2021-03-25 beantwoording technische vragen raad-griffie.pdf
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen over de ingekomen stukken Raadsvergadering van: 25-03-2021
Onderwerp
Vraagsteller
Vraag
Antwoord
Ingekomen stuk 01 Motie RES-ontwikkelkader en kleinschalige wind
J. Bessembinders CDA
1.
We lezen: “Het onderdeel kleinschalige wind kan relatief eenvoudig in het bestaande beleid worden opgenomen. Voor het onderdeel zon en grootschalige wind zal een breed participatie traject nodig zijn met duidelijke kaders vanuit de ambities van de gemeente en vanuit de praktische mogelijkheden nu en in de toekomst.” Wanneer en in welke vorm zou die brede maatschappelijke participatie plaats moeten vinden?
1.
Wij stellen voor na de zomer van 2021. Opzet en vorm gaan wij nu bezien, waarbij wij willen leren en aansluiten bij de processen in de omliggende gemeenten. Met in ieder geval duidelijkheid over de kaders (o.a. netcapaciteit) waar Woudenberg mee te maken heeft.
2.
De scope van het afwegingskader kijkt verder dan het RES 1.0 bod dat gericht is op 2030 en dat voor Woudenberg in ieder geval met 3 windmolens 0,5 TWh behelst. Het afwegingskader wordt opgesteld tegen de achtergrond om in 2050 zelfvoorzienend te zijn met zon en windenergie en omvat 14 windmolens (3MW) en 87 ha zonneveld. Wordt het afwegingskader zodanig vormgegeven dat na afronding daarvan inzichtelijk is: a. wat de vertaalde opgave voor Woudenberg voor duurzame opwek in 2030 én 2050 is, b. waar die ontwikkelingen plaats mogen vinden en waar niet en c. in hoeverre we aan onze taakstelling voor 2030 én 2050 voldoen c.q. hoe groot de overcapaciteit of tekort is?
2.
Het afwegingskader zal vooral in beeld moeten brengen onder welke voorwaarden en uitgangspunten grootschalige opwek binnen Woudenberg mogelijk is. De achtergrond waarvan zijn inderdaad de punten die u schetst. Of bij vaststelling van dit kader al de door u gesteld vragen beantwoord kunnen en moeten worden, zal nog bezien moeten worden. De scope van het afwegingskader is een lange periode, maar gelijktijdig zal het de komende jaren bijgesteld moeten kunnen worden aan nieuwe ontwikkelingen. Ook zal het 1 van de beleidsafwegingen zijn het fysiek domein, waarbij nog veel meer andere belangen afgewogen moeten worden.
Onderwerp
Vraagsteller
Vraag
Antwoord
3.
We lezen dat de gemeente in principe in strijd met de motie ‘kleine windturbines’ heeft gehandeld door LTO niet te consulteren. Door de reactie van LTO op de POVI stelt het College dat zo’n consultatie niet nodig is. Maar betrokkenheid van LTO bij dit dossier en het opstellen van het afwegingskader is wél noodzakelijk. Vanaf welk moment en hoe wordt LTO als belangrijke stakeholder dan wél betrokken?
3.
Voor het onderdeel ‘kleine windturbines” heeft inderdaad geen nader overleg plaats gevonden, vanuit de kennis van de zienswijzen van LTO op POVI. Het totale document is met LTO gedeeld en LTO was vertegenwoordigd bij het expertgesprek. In de voorbereiding van de participatie zal LTOook betrokken worden, om vooraf mee te denken over gevoeligheid en aandachtspunten en natuurlijk in de uitvoering zijn LTO en vooral de ondernemers natuurlijk belangrijk.
4.
Stuk 1b. In de PRV staat dat windturbines met een hoogte tot 20 meter onder voorwaarden zijn toegestaan. Als gevolg van effect van houtwallen is echter een hoogte van 25 meter gewenst. Hoe kan onze gemeente bestuurlijk voor elkaar krijgen dat ook turbines met een hoogte van 25 meter mogen worden geplaatst?
4.
Door een amendement bij de POVI is de mogelijkheid inmiddels opgenomen in de provinciale verordening, als uitzondering van de algemene regel van 20 meter. Vanuit landschap Woudenberg zullen wij onderbouwen waarom de 25 meter noodzakelijk is.
5.
Stuk 1c. Stel dat iemand een kleine turbine binnen de bebouwde kom wil realiseren. Welke regels gelden er dan?
5.
De algemene, landelijke regels van afstand en geluid. En de vraag of het een bouwwerk is dat aan de algemene regels van het bestemmingsplan kan voldoen.
6.
Stuk 1c. Wordt bij plaatsing van windmolens ook rekening gehouden met geluidsnormen? Zo ja, wat zijn die normen? Zo nee, waarom niet?
6.
Er zijn landelijke normen voor geluid en veiligheid van toepassing.
7.
Stuk 1c. In de toekomst zal lokale opslag van eigen opwek in stationaire accu’s, private power Walls en buurtbatterijen vermoedelijk een grote vlucht gaan nemen. Daarmee nemen ook risico’s met betrekking tot brand
7.
Wij zullen bezien of in de toekomst onder de Omgevingswet hier een landelijke regeling voor komt, als dan niet geval is zal binnen de samenwerking van VRU en RUD bezien worden of lokale regels gewenst zijn. Of het dan zal gaan om een vergunning, melding of verplichting om gemeente in
Onderwerp
Vraagsteller
Vraag
Antwoord
en incidenten toe. Acht het College het wenselijk om voor dergelijke installaties een meldplicht in te stellen, ook voor particulieren?
