14.d fard-2025-ecocertified solar parks (TNO).pdf
Tekst van het document
Samenvatting
Over het project
Het label Inhoudsopgave
Richtlijnen & Economische evaluatie
Resultaten flora, fauna en bodem
EcoCertified Solar Parks Openbare eindrapportage
Colofon
Inhoudsopgave Samenvatting 1 Introductie: het project EcoCertified Solar Parks 2 Opzet van het project 3 Vegetatiebeheer gericht op herstel natuurwaarde 4 Diversiteit in vegetatie, insecten & spinnen 5 Wat hebben zoogdieren en vogels aan zonneparken? 6 Schade aan de bodem voorkomen 7 Ecologische richtlijnen voor natuurpositieve zonneparken 8 Economische en maatschappelijke evaluatie van ecologische richtlijnen 9 Het EcoCertified Solar Parks-label 10 Kennisontwikkeling en -verspreiding 11 Conclusies en implementatie van het project 12 Publicaties en spin-off 13 Dankwoord 14 Literatuur Colofon
3 8 10 13 20 24 26 32 37 46 56 59 63 68 69 71
Samenvatting Samenvatting
Waarom dit project? Zonneparken zijn nodig om te voorzien in de toenemende vraag naar duurzame energie, en kunnen bijdragen aan natuurherstel. Vier jaar onafhankelijk onderzoek laat zien: zo ziet een natuurpositief zonnepark eruit. De resultaten van het onderzoek zijn vertaald naar het kwaliteitslabel EcoCertified Solar Parks, waarmee we bijdragen aan de snelle realisatie van zonneparken met meerwaarde voor lokale flora en fauna en met een gezonde bodem. In deze parken wordt schade aan de natuur voorkomen, wordt herstel van bovengrondse natuur mogelijk gemaakt, en de bodemgezondheid behouden. Het label kan zo het draagvlak voor zonneparken vergroten en de energietransitie versnellen. In dit eindrapport delen we de onderzoeksresultaten en lichten we het label toe.
2 Drukbegrazing met schapen. Waarbij een groot aantal schapen in korte tijd alle vegetatie kort graast. Ook roulerende begrazing valt hieronder. Er moet steeds een periode van tenminste 4 weken maar bij voorkeur 8 weken tussen begrazingsrondes in liggen. Permanente begrazing of maaien waarbij het maaisel blijft liggen, dragen niet bij aan natuurherstel. Tijdens het onderzoek is veel praktische ervaring opgedaan met aspecten die het beheer in zonneparken vergemakkelijken of juist moeilijk maken. Denk aan obstakels in het maaipad, onderstel-constructies waardoor maaimachines niet onder panelen kunnen maaien, of die te laag zijn om begrazing door schapen mogelijk te maken. Deze ervaringen zijn gebundeld in een aantal nuttige tips en adviezen voor een soepel beheer in parken, die daarmee ook kostenverlagend kunnen zijn. Voor de tips en details zie hoofdstuk 3.
Belang van vegetatiebeheer voor natuur in zonneparken
Natuur in zonneparken: vegetatie, insecten en spinnen
In zonneparken kan het vegetatiebeheer (de manier waarop de vegetatie kort wordt gehouden) veel bijdragen aan de natuurwaarde in het park. We hebben een experiment gedaan naar de effecten op natuur van verschillende manieren van vegetatiebeheer. De winst voor natuur kan ontstaan als het beheer bestaat uit: 1 Maaien en afvoeren van het maaisel. Niet vaker dan 1-3 x per jaar, en gefaseerd maaien (altijd een gedeelte van de vegetatie laten staan). Resultaatgericht maaibeheer valt hier ook onder, waarbij het maaien en afvoeren van het maaisel plaatsvindt afhankelijk van (bv de groeisnelheid van) de vegetatie.
Samenvatting
Het label
De onderzochte zonneparken benaderen voor de meeste onderzochte soortgroepen qua dichtheden en soortenrijkdom de waarden van extensieve graslanden, en zijn hoger dan intensieve graslanden. Maar met name vlinders en bodembewonende arthropoden lopen qua aantallen en soortenrijkdom duidelijk achter, en zonneparken lijken voor deze soortgroepen het meest op intensieve graslanden. Daarnaast komt uit de tussentijdse analyses naar voren dat soortenrijkdom van de vegetatie en een grotere structuurvariatie (bijvoorbeeld afwisseling tussen hoge kruiden, lage kruiden en grassen) gunstig zijn voor de insecten, en dat meer bloemen beter is voor
Resultaten flora & fauna en bodem
Richtlijnen
Over het project
1/5
3
bestuivers. De afstand tussen de rijen panelen speelt een grote rol in de soortenrijkdom van planten en de hoeveelheid insecten tussen de panelen. En bij een rijafstand van 2,5 meter maken de meeste soortgroepen een opvallende sprong in aantal en soortenrijkdom. Lichtbeschikbaarheid lijkt hier een belangrijke rol te spelen, wat mogelijk ook verklaart waarom er onder panelen slechts circa 30% van de bodembewonende insecten zijn aangetroffen ten opzichte van tussen de rijen. Daarnaast is gekeken of zonneparken ook ecosysteemdiensten zoals bestuiving kunnen leveren naar de directe omgeving. Uit het onderzoek blijkt dat zonneparken momenteel nog geen grote bron van bestuivers zijn. Om veel tijdwinst te kunnen boeken bij het identificeren van de vele soorten en hoge aantallen insecten, is een slag gemaakt in de doorontwikkeling van een innovatieve methodiek genaamd DNAmetabarcoding. Deze techniek is getoetst op de monsters van grondnestelende insecten. De genetische analyse leverde - in circa een kwart van de arbeidsuren die werden besteed aan morfologische identificatie tot op ordeniveau – een dataset met ruim 1200 taxa op (in een totaal van circa 160 monsters), waarvan 98% tenminste op genusniveau en meer dan 85% op soortniveau. Om de methoden beter te vergelijken qua aangetoonde soorten is detail-analyse uitgevoerd voor één groep arthropoden: de spinnen.
