CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

9.b Regels en motivering Hopeseweg 26a.pdf

Gemeenteraad 10 juli 2025, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken21.885 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan

TAM-omgevingsplan Hopeseweg 26a Gemeente Woudenberg

Algemene gegevens Omschrijving Opdrachtgever Opsteller Teus' Advies Teus van Essen Ambon 10 3772 ZV Barneveld T 06-15658065 E teus@teusadvies.nl W www.teusadvies.nl Datum | status | versie 13 mei 2025 | ontwerp | 1.0 Identificatiecode NL.IMRO.0351.TAMhopeseweg26a-ow01

Inhoudsopgave

Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Hoofdstuk 2 Artikel 6 Hoofdstuk 3 Artikel 7 Hoofdstuk 4 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Hoofdstuk 5 Artikel 12

5 Inleidende regels Toepassingsbereik Begripsbepalingen Aanvullende begripsbepalingen Meet- en rekenbepalingen Aanvraagvereisten Functies en activiteiten Agrarisch Regels ter bescherming van waarden en objecten Waarde - Archeologie 5 Algemene regels Toepassingsbereik Algemene bouwregels Algemene aanduidingsregels Omgevingsplanactiviteit Overgangsregels Overgangsrecht

Motivering Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 Hoofdstuk 5

6 6 7 8 10 11 12 12 16 16 18 18 19 20 21 22 22

23 Inleiding Aanleiding Ligging en begrenzing Geldend omgevingsplan Leeswijzer Beschrijving van het initiatief Omgeving Locatie Voornemen Beleidskader Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid Uitvoerbaarheid en overige aspecten Milieuaspecten Archeologie, cultuurhistorie en monumenten Natuur Waterparagraaf Economische uitvoerbaarheid Juridische planopzet

24 24 24 24 25 26 26 26 27 29 29 30 31 32 32 35 35 36 36 37 3

5.1 5.2 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 6.3

Wijziging omgevingsplan Artikelsgewijze toelichting functies Inspraak en overleg Vooroverleg Voorontwerp Ontwerp

37 37 38 38 38 38

Bijlagen bij motivering

39

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

40 89 106

Verkennend bodemonderzoek Natuurtoets Resultaat watertoets

4

Regels Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Hopeseweg 26a en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22b]) van het omgevingsplan van de gemeente Woudenberg. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22b] van het omgevingsplan van de gemeente [naam van de gemeente]. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22b.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22b.]’ gelezen worden.

5

Hoofdstuk 1

Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in onder c. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en de regels in afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Hopeseweg 26a, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0351.TAMhopeseweg26a-ow01 zoals vastgelegd op ruimtelijkeplannen.nl.

6

Artikel 2 Begripsbepalingen Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in Artikel 3 daarvan is afgeweken.

7

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen: 3.1

omgevingsplan

het omgevingsplan van de gemeente Woudenberg; 3.2

plan

Het TAM-omgevingsplan Hopeseweg 26a; 3.3

TAM-omgevingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0351.TAMhopeseweg26a-ow01 met de bijbehorende regels; 3.4

aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 3.5

aan- en uitbouw

een bijbehorend bouwwerk dat als functioneel onderdeel van een hoofdgebouw aan te merken is, dat in directe verbinding staat met het hoofdgebouw als aangebouwde uitbreiding en dat uit architectonisch oogpunt herkenbaar is als afzonderlijke en duidelijk ondergeschikte aanvulling op dat hoofdgebouw; 3.6

Aan huis gebonden beroep

het door de bewoner van de woning, in diens woning, uit te oefenen dienstverlenend beroep, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 3.7

agrarisch bedrijf

een bedrijf gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren; 3.8

agrarische bedrijfswoning

een woning op een agrarisch bedrijf, bestemd voor personen met een directe binding met het bedrijf; 3.9

bebouwing

gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 3.10

bijbehorend bouwwerk

een uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel verbonden bouwwerk; 3.11

bouwhoogte

de hoogte van een gebouw, gemeten vanaf het peil tot het hoogste punt; 3.12

bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak waarbinnen gebouwen en bouwwerken zijn toegestaan; 3.13

bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden; 3.14

detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten behoeve van verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en anders dan voor gebruik ter plaatse. Onder detailhandel vallen niet: afhaalpunten (locaties ten behoeve van internetdetailhandel die uitsluitend bedoeld zijn voor het afhalen of terugbrengen van goederen door de consument); 3.15

gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 8

3.16

goothoogte

de hoogte van de horizontale snijlijn van het dakvlak met de gevels; 3.17

hoofdgebouw

gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is; 3.18

huishouden

een samenwoning van een groep mensen in gezinsverband of daarmee vergelijkbare samenstelling, waarbij geen sprake is van een van tevoren vaststaande tijdelijkheid van de samenwoning; 3.19

mestopslagruimte

opslagvoorzieningen voor mest, waaronder mestbassins en sleufsilo’s; 3.20

mantelzorgwoning

een tijdelijke extra woonruimte in een woning of bijgebouw voor mantelzorg; 3.21

bed & breakfast

het bieden van recreatief nachtverblijf en ontbijt binnen een bestaande woning; 3.22

intensieve veehouderij

een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf gericht op de houderij van dieren zoals varkens en pluimvee; 3.23

archeologische waarde

de waarde van een gebied in verband met de daarin voorkomende archeologische overblijfselen; 3.24

nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van elektriciteit, water, riolering en andere infrastructuur; 3.25

verblijfsrecreatie

recreatievormen die mede of uitsluitend gericht zijn op het verstrekken van nachtverblijf; 3.26

publieksgerichte dienstverlening

dienstverlening met een baliefunctie, zoals kapsalons en reisbureaus; 3.27

opslag

opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven, zonder verdere bewerking of verhandeling; 3.28

plattelandswoning

een bedrijfs- of dienstwoning die door derden mag worden bewoond binnen een agrarisch bouwvlak; 3.29

volwaardig agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf, dat duurzaam werkgelegenheid biedt aan ten minste één volledige arbeidskracht die een hoofdberoep, hoofdbestaan en volledige dagtaak in het bedrijf vindt (afhankelijk van het aantal dieren, de aard van de gewassen, de hoeveelheid grond en de inrichting van het bedrijf), waarbij de continuïteit op langere termijn gewaarborgd is; 3.30

voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien een perceel met meerdere zijden aan een weg grenst, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel; 3.31

voorgevelrooilijn

de lijn die gelijk loopt aan de voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan. Van een hoofdgebouw gelegen op de hoek van twee straten moeten beide gevels van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan, gelegen aan de straatkant, gezien worden als voorgevelrooilijn(en); 3.32

woning

een complex van ruimten geschikt voor de huisvesting van één huishouden. 9

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen 4.1

Meetbepalingen

Meetbepalingen die, op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in artikel 22.24 van het omgevingsplan, zijn van toepassing op dit hoofdstuk. 4.2

Aanvullende meetbepalingen

In aanvulling van het bepaalde in lid 4.1 gelden de volgende meetbepalingen voor dit hoofdstuk: a. afstand: de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn. b. bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. c. breedte, lengte en diepte van een bouwwerk: tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. d. goothoogte van een bouwwerk: tussen het peil en de horizontale snijlijn van elk dakvlak met de daaronder gelegen buitenzijden van de gevels en/of het hart van gemeenschappelijke scheidsmuren. e. inhoud van een gebouw of bouwwerk: tussen het peil, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. f. inhoud van een bouwwerk voor mestopslag, mest(na)vergisting of kadaveropslag: tussen de bovenkant van de onderste vloer en de binnenzijde van de gevels en de onderkant van de bovenste vloer /het dak. g. oppervlakte van een bouwwerk: tussen (de buitenste verticale projecties van) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. h.

ondergeschikte bouwonderdelen: bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, stofkappen en andere onderdelen van technische installaties, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt. i. vloeroppervlakte: de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580.

10

Artikel 5 Aanvraagvereisten De aanvraagvereisten, bedoeld in artikel 22.35 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

11

Hoofdstuk 2

Functies en activiteiten

Artikel 6 Agrarisch 6.1

Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Agrarisch'. 6.2

Functieomschrijving

Locaties die op de verbeelding aangeduid zijn als 'Agrarisch' zijn bedoeld voor: a. grondgebonden agrarische bedrijven met uitzondering van fruitteelt, sierteelt, bollenteelt en paardenhouderijen; b. het behoud, herstel en de ontwikkeling van het waterhuishoudkundig systeem; c. het behoud, herstel en de ontwikkeling van de landschapsstructuur; alsmede voor: d. aan de functie ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen; e. de bij deze functie behorende voorzieningen, zoals, wegen en paden, tuinen, erven, groenelementen, (natuurvriendelijke) oevers, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen; f. beweiding door paarden waaronder recreatie en hobby paarden. 6.3

Beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Op en in de gronden als bedoeld in lid 6.1 mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 6.3.1 Bedrijfsbebouwing en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak a. tenzij anders is bepaald, mogen binnen bouwvlakken gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder tevens worden begrepen een buitenrijbaan en/of een stapmolen, en teeltondersteunende voorzieningen, niet zijnde kassen, worden gerealiseerd; b. de maximale goothoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt 6 meter en de maximale bouwhoogte 11 meter; c. de maximale hoogte van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, bedraagt 10 meter; d. de maximale hoogte van teeltondersteunende voorzieningen bedraagt 4 meter, de maximale oppervlakte per bedrijf 300 m2; e. de maximale hoogte van erf- of terreinafscheidingen voor de voorgevellijn van de bedrijfswoning bedraagt 1 meter; f. de maximale hoogte van erf- of terreinafscheidingen achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning bedraagt 2 meter; g. de maximale hoogte van silo's, niet zijnde mestsilo's en watersilo's, bedraagt 12 meter; h. de maximale hoogte van sleufsilo's bedraagt 3 meter; i. de maximale hoogte van bouwwerken voor mestopslag bedraagt 10 meter en de maximale inhoud bedraagt 2.500 m3, exclusief de mestopslagruimten onder gebouwen; j. de oppervlakte van een buitenrijbaan bedraagt maximaal 1.200 m2; k.

de maximale hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van een buitenrijbaan bedraagt 2 meter; l. de maximale hoogte van lichtmasten ten behoeve van een buitenrijbaan bedraagt 8 meter. 6.3.2 Bedrijfswoningen en bijbehorende bijgebouwen binnen het bouwvlak a. per bouwvlak mag één bedrijfswoning, inclusief aan- en uitbouwen, worden gebouwd, tenzij met de maatvoeringsaanduiding 'maximum aantal wooneenheden' een ander maximaal aantal wooneenheden is aangegeven, waarbij het aantal wooneenheden het aantal woningen aangeeft; b. in afwijking van het bepaalde onder a mag ter plaatse van een bouwvlak met de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning worden gebouwd; c. de inhoud van overige bedrijfswoningen inclusief aan- en uitbouwen bedraagt maximaal 600 m3; d. de goothoogte van bedrijfswoningen bedraagt maximaal 6 meter en de bouwhoogte maximaal 10 meter; e. de maximale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen bedraagt 80 m2 per bedrijfswoning, tenzij met de maatvoeringsaanduiding 'maximum oppervlakte (m2)' anders is bepaald; f. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt maximaal 3 meter en de bouwhoogte maximaal 6 meter.

12

6.4

Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten - vergroten mestopslag binnen het bouwvlak

Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in 6.3.1 onder i. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoudsmaat van een mestopslagruimte, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de noodzaak voor een doelmatige bedrijfsvoering is aangetoond; b. na de vergroting bedraagt de inhoud van het bouwwerk voor mestopslag maximaal 5.000 m3, exclusief de mestopslagruimte onder de gebouwen. 6.5

Specifieke beoordelingsregels bouwactiviteiten - vergroten bedrijfswoning

Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in lid 6.3.2 onder b een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoudsmaat van een bedrijfswoning, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de vergroting mag maximaal 25% van de inhoud van de bedrijfswoning (inclusief aan- en uitbouwen) op het moment van in werking treding van de herziening bedragen tot maximaal 800 m3 inclusief aan- en uitbouwen; b. het landschap in de omgeving wordt niet onevenredig aangetast; c. het ontwerp van de woning sluit goed aan bij het karakter van het buitengebied en de omgeving; d. de woning wordt landschappelijk goed ingepast in de omgeving; e. de maatvoeringseisen voor woningen worden in acht genomen; f. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen. 6.6

Specifieke functieregels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. detailhandel, anders dan het verkopen van streekeigen producten of ter plaatse geproduceerde producten met een oppervlakte van ten hoogste 150 m2, is niet toegestaan; b. niet-agrarische bedrijfsmatige nevenactiviteiten zijn niet toegestaan; c. fokkerijen en mesterijen van eenden, ganzen en kalkoenen in de open lucht alsmede pelsdierhouderijen, vis-, wormen- en madenkwekerijen zijn niet toegestaan; d. de opslag van goederen en materialen is uitsluitend toegestaan ten behoeve van het eigen bedrijf binnen het bouwvlak en achter de voorgevellijn van de bedrijfsgebouwen; e. teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend gedurende de periode van maart tot en met september toegestaan; f. waterbassins zijn niet toegestaan; g. het aanbieden van meer dan 3 kamers ten behoeve van bed & breakfast per bedrijfswoning is niet toegestaan; h. bed & breakfast is niet toegestaan in een bijgebouw; i. bed & breakfast is niet toegestaan op de gronden gelegen binnen de aanduiding 'reconstructiewetzone – landbouwontwikkelingsgebied'; j. bewoning anders dan door één afzonderlijk huishouden is niet toegestaan; k. permanente of tijdelijke bewoning van bedrijfs- en bijgebouwen is niet toegestaan; l.

het gebruiken van een bedrijfsgebouw of bijgebouw bij de woning, ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is niet toegestaan; m. het gebruik door derden van een indoor rijbaan bij een paardenhouderij of agrarisch bedrijf is niet toegestaan; n. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; o. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; p. de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is uitsluitend toegestaan indien deze activiteit wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner; q. uitsluitend ten behoeve van de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is beperkte verkoop van artikelen toegestaan.

13

6.7

Specifieke beoordelingsregels gebruiksactiviteit - twee bedrijfshoofden

6.7.1

Verbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bedrijfswoning te gebruiken voor de huisvesting van het huishouden van een tweede bedrijfshoofd. 6.7.2

Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 6.7.1 wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende regels: a. afwijking is noodzakelijk voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering; b. het agrarisch bedrijf biedt naar omvang en aard van de bedrijfsactiviteiten duurzaam aan twee volwaardige arbeidskrachten een volledige of nagenoeg volledige dagtaak; c. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen. 6.8

Specifieke beoordelingsregels gebruiksactiviteit - huisvesting van tijdelijke werknemers

6.8.1

Verbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning tijdelijke werknemers te huisvesten in bestaande agrarische bedrijfsgebouwen binnen een bouwvlak. 6.8.2

Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 6.8.1 wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende regels: a. afwijking wordt verleend voor realisatie van niet-zelfstandige wooneenheden in bestaande gebouwen; b. het gezamenlijk oppervlak van de wooneenheden in bestaande gebouwen bedraagt ten hoogste 200 m2; c. afwijking wordt verleend voor de periode tussen 15 maart en 15 september en/of van maximaal zes (6) weken buiten die periode per jaar indien sprake is van een piekbelasting in de werkzaamheden gedurende deze periode; d. het betreft een volwaardig agrarisch bedrijf; alvorens de afwijking te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover schriftelijk advies van de agrarisch deskundige; e. het is alleen toegestaan werknemers te huisvesten die werkzaam zijn op het bij het bouwvlak behorende agrarische bedrijf; f. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen; g. de beschikbare ruimte per persoon bedraagt ten minste 12 m2. 6.9

Specifieke beoordelingsregels gebruiksactiviteit - afwijking gebruik indoor rijbanen

6.9.1

Verbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een indoor rijbaan bij een paardenhouderij of agrarisch bedrijf te laten gebruiken door derden. 6.9.2

Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 6.9.1 wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende regels: a. het parkeren dient binnen het betreffende bouwvlak plaats te vinden; b. in vergelijking met het toegestane gebruik mag geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden plaatsvinden; c. afwijking wordt niet verleend voor het gebruik van de rijbaan in verenigings- en/of wedstrijdverband; d. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen. 6.10

Specifieke beoordelingsregels gebruiksactiviteit - plattelandswoning

6.10.1 Verbod Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bedrijfswoning te gebruiken voor bewoning door personen die geen binding meer hebben met het agrarische bedrijf. 6.10.2 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning zoals bedoeld in 6.10.1 wordt alleen verleend als voldaan wordt aan de volgende regels: 14

a. afwijking wordt slechts verleend ter plaatse van percelen waarop krachtens het plan een woning is toegestaan die ook feitelijk aanwezig is; b. afwijking wordt slechts verleend indien op het bouwvlak sprake is van een agrarisch bedrijf; c. in samenhang met de afwijking voor het gebruik is bouwen toegestaan mits in overeenstemming met het bepaalde in 6.3; d. afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.

15

Hoofdstuk 3 en objecten

Regels ter bescherming van waarden

Artikel 7 Waarde - Archeologie 5 7.1

Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2. 7.2

Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde - Archeologie 5. 7.3

Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie 5 heeft als functie het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 7.4

Bouwactiviteit

7.4.1 Aanvullende aanvraagvereisten 1. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten dient de aanvrager van een omgevingsvergunning ten behoeve van het bouwen, voor bouwwerken met samenwerkende bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 1.000 m2 en dieper dan 30 centimeter, een rapport te overleggen waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld én waarin in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 2. Geen onderzoeksplicht geldt in het geval van vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 3. Voor zover op basis van ander documentatiemateriaal onmiskenbaar vaststaat dat archeologische waarden niet zijn te verwachten (bijvoorbeeld als al onderzoek heeft plaatsgevonden, waaruit bleek dat er geen archeologische waarden aanwezig waren of dat toereikende maatregelen genomen konden worden om aanwezige waarden in de bodem te behouden), kan met instemming van het bevoegd gezag onderzoek achterwege blijven en bestaan vanuit de archeologie geen belemmeringen. 7.4.2

Aanvullende vergunningvoorschriften

Indien uit het onder 1 van artikel 7.4.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van onderzoek. 7.4.3

Advies archeoloog

Alvorens het bevoegd gezag beslist over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26, winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige namens het bevoegd gezag omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. 7.4.4

Aanvullende beoordelingsregel

Indien uit het in artikel 7.4.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in artikel 7.4.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de vergunning geweigerd. 7.5

Omgevingsplanactiviteit voor werken en werkzaamheden

7.5.1

Vergunningplicht

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden uit te voeren: 16

a. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 30 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; b. het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers of andere wateren; c. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; d. het verlagen of verhogen van het waterpeil; e. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; f. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. 7.5.2

Uitzondering vergunningplicht

Het verbod van artikel 7.5.1 geldt niet voor werken en/of werkzaamheden die: betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte van ten hoogste 1.000 m2; noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 26.2 en/of lid 26.3 in acht is genomen; behoren tot het normale onderhoud en beheer; mogen worden uitgevoerd krachtens een op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan reeds verleende bouw-, aanleg- of ontgrondingenvergunning; e. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; f. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; a. b. c. d.

of indien: g. burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van de archeologische deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.5.1 nodig is. 7.5.3 Aanvullende aanvraagvereisten 1. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning wordt een rapport overgelegd waarin: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 2. Een rapport als bedoeld onder 1 is niet noodzakelijk indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie afdoende is vastgesteld. 7.5.4 Beoordelingsregels 1. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door de in 7.5.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 2. Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend moet er ten behoeve van de beoordeling van het rapport advies worden ingewonnen bij een archeologisch deskundige namens bevoegd gezag. 7.6

Vergunningvoorschriften

Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning onder beperkingen verlenen en kan voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van onderzoek.

17

Hoofdstuk 4

Algemene regels

Artikel 8 Toepassingsbereik De regels in dit hoofdstuk gelden in aanvulling op de regels in de hoofdstukken 2 en 3.

18

Artikel 9 Algemene bouwregels 9.1

Bestaande afmetingen

Voor zover legaal gebouwde (delen van) bouwwerken op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan niet voldoen aan de in het plan genoemde maten en situering gelden de dan aanwezige maten en situering, uitsluitend ter plaatse van de afwijking, als vervangende regel. 9.2

Ondergronds bouwen

Voor het bouwen van beneden het maaiveld gelegen bouwwerken gelden, met inachtneming van het bepaalde in artikel 4, de volgende bepalingen: a. het bouwen van bedoelde ruimten is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en onder een gebouw dat geheel boven het maaiveld is gelegen; b. het bouwen van bedoelde ruimten is uitsluitend toegestaan tot 1 bouwlaag, de bouwdiepte bedraagt maximaal 4 meter onder peil; c. externe toegangen zijn gesitueerd in de achtergevel van het gebouw; d. het bepaalde in dit lid is niet van toepassing voor mestkelders, mestbassins, silo's en vergelijkbare bouwwerken op de gronden met een bestemming zoals bedoeld in artikel 6. 9.3

Overschrijding bouwgrenzen

De bouwgrenzen mogen worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 meter bedraagt; b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 meter bedraagt; c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 meter bedraagt.

19

Artikel 10 10.1

Algemene aanduidingsregels

Landbouwontwikkelingsgebied

10.1.1 Intensieve veehouderij Ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied' zijn in aanvulling op het bepaalde in hoofdstuk 2 intensieve veehouderijen toegestaan binnen de aangegeven agrarische bouwvlakken. 10.1.2 Kleinschalige nevenactiviteiten in landbouwontwikkelingsgebied Burgemeester en wethouders kunnen ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone landbouwontwikkelingsgebied' een omgevingsvergunning verlenen voor kleinschalige nevenactiviteiten in bestaande agrarische bedrijfsgebouwen binnen een bouwvlak, voor de volgende niet-agrarische bedrijfs- en andere activiteiten en uitsluitend als ondergeschikte nevenactiviteit: a. opslag- en stallingsbedrijven; b. agrarische hulp- en nevenbedrijven, zoals landbouw-mechanisatiebedrijven, een loonwerkbedrijf, veehandelsbedrijf, fouragehandel; c. landbouw verwante bedrijven, zoals een paardenpension, hoveniers- en boomverzorgingsbedrijf; d. ambachtelijke landbouwproducten verwerkende bedrijven, zoals een wijnmakerij, zuivelmakerij, imkerij; e. ambachtelijke bedrijven, zoals een dakdekker, rietdekker, meubelmaker; f. horeca ten dienste van extensieve recreatie, zoals een theetuin, een ijs-/snackverkooppunt, theeschenkerij, kanoverhuur en hieraan gelijk te stellen functies; g.

andere niet-agrarische bedrijfs- en andere activiteiten, die in ruimtelijk en functioneel opzicht met de hiervoor genoemde nevenactiviteiten gelijk kunnen worden gesteld; mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: h. de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsbebouwing mag ten behoeve van de nevenactiviteit(en) niet worden vergroot; i. binnen een bouwvlak mag de gezamenlijke vloeroppervlakte ten behoeve van de hiervoor genoemde niet-agrarische bedrijfs- en andere activiteiten niet meer bedragen dan 25% van de bestaande oppervlakte van de bedrijfsgebouwen binnen het bouwvlak, met dien verstande dat: j. de oppervlakte voor activiteiten zoals bedoeld onder a, b, en c maximaal 500 m² bedraagt; k. de oppervlakte voor de overige activiteiten maximaal 350 m2 bedraagt; l. het parkeren behorende bij de nevenactiviteit dient binnen het betreffende bouwvlak plaats te vinden; m. in vergelijking met het agrarisch gebruik mag geen onevenredig grotere verkeersbelasting op aangrenzende wegen en paden plaatsvinden; n. de nevenactiviteit mag door de visuele aspecten, zoals buitenopslag en –stalling ten behoeve van het eigen bedrijf, reclame-uitingen en technische installaties, het landelijk karakter van de omgeving niet onevenredig aantasten; o. ontheffing leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen; p.

ontheffing wordt slechts verleend indien: 1. voorzien wordt in een goede landschappelijke inpassing, afgestemd op de kenmerken van de omgeving; alvorens ontheffing te verlenen vragen burgemeester en wethouders hierover advies van de landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige; 2. zorg wordt gedragen voor ruimtelijke kwaliteitswinst; 3. een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten over de aanleg, het beheer en het onderhoud van de landschappelijke inpassing en de ruimtelijke kwaliteitswinst.

20

Artikel 11 11.1

Omgevingsplanactiviteit

Algemene omgevingsplanactiviteiten

Het bevoegd gezag kan ook een omgevingsvergunning verlenen voor: a. de functiebepalingen en toestaan dat bouwgrenzen, mits geen functiegrenzen zijnde, worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft; b. de functiebepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot maximaal 10 meter; c. afwijkingen van maten (waaronder percentages) met ten hoogste 10%: d. de functiebepalingen ten aanzien van de hoogte van bouwwerken geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot maximaal 40 meter indien het niet mogelijk is gebruik te maken van een reeds bestaande mast, onder de volgende voorwaarden: 1. losse masten met hekwerken, gebouwtjes e.d. zijn alleen toegestaan in landschappelijk minder gevoelige gebieden, langs grote verkeerswegen en dan bij voorkeur bij parkeerplaatsen, benzinestations, knooppunten, viaducten, bedrijventerreinen en horecagelegenheden; 2.

installaties op of aan een gebouw zijn alleen toegestaan: op hoge gebouwen; bij voorkeur op een plat dak en zo ver mogelijk van een dakrand, met dien verstande dat bijzondere en waardevolle gebouwen in beginsel geheel dienen te worden ontzien, zo nodig in overleg met de monumentencommissie; tegen gevels aan; wanneer de invloed van die installaties geen afbreuk doen aan de aanwezige kwaliteiten; e. het bepaalde ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de bouwhoogte van de gebouwen wordt vergroot ten behoeve van plaatselijke verhogingen, anders dan de ondergeschikte bouwonderdelen als bedoeld in lid 2.3, mits: 1. de maximale oppervlakte van de vergroting maximaal 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen; 2. de hoogte maximaal 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw zal bedragen; f. de minimale afstand van de weg voor gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mits dit geen problemen oplevert voor de verkeersveiligheid. 11.2

Beoordelingsregels

De in artikel 11.1 bedoelde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan: a. b. c. d. e. f.

het straat- en bebouwingsbeeld; de woonsituatie; de milieusituatie; de verkeersveiligheid; de sociale en/of externe veiligheid; de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

21

Hoofdstuk 5 Artikel 12 12.1

Overgangsregels Overgangsrecht

Overgangsrecht bouwwerken

12.1.1 Algemeen Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 12.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 12.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 12.1.1 met maximaal 10%. 12.1.3 Uitzondering Het bepaalde in 12.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen. 12.2

Overgangsrecht gebruik

12.2.1 Algemeen Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 12.2.2 Strijdig gebruik Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in 12.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit plan strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 12.2.3 Onderbroken gebruik Indien het gebruik, bedoeld in 12.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 12.2.4 Uitzondering Het bepaalde in 12.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit artikel, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

22

Motivering behorende bij het TAM-omgevingsplan Hopeseweg 26a

23

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de Hopeseweg 26a in Woudenberg is een veehouderij aanwezig. De eigenaar heeft in 2022 een omgevingsvergunning gekregen voor de bouw van een bedrijfswoning. Tot heden is die woning nog niet gebouwd. Initiatiefnemer wil de bedrijfswoning nu op een andere locatie bouwen. Het bedrijfsperceel heeft momenteel twee tegen elkaar gelegen bouwvlakken. In elk bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan. Met de beoogde verplaatsing komt de te realiseren bedrijfswoning in het bouwvlak te liggen waar al een bedrijfswoning aanwezig is. Dat past niet in het omgevingsplan. Een wijziging van het omgevingsplan is daarom nodig.

1.2

Ligging en begrenzing

De locatie is gelegen in het buitengebied van Woudenberg. De dorpskern van ligt op circa 5 kilometer ten noordwesten van de locatie. De locatie staat kadastraal bekend als gemeente Woudenberg, sectie I, nummers 88, 414, 612 en 613.

Ligging in omgeving

1.3

Geldend omgevingsplan

Ter plaatse van het werkingsgebied geldt het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Woudenberg. Het tijdelijk deel wordt onder andere gevormd door het bestemmingsplan Buitengebied 2010 vastgesteld door de gemeenteraad op 23 september 2010. Voor de locatie geldt de bestemming Agrarisch. Daarmee zijn deze gronden in hoofdzaak bestemd voor agrarische bedrijven. Per bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan, waarvoor een maximale inhoudsmaat van 600 m3 geldt. Op de locatie zijn twee bouwvlakken aanwezig, wat betekent dat er ook twee bedrijfswoningen toegestaan zijn.

24

Uitsnede verbeelding Het (tijdelijke deel) van het omgevingsplan maakt het initiatief niet mogelijk. In het oostelijke bouwvlak zijn twee bedrijfswoningen niet toegestaan. Voor het initiatief is daarom een wijziging van het omgevingsplan nodig.

1.4

Leeswijzer

Deze motivering vangt in hoofdstuk 2 aan met een beschrijving van het plan. In het daaropvolgende hoofdstuk wordt het relevante beleidskader geschetst. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de omgevingsaspecten behandeld. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de juridische planbeschrijving. In hoofdstuk 6 en 7 wordt afgesloten met de (economische) uitvoerbaarheid en de procedure.

25

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving van het initiatief

Omgeving

De locatie is gelegen in het buitengebied van Woudenberg. Het landschap is te typeren als een slagenlandschap. Dit is een vrij grootschalig landschap met een regelmatige rechthoekige verkaveling en rechte wegen. Beplanting is voornamelijk aanwezig langs de wegen en op de erven. De agrarische erven staan langs de wegen en verspreid in het landschap.

Luchtfoto omgeving

2.2

Locatie

De locatie is gelegen op ongeveer 200 meter ten westen vanaf de Hopeseweg. De locatie is volledig ingericht ten behoeve van het agrarische bedrijf. Zo zijn er een pluimveestal, varkensstal en twee rundveestalle aanwezig, evenals een bedrijfswoning en een tijdelijke woonunit. De locatie heeft een lange oprit die aansluit op de Hopeseweg, die leidt naar het erf. De bebouwing is gegroepeerd binnen de bouwvlakken. Buiten het erf en de bebouwing liggen enkele weilanden. Beplanting is schaars aanwezig, op de bosrand rond het westelijk gelegen weiland na.

26

Luchtfoto locatie

2.3

Voornemen

Initiatiefnemer is in 2020 eigenaar geworden van de Hopeseweg 26a. Sindsdien heeft hij meerdere omgevingsvergunningen aangevraagd en verleend gekregen, waaronder een omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuwe, tweede bedrijfswoning. Daarnaast is een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een pluimveestal en een vleeskalverenstal. Verder is een tijdelijke omgevingsvergunning verleend voor een tijdelijke woonunit. In de omgevingsvergunning voor de tweede bedrijfswoning was namelijk de voorwaarde opgenomen dat die pas gerealiseerd mocht worden tijdens of na de bouw van de nieuwe pluimveestal. Inmiddels is die pluimveestal gerealiseerd en in gebruik genomen. De vergunde positie van de tweede bedrijfswoning is ten westen van de nieuwe pluimveestal. Gezien de situatie op het erf is deze positie toch niet wenselijk voor de initiatiefnemer. De vergunde situatie maakt dat de woning geheel aan de achterzijde van alle bebouwing is gesitueerd. Daarmee is er weinig toezicht op het erf en met name op de ingang van de pluimveestal. De aankomst van bezoekers blijft onopgemerkt. Stedenbouwkundig gezien is het ook fraaier als een agrarische bedrijfswoning aan de voorzijde van het erf staat. Daarbij komt dat bezoekers van de woning zelf ook niet het gehele erf over te rijden als de tweede bedrijfswonig op een andere locatie gebouwd wordt. Dat komt de verkeersveiligheid ten goede.

Wanneer gebruik wordt gemaakt van een verreiker of tractor, hoeven die werktuigen niet de verkeersroute naar de bedrijfswoning te doorkruisen. Passeren van verkeer is dan lastig in de vergunde opzet, omdat de uitweg en erfopzet door de ligging van de bedrijfsgebouwen, niet erg breed is. De huidige positie van de vergunde tijdelijke woonunit, gelegen in het oostelijke agrarische bouwvlak, bevalt zeer goed en kent de genoemde nadelen niet. Het voornemen is daarom om de tweede bedrijfswoning te bouwen nabij de locatie waar nu de tijdelijke woonunit staat. Om te voorkomen dat er straks een derde bedrijfswoning gerealiseerd kan worden omdat de tweede bedrijfswoning in het oostelijke bouwvlak, waar al een bedrijfswoning aanwezig is, gebouwd wordt, is het nodig dit planologisch uit te sluiten. De eenvoudigste oplossing daarvoor is om een bedrijfswoning in het westelijke bouwvlak uit te sluiten. In het oostelijke bouwvlak worden vervolgens twee bedrijfswoningen toegestaan. Er hoeft daarmee geen vormwijziging of vergroting van de bouwvlakken plaats te vinden. Ook de gebruiksmogelijkheden blijven verder onveranderd in de nieuwe situatie.

27

Situatietekening

28

Hoofdstuk 3 3.1

Beleidskader

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is vastgesteld op 11 september 2020. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken; te kiezen voor slimme combinaties van functies; uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. In totaal zijn er 21 nationale belangen gevormd, waaronder het bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving en het waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Om ook daadwerkelijk uitvoering te geven aan de NOVI, is de Uitvoeringsagenda 2021-2024 opgesteld. Hierin zijn vier prioriteiten benoemd: 1. 2. 3. 4.

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De NOVI is een permanent en aanpasbaar proces. Er wordt uitgegaan van een terugkerende cyclus van vier jaar. Jaarlijks, in het voorjaar, is er een nationale NOVI-conferentie over de voortgang van de uitvoering, nieuwe ontwikkelingen en inzichten. Ook wordt een tweejaarlijkse monitor uitgevoerd door het Planbureau voor de Leefomgeving. Elke vier jaar vindt een uitgebreide beleidsevaluatie plaats, evenals een onderzoek naar de mening van burgers en wordt de NOVI zo nodig aangepast. Toetsing Uit de NOVI volgen geen uitgangspunten en/of randvoorwaarden voor de herontwikkeling van het werkingsgebied. Met deze ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. De instructieregels voor een omgevingsplan staan in hoofdstuk 5 beschreven. In afdeling 5.1 staan de instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties houdt in dat er een balans is tussen verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Deze regels houden meer in dan alleen het bestemmen in een bestemmingsplan. Denk bij een functie bijvoorbeeld aan een netwerkfunctie (kabels en leidingen) of waterbergende functie (milieu).

De instructieregels uit afdeling 5.1 gaan over: waarborgen van de veiligheid (paragraaf 5.1.2) beschermen van de waterbelangen (paragraaf 5.1.3) beschermen van de gezondheid en van het milieu (paragraaf 5.1.4) beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5) behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7) bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8) Afdeling 5.2 bevat instructieregels over de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Het gaat dan vooral om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. Tot slot bevat afdeling 5.3 regels over ontheffing van instructieregels voor het omgevingsplan. Toetsing In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de instructieregels en wordt het initiatief getoetst.

29

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021. De Omgevingsvisie is opgesteld om te zorgen voor een blijvend aantrekkelijke provincie. Via haar ruimtelijk beleid draagt de provincie bij aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is. De Omgevingsvisie is uitgewerkt aan de hand van 7 thema's en 3 regio's. De thema's zijn als volgt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Stad en land gezond. Klimaatbestendig en waterrobuust. Duurzame energie. Vitale steden en dorpen. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar. Levend landschap, erfgoed en cultuur. Toekomstbestendige natuur en landbouw.

De drie regio's zijn U16, Amersfoort en Foodvalley. De Omgevingsvisie geeft de ruimtelijke ambities weer van de provincie Utrecht. Hierin staat welke doelstellingen de provincie van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe dit beleid uitgevoerd wordt. Deels loopt deze uitvoering via de Interim Omgevingsverordening, die tegelijk met de Omgevingsvisie is vastgesteld. Op Omgevingsvisie heeft alleen een zelfbindende werking. Het is bindend voor de provincie, niet voor andere partijen. De Omgevingsverordening zorgt voor doorwerking van het beleid en is bindend voor de gemeenten.

3.2.2 Omgevingsverordening Utrecht Op 7 februari 2024 hebben Provinciale Staten de eerste wijziging Omgevingsverordening vastgesteld. Op 1 maart 2024 is deze eerste wijziging in werking getreden. In de omgevingsverordening staan de regels voor de fysieke leefomgeving. Zo’n twintig verordeningen, regelingen en besluiten zijn samengevoegd in één provinciale omgevingsverordening. De regels zijn herschreven, samengevoegd, vereenvoudigd en op elkaar afgestemd. De omgevingsverordening bevat de juridische uitwerking van de plannen en ambities uit de provinciale omgevingsvisie. Hierna worden de voor het projectgebied relevante bepalingen besproken. Artikel 2.16 Instructieregel overstroombaar gebied 8. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Overstroombaar gebied bevat regels die rekening houden met overstromingsrisico's. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks is dit ook van toepassing op individuele woningen en bedrijven. 9. De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan. Toetsing De locatie is binnendijks gelegen. Dit project voorziet niet in nieuwe woonwijken en vitale of kwetsbare objecten. Daarom hoeft geen rekening gehouden te worden met overstromingsrisico's.

Artikel 7.11 Instructieregel landschap 1. Landschap bestaat uit: a. het Landschap Eemland; b. het Landschap Gelderse Vallei; c. het Landschap Groene Hart; d. het Landschap Rivierengebied en e. het Landschap Utrechtse Heuvelrug. 2. De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in de Bijlage XVI Kernkwaliteiten landschap bij deze verordening. 3. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen in Landschap bevat: a. regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. geen regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. 4. De motivering van een omgevingsplan bevat: a. een beschrijving van de voork omende kernkwaliteiten; en 30

b. de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan. Voor de Gelderse Vallei zijn de volgende kernkwaliteiten benoemd: rijk gevarieerde kleinschaligheid; stelsel van beken, griften en kanalen; Grebbelinie; Overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank). Toetsing De kleinschaligheid van het landschap is op de locatie en de omgeving beperkt aanwezig. De omgeving wordt gekenmerkt door een vrij grofmazige verkaveling en beperkte hoeveelheid perceelsrandbeplantingen. Beken, griften en kanalen zijn op de locatie niet aanwezig. Wel liggen rondom een aantal sloten. Dit project verandert niets aan die watergangen. Dit project doet geen afbreuk aan de landschappelijke kwaliteiten die samenhangen met de Grebbelinie. De genoemde kernkwaliteiten van de Gelderse Vallei zijn niet specifiek op de locatie aanwezig en worden in dit project afdoende beschermd. Conclusie Dit project is in overeenstemming met de Omgevingsverordening.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie gemeente Woudenberg In de Structuurvisie Woudenberg 2030 geeft het gemeentebestuur zijn visie over de ruimtelijke invulling voor het wonen, werken en recreëren in Woudenberg voor de komende jaren tot 2030. De agrarische sector blijft een belangrijke functie in het buitengebied met uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijven die dat wensen. Uitgaande van specifieke bedrijfs- en locatie omstandigheden kan uitbreiding van bouwvlakken, groter dan de mogelijkheden van de geldende bestemmingsplannen, overwogen worden. Toetsing Dit project voorziet niet in uitbreidingsmogelijkheden. Er vindt enkel een verschuiiving plaats van de locatie waar de tweede bedrijfswoning gerealiseerd wordt. Conclusie Dit project is in overeenstemming c.q. niet in strijd met de structuurvisie.

31

Hoofdstuk 4 4.1

Uitvoerbaarheid en overige aspecten

Milieuaspecten

In deze paragraaf worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.

4.1.1 Bodem Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels (paragraaf 5.1.4.5) in het Bkl opgenomen. Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet daarom regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem opnemen in het omgevingsplan. De gemeente zorgt ervoor dat nazorg en instandhouding van bodemmaatregelen na het saneren in het omgevingsplan komt. Het kan zowel gaan om een sanering die is uitgevoerd volgens paragraaf 4.121 van het Bal, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. De gemeente neemt in het omgevingsplan een bodemfunctieklassenkaart op. Deze kaart geeft de bodemfunctieklassen van de landbodem van het gemeentelijk grondgebied weer. De bodemfunctieklasse beschrijft het gebruik van de bodem 3 klassen van bodemfuncties: landbouw en natuur wonen industrie Bij de aanwijzing van deze klassen wordt rekening gehouden met de functie die in het omgevingsplan aan die locatie is toegedeeld. Bijvoorbeeld: wonen met tuin komt in de bodemfunctieklasse wonen. Het bevoegd gezag gebruikt de bodemfunctieklassen voor het vaststellen van de toepassingseisen voor de milieubelastende activiteit toepassen van grond en baggerspecie. De bodemfunctieklassen zijn nader uitgewerkt in de Regeling bodemkwaliteit.

De maximale waarden van deze bodemfunctieklassen zijn medebepalend voor de vraag aan welke kwaliteit de toe te passen grond of baggerspecie moet voldoen. Dit volgt uit artikel 5.89p van het Bkl. Voor dit project is door adviesbureau Hopman en Peters een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 1 bij deze motivering. Hierna worden de uitkomsten kort besproken. Geconcludeerd wordt, dat gezien het feit dat er geen gehalten boven de achtergrondwaarden zijn aangetoond, de onderzoekshypothese verdacht in de zin van de NEN 5740 verworpen dient te worden. Het licht verhoogde gehalte aan barium in het grondwatermonster is niet duidelijk verklaarbaar, de concentratie is echter van zodanige aard dat deze geen verdere aandacht vereist. Op basis van de momenteel beschikbare gegevens is er geen behoefte aan aanvullend onderzoek. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen herontwikkeling van de locatie.

4.1.2 Activiteiten en milieuzonering Ook onder de Omgevingswet is ook een goede afstemming nodig om hinder tussen woningen en bedrijven te voorkomen. Waar onder de Wet milieubeheer gesproken werd over milieubelastende 'inrichtingen', gaat het in de Omgevingswet over milieubelastende 'activiteiten'. Een 'milieubelastende activiteit' is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Lozingsactiviteiten op oppervlaktewater of een zuiveringsinstallatie of wateronttrekking vallen hier niet onder. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Dit project voorziet niet in een wijziging van de gebruiksmogelijkheden van het bedrijf. Zodoende vinden er ook geen wijzigingen plaats ten aanzien van milieuzoneringen. 32

Milieuzoneringen vormen geen belemmering voor dit project.

4.1.3 Geluid Op basis van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de planologische medewerking aan nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Er wordt onderscheid gemaakt tussen geluidbronnen met een basisgeluidemissie en geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde. De beoordeling van deze geluidbronnen bij gevoelige gebouwen ligt bij het bevoegd gezag. Met de nieuwe bedrijfswoning voorziet dit project in een nieuwe, geluidgevoelige functie. De woning is op meer dan 200 meter van de Hopeseweg geprojecteerd. Gezien deze afstand is hinder door wegverkeer niet te verwachten. De geluidskaart van Atlas Leefomgeving laat dat ook zien: ter plaatse van de nieuwe woning is een geluidbelasting van ongeveer 42 dB te zien. Dat is ruimschoots onder de grenswaarde van 53 dB. Om deze redenen is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet nodig.

Uitsnede kaart Geluid van wegverkeer Atlas Leefomgeving

4.1.4 Luchtkwaliteit In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Er zijn 2 mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze standaardgevallen NIBM vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet dan wel onder een bepaalde omvang blijven (artikel 5.54 Bkl).

Valt een project binnen een genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 33

2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve beschrijving voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool (Excelapplicatie) op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Dit hangt af van de uitkomst van de NIBM-tool. Een van de standaardgevallen NIBM is 1.500 woningen bij 1 ontsluitingsweg. Omdat dergelijke projecten niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging, is op voorhand duidelijk dat de bouw van een nieuwe bedrijfswoning ook niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Daarom is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.

4.1.5 Externe veiligheid De instructieregels voor externe veiligheid zijn opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende soorten activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal Kwetsbare gebouwen en locaties In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan 3 categorieën 'gebouwen en locaties' waarvoor de regels bescherming bieden: zeer kwetsbaar, kwetsbaar en beperkt kwetsbaar. De gemeente moet regels opnemen in het omgevingsplan om deze gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico's. Plaatsgebonden risico In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels over het plaatsgebonden risico voor het omgevingsplan. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Dit is een grenswaarde van 1 op de 1.000.000 per jaar.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/3259/documents/66019