Ingekomen stuk 01 Motie RES-ontwikkelkader en kleinschalige wind
H. v/d Wetering PvdA-GL
kennis te stellen van de aanwezigheid zal dan bezien worden.
8.
Stuk 1d. We lezen: “Woudenberg wil niet op een vergelijkbare wijze als de regiogemeenten een participatieproces opzetten. Een proces om met de inwoners te zoeken naar kansrijke gebieden, terwijl gelijktijdig duidelijk is dat de beschikbare netcapaciteit en de kosten voor een aansluiting een beperking is, heeft het risico dat dit weerstand oproept van mensen die nu al (kleinschalige) opwekplannen hebben, maar daar financieel niet uitkomen. Dus weerstand in plaats van draagvlak bij de mensen die in beginsel positief zijn.” Kan het participatieproces niet zodanig worden aangeboden dat de gemeente aan vraagbundeling kan doen, zodat infrastructurele aanlegkosten per initiatiefnemer lager worden?
8.
Klopt, een participatieproces in Woudenberg kan een grote meerwaarde hebben indien de uitkomsten daarvan vraagbundeling zijn. Dat maakt dat een andere instreek gewenst is dan elders, waar het zoeken naar locatie met draagvlak de voornaamste doelstelling is. Op persoonlijke titel hebben wie iemand van Duurzaam Woudenberg, LTO en vanuit het bedrijfsleven gesproken.
9.
Stuk 1d. Wie hebben er zitting in de expertgroep? Heeft over dit voorstel afstemming plaatsgevonden met SDW? U geeft aan dat er met ‘lokale experts’ is gesproken over het participatieproces. Wie zijn in dit verband de lokale experts? Is dit een expertgroep die ook SDW vertegenwoordigt en representatief genoemd kan worden?
9.
Op persoonlijke titel hebben wie iemand van Duurzaam Woudenberg, LTO en vanuit het bedrijfsleven gesproken. De experts zijn gesproken op persoonlijke titel, om vanuit de ervaring op het werkveld en met de samenleving van Woudenberg met ons mee te denken in de dillema’s. In dat kader hebben wij o.a. SDW en LTO gevraagd om een vertegenwoordiger, en dat is aangevuld met iemand uit het bedrijfsleven. Voor deze fase; meedenken in de aanpak van dillema’s (nog niet het verzinnen van oplossingen) was dat naar onze mening voldoende representatief.
1.
1.
Onderwerp
Vraagsteller
Vraag
Antwoord
2.
Boerderijmolens: Klopt het dat de aanschaf hiervan voor eigen rekening en risico van de boeren zelf komt? Inclusief de infrastructuur die hiervoor nodig is?
2.
Ja, in de basis wel net als de aanschaf van zonnepanelen voor eigen opwek. De aansluitkosten zijn, net als bij een huishouden, voor eigen rekening. De kosten van de lengte naar het verdeelpunt zijn daarbij veelal de grote kostenpost.
3.
Er zijn over het rendement van ‘boerderijmolens’ nog de nodige discussies. Experts geven aan dat dit nogal tegenvalt, ook in verhouding tot zonnepanelen. Hoe ziet u de kansen voor boerderijmolens (opbrengst en de businesscases die hiervoor nodig zijn)?
3.
Klopt dat het rendement, door de geringe hoogte beperkt is, het kan wel interessant zijn voor het verdelen van piekvermogen in de bedrijfsvoering (wind waait ook als het donker is) in combinatie met zonnepanelen. Het zal aan de ondernemers zijn om nu te bepalen welke kansen zijn er, middels een Webinar gaan LTO en regio Amersfoort de kansen en problemen op dit vlak nadere onder de aandacht brengen.
4.
Hoeveel molens kunnen er op een erf worden geplaatst zonder dat het een park wordt genoemd?
4.
Bij een boerderij molen wordt gedacht aan 1 molen die direct aansluit op de agrarische bedrijfsgebouwen, dus vergelijkbaar met een voer silo bij een stal. Dit type molens is niet efficiënt als park.
5.
Bij de behandeling van de POVI is aandacht gevraagd voor een hoogte van 25m i.p.v. 20 m voor windturbines als gevolg van het effect van houtwallen. In de conclusie staat aangegeven ‘in eerste instantie voor kleine windmolens van 20-25 m’. De logica hiervan ontgaat ons. Kunt u dit nader toelichten?
5.
Bij het schrijven van dit stuk was nog niet bekend dat het amendement dat aansloot op de zienswijzen van de LTO door provinciale staten aangenomen zou worden. Vanuit de kennis van het gebied en de zienswijzen van LTO was het stuk al wel voorbereid op de wenselijkheid van molens van 25 meter. (Voldoende hoogte t.o.v. houtwallen).
6.
Over draagvlak: De door u aangegeven patstelling is voor ons niet duidelijk (de tekst komt cryptisch over). Is er sprake van weerstand om te participeren? En betekent dit dat er eerst kaders voor een gesprek moeten zijn? Graag een nadere toelichting.
6.
Er is geen sprake van weerstand om te participeren. Maar wel zorg over de juiste boodschap bij een participatieproces. De afstanden en daarmee kosten tot een aansluitpunt van Stedin zijn zodanig, dat met de kennis van nu weinig locaties in Woudenberg tot een haalbare businesscase kunnen komen. Ondernemers die nu al graag in de eigen opwek willen voorzien, kennen dat kosten probleem. Op het
Onderwerp
Vraagsteller
Vraag
Antwoord moment dat je daar geen goede aandacht aan besteedt in de participatie, en een algemeen proces inzet om met de samenleving locaties op te halen waar (landschappelijk/maatschappelijk) draagvlak is voor grootschalige opwek is terechte weerstand te verwachten vanuit de realisatie (on)mogelijkheden. Een gesprek in Woudenberg kan dan ook beter gestart worden vanuit duidelijke kaders.
7.
U geeft aan met de uitvoering van de motie Zon te willen wachten tot na de zomer 2021. Wij vragen ons af of dit verstandig is, ook gezien de oproep die o.a. de wethouder van Eemnes bij de info bijeenkomst van 15 maart jl. deed om tempo te maken in de gemeenten met participatie. Graag een nadere onderbouwing van de genoemde redenen tot uitstel en over de te nemen stappen in het proces. En wanneer de voorbereiding hiervoor start.
7.
In de stukken hebben wij inzicht gegeven in alles wat nu al kan. Zon op dak (de eerste trede) heeft geen nadere participatie nodig, dat kan binnen de huidige kaders en is een belangrijk thema in het uitvoeringskader Duurzaamheid. Grootschalige zon vraagt wel om een bredere afweging en participatie. In de concept RES is bepaald welke gebieden tot 2030 als zoekgebieden gelden, voor grootschalige zonnevelden is het grondgebied van Woudenberg daarin niet opgenomen. De situatie van het grondgebied van Woudenberg is op dat punt anders dan bij de andere gemeenten. In het stuk heeft u kunnen lezen dat wij starten met de voorbereiding en na de zomer een participatie in Woudenberg denken te starten.
8.
Hoe is de stand van zaken t.a.v. het overleg met BSW en samenwerking met het postcoderoosproject?
8.
Deze gesprekken lopen.
9.
In andere gemeenten is sprake van lokale energiecoöperaties. Hoe ziet u de kansen voor Woudenberg(ers) om tot lokaal eigendom te komen? Hoe wilt u bevorderen dat er een energiecoöperatie van de grond komt?
9.
Wij blijven peilen welke inwoners bereid zijn zo’n initiatief te starten, leggen contacten met coöperaties in omliggende gemeenten en kunnen mensen op weg helpen naar de ondersteuning die de provincie Utrecht biedt. Maar helaas is er nog geen coöperatie in ontwikkeling.
10. Er wordt ook gesproken over lokaal
10. Zoiets zou inderdaad kunnen, elders of in aansluiting op het park.
Onderwerp
Vraagsteller
Vraag
Antwoord
eigenaarschap in relatie tot het teruggeven van natuur. Kan dit worden gelezen als: een bedrijf legt een zonnepark aan en ter compensatie voor Woudenberg komt er ergens anders op het grondgebied van de gemeente natuur terug? 11. U wilt richting een (toekomstige) verplichting voor zonnepanelen op daken, zeker bij nieuwbouw van bedrijven en woningen. Hoe denkt u dit te realiseren? 12. Over de aanleg van zonnepanelen wordt in het ‘Afwegingskader ‘Zon en Wind’ uitgegaan van de ‘zonneladder’ uit de motie. Als laagste trede noemt u ‘wind- en zonnevelden in het buitengebied’ en ‘Dit zou echter niet betekenen ‘dat lagere treden actief worden ontmoedigd of pas later aan de beurt komen’ maar dat ‘deze aan strengere voorwaarden moeten voldoen’. Dat verbaast ons omdat met de betreffende motie wel die volgordelijkheid aangenomen is. Wordt bedoeld dat u er niet naar streeft deze lagere treden wél actief te ontmoedigen en later aan de beurt te laten komen? Kunt u overwegen om een maximum percentage te noemen bij de laagste trede? 13. Bij de ingekomen stukken van de raadscommissie van 12 januari jl. was uw antwoord op onze vraag over de stand van zaken als volgt: ‘Het zijn verschillende actiepunten en de ijkpunten en wie daar wat voor moet doen is ook verschillend.
Voor de onderdelen zon op dak en zon op parkeerterreinen zijn wij in afwachting van de uitkomsten van de regio opdracht aan het kadaster. Als die uitkomsten
11. Ook een landelijk thema, waarin de juridische (on)mogelijkheden nadere bezien moeten worden.
12. In het concept document zijn aantal suggesties en uitgangspunten benoemd, deze moeten in de participatie nadere ingevuld worden. In dat kader gaat een rol spelen welke ambities/uitgangspunt leidend zal zijn. Het is de vraag of de noodzaak van opwek kan wachten tot de laatste eigenaar die vrijwillig zijn dak vol legt, voordat pas op de grond iets kan komen, terwijl misschien al eerder duidelijk is dat het nodig is. Een maximum percentage zou de uitkomsten van participatie kunnen zijn.
13. Deze uitkomsten zijn bekend en worden betrokken bij het opstellen van de RES 1.0. Voor zon op parkeerterreinen blijkt dat dit voor Woudenberg geen substantiële opwek zal opleveren, dat in het algemeen de flexibiliteit en bruikbaarheid van een parkeerterrein (Doorrijhoogte) beperkt wordt. Voor zon op dak is duidelijk dat binnen het bedrijventerrein nog die diverse daken geschikt zijn en dat het proces dat BWS en gemeente willen starten dus goed aansluit. Voor Stedin maakt het overzicht duidelijk waar concentratie op de netverzwaring dus ook kan aansluiten.
Onderwerp
Ingekomen stuk 01 Motie RES-ontwikkelkader en kleinschalige wind
Vraagsteller
M. v/d Hoef GBW
Vraag
1.
beschikbaar zijn zal lokaal bezien worden welke aandachtspunten vanuit de lokale kennis toegevoegd kunnen worden. Doel is reëel maken hoeveel opbrengst werkelijk te verwachten is in welke termijn. Het onderdeel benaderen lokale ondernemers en eigenaren om daken beschikbaar te stellen is een continu proces, o.a. de bedrijventerrein film van december is daar een onderdeel van. Ook voor de andere ijkmomenten wordt inzichtelijk gemaakt wat Woudenberg al wel of niet kan leveren, al dan niet in combinatie met ander gemeenten’. Zijn de uitkomsten van de opdracht aan het kadaster al bekend? Wat betekenen deze voor het vervolg? Waarom wordt een molen (tot 25 m) een boerderijmolen genoemd?
Antwoord Het overzicht bevestigt ook de grote potentie van agrarische daken, maar daarmee ook de verspreiding daarvan en daarmee het probleem van de “kabelkosten” daar waar mee dan voor eigen gebruik wordt opgewekt.
1.
Om duidelijk te maken dat deze alleen toegestaan worden als onderdeel van de agrarische bedrijfsvoering, wordt ook elders deze term gebruikt. Molens van deze omvang worden niet meer als rendabel gezien voor andere vormen van opwek.
2.
Mogen molens tot 25 m, ook geplaatst worden bij andere bebouwing (niet zijnde agrarische bebouwing) gerealiseerd worden. Denk aan een waterzuivering, een bedrijf niet zijnde een agrarisch bedrijf, op een volkstuinencomplex, een landgoed, bedrijventerrein Spoorzone?
2.
Als uitgangspunt stellen wij voor om in eerste instantie alleen een afwijking van de bestaande regels toe te staan voor boerderij molens. Uit de participatie van het afwegingskader zouden theoretisch andere doelen en locaties kunnen komen. Echter de noodzaak van vrije wind en afstand tot woningen van derden, maakt dat molens van deze omvang niet te verwachten zijn op bijvoorbeeld het bedrijventerrein. Ook de afweging van de kosten (aanschaf en bekabeling) t.o.v. de opbrengst potentie maakt dat molens niet te verwachten zijn bij andere functies.
3.
Op blz. 9 worden bij Wind in het kampenlandschap 4 uitgangspunten genoemd. Moet een initiatief aan alle 4 de uitgangspunten
3.
Deze uitgangspunten zijn een eerste suggestie die na participatie nader ingevuld moeten worden. Bij een boerderij molen, zeker in het kampenlandschap, is het uitgangspunt
Onderwerp
Vraagsteller
Vraag
Antwoord
voldoen? Aangezien het 2e uitgangspunt opstelling in logische lijnen of clusters benoemd. Betekent dit er altijd meerdere boerderijmolens in een initiatief opgenomen moeten zijn?
Ingekomen stuk 01 Motie RES-ontwikkelkader en kleinschalige wind
H. van Veldhuizen SGP
dat het onderdeel is van het complex van het bedrijf, maar dat de situering ook bezien wordt vanuit het grotere geheel t.o.v. andere bedrijven. Dus een boerderij molen is er altijd 1 bij een bedrijf, lijn en cluster ontstaan in relatie tot andere bedrijven.
4.
Blz. 9. Onder 5.4. Daar staat opgenomen: `Dit gebied heeft gezien het open karakter en de kenmerkende overgang van Heuvelrug naar Vallei niet de voorkeur, mocht uitgaande van andere overweging een (rest) perceel in dit gebied overwogen worden dan gelden de volgende uitgangspunten:’. Welke waarde moet aan deze zin toegekend worden? Als een initiatief voldoet aan de daaronder opgenomen uitgangspunten. Kan een dergelijk initiatief dan worden geweigerd?
4.
De waarde stelling van de uitgangspunten en gevolgen daarvan zal via de participatie nader moeten worden bepaald. Is er draagvlak om altijd alles te weigeren in een bepaald type landschap of is er draagvlak voor lokaal maatwerk?
5.
Waarom is geen maximale maat voor de omvang in m2 van een zonneveld opgenomen.
5.
Als dat uit de participatie blijkt dat dat het gevolg zijn. Op voorhand niet voorgesteld omdat in de verkaveling van Woudenberg moeilijk een algemene maximale maat te bepalen is. Mate van mogelijkheden van opnemen in het landschap lijkt meer bepalend dan een bepaalde maximale omvang.
6.
Waarom wordt niet bij alle landschapstypen opgenomen: Voet mogelijk in camouflagekleuren, maar alleen bij het landschapstype bos. Zou het woordje mogelijk niet weggelaten moeten worden?
6.
Dit kan zijn als er uitkomsten van de participatie zijn. Camouflage kleuren in het bos zijn eenvoudiger te beschrijven dan in andere type landschappen en vraagt mogelijk nog nader onderzoek naar de effecten. Daarom nu als mogelijkheid.
1.
In het collegeadvies wordt gesproken over kleine windmolens tot een hoogte van 25 meter, omdat dat in de vallei wenselijk is.
1.
Bij het schrijven van dit stuk was de besluitvorming bij de provincie nog niet bekend. Inmiddels biedt het provinciaal beleid (amendement bij POVI), mits gemotiveerd, een
Onderwerp
Vraagsteller
Vraag
Antwoord
Maar in het provinciaal beleid wordt gesproken over maximaal 20 meter. Is een hoogte van 25 meter mogelijk in Woudenberg? Dat wordt niet duidelijk uit de stukken.
mogelijkheid van molens tot 25 meter, de onderbouwing van LTO van de noodzaak daartoe is de basis geweest.
2.
In het collegeadvies wordt gesproken over de business case voor kleine windmolens voor agrariërs. Er staat niets vermeld over bedrijventerreinen, terwijl in het provinciale stuk over boerderijen en bedrijventerreinen wordt gesproken. Worden bedrijventerreinen dus niet meegenomen in het beleid van Woudenberg voor kleine windmolens?
2.
Vooralsnog is inderdaad de mogelijkheid voor een bedrijventerrein nog niet opgenomen. Gezien de bebouwingshoogte van bedrijven, de aanwezige woningen op en rond het bedrijventerrein en het feit dat daar met meer belanghebbenden rekening gehouden moet worden, hebben wij die nu nog buiten het onderzoek en de opties gehouden. Kan vanuit de participatie over het afwegingskader alsnog komen, indien blijkt dat het wel een realistische optie kan zijn in Woudenberg.
3.
Is er een indicatie te geven over hoeveel procent kleine windmolens in ons gebied zouden kunnen bijdragen aan de opgave van 0,5 TWh in de RES?
3.
De kleine windmolens bieden vooral een aanvulling op zonnepanelen voor de eigen opwek en daarmee besparing op bedrijfsniveau. De Res heeft betrekking op grootschalige opwek, dat is een andere categorie en daarom tellen deze daarin niet mee.
4.
In Concept afwegingskader Zon en Wind wordt in paragraaf 2 verschillende keren gerefereerd aan de business case die door beperking van netcapaciteit niet goed genoeg zou zijn waardoor er weinig zoekgebieden overblijven. a. In hoeverre hebben er reeds verkennende gesprekken met de netbeheerder plaats gevonden? b. In hoeverre zijn er lokaal toegespitste business cases bekeken c. kunnen die gedeeld worden d. kan het college onderzoeken bij welke
4.
De netimpact analyse van Stedin bij de concept RES en binnenkort bij RES 1.0 maken de “witte vlek” van Woudenberg zichtbaar en verklaren daarmee de geluiden die wij via o.a. LTO vernemen van ondernemers in het buitengebied. Het is een landelijke keuze om te bepalen of wel/niet geïnvesteerd wordt in extra netcapaciteit ten behoeve van opwek, waar in het verleden gebruik het uitgangspunt was. Via het RES-proces en het gevolg van de “witte vlek” vragen wij hier aandacht voor. Duidelijk is dat de “witte vlek” niet binnen enkele jaren op te lossen is. In de regio Amersfoort wordt met Stedin en LTO bezien welke “slimme” oplossingen /koppelingen te organiseren zijn om
Onderwerp
Vraagsteller
Vraag
Antwoord scenario’s/omstandigheden van eventuele combinaties tussen zon en wind de business case qua netcapaciteit wel goed genoeg is?
5.
Concept afwegingskader Zon en Wind, paragraaf 3: beleidskader a.
b.
6.
de lokale ondernemers die willen investeren in zon en wind op weg te helpen. Maar ook op dit punt is duidelijk dat eerst de kansen op de “makkelijke” gebieden benut (kunnen/moeten) worden.
5.
Er is niet voor niets sprake van een concept stuk, de concept kaders moeten nader worden bezien en geduid. Ten aanzien van de losse vragen: a. met weinig molens is veel opwek mogelijk t.o.v. zonnevelden, uit participatie moet blijken of dat uitgangspunt draagvlak heeft. b. Potentie is combi van opwek mogelijkheid en kosten. Nu business case vrijwel overal in Woudenberg negatief is, heeft het geen zin dat nu verder te onderzoeken.
6.
Antwoord staat op de volgende blz.
In de ladder worden de volgordelijkheid qua voorkeursalternatieven voor verschillende locaties om opwek te realiseren benoemd. In hoeverre is er sprake van voorkeursalternatieven binnen deze trede van wind versus zon? In hoeverre is reeds onderzocht wat de mogelijke potentie per trede van de ladder is?
Bij het realiseren van grootschalige opwek van zon en wind heeft dat behoorlijke maatschappelijk impact. Wanneer besloten wordt tot grootschalige opwek moeten de lasten en de opbrengsten op een goede manier verdeeld worden. Bij de participatie eisen wordt nu aangegeven dat het streven is (inspanningsverplichting) naar 50% lokaal eigendom. a. In hoeverre kan de gemeente Woudenberg dit als bindende eis opleggen? b. Welke definitie hanteert de gemeente Woudenberg onder “lokaal eigendom”?
a.
b.
het is de vraag of bindend 100 % mogelijk is en of het wenselijk is. Bij RES 1.0 wordt op dit moment een regionale afweging gemaakt, die verwerkt kan worden in het lokale kader. Bij de participatie zal blijken welk draagvlak er isvoor wel een verplichting. In het concept stuk is hier een eerste aanzet voor
Onderwerp
Vraagsteller
Vraag
Antwoord gemaakt, lokaal zal waarschijnlijk niet gemeente maar regio zijn. Want zeker bij wind zijn de effecten niet gekoppeld aan gemeentegrenzen.
7.
8.
9.
Participatie. Kan het college een tijdslijn op hoofdlijnen geven hoe het proces en de processtappen eruit zullen zien voor participatie en het definiëren van zoekgebieden? Wanneer, op welke manier en met wie gaat die brede participatie gericht op draagvlak dan plaatsvinden? In het collegeadvies wordt voorgesteld om het afwegingskader nog niet vast te stellen. Op welke termijn kunnen we zo'n afwegingskader dan wel vaststellen? In hoeverre zal voor zoekgebieden geanticipeerd worden op ontwikkelingen in buurgemeenten (o.a. Scherpenzeel)?
Ingekomen stuk 02 INretail brief gemeenten – corona actualisatie detailhandelsbeleid
J. Bessembinders CDA
Neemt het College de adviezen van InRetail mee bij de ontwikkeling van de centrumvisie? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?
Ingekomen stuk 05 Verzoek verruiming regeling bijgebouwen
M. v/d Hoef GBW
1.
Door initiatiefnemers worden nieuwe beleidsregels voor bijgebouwen in het buitengebied voorgesteld. In hoeverre zou
7.
Wij streven naar een start na de zomer 2021. Opzet, doelstelling en uitvoering worden de komende maanden nader bepaald.
8.
Het afwegingskader zal de afronding van de eerste participatie zijn, welke in de jaren daarna bijgesteld zal worden aan nieuwe (maatschappelijk, ruimtelijke, technische etc.) ontwikkelingen.
9.
In de uitwerking van zoekgebieden zal natuurlijk altijd rekening gehouden moeten worden met ontwikkelingen buiten de grenzen van Woudenberg. Wij hebben het dan niet alleen over Leusden, Scherpenzeel, maar ook over Renswoude en Utrechtse Heuvelrug, omdat de schaarse netcapaciteit en de schaarse ruimte efficiënt benut moeten worden.
In de memo aan de raad hebben wij de opzet en vraagstelling bij de opdracht verwoord. Betrekken van landelijke ontwikkelingen is daarbij als apart onderdeel benoemd. InRetail is 1 van de partijen die de actuele landelijke ontwikkelingen onder de aandacht brengt en zal op die wijze dan ook betrokken worden. 1. Op dit moment lopen er met betrekking tot te veel m2 aan bijbehorende bouwwerken nog 11 handhavingszaken, waarvan 6 in het buitengebied. Bij deze 6 zaken m.b.t.
Onderwerp
Vraagsteller
Vraag
buitengebied
Antwoord
hier sprake kunnen zijn van legalisatie van mogelijke illegale situaties (lees handhavingszaken): en mocht hier sprake van zijn, hoeveel illegale situaties zijn bij de gemeente bekend, aantal m2’s te veel gebouwd zonder vergunning, aantal m2’s nog niet gesloopt waar dit wel verplicht was.
bijgebouwen in het buitengebied lopen de overschrijdingen uiteen van ca. 30 m2 tot ca. 260 m2. Bij een aantal van deze zaken zou de voorgestelde uitbreiding van het maximaal oppervlak voor bijgebouwen in het buitengebied tot legalisatie kunnen leiden.
2.
Kan het College aangeven hoeveel vraag er is naar uitbreiding van de oppervlakte van bijgebouwen, los van mogelijk illegale situaties.
2.
Nee, daar hebben wij geen concreet zicht op. Algemeen is bekend dat mensen die het maximale van een regeling bereikt hebben graag nog wat extra willen en dat leidt tot de vraag tussen de lokale/persoonlijke wens en de afweging t.o.v. andere belangen.
3.
Wat is de grootste down-side van het omarmen van het voorstel van initiatiefnemers?
3.
Zie de overwegingen in het advies (verstening, gebruik agrarische gronden door burgers i.p.v. door agrariërs). Algemeen is dit aan te duiden als een vermindering van de kwaliteit van het landelijk gebied (er komt gewoon meer bebouwing bij).
4.
Wat is de grootste up-side van het omarmen van het voorstel van initiatiefnemers?
4.
Initiatiefnemers kunnen meer bouwen/ handhaving wordt in sommige gevallen stopgezet. Vooral een lokaal en persoonlijk voordeel.
5.
Zou het een mogelijkheid zijn om alsnog het initiatiefvoorstel in te voeren en de extra gevraagde 50m2 bijgebouwen te koppelen aan een minimaal aantal m2 grond die beschikbaar is op de betreffende locatie en een dubbele hoeveelheid sloopmeters t.o.v. de extra te bouwen 50m2 bijgebouw? Ziet het college daar (alsnog) mogelijkheden in, en zo nee, waarom niet?
5.
Om deze regeling mogelijk te maken dient het bestemmingsplan herzien te worden. Technisch gezien is dit mogelijk maar zoals te lezen is hebben wij besloten hier niet aan mee te willen werken. De huidige regeling in het bestemmingsplan is echter al gebaseerd op het feit dat percelen in het buitengebied meer oppervlakte aan bijgebouwen nodig hebben dan een regulier perceel in de bebouwde kom.
Onderwerp
Ingekomen stuk 06 VTH-jaarverslag 2020 en uitvoeringsprogramma 2021
Vraagsteller
J. Mulder SGP
Vraag
Antwoord
6.
6.
In het collegeadvies lezen we niets terug over de 150 m2 die vergunningsvrij gebouwd mag worden volgens Kubiek (blz. 3)? Klopt het dat het aantal bebouwing dan is 600 m3 (woning), vergunningsvrije aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen 150m2 onder aftrek van 80 m2 conform de regels in het bestemmingsplan voor bijgebouwen in het buitengebied? In dit verslag staat op blz. 17: Complexe handhavingsdossiers In 2020 zijn er een aantal complexe handhavings-dossiers aan de orde geweest. Enerzijds waren deze dossiers complex vanwege de aard en hoeveelheid van de overtredingen. Anderzijds waren deze dossiers complex vanwege de verschillende betrokken belanghebbenden en de lange voorgeschiedenis. Deze dossiers hebben in 2020 een grote capaciteitsinzet gevraagd van zowel de toezichthouders als van de handhavingsjuristen. In juni 2020 zijn er twee omvangrijke handhavingsverzoeken ingediend. Eén verzoek betrof twee percelen en dit resulteerde dan ook in twee afzonderlijke handhavingsdossiers. Het zijn complexe dossiers omdat er sprake is van meerdere overtredingen, meerdere belanghebbenden, meerdere rechtsgebieden en een bepaalde voorgeschiedenis. Dit verzoek heeft veel capaciteit van de handhavingsjuristen gevraagd in de tweede helft van 2020. Gesteld kan worden dat zij hier minstens 50% van hun beschikbare tijd aan hebben moeten besteden vanaf juli 2020. De zaken zijn ook nog niet afgerond.
Eind 2020 en begin 2021 zijn de hoorzittingen bij de
Er is 150 m2 aan vergunningsvrij bijbehorende bouwwerken toegestaan, dit betreft 150 m2 aan bijbehorende bijgebouwen die niet tot het oorspronkelijk hoofdgebouw behoren. Dus aanbouwen en bijgebouwen die wel bij de woning van 600 m3 behoren, maar niet tot de oorspronkelijke woning, worden van deze 150 m2 afgetrokken.
Het college geeft altijd de voorkeur aan een minnelijk overleg met de overtreders en om bijvoorbeeld middels mediation (bijzonder) complexe handhavingszaken te beslechten. Er is ook altijd gelegenheid om in overleg een termijn te bepalen waarvoor een overtreding beëindigd moet zijn. Het uiteindelijke doel is namelijk de beëindiging van de overtreding. Dit gaat bij de meeste zaken goed en de juridisch medewerkers handhaving treden hierbij, eventueel samen met de portefeuillehouder handhaving, met de overtreders in overleg. Om mediation te laten slagen moeten alle betrokken partijen willen deelnemen, anders kunnen er geen afspraken worden gemaakt. In veruit de meeste/vrijwel alle dossiers voldoet een minnelijk overleg met onze juridisch medewerkers en/of de portefeuillehouder handhaving. Het bedoelde dossier is uitzonderlijk. Een dossier in dergelijke omvang maakt de gemeente niet vaak mee. Het betreft een handhavingsverzoek waarbij de verzoekers tot handhaving geen enkele ruimte boden aan het college, en ook niet bereid waren om in minnelijk overleg te treden met de overtreders en/of mediation in te zetten.
Onderwerp
Vraagsteller
Vraag
Antwoord
bezwarencommissie en de verwachting is dat er nog verder wordt geprocedeerd. Dergelijke verzoeken zijn niet te voorzien maar betekent wel dat er snel geschakeld moet worden en geprioriteerd dient te worden. Gezien het feit dat minimaal 50% van de beschikbare tijd hier aan complexe zaken besteed is, hebben wij de volgende vragen. 1.
Ingekomen stuk 06 VTH-jaarverslag 2020 en uitvoeringsprogramma 2021
J. Bessembinders CDA
Bent u bereid te overwegen bij mogelijk complexe zaken als gemeente, een (eigen of vaste) mediator in te schakelen in dit soort zaken die onder VTH vallen? (t.b.v. 1. voor analyse aan de voorkant, waardoor je aan de voorkant zaken sneller oplost overal waar dat mogelijk is en/of 2. Voor de procesaanpak en/of mogelijk 3. de mediation in zaken in te zetten) 2. Zo ja, Bent u bereid opties te verkennen om een vast iemand(medewerker) hiervoor aan te stellen? Of de optie met een andere (buurt-)gemeente die al een iemand hebben die mediator is (en hier al ervaring mee hebben en vast mee werken) met deze gemeente en deze vaste persoon samen te werken? 3. Zo nee, want zijn uw overwegingen (voors, tegens) om het niet te doen? Stuk 6b. We lezen dat de begrote minuren in capaciteit met een factor twee door inhuur worden gecompenseerd. Waar gebruikt de gemeente de begrote overcapaciteit voor?
De urenprognose geeft enkel de werkomvang weer van de lijnwerkzaamheden (het aantal vergunningaanvragen en het toezicht en eventuele handhaving daarop). Hierbij is geen rekening gehouden met bijvoorbeeld overleggen, afspraken met inwoners, cursussen en trainingen. De werkelijke werkzame uren liggen daarom hoger. Dat wordt ondervangen met de
Onderwerp
Vraagsteller
Vraag
Stuk 6b. We lezen dat twee grote en complexe handhavingszaken in 2020 druk op de gemeentelijke werkorganisatie hebben gelegd. Welke twee zaken betrof het?
Ingekomen stuk 06 VTH-jaarverslag 2020 en uitvoeringsprogramma 2021
H. v/d Wetering PvdA-GL
In het verslag vallen ons een aantal dingen op: Het percentage inhuur (ca. 30%) Twee omvangrijke handhavingsverzoeken die ca. 50% van de tijd van de betreffende medewerkers hebben gekost. De uitbesteding van taken naar de RUD (bijv. nu asbest) Vraag: hoe ziet u de ontwikkeling van de VTHtaken in relatie tot wat de gemeente zelf kan uitvoeren en wat door de RUD uitgevoerd kan worden? Verondersteld zou kunnen worden dat een hoog percentage inhuur mogelijk efficiënter en effectiever te vervangen is door meer taken aan de RUD uit te besteden. Mogelijk geldt dat ook voor complexe handhavingsverzoeken die veel ambtelijke capaciteit vergen. Van belang is hierin ook de komende omgevingswet en de gewenste kwaliteitsimpuls van de uitvoering van VTH-taken.
Antwoord overcapaciteit. Het betreft twee zaken die zijn voortgekomen uit één handhavingsverzoek van inwoners woonachtig in het buitengebied. Zij ervaren overlast van twee buurpercelen en hebben de gemeente verzocht daartegen handhavend op te treden. Zo hebben zij bij de het ene perceel last van de (hobbymatig) gehouden dieren en een te grote schuur. Bij het andere perceel ervaren zij last door de verkeersbewegingen van het aldaar gevestigde stallingsbedrijf, van de aanwezige bouwwerken en het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan. Niet alles waar de verzoekers om handhaving last van hebben, is ook daadwerkelijk een overtreding gebleken. Het in beeld brengen van de feitelijke situatie bij alle drie de betrokken percelen vergde veel uitzoekwerk. De RUD voert voor de gemeente enkel de basistaken uit, dit betreft VTH voor milieu. De taken voor vergunningverlening en handhaving voor bouwen en bestemmingsplannen doet de gemeente zelf. Er is wel veel samenwerking met de RUD. In de betreffende omvangrijke handhavingszaken was er ook overlap met de milieuwetgeving. De RUD is tijdens controles meegegaan, heeft vervolgens controlerapporten en adviezen geschreven en heeft ook meegeschreven aan het verweerschrift met betrekking tot de zitting bij de bezwarencommissie. De RUD voert geen taken uit voor vergunningverlening bouwen etc en handhaving hierop.
Deze taken kunnen dus niet aan de RUD worden uitbesteed. Voor wat betreft inhuur merken wij op dat er sprake is van een relatief hoog aantal aanvragen. De prognose is dat vanaf 2022 het aantal aanvragen mogelijk afneemt. Ook wordt per 1 januari 2022 de Omgevingswet ingevoerd. Dit heeft ook gevolgen voor de afhandeling van aanvragen. In lijn met de visie op inzet van flexibele inhuur zoals beschreven in de paragraaf Bedrijfsvoering kiezen we ervoor te werken met een flexibele
Onderwerp
Vraagsteller
Vraag
Ingekomen stuk 06 VTH-jaarverslag 2020 en uitvoeringsprogramma 2021
M. v/d Hoef GBW
In het jaarverslag is opgenomen dat er 2 omvangrijke handhavingsdossiers lopen. Graag iets meer informatie over de aard van de overtredingen en de locatie.
Ingekomen stuk 10 Verkeersveiligheid en beeldkwaliteit Woudenberg
H. v/d Wetering PvdA-GL
Deze bewoner heeft zich terdege verdiept in dit onderwerp. Hoe wilt u gebruik maken van zijn suggesties?
Antwoord schil als er sprake is van een piek. Zodra deze piek afneemt, vallen we terug op de reguliere formatie. Deze formatie kan overigens aangepast worden als gevolg van veranderende werkwijzen (ook met ketenpartners zoals de RUD) door invoering van de Omgevingswet. Het betreft twee zaken die zijn voortgekomen uit één handhavingsverzoek van inwoners woonachtig in het buitengebied. Zij ervaren overlast van twee buurpercelen en hebben de gemeente verzocht daartegen handhavend op te treden. Zo hebben zij bij de het ene perceel last van de (hobbymatig) gehouden dieren en een te grote schuur. Bij het andere perceel ervaren zij last door de verkeersbewegingen van het aldaar gevestigde stallingsbedrijf, van de aanwezige bouwwerken en het gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan. Niet alles waar de verzoekers om handhaving last van hebben, is ook daadwerkelijk een overtreding gebleken. Het in beeld brengen van de feitelijke situatie bij alle drie de betrokken percelen vergde veel uitzoekwerk. De gemeente heeft contact gehad met de indiener en de raad zal worden geïnformeerd via de ingekomen stukken.