Van de 56 taxa die onder de microscoop werden geïdentificeerd, werden er 41 ook via metabarcoding gevonden, en 15 soorten uit 1 geslacht niet. De huidige DNA-methode ontbeert dus de resolutie om soorten uit dit geslacht te onderscheiden. Daar tegenover staat een veel groter aantal taxa (58) die alleen via metabarcoding werden gevonden, en veel van de 41 overlappende soorten werden in een groter aantal monsters aangetroffen dan via morfologische analyse. Al met al heeft elke methode dus voor- en nadelen, en komen de verkregen soortenlijsten nooit 1 op 1 overeen, maar is het aantal specimens dat tot op soort geïdentificeerd kan worden hoger bij gebruik van DNA-metabarcoding. Voor details en toelichting zie hoofdstuk 4.
Samenvatting
Het label
Natuur in zonneparken: vogels & zoogdieren Het leefgebied van veel vogels en zoogdieren beslaat doorgaans een flink deel van een zonnepark of is zelfs (veel) groter, zodat positieve effecten van de verschillende beheervormen op populaties vogels en zoogdieren vaak moeilijk aan te tonen zijn. Het onderzoek richtte zich op een evaluatie van de soortenrijkdom van vogels en zoogdieren in zonneparken, in vergelijking met twee controlegebieden in intensief gebruikt landbouwgebied en extensief beheerde natuur. De voorlopige resultaten wat betreft gebruik van zonneparken door vleermuizen lieten zien dat de huidige generatie zonneparken geen gunstig effect hebben op vleermuispopulaties. Alle zeven bestudeerde vleermuissoorten, en de hele soortgroep, waren minder actief en werden minder vaak geregistreerd in zonneparken in vergelijking met nabijgelegen intensief agrarisch grasland of natuurlijke graslanden. Uit onderzoek naar grondbewonende zoogdieren, met behulp van cameravallen, bleken soortdiversiteit en dagelijkse activiteitenpatronen vergelijkbaar te zijn tussen zonneparken en beide typen controlegebieden. Haas en ree gebruikten zonneparken gemiddeld wel meer dan de beide controlegebieden.
Uit de voorlopige resultaten over de aanwezigheid van vogels op basis van akoestische monitoring blijkt een significant hogere vogelrijkdom en -diversiteit aan de rand van de zonneparken (vaak met struiken, heggen, en een ruige graslaag) in vergelijking met de centrale delen van zonneparken; dit suggereert dat vogels relatief gunstiger habitat vinden rondom de parken dan rond de zonnepanelen.
Samenvatting
Uit de onderzoeksresultaten komt naar voren dat zonneparken leefgebied kunnen bieden voor vertebraten in agrarisch gebied, maar over het algemeen lijken huidige-generatie zonneparken nauwelijks of geen toegevoegde waarde te hebben voor zoogdieren, terwijl de randen van zonneparken habitat bieden voor meer vogels dan de centrale delen. Voor details en toelichting zie hoofdstuk 5.
Resultaten flora & fauna en bodem
Richtlijnen
Over het project
2/5
4
Bodemgezondheid en bodemleven in zonneparken Relatie tussen licht en bodemgezondheid en bodemleven Uit de resultaten blijkt dat lichtbeschikbaarheid binnen de parken de dominante factor is voor vegetatiegroei. De variatie in lichtbeschikbaarheid in de zonneparken had directe gevolgen voor de plantenbiomassa, waarbij de bovengrondse biomassa gemiddeld ongeveer 80% lager lag onder de panelen dan ertussen. Ook de ondergrondse biomassa volgde dit patroon, en de bezetting van plantenwortels door mycorrhizaschimmels was significant lager onder de panelen, wat duidt op een verminderde symbiose en mogelijke belemmering van nutriëntenuitwisseling. De microbiële biomassa en de schimmel-bacteriën-verhouding daalden eveneens onder panelen. Ook de bodemfauna is onderzocht, waarbij de focus lag op functionele groepen die een centrale rol spelen in bodemgezondheid en -processen, zoals microarthropoden, regenwormen en nematoden. Uit de resultaten blijkt dat bodemfauna sterk reageert op de schaduwrijke en veranderde omstandigheden onder zonnepanelen. Ze bevestigen dat niet alleen bovengrondse vegetatie, maar ook het ondergrondse bodemleven afhankelijk is van voldoende lichtinval en een gezond bodemmicroklimaat. Deze bevindingen zijn ecologisch relevant, omdat deze organismen samen essentiële ecosysteemfuncties vervullen.
Ondergrenzen aan lichtinval bepalen Gebieden met minder dan 10% van de open veldstraling bleken in dit onderzoek onvoldoende licht te ontvangen om vegetatiegroei en bodemleven te ondersteunen. Om die reden is het van belang om de minimale lichtinval boven deze drempel te brengen en/of het totale oppervlak met zulke lage lichtniveaus sterk te beperken. Bodemkoolstof is een belangrijke indicator voor bodemgezondheid, vanwege de sterke relatie met waterretentie, nutriëntenvoorziening, biodiversiteit en erosiebestendigheid. De koolstofbalans in de bodem wordt bepaald door de input van organisch materiaal via plantengroei (zoals wortelresten en bovengronds strooisel) en CO₂-emissies door microbiële afbraak. Omdat zonneparken in Nederland vaak op voormalige landbouwgrond worden aangelegd, is het belangrijk dat deze nieuwe vorm van landgebruik bijdraagt aan bredere duurzaamheids-
Samenvatting
Het label
doelen. In het licht van het bovenstaande is het cruciaal dat zonneparken niet leiden tot verlies van koolstof in de bodem, maar juist bijdragen aan het behoud of de toename ervan. Uit het onderzoek blijkt dat bij lichtniveaus van <8% de bodemvoorraad organische koolstof op termijn aanzienlijk afneemt. Een voorlopige analyse laat zien dat ook bij 20–30% lichtinval een lichte daling in bodemorganische stof kan optreden, maar dat deze afname binnen aanvaardbare grenzen blijft. Om bodemkoolstof op peil te houden, is echter bij voorkeur 40% of meer lichtinval wenselijk.
Samenvatting
Potentieel van schaduwtolerante plantenmengsels Om een balans te vinden tussen energieproductie en ecologische doelstellingen rond bodemgezondheid, is geëxperimenteerd met het inzaaien van schaduwtolerante plantenmengsels. De eerste resultaten zijn veelbelovend: deze mengsels vergroten de bodembedekking en verhogen de koolstofinput bij lage lichtniveaus, wat suggereert dat ze een deel van de negatieve effecten van schaduw kunnen compenseren. Mogelijk is er dus ruimte voor optimalisatie onder de eerdergenoemde drempel van 20% lichtinval. Op basis van de positieve voorlopige resultaten wordt aangenomen dat 15% lichtinval, in combinatie met doelgericht zaaien, een werkbaar compromis zou kunnen zijn. Deze aanname vereist bevestiging via vervolgonderzoek. Voor details en toelichting zie hoofdstuk 6.
Ecologische richtlijnen voor natuurpositieve zonneparken De richtlijnen die ontwikkeld zijn, zijn gebaseerd op behoud of herstel van bodemgezondheid, en op herstel van biodiversiteit door de Basiskwaliteit Natuur na te streven, en door lokale natuurwaarden te versterken of herstellen. Hiertoe wordt ingezet op: 1 Voldoende lichtinval op de bodem; 2 Ontwikkeling van kruiden- en faunarijk grasland (beheertype N12.02); 3 Ruime aanwezigheid van hoogwaardige natuurlijke elementen zoals heggen van inheemse soorten, en faunapassages; 4 Versterken van lokale landschappelijke waarden. Voor de onderbouwing en de details zie hoofdstuk 7.
Resultaten flora & fauna en bodem
Richtlijnen
Over het project
3/5
5
Economische en maatschappelijke evaluatie van ecologische richtlijnen
realisatie van zonneparken met meerwaarde voor natuur en bodemgezondheid.
Om tot een EcoCertified Solar Parks Label te komen dat bestaat uit ecologische zinvolle richtlijnen én dat economisch haalbaar is, zijn de ecologische richtlijnen vertaald naar maatschappelijke waarden, waaronder de impact op de business case van bestaande en toekomstige zonneparken. Bovendien is er een afweging gemaakt tussen maatschappelijke en economische waarden. De kosten van zonnestroom zijn doorgerekend, met een hiertoe geactualiseerde versie van het kostenmodel, gekoppeld aan het stroomopbrengst-model BIGEYE van TNO waarmee bestaande en toekomstige (bifacial) systemen kunnen worden doorgerekend.
Voor details en toelichting zie hoofdstuk 8.
Uit de berekeningen blijkt dat de kosten van een ecologisch verantwoorde paneel-opstelling op basis van de huidige praktijk ten behoeve van behoud van bodemkwaliteit substantieel hoger zijn dan de kosten voor ecologisch verantwoord vegetatiebeheer en natuurlijke elementen, en aanzienlijk zwaarder wegen op de totale kosten. Daarbij heeft de panelenopstelling consequenties voor de kosten en mogelijkheden van het beheer. Om de kosten te verlagen voor behoud van bodemgezondheid en de verbetering van bovengrondse natuurwaarde, heeft TNO een aantal aanpassingen. Kostendaling is mogelijk door de lichtdoorlatendheid van de zonnetafels te verbeteren d.m.v. grotere ruimtes tussen panelen en aanpassingen in de onderconstructie en fundering. Deze aanpassingen wijken af van de huidige constructies en zullen in de praktijk getest moeten voordat deze in de markt kunnen worden toegepast. Dit is een aanbeveling voor vervolgonderzoek. Bij dit onderdeel van het project was het bij uitstek van belang dat de belanghebbenden goed gehoord werden en input konden geven op de resultaten. Om die reden is in dit traject veel tijd besteed aan input van en terugkoppeling met de diverse belanghebbenden. Er is daarbij een goede balans gevonden tussen wat maatschappelijk wenselijk is aan de ene kant en wat financieel acceptabel en haalbaar is aan de andere.
Dit heeft geresulteerd in een weloverwogen invulling van de indicatoren in het label, met als resultaat een label voor de snelle
Samenvatting
Het label
Samenvatting
Het label EcoCertified Solar Parks Op basis van bovengenoemde onderzoeksresultaten is in dit project het label EcoCertified Solar Parks ontwikkeld. Het label ondersteunt overheden en ontwikkelaars bij het realiseren van zonneparken die én breed worden gedragen én ecologisch verantwoord zijn. Met dit label maken we de energietransitie sneller, slimmer en natuurvriendelijker. Met de voltooiing van dit project, kunnen zonneparken per 31 juli 2025 gescreend worden. Een zonnepark dat voldoet aan de voorwaarden van het EcoCertified Solar Parks-label krijgt het certificaat ‘EcoCertified Solar Park’ toegekend Breed gedragen label Door de gekozen aanpak – met een transparant label gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en in een samenwerking met veel verschillende stakeholders – is het label dat uit dit project is voortgekomen, breed gedragen. Dit biedt goede kansen om met het label de realisatie van natuurpositieve zonneparken te versnellen. Dit omdat voor alle partijen duidelijk is volgens welke principes en uitgangspunten het park wordt ontwikkeld. Opbouw label Het label is opgebouwd uit 6 thema’s, met onder elk thema een set indicatoren. Voor elke indicator zijn prestatieniveaus geformuleerd, waarmee beoordeeld wordt in welke mate een zonnepark aan de
Resultaten flora & fauna en bodem
Richtlijnen
Over het project
4/5
6
voorwaarden van het label voldoet. De figuur geeft een overzicht van de thema’s en indicatoren. Schematisch overzicht van de opbouw van het EcoCertified Solar Parks-label. De beoordeling wordt gedaan aan de hand van 6 thema’s (donkergroen). Onder elk thema zitten indicatoren, met voor elke
indicator verschillende prestatieniveaus. Voor sommige indicatoren geldt een ondergrens (lichtgroen gemarkeerd) en sommige wegen zwaarder in de beoordeling dan andere. Voor verdere toelichting en details zie hoofdstuk 9.
Samenvatting
INDICATOREN ECOCERTIFIED SOLAR PARKS LABEL
GEZONDE BODEM
(HERSTEL) BIODIVERSITEIT
BORGING BEHEER & BIODIVERSITEIT
Bodembelichting
Informatie flora en fauna
Beheervorm kern
Hemelwaterverdeling
Aansluiting lokaal natuurnetwerk
Ecologisch (beheer)plan
Bodembeheer tijdens realisatie Grondbalans Waterpeilbeheer UITGANGSPUNTEN ONTWIKKELING
Gidssoorten Variatie natuurlijke elementen Faunavoorzieningen LANDSCHAPPELIJKE INPASSING & BETROKKENHEID
Voormalig grondgebruik
Monitoring beheer Monitoring biodiversiteit Implementatie monitoring Financiering ecologisch beheer INRICHTING & DUURZAAM MATERIAALGEBRUIK
Inpassing Koppelkansen natuur Betrokkenheid omgeving Openstellen natuurinventarisaties
Herkomst plantmateriaal Ruimte natuurlijke elementen Rijafstand zonnetafels Oriëntatie zonnepaneel
Ondergrens
Samenvatting
Het label
Resultaten flora & fauna en bodem
Richtlijnen
Over het project
5/5
7
1
Introductie: het project EcoCertified Solar Parks Over het project
Aanleiding Om de klimaatverandering een halt toe te roepen, wordt wereldwijd gewerkt aan de energietransitie. Om te voldoen aan de groeiende vraag naar hernieuwbare energie zijn zonneparken nodig. Zonneparken op land bieden tegelijkertijd kansen voor natuurherstel, mits ze zorgvuldig worden ontworpen en beheerd. Immers, in zonneparken verschuift de focus van productie van gras of andere landbouwproducten naar productie van energie; en met de verlaagde productiviteit ontstaat ruimte voor herstel van biodiversiteit. Denk bijvoorbeeld aan de aanplant van heggen. De voorwaarden en mogelijkheden om in een zonnepark tot natuurherstel te komen, waren echter lange tijd onbekend. Er bestonden daardoor nog geen wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen voor het natuurinclusief inrichten van zonneparken. Aandacht voor behoud en herstel van natuurwaarde op zonneparken speelt echter een belangrijke rol in het creëren van draagvlak voor zonneparken op land. Met het oog op de hoge bodemvruchtbaarheid in grote delen van Nederland vormt bovendien de combinatie van duurzame energieopwekking en behoud van bodemgezondheid een belangrijke kans voor zonneparken. In de loop van het project is de businesscase van zonneparken verslechterd en zijn vergunningskaders aangescherpt (KPMG 2025). Dit heeft ertoe geleid dat de groei in de ontwikkeling van zonneparken stagneert1.
De urgentie van hernieuwbare en autonome energie blijft echter bestaan, net als de potentie die zonneparken hebben om op een natuurpositieve manier gebouwd en beheerd te worden. Om deze redenen is het project EcoCertified Solar Parks opgestart. Hierin onderzoeken we wat de effecten van een zonnepark zijn op bodemgezondheid en biodiversiteit, en wat er nodig is om tot natuurinclusieve en zelfs natuurposi-
tieve zonneparken te komen, die tegelijkertijd rendabel zijn. Het eindresultaat van dit project is een certificeringsmethodiek voor zonneparken, waarbij zonneparken waar schade aan de natuur voorkomen wordt, bovengrondse natuur kan herstellen, en ingezet wordt op behoud van bodemgezondheid, het certificaat ‘EcoCertified Solar Park’ krijgen.
Doelstelling van het project EcoCertified Solar Parks
1 Introductie 2 Opzet van het project
10 Kennisontwikkeling en -verspreiding na 2025
Met het project EcoCertified Solar Parks bevorderen we de snelle realisatie van zonneparken die een meerwaarde hebben voor biodiversiteit en de bodem. Dit wordt bereikt door wetenschappelijk onderzoek en met behulp van het label ‘EcoCertified Solar Parks’. Met het project zijn richtlijnen ontwikkeld voor ontwerp en beheer van zonneparken, waarmee in die parken een meerwaarde ontstaat voor lokale flora & fauna, en de bodemgezondheid behouden blijft of verbetert. Hiermee faciliteren we de brede groep aan belanghebbenden: met het label wordt immers inzichtelijk en toetsbaar dat het zonnepark wordt aangelegd volgens een set aan heldere uitgangspunten. Om zonneparken rendabel te houden wat betreft zowel kosten als energieopbrengst, zijn deze aspecten zorgvuldig meegenomen in de richtlijnen. De richtlijnen zijn tot stand gekomen op basis van wetenschappelijk onderzoek en zijn geïmplementeerd in het transparante
11 Conclusies en implementatie van het project 12 Publicaties en spin-off
13 Dankwoord 14 Literatuur
label EcoCertified Solar Parks. Dit label wordt beheerd door NL Greenlabel (via The Greenlabel Institute).
1 Zie bijvoorbeeld: https://www.pbl.nl/actueel/nieuws/35-twh-doel-zon-en-wind-op-land-in-2030-goed-haalbaar-maar-groei-op-langere-termijn-stagneert
Samenvatting
Het label
Resultaten flora & fauna en bodem
Richtlijnen
Over het project
1/2
8
Visualisatie van hetgeen we met het project EcoCertified Solar Parks beogen te bereiken: een snelle realisatie van zonneparken die een meerwaarde hebben voor biodiversiteit en de bodem. Dit wordt bereikt door wetenschappelijk onderzoek en met behulp van het label ‘EcoCertified Solar Parks’.
Over het project
1 Introductie 2 Opzet van het project
10 Kennisontwikkeling en -verspreiding na 2025
11 Conclusies en implementatie van het project 12 Publicaties en spin-off
Korte omschrijving van de activiteiten
13 Dankwoord
• Het label is ontwikkeld en in de markt gezet door NL Greenlabel. • Het onderzoek is geleid en ondersteund door Wageningen Environmental Research, waar bovendien complementair onderzoek is gedaan aan innovatieve meettechnieken voor biodiversiteit. • Tien zonnepark-ontwikkelaars hebben 18 zonneparken opengesteld voor onderzoek (zie kaart met onderzoekslocaties in hoofdstuk 2; figuur 2.1). In een deel daarvan zijn experimenteel verschillende vegetatiebeheer-methodes uitgevoerd en onderzocht. Deze ontwikkelaars hebben het onderzoek bovendien ondersteund met de aanschaf van onderzoeksmateriaal. De ontwikkelaars zijn daarbij vertegenwoordigd door de branchevereniging Holland Solar.
Samenvatting
Het label
• Bij de Wageningen Universiteit hebben drie promovendi onderzoek gedaan naar: 1 Vegetatie, insecten en ecosysteemdiensten; 2 Zoogdieren en vogels en hun ecologisch functioneren; 3 Bodemleven en opslag van organische stof (bodemgezondheid). • TNO heeft de bodembelichtingen van alle opstellingen berekend en doorgerekend wat de consequenties zijn van de voorgestelde richtlijnen voor de zonnepark-ontwerpen en de daarmee gemoeide opbrengst en kosten. • Eelerwoude functioneerde als centraal aanspreekpunt bij en organisatie van het veldonderzoek in de zonneparken, en heeft de praktische mogelijkheden uitgewerkt van verschillende typen vegetatiebeheer in zonneparken die bijdragen aan herstel van biodiversiteit.
Resultaten flora & fauna en bodem
Richtlijnen
Over het project
2/2
14 Literatuur
9
2
Opzet van het project
Aanpak
Samenwerkende partijen
Het project bestaat uit 7 hoofdonderdelen, ofwel Resultaten. Het heeft gelopen van najaar 2021 tot augustus 2025. Voor de resultaten van voorgaande jaren verwijzen we naar de drie voortgangsverslagen2.
Voor het EcoCertified Solar Parks-project hebben 15 partijen de handen ineengeslagen tot een consortium. Dit consortium bestaat uit kennisinstellingen, bedrijven en zonnepark-ontwikkelaars. Deze partijen hebben op de hoofdonderwerpen intensief samengewerkt om met het EcoCertified Solar Parks-label tot een effectief en doeltreffend eindresultaat te komen.
De 7 hoofdonderdelen van het project zijn: Resultaat 1 – Ontwikkelen van het EcoCertified Solar Parks Label (lead: NL Greenlabel) Resultaat 2 – Advies voor vegetatiebeheer van zonneparken (lead: Eelerwoude; uitvoering met WUR) Resultaat 3 – Wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen voor inrichting en beheer van zonneparken met een meerwaarde voor bovengrondse diversiteit: vegetatie en geleedpotigen (dus insecten en spinnen), zoogdieren en vogels (lead: WUR) Resultaat 4 – Wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen om schade aan de bodem te voorkomen (lead: WUR) Resultaat 5 – Kennisintegratie tot eenduidige richtlijnen (lead: WUR) Resultaat 6 – Economische en maatschappelijke evaluatie van ecologische richtlijnen (lead: TNO) Resultaat 7 – Een fundament voor verdere kennisontwikkeling en kennisverspreiding na 2025 (lead: WUR)
Over het project
De partners WUR, TNO en NL Greenlabel vertegenwoordigen de onafhankelijkheid van het label. WUR en TNO vanuit de wetenschappelijke onafhankelijke rol en NL Greenlabel als onafhankelijke partij die de beoordeling ten aanzien van het verstrekken van het label gaat uitvoeren. De dagelijkse uitvoering lag bij een projectcommissie bestaand uit de volgende partijen: • Wageningen Environmental • NL Greenlabel Research (WUR) • Holland Solar en een van de • Wageningen Universiteit (WUR) ontwikkelaars vertegenwoor• TNO digden samen de aangesloten • Eelerwoude zonneparkontwikkelaars
1 Introductie 2 Opzet van het project
10 Kennisontwikkeling en -verspreiding na 2025
11 Conclusies en implementatie van het project 12 Publicaties en spin-off
13 Dankwoord 14 Literatuur
2 https://zoninlandschap.nl/projecten/i358/ecocertified-solar-parks
Samenvatting
Het label
Resultaten flora & fauna en bodem
Richtlijnen
Over het project
1/3
10
De 10 ontwikkelaars met wie het consortium van start is gegaan zijn alle aangesloten bij Holland Solar. Parken van deze ontwikkelaars zijn ter beschikking gesteld om het onderzoek in uit te voeren en deze ontwikkelaars hebben zo, en ook met het beschikbaar stellen van onderzoeksmateriaal, bijgedragen aan het onderzoek. Deze 10 ontwikkelaars zijn: • TPSolar • LC Energy • GroenLeven • Vattenfall • Eneco
• Statkraft • Sun Projects • Novar (Solarfields) • GreenIPP • Chint Solar
Delen van resultaten Via o.a. het Nationaal Consortium Zon in Landschap worden de resultaten uitgewisseld met alle stakeholders. Zo kan de ontwikkelde kennis snel geïmplementeerd worden.
Over het project
Door de inzet van vrijwilligers bij het meten van biodiversiteit in zonneparken is een basis gelegd voor kennisontwikkeling in de toekomst. Daartoe is samenwerking gezocht met drie vrijwilligersorganisaties:
1 Introductie 2 Opzet van het project
10 Kennisontwikkeling en -verspreiding na 2025
Klankbordgroep Voor dit project is 1 tot 2 keer per jaar een klankbordgroep bij elkaar gekomen. Hun feedback op de plannen, ideeën, resultaten en werkwijzen heeft tot een goede aansluiting geleid van het resultaat op de behoeften in de samenleving. De klankbordgroep bestond uit (medewerkers van): • Gemeente Brummen • Gemeente Voerendaal • Ministerie van EZK • Natuur & MilieuFederatie • Stichting Natuur & Milieu • Provincie Drenthe • Provincie Gelderland
Samenvatting
Het label
Resultaten flora & fauna en bodem
Richtlijnen
12 Publicaties en spin-off
13 Dankwoord
• Rijkswaterstaat • RIVM • RVO • SOVON Vogelonderzoek Nederland • Vlinderstichting
Over het project
11 Conclusies en implementatie van het project
14 Literatuur
2/3
11
Financiële ondersteuning
Onderzoekslocaties
Het project is financieel, praktisch en inhoudelijk behalve door RVO, WUR en projectontwikkelaars ook ondersteund door: • Rijkswaterstaat • de Natuur & Milieufederaties • 8 provincies (Limburg, Noord-Holland, Flevoland, Overijssel, Gelderland, Friesland, Drenthe, Utrecht)
Het ecologisch onderzoek en het vegetatiebeheer-experiment is uitgevoerd in zonneparken verspreid over het land. In onderstaande kaart zijn de locaties weergegeven.
Over het project Figuur 2.1 Overzicht van de bij het project betrokken zonneparken. Niet alle onderzoeken konden in alle parken gedaan worden (hoofdstuk 6), en in andere gevallen zijn aanvullende zonneparken onderzocht (hoofdstukken 5 en 9), waardoor de aantallen parken genoemd in de hoofdstukken af kunnen wijken van 18. Grijze markering in de legenda geeft aan dat het beheerexperiment in dit park heeft plaatsgevonden (zie hoofdstuk 3).
1 Introductie 2 Opzet van het project
10 Kennisontwikkeling en -verspreiding na 2025
11 Conclusies en implementatie van het project
Onderzoeksperiode
12 Publicaties en spin-off
Het project liep van najaar 2021 tot augustus 2025. Het ecologisch onderzoek in de zonneparken (Resultaat 3 en 4) is van start gegaan in voorjaar 2022. Het vegetatiebeheer-experiment dat daarbij is uitgevoerd (Resultaat 2) liep van najaar 2022 tot en met najaar 2024. Het leeuwendeel van het veldwerk is afgerond, maar metingen aan bodemleven en bodemgezondheid lopen nog in het WUR-zonnepark, dat mede met behulp van dit project is gerealiseerd. De aanstellingen van de drie promovendi lopen in de periode tussen eind 2025 en medio 2026 af, waardoor ook het uitkomen van de verschillende wetenschappelijke publicaties (waarvan de eerste zijn verschenen, zie hoofdstuk 12) voort kan duren over die periode.
Samenvatting
Het label
13 Dankwoord 14 Literatuur
Legenda bij kaart: 1: Haarweg – Wageningen – LC Energy 2: ’t Zunneveld – Hardenberg – LC Energy 3: Zonnepark Tholen – Tholen – Eneco 4: Zonnepark Goes – Eneco 5: Tegelen – GreenIPP 6: Roosendaal – GreenIPP 7: Almere – Vattenfall 8: Wagenborgen – SunProjects 9: Zonnepark Haringvliet – Vattenfall
Resultaten flora & fauna en bodem
Richtlijnen
10: Zonnepark Diemen – Vattenfall 11: Zonnepark Hildenberg – Appelscha – Groenleven 12: Zonnepark Donkerbroek – Groenleven 13: Zonnepark Oostrumdijkje – Houten – Statkraft 14: Zonnepark IJsseldijk – Apeldoorn – Statkraft 15: Zonnepark Duiven – SunProjects 16: Zonnepark Marum – Novar 17: Zonnepark Hoogveld-Zuid – Uden - TPSolar 18: Zonnepark Lungendonk – Someren – TPSolar
Over het project
3/3
12
3
Vegetatiebeheer gericht op herstel natuurwaarde
Resultaat 2. Lead Eelerwoude; uitgevoerd samen met WUR. Uitvoering beheerexperiment door Buitenmeesters (Guus Kolkman) en door Van Driel Landschapsbeheer (Luc van Driel). Binnen het EcoCertified Solar Parks-project is onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om natuurwaarden en bodemgezondheid in zonneparken te versterken via ontwerpkeuzes en gericht vegetatiebeheer. Het doel van dit resultaat is het ontwikkelen van praktisch toepasbare richtlijnen voor inrichting en beheer, die geborgd worden in het EcoCertified Solar Parks Label.
Experiment vegetatiebeheer In de periode september 2022 – oktober 2024 is op 12 van de 18 deelnemende zonneparken een beheerexperiment uitgevoerd, gericht op het toetsen van de effectiviteit van diverse vormen van vegetatiebeheer, waaronder het stimuleren van bloemrijke vegetaties. Hierbij is praktijkervaring opgedaan met verschillende vormen van vegetatiebeheer.
opgesteld en gedeeld met de uitvoerende partijen. Hierin is vastgelegd in welke perioden van het jaar de maairondes en begrazingsrondes dienden plaats te vinden, en op welke wijze. De uitvoering van het beheer vond plaats in samenwerking met verschillende partijen. De werkzaamheden werden gecoördineerd door Eelerwoude. Het maaibeheer werd op het merendeel van de parken uitgevoerd door Buitenmeesters; de drukbegrazing met heideschapen door Van Driel Landschapsbeheer. In enkele parken werd het beheer verzorgd door ontwikkelaars via hun eigen beheerders. Bij de beheervlakken zijn afzettingen en informatiebordjes geplaatst. Dit was bedoeld om te voorkomen dat het reguliere beheer per ongeluk werd toegepast op de experimentele vlakken, of dat beheerbehandelingen door elkaar werden gehaald. Drie van de vier beheerbehandelingen (maaien met afvoer, maaien en maaisel laten liggen en drukbegrazing) werden op ongeveer dezelfde momenten uitgevoerd in het voor- en najaar. De vierde behandeling (resultaatgericht maaibeheer) werd op andere momenten uitgevoerd, afhankelijk van de lokale omstandigheden op het zonnepark. Het juiste moment werd daarbij telkens bepaald door het onderzoeksteam en Buitenmeesters.
In het experiment zijn de volgende vier beheerbehandelingen toegepast: 1 Maaien en maaisel laten liggen 2 Drukbegrazing met heideschapen 3 Maaien met afvoer van maaisel 4 Resultaatgericht maaibeheer (maaifrequentie afgestemd op vegetatieontwikkeling)
De uitvoering van het beheer is in de praktijk beïnvloed door uiteenlopende, deels externe omstandigheden. Zo leidden bijvoorbeeld aanhoudend natte weersomstandigheden ertoe dat op meerdere locaties maairondes (tijdelijk) niet konden worden uitgevoerd, of slechts gedeeltelijk. In enkele gevallen zijn beheervlakken onbedoeld verstoord geraakt door werkzaamheden zoals de aanleg van drainage, of is maaisel niet (volledig) verwijderd. Ook externe factoren, zoals het blauwtongvirus bij een schaapsherder, hebben in bepaalde gevallen
Aanpak beheerexperiment Voor de uitvoering van het beheerexperiment zijn op de 12 zonneparken vier beheervlakken van elk circa één hectare ingericht, waarop de vier verschillende vormen van beheer afzonderlijk zijn toegepast. Voor de uitvoering is er voorafgaand aan de opstartfase een beheerprotocol
tot uitstel of het vervallen van begrazingsrondes geleid. Al deze verstorende factoren zijn van invloed geweest op de mate waarin het effect van de behandelingen bepaald kon worden, ook omdat het experiment een beperkte duur had, en hebben ertoe geleid dat er slechts beperkt conclusies getrokken konden worden (zie hoofdstuk 4, effecten van vegetatiebeheer). Deze situaties laten wel zien hoe
Samenvatting
Het label
Resultaten flora & fauna en bodem
Richtlijnen
Over het project
1/7
Resultaten flora & fauna en bodem
3 Vegetatiebeheer gericht op herstel natuurwaarde
4 Diversiteit in vegetatie, insecten & spinnen 5 Diversiteit in zoogdieren en vogels 6 Schade aan de bodem voorkomen
13
vegetatiebeheer in zonneparken in de praktijk onder wisselende omstandigheden plaatsvindt, met invloed van terreincondities, weersomstandigheden en de samenwerking tussen verschillende partijen. Ondanks de beperkingen is er gedurende het experiment waardevolle ervaring opgedaan over de haalbaarheid, uitvoerbaarheid en ecologische effecten van verschillende vormen van vegetatiebeheer in zonneparken. Beheervormen die bijdragen aan natuurherstel Uit het onderzoek naar het effect van type vegetatiebeheer op bovenen ondergrondse biodiversiteit en bodemgezondheid, komt naar voren dat sommige beheervormen duidelijk bijdragen aan het herstel van natuurwaarden, en andere juist helemaal niet (zie hoofdstuk 4, 5 en 6
voor onderzoeksresultaten, hoofdstuk 7 voor richtlijnen voor vegetatiebeheer). Permanente begrazing of maaien waarbij het maaisel blijft liggen, dragen niet bij aan het realiseren van bloemrijke vegetaties en biodiversiteit. Juist dit zijn beheervormen die in veel zonneparken worden toegepast, omdat ze het goedkoopst zijn. Beheervormen die wél bijdragen aan natuurherstel, zijn onder andere drukbegrazing, maaien met afvoer van maaisel, en resultaatgericht maaibeheer. Dit is gerelateerd aan verschraling (door afvoeren van het maaisel) en aan het terugzetten van dominante grassoorten ten gunste van kruidenrijkere vegetatie (door de maai- of begrazingsfrequentie te beperken, en uit te voeren op de juiste momenten) (zie hoofdstuk 3, ervaringen en praktische tips).
Resultaten flora & fauna en bodem
3 Vegetatiebeheer gericht op herstel natuurwaarde
4 Diversiteit in vegetatie, insecten & spinnen 5 Diversiteit in zoogdieren en vogels 6 Schade aan de bodem voorkomen
Samenvatting
Het label
Resultaten flora & fauna en bodem
Richtlijnen
Over het project
2/7
14
Tabel 3.1 Vormen van vegetatiebeheer in zonneparken, inclusief werkwijze, en de bijdrage aan natuurwaarde.
Beheermaatregel
Draagt bij aan natuurwaarde
Uitvoering
Toelichting
Maaien en maaisel laten liggen
Nee
Maaifrequenties variëren sterk, afhankelijk van lokale voorkeuren en gewoontes. Vegetatie onder de panelen wordt niet altijd meegenomen.
Draagt niet bij aan biodiversiteit. Leidt tot verrijking van de bodem en verstikking van de vegetatie, waarbij na enkele jaren een dichte grasmat is gevormd. Ook gaan ruigtekruiden zoals brandnetels en distels domineren.
Jaarrond schapenbegrazing
Nee
De schapen staan jaarrond of bijna jaarrond in het zonnepark. Het aantal schapen is laag genoeg om de jaarronde beweiding mogelijk te maken. Vaak betreft het schapen van omwonende boeren.
Draagt niet bij aan biodiversiteit. Schapen (of andere grazers) kunnen selectief grazen. Dominerende grassen blijven staan terwijl kruiden en bloemhoofdjes selectief worden weggegraasd. Houtige, minder smakelijke plantensoorten blijven staan, waardoor vaak met de hand bijgemaaid wordt.
Drukbegrazing of roulerende begrazing
Ja
Een grote kudde schapen (bijvoorbeeld heideschapen) wordt op een relatief klein oppervlakte gelaten gedurende een beperkte tijd.
Gunstig voor biodiversiteit. Bij drukbegrazing wordt de gehele vegetatie in een beperkte tijdspanne kortgegraasd, waardoor grassen niet de overhand kunnen krijgen; ook al worden er minder nutriënten uit het systeem verwijderd dan bij maaien en afvoeren. De schapen kunnen niet selectief grazen, waardoor ook de minder smakelijke planten worden kortgegraasd en ook de vegetatie onder de panelen. Hiervoor is inzet van specifieke rassen met name effectief (bv. heideschapen).
3 Vegetatiebeheer gericht op herstel natuurwaarde
Als bijkomend voordeel wordt drukbegrazing in grote parken in de praktijk altijd gefaseerd uitgevoerd, waardoor vegetatie op niet-begraasde delen langer blijft staan.
5 Diversiteit in zoogdieren en vogels
Dichtheid (aantal schapen/ha) en aantal begrazingsrondes afhankelijk van vegetatie, maar ligt rond 125-150 schapen / ha. Richtlijn periodes: eind mei, mid augustus, en/of eind september/begin oktober. Graasbeheerplan richten op hoeveelheid bloemen in juni-augustus.
Maaien met afvoer van maaisel
Ja
Tussen begrazingsrondes in liggen minimaal 4 weken (om bloei van vegetatie te garanderen) maar bij voorkeur 8 weken (om ook zaadzetting mogelijk te maken).
Effectief bij juiste aantallen schapen, begrazingsduur en timing; tijdelijk toepassen voor gewenste effecten.
Maaien met cyclomaaier of maaibalk.
Gunstig voor biodiversiteit.
Frequentie: 1-3 maairondes per jaar; afhankelijk van productiviteit.
Gunstig voor de ontwikkeling naar een bloemrijke vegetatie, omdat de dominantie van enkele dominante grassoorten doorbroken wordt, ten gunste van kruiden en van andere grassoorten. Maaien en afvoeren leidt bovendien tot verschraling (vermindering voedselrijkdom van de bodem), wat dit proces bevordert.
Maaien in 2de helft mei en/of in 1ste helft september. In het voorjaar is later maaien beter indien er vogels broeden in het park. Altijd 10-30% van het onbeschaduwde oppervlak ongemaaid laten. Afvoeren van maaisel binnen een week na het maaien. Vegetatie onder panelen kan blijven liggen, maar maaisel tussen de panelen mag niet onder de panelen gelegd worden. Praktisch haalbaar mits afgestemd op terreincondities. Resultaatgericht maaibeheer (flexibele uitvoering)
Ja
Samenvatting
Als maaien en afvoeren, maar frequentie en periode zijn flexibel, afhankelijk van vegetatiegroei. Vraagt monitoring.
Het label
Resultaten flora & fauna en bodem
Resultaten flora & fauna en bodem
4 Diversiteit in vegetatie, insecten & spinnen
6 Schade aan de bodem voorkomen
Insecten kunnen overwinteren in overstaande vegetatie. Leefgebied voor kleine zoogdieren. Wanneer beheer met schapen niet mogelijk is, is dit (en ook resultaatgericht beheer) de enige beheervorm die bijdraagt aan een soortenrijke vegetatie. Resulteert in grotere variatie in vegetatiestructuur en een langere bloeiboog.
Richtlijnen
Over het project
3/7
15
De inzichten uit het beheerexperiment zijn door Eelerwoude samengebracht in praktische richtlijnen en aanbevelingen voor ontwerp, beheer en monitoring van zonneparken. Hiermee wordt voorzien in handvatten voor zowel ontwikkelaars en beheerders als vergunningverlenende instanties, zoals gemeenten. Door kennis te delen en afstemming te stimuleren, wordt gewerkt aan zonneparken die aantoonbaar bijdragen aan biodiversiteit en bodemgezondheid. De belangrijkste bevindingen uit het beheerexperiment zijn in 2023 en 2024 gepresenteerd op EcoCertified-bijeenkomsten en presentaties, en ook op diverse bijeenkomsten van het Consortium Zon in Landschap.
Ervaringen met en praktische tips voor beheer in zonneparken Tijdens de uitvoering van het project zijn in samenwerking met beheerders, ontwikkelaars en onderzoekers waardevolle inzichten opgedaan over de dagelijkse praktijk van vegetatiebeheer in zonneparken. Deze ervaringen komen voort uit zowel het beheerexperiment als de kennisuitwisseling met betrokken partijen. Het beheerexperiment bevestigt dat natuurgericht vegetatiebeheer op zonneparken zeker mogelijk is, mits rekening wordt gehouden met ontwerp en terreincondities. Zo bleek onder andere dat maaien in combinatie met afvoer van het maaisel in veel gevallen goed uitvoerbaar is, en daarmee een praktisch haalbare beheeroptie vormt die bovendien positief bijdraagt aan het bereiken van biodiversiteitsdoelen. Hieronder volgt een samenvattend overzicht van de belangrijkste constateringen. De punten staan onafhankelijk van elkaar genoteerd en in willekeurige volgorde; er is dus geen bewuste onderlinge samenhang of volgorde aangebracht. Voor een nadere toelichting op de richtlijnen en aanbevelingen voor ontwerp wordt verwezen naar het praktisch- beheer-rapport, dat met dit doel geschreven is (Forouzan Fard et al. 2025).
Samenvatting
Het label
Groenbeheer in het algemeen • In de praktijk blijkt dat het succes van het beheer sterk afhangt van een doordacht beheerplan. Ook het afstemmen van werkzaamheden op lokale omstandigheden is essentieel. Wanneer beheerplannen niet worden nageleefd, of wanneer beheer strak volgens schema wordt uitgevoerd zonder rekening te houden met de actuele situatie, ontstaan ongewenste effecten. Denk hierbij aan spoorvorming of de verspreiding van ongewenste vegetatie naar omliggende gebieden. Monitoring van de uitvoering is daarom noodzakelijk om tijdig bij te sturen en het beheer blijvend effectief te houden. Maaien • In goed ingerichte zonneparken blijkt het maaien van werkgangen en open ruimtes in veel gevallen praktisch haalbaar. Maaien met afvoer van maaisel is bovendien een effectieve beheervorm die positief bijdraagt aan het behalen van biodiversiteitsdoelstellingen. • Toch vraagt het maaibeheer om aandacht voor verschillende praktische aspecten. Zo ontstaat onder zonnepanelen vaak opslag van houtige planten op plekken waar de maaier niet bij kan. In deze zones is maaien alleen onvoldoende effectief. Het inzetten van begrazing of robotmaaiers kan hier uitkomst bieden om opslag van houtige gewassen te voorkomen. • Daarnaast functioneren robotmaaiers en grote machines niet altijd goed op natte of moeilijk begaanbare zonneparken.
In dergelijke omstandigheden kunnen zij schade aan de bodem veroorzaken of vastlopen. Een zorgvuldige afweging is daarom noodzakelijk: voer maaiwerkzaamheden uit bij voldoende droge omstandigheden, of kies voor lichte machines of begrazing als alternatief. • Bij het maaien zelf is het van belang rekening te houden met fauna. Het maaien van grote vlakken in één werkgang en rechte banen kan leiden tot het verdwijnen van schuilplekken, wat schadelijk is voor de biodiversiteit. Gefaseerd maaien biedt kansen om structuurvariatie te behouden, waardoor dieren zich kunnen verplaatsen
Resultaten flora & fauna en bodem
3 Vegetatiebeheer gericht op herstel natuurwaarde
4 Diversiteit in vegetatie, insecten & spinnen 5 Diversiteit in zoogdieren en vogels 6 Schade aan de bodem voorkomen
of schuilen binnen het terrein. • Faunacontrole voorafgaand aan het maaien is daarbij noodzakelijk. Het vooraf controleren van het terrein op aanwezige vogelnesten, reekalfjes of ander kwetsbaar wild helpt schade aan fauna te voorkomen. Indien nodig kan de maaimethode of planning worden aangepast.
Resultaten flora & fauna en bodem
Richtlijnen
Over het project
4/7
16
Begrazen • Bij de inzet van schapenbegrazing is de keuze van het ras en het aantal dieren per hectare van groot belang. Niet alle schapenrassen zijn geschikt voor begrazing op zonneparken. Het is belangrijk te kiezen voor schapen die zich goed kunnen handhaven in het terrein en die ook minder favoriete plantensoorten eten. • Voorbeelden van geschikte rassen zijn het Kempisch heideschaap (Brabant), het Veluws heideschaap (Veluwe), maar ook rassen als de Schoonebeeker, Mergellander, Maasduiner en het Groot Heideschaap. Het Drents heideschaap wordt afgeraden vanwege de hoorns, die risico’s kunnen opleveren voor schade aan panelen of kabels. • Kies daarnaast altijd voor een kudde waarvan de dieren zijn ingeschreven bij het betreffende stamboek. Hiermee wordt bijgedragen aan het behoud van cultureel erfgoed en aan de inzet van raszuivere, gekeurde dieren die geschikt zijn voor dit type beheer. • Het aantal schapen per hectare dient afgestemd te worden op de bodemkwaliteit, het vegetatietype en de groeiseizoenen. In zonneparken ligt het aantal op 125-150 schapen per ha. Houd bij de inzet ook rekening met variaties in gewasgroei door bijvoorbeeld droogte of natte perioden. • Het gebruik van wolvenrasters vraagt om een zorgvuldige plaatsing en goed onderhoud, om ontsnappingen te voorkomen en tegelijkertijd te voorkomen dat wolven het terrein betreden.
Richtlijnen en aanbevelingen voor beheervriendelