodemfunctieklassen) In het generieke kader is voor de toe te passen grond sprake van twee bodemfunctieklassen: ‘wonen’ en ‘industrie’.

P2400445 Hopeseweg 26a Woudenberg 5 augustus 2024

21

Het indelen van een beheergebied in bodemfunctieklassen is een taak van gemeenten. Dit dient officieel vastgesteld te worden middels een kaart. Wanneer een gemeente (nog) geen bodemfunctieklassenkaart heeft, dan mogen alleen partijen grond en baggerspecie worden toegepast die voldoen aan de achtergrondwaarden. Hetzelfde geldt voor gebieden die niet zijn ingedeeld in een bodemfunctieklasse. Gemeenten met een reeds bestaande bodemkwaliteitskaart en bijbehorend bodembeheer- plan kunnen gebruik maken van het overgangsbeleid. Ontvangende bodem (bodemkwaliteitsklassen) Ook de bodemkwaliteit van de ontvangende bodem wordt in het generieke kader ingedeeld in de klasse ‘wonen’ of ‘industrie’. Aan de bodemkwaliteitsklassen en de bodemfunctieklassen zijn dezelfde normen gekoppeld: ‘Wonen’ Uit de Regeling bodemkwaliteit. Bovengrens van de kwaliteit die nodig is om de bodem ook op lange termijn geschikt te houden voor de functie ‘wonen’. ‘Industrie’ Uit de Regeling bodemkwaliteit. Bovengrens van de kwaliteit die nodig is om de bodem ook op lange termijn geschikt te houden voor de functie ‘industrie’. TOEPASSINGSVOORWAARDEN (generiek). Om een partij grond of baggerspecie te mogen toepassen moet de partij worden getoetst aan: a. De bodemfunctieklasse van de ontvangende bodem (op basis van de bodemfunctieklassenkaart). b.

De bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem (actuele bodemkwaliteit).

Bij deze dubbele toets geldt dat de kwaliteitsklasse van de toe te passen partij grond of baggerspecie moet voldoen aan de strengste norm. Wanneer de ontvangende bodem niet in een bodemfunctieklassenkaart is opgenomen, of wanneer de kwaliteit van de ontvangende bodem voldoet aan de achtergrondwaarden, dan gelden de achtergrondwaarden als toepassingseis.

Gebiedsspecifiek beleid

Binnen het gebiedsspecifieke kader voor landbodems mag een gemeente (de gemeenteraad) zelf voor een of meerdere stoffen normen vaststellen. Gemeenten mogen dat doen als normen nodig zijn die beter aansluiten bij de gewenste bodemkwaliteit en het daadwerkelijke gebruik van de bodem dan de Maximale Waarden van het generieke beleid. De normen in het gebiedsspecifieke kader worden Lokale Maximale Waarden genoemd. Deze kunnen zowel strenger als soepeler zijn dan de normen die op grond van het generieke beleid zouden gelden. Lokale Maximale Waarden mogen echter alleen worden vastgesteld tussen de achtergrondwaarden en het saneringscriterium. In het gebiedsspecifiek beleid wordt gewerkt met een beoordeling van de kwaliteit op stofniveau en een indeling in zeven bodemfuncties.

P2400445 Hopeseweg 26a Woudenberg 5 augustus 2024

22

Deze zeven bodemfuncties zijn in onderstaande tabel weergegeven. Ter vergelijking zijn daarnaast de bodemfunctieklassen van het generieke beleid weergegeven: BODEMFUNCTIES gebiedsspecifiek beleid 1. Wonen met tuin

BODEMFUNCTIEKLASSEN generiek beleid ‘wonen’

2.

Plaatsen waar kinderen spelen

3.

Groen met natuurwaarde

4.

Ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie

‘industrie’

5.

Moestuinen en volkstuinen

6.

Natuur

(kwaliteit toe te passen grond en baggerspecie moet voldoen aan de achtergrondwaarden)

7.

Landbouw

Voor gebieden waarvoor gebiedsspecifiek beleid wordt opgesteld, worden deze functies op een kaart weergegeven. TOEPASSINGSVOORWAARDEN (gebiedsspecifiek). Partijen grond en baggerspecie mogen in het gebiedsspecifieke kader worden toegepast wanneer de partijen volden aan de Lokale Maximale Waarden die zijn vastgelegd in een Nota bodembeheer. Wanneer het is toegestaan om grond of baggerspecie toe te passen met een kwaliteit die slechter is dan de actuele kwaliteit, dan mag alleen gebiedseigen grond en baggerspecie worden toegepast. Op deze manier wordt het ‘standstill-beginsel’ op gebiedsniveau gewaarborgd. Ad. 2 TOEPASSEN VAN GROND EN BAGGERSPECIE IN OPPERVLAKTEWATER Bij toepassing van grond en baggerspecie in oppervlaktewater is generiek of gebiedsspecifiek beleid mogelijk. Ook uiterwaarden vallen onder de definitie van oppervlaktewater. De toetsingskaders voor land- en waterbodems komen op hoofdlijnen overeen, maar kennen ook een aantal verschillen: - Bij toepassingen in oppervlaktewater wordt niet getoetst aan de functie, maar alleen aan de kwaliteit van de ontvangende waterbodem. In het waterbeheer zijn wel functies gekoppeld aan oppervlaktewatersystemen (bijvoorbeeld zwemwater), maar niet aan de waterbodem zelf. Bij waterbodems beïnvloeden erosie- en sedimentatieprocessen voortdurend de waterbodemkwaliteit.

Hierdoor is alleen toetsing aan de actuele waterbodemkwaliteit zinvol. -

Vanwege verschillen in de normstelling kennen waterbodems een andere klassenindeling dan landbodems.

-

De interventiewaarden en het saneringscriterium zijn voor waterbodems anders dan voor landbodems. Dat is omdat stoffen zich onder water anders gedragen dan boven water. Bij achtergrondwaarden is geen verschil tussen land- en waterbodems.

P2400445 Hopeseweg 26a Woudenberg 5 augustus 2024

23

Generiek beleid

In het generieke toetsingskader voor toepassing in oppervlaktewater is de waterbodemkwaliteit onderverdeeld in klasse A en klasse B. Deze klassenindeling geeft een maat voor de kwaliteit van de ontvangende waterbodem en voor de kwaliteit van een partij toe te passen grond of baggerspecie. Deze nieuwe klassenindeling vervangt de klassenindeling met de klassen 0 tot en met 4 van de Vierde Nota Waterhuishouding. Klasse A Klasse B

De maximale waarden voor klasse A zijn afgeleid van het herverontreinigingsniveau van de Rijntakken. Bij de maximale waarden voor klasse B geldt voor grond een andere norm dan voor het toepassen van baggerspecie in oppervlaktewater. Wanneer een partij grond wordt toegepast geldt als bovengrens de Maximale Waarde voor klasse ‘industrie’. Wanneer een partij baggerspecie wordt toegepast geldt als bovengrens de interventiewaarde voor waterbodems. Dit onderscheid is gemaakt om te voorkomen dat grond, die niet op of in de landbodem mag worden toegepast, wel in het oppervlaktewater kan worden toegepast.

Gebiedsspecifiek beleid

Binnen dit kader mag de lokale waterkwaliteitsbeheerder (Rijkswaterstaat of het waterschap) Lokale Maximale Waarden stellen. De ruimte hiervoor ligt tussen de achtergrondwaarden en het saneringscriterium. TOEPASSINGSVOORWAARDEN (generiek en gebiedsspecifiek). In het generieke kader kan een partij grond of baggerspecie in oppervlaktewater worden toegepast wanneer de kwaliteitsklasse van de toe te passen grond of baggerspecie gelijk is aan of schoner dan de kwaliteitsklasse van de ontvangende waterbodem. In het gebiedsspecifieke kader moet de kwaliteit van de toe te passen grond of baggerspecie voldoen aan de vastgestelde Lokale Maximale Waarden voor de waterbodem. Wanneer het is toegestaan om grond of baggerspecie in oppervlaktewater toe te passen met een kwaliteit die slechter is dan de actuele waterbodemkwaliteit, dan mag alleen gebiedseigen grond en baggerspecie worden toegepast. Op deze manier wordt het ‘standstill-beginsel’ op gebiedsniveau gewaarborgd.

Uit: ‘Handreiking besluit bodemkwaliteit’.

Voor de volledigheid wordt nog vermeld dat er daarnaast regels zijn voor verspreiding van baggerspecie in oppervlaktewater en ook voor verspreiding van baggerspecie over aangrenzende P2400445 Hopeseweg 26a Woudenberg 5 augustus 2024

24

percelen. Daarop wordt hierop niet verder ingegaan. Een verdere toelichting hieromtrent is echter op aanvraag beschikbaar.

P2400445 Hopeseweg 26a Woudenberg 5 augustus 2024

25

Bijlage 2 Natuurtoets

89

● Bodemonderzoek ● Asbestonderzoek ● Ecologisch onderzoek ● Saneringen ● Milieutechniek ●

Datum: Onderwerp: Ons projectnummer: Uw kenmerk: Locatie:

24 juli 2024 ecologische QuickScan P2400446 Hopeseweg 26b Woudenberg

Hopman en Peters B.V. Postbus 253 3700 AG Zeist KvK: 16087130 Telefoon: 030 691 59 31 www.hopmanenpeters.nl info@hopmanenpeters.nl IBAN: NL97RABO0385241666 BTW: NL 8023.22.621.B.01

V.O.F. van Kruistum – de Greef Eindseweg 17b 3959 AT Overberg

Geachte heer van Kruistum, Hierbij ontvangt u de rapportage van het door ons bureau uitgevoerde ecologische QuickScan op de locatie aan Hopeseweg 26b Woudenberg. INLEIDING Door Dhr. van Kruistum is aan Hopman en Peters opdracht verleend voor het uitvoeren van een ecologische QuickScan aan Hopeseweg 26b Woudenberg. Aanleiding In verband met de voorgenomen werkzaamheden dient in het kader van de omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) een ecologische QuickScan te worden uitgevoerd. Achtergrond Initiatiefnemers zijn wettelijk verplicht om voorgaand aan het uitvoeren van een ingreep onderzoek te laten doen naar de (mogelijke) effecten op beschermde flora en fauna en beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen: EHS)). Bovendien is het in sommige gevallen verplicht melding te doen van het kappen van houtopstanden. Daarnaast dient er mogelijk een ontheffing of vergunning aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag via de Omgevingsvergunning of rechtstreeks bij de provincie (bevoegd gezag). Doelstelling Deze briefrapportage geeft een eerste inschatting van (mogelijke) effecten op gebieden en op (potentieel) aanwezige beschermde flora en fauna zijn.

Indien (negatieve) effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten aanwezig zijn en/of de aanwezigheid van beschermde flora en fauna niet afdoende kan worden aangetoond of uitgesloten, is nader onderzoek noodzakelijk. Het doel van de ecologische quickscan is het in kaart brengen van de te verwachten effecten op beschermde gebieden en soorten in en in de directe omgeving van het plangebied. De quickscan betreft geen gerichte inventarisatie naar soorten. De volgende vragen dienen beantwoord te worden:  Welke beschermde natuurwaarden en flora en fauna zijn in het plangebied aanwezig of te verwachten?  Heeft de ingreep mogelijk effecten op de potentieel aanwezige natuurwaarden? Zo ja, welke effecten zijn dit?  Houden deze effecten mogelijk een overtreding van de verbodsbepalingen van de omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) in?  Welke mogelijkheden zijn er om deze negatieve effecten te minimaliseren of te voorkomen?  Is nader onderzoek noodzakelijk?  Is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit vereist?

WERKWIJZE De werkwijze is op te delen in een bureauonderzoek en een veldbezoek. Hierbij is het volgende stappenplan uitgevoerd:  De ligging van het plangebied is opgezocht.  M.b.v. bureauonderzoek is onderzocht welke beschermde flora en fauna in het plangebied, en in de directe omgeving daarvan, recentelijk zijn waargenomen. Hierbij is gebruik gemaakt van diverse verspreidingsatlassen, NDFF en verslagen van Particuliere Gegevens-beherende Organisaties (PGO’s).  Op 19-7-2024 is het plangebied bezocht door R. (Rosalie) Dekker. Tijdens het veldbezoek is het plangebied, en de directe omgeving daarvan, geïnventariseerd op de aanwezigheid van ruimtelijk structuren en habitatten. Hierbij is gebruik gemaakt van een verrekijker, fotocamera en mobiel met NDFF-invoerportaal.  Op basis van het bureauonderzoek en veldbezoek is het plangebied beoordeeld op de (mogelijke) aan- of afwezigheid van beschermde flora en fauna. Op grond van de voorgenomen ingreep is bepaald:  Welke negatieve effecten te verwachten zijn op de (potentieel) aanwezig beschermde natuurwaarden.  Of negatieve effecten op voorhand zijn uit te sluiten of dat hiervoor nader onderzoek noodzakelijk is.  Of ontheffing en/of vergunning aangevraagd dient te worden. PLANGEBIED Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Woudenberg, sectie I, perceel 612. De oppervlakte van het plangebied bedraagt ca.

950 m2, zie figuur 1.

Figuur 1 weergave perceel en directe omgeving

HOPESEWEG 26B WOUDENBERG 24 juli 2024

2

Beschrijving plangebied  Het plangebied is gelegen rond agrarisch gebied. In de buurt zijn er enkele boerderijen. Verder is het plangebied omringd door agrarisch gebied. BUREAUONDERZOEK Met behulp van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) is een inschatting gemaakt van beschermde soorten die (mogelijk) aanwezig kunnen zijn in en rondom het plangebied. Voor zover bekend zijn andere bronnen afwezig. Tijdens de QuickScan dient beoordeeld worden of deze soorten ook daadwerkelijk (in potentie) aanwezig zijn binnen het plangebied. RESULTATEN ECOLOGISCHE QUICKSCAN Beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied t.o.v. het plangebied is ‘De Hel’. Dit Natura 2000-gebied ligt op ca. 7 km afstand ten oosten van het plangebied.

Figuur 2 weergave beschermd Natura 2000-gebied

Beschermd NNN-gebied ligt op ca. 600 m afstand van het plangebied vandaan.

HOPESEWEG 26B WOUDENBERG 24 juli 2024

3

Figuur 3 weergave beschermd NNN-gebied

Beschermde soorten De resultaten van het bureauonderzoek en veldbezoek worden onderstaand per groep toegelicht. Per soortgroep is aangegeven welke beschermde soorten en functies mogelijk aanwezig kunnen zijn in het plangebied en de directe omgeving daarvan. Bespreking per soortgroep Tijdens het veldbezoek is gelet of het plangebied (potentiële) verblijfs- en/of foerageermogelijkheden kan bieden voor bovengenoemde soorten. Daarnaast is het direct omliggende gebied ook meegenomen in de beoordeling. De resultaten worden kort per soortgroep beschreven. Vaatplanten Volgens de NDFF komen binnen een straal van 1-5 km de volgende beschermde vaatplanten worden verwacht: Kartuizer anjer, Dreps, Glad biggenkruid en Korensla. Deze planten zijn niet waargenomen in het gebied dus kan er uitgesloten worden dat er een negatieve invloed uitgeoefend wordt op de vaatplanten. Broedvogels Wat betreft de gebouwbewonende broedvogels, betreffen de gebruikelijke soorten over het algemeen de huismus en de gierzwaluw. De nestlocaties van deze soorten zijn jaarrond beschermd, meestal gelegen onder dakpannen of in andere openingen en kieren van gebouwen. Echter zijn er geen mogelijkheden voor de huismussen en gierzwaluwen om zich te nestelen in het gebouw. Daarom kan de aanwezigheid van broedvogels in het gebouw worden uitgesloten eveneens de negatief effect op de desbetreffende broedvogels.

HOPESEWEG 26B WOUDENBERG 24 juli 2024

4

Vleermuizen Gebouwbewonende vleermuizen maken gebruik van openingen, zoals stootvoegen, om toe te treden tot een spouwmuur. Ook kunnen ze, bijvoorbeeld via kantpannen, toetreden tussen het dakbeschot en de dakpannen om daar te verblijven. De vleermuizen die binnen een straal van 1-5 km van het plangebied kunnen worden verwacht zijn: Franjestaart, Gewone dwergvleermuis, Gewone grootoorvleermuis, Kleine en Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger en de Rosse vleermuis. Echter zijn er geen open stootvoegen, spleten, kieren of andere openingen voor de vleermuizen om toe te kunnen treden tot het gebouw. Hierdoor zal er geen negatief effect zijn op de desbetreffende vleermuizen. Overige zoogdieren Volgens de NDFF kunnen binnen een straal van 1-5 km de volgende (overige) zoogdieren voorkomen: Bosmuis, Das, Eekhoorn, Egel, Haas, Huisspitsmuis, Konijn, Ree en de Steenmarter. Het gebouw bevat geen openingen waar grondgebonden zoogdieren toe kunnen treden, ook zijn er geen uitwerpselen aangetroffen. tevens valt het niet uit te sluiten dat deze zoogdieren langs zullen komen als passant. Aangezien er om en rond het plangebied genoeg ruimte bestaat waar ze zich kunnen bevinden. Negatieve effecten op de zoogdieren kunnen worden uitgesloten. Vissen De werkzaamheden hebben geen invloed op water.

Negatieve effecten op vissen kunnen worden uitgesloten Amfibieën en reptielen en ongewervelden Volgens de NDFF kunnen binnen een straal van 1-5 km verschillende soorten amfibieën voorkomen: verschillende soorten kikkers en padden, de kleine watersalamander en de kamsalamander. Voor deze soorten geldt dat er geen verblijfplaatsen en/of leefomgeving van beschermde soorten verloren zal gaan. Negatieve effecten op de amfibieën en reptielen kunnen worden uitgesloten.

HOPESEWEG 26B WOUDENBERG 24 juli 2024

5

TOETSING EN EFFECTBEOORDELING Beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) De beschermde gebieden die het dichtst bij het plangebied liggen zijn: ‘De Hel’ en ‘Het Broekerbos’. Er zijn wel menselijke invloeden aanwezig in de vorm van woonwijken, agrarisch gebied, wegen tussen het plangebied en de beschermde gebieden. Hierdoor zijn negatieve effecten op de beschermde gebieden zoals geluids- en visuele verstoringen t.g.v. de werkzaamheden niet uit te sluiten. Overtreding van de Omgevingswet t.a.v. Natura 2000 en NNN is niet aan de orde. Beschermingsregime Vogelrichtlijnsoorten Binnen het plangebied zijn geen beschermde vogelsoorten waargenomen of te verwachten. Werkzaamheden zullen daarom niet in overtreding zijn met het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) art. 11.37 (1,2,3,4)*. *

1=opzettelijk vogels doden of vangen 2=opzettelijk nesten, rustplaatsen, eieren vernielen/beschadigen/wegnemen 3=eieren rapen 4=opzettelijk storen

Beschermingsregime Habitatrichtlijnsoorten Binnen het plangebied zijn geen beschermde soortgroepen binnen habitatrichtlijnen waargenomen of te verwachten. Werkzaamheden zullen daarom niet in overtreding zijn met het Bal art. 11.46 (1,2,3,4,5)* *

1=opzettelijk doden of vangen 2=opzettelijk verstoren 3=eieren vernielen of rapen 4=voortplantings-/rustplaatsen beschadigen of vernielen 5=planten plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen

Beschermingsregime Andere Soorten Binnen het plangebied zijn geen beschermde ‘andere soorten’ waargenomen of te verwachten. Werkzaamheden zullen daarom niet in overtreding zijn met het Bal art. 11.54 (1,2,3)* *

1=opzettelijk dieren doden of vangen 2=voortplantings/rustplaatsen beschadigen of vernielen 3= planten plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen

HOPESEWEG 26B WOUDENBERG 24 juli 2024

6

CONCLUSIES EN ADVIES Conclusies  Binnen het plangebied zijn er geen beschermde soorten te verwachten.  Er is geen naderonderzoek vereist. Advies  Tijdens de werkzaamheden dient te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen. (aanwezige natuurwaarden zo min mogelijk verstoren)/ art. 11.27 (Bal)  Bij broedgevallen: buiten broedseizoen OF door deskundige laten vaststellen dat deze niet verstoord kunnen worden  ecologisch werkprotocol  Verstorende werkzaamheden zo beperkt mogelijk houden Indien u naar aanleiding van dit rapport vragen heeft kunt u contact opnemen met ondergetekende. Met vriendelijke groet, Hopman en Peters R. (Roan) van Hattem Gecontroleerd door: B. (Barbara) Achterberg Contactpersoon/ projectleider: R. (Rosalie) Dekker

BIJLAGEN 1 2 3 4

FOTO’S VOGELSOORTEN MET JAARRROND BESCHERMDE NESTEN VRIJSTELLING PER PROVINCIE WET- EN REGELGEVING

HOPESEWEG 26B WOUDENBERG 24 juli 2024

7

BIJLAGE 1

FOTO’S

HOPESEWEG 26B WOUDENBERG 24 juli 2024

8

BIJLAGE 2 VOGELSOORTEN MET JAARROND BESCHERMDE NESTEN Soort Steenuil Athene noctua Gierzwaluw Apus apus Huismus Passer domesticus Roek Corvus frugilegus Grote gele kwikstaart Motacilla cinerea Kerkuil Tyto alba Oehoe Bubo bubo Ooievaar Ciconia ciconia Slechtvalk Falco peregrinus Boomvalk Falco subbuteo Buizerd Buteo buteo Havik Accipiter gentilis Ransuil Asio otus Sperwer Accipiter nisus Wespendief Pernis apivorus Zwarte wouw Milvus migrans Blauwe reiger Ardea cinerea Boerenzwaluw Hirundo rustica Bonte vliegenvanger Ficedula hypoleuca Boomklever Sitta europaea Boomkruiper Certhia brachydactyla Bosuil Strix aluco Brilduiker Bucephala clangula Draaihals Jynx torquilla Eidereend Somateria mollissima Ekster Pica pica Gekraagde roodstaart Phoenicurus phoenicurus Glanskop Parus palustris Grauwe vliegenvanger Muscicapa striata Groene specht Picus viridis Grote bonte specht Dendrocopos major Hop Upupa epops Huiszwaluw Delichon urbicum IJsvogel Alcedo atthis Kleine bonte specht Dendrocopos minor Kleine vliegenvanger Ficedula parva Koolmees Parus major Kortsnavelboomkruiper Certhia familiaris macrodactyla Oeverzwaluw Riparia riparia Pimpelmees Parus caeruleus Raaf Corvus corax Ruigpootuil Aegolius funereus Spreeuw Sturnus vulgaris Tapuit Oenanthe oenanthe Torenvalk Falco tinnunculus Zeearend Haliaeetus albicilla Zwarte kraai Corvus corone

Categorie 1 2 2 2 3 3 3 3 3 4 4 4 4 4 4 4 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5

Uitleg categorie Nesten die buiten het broedseizoen ook als vaste rust- en verblijfplaats dienen Nesten van koloniebroeders die op dezelfde plaats broeden en daarin honkvast zijn of afhankelijk zijn van bebouwing Nesten van vogels die ieder jaar op dezelfde plaats broeden en daarin honkvast zijn of afhankelijk zijn bebouwing

Vogels die ieder jaar gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn om een nest te bouwen

Nesten zijn alleen beschermd in het broedseizoen, wel is een inventarisatie gewenst

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/3259/documents/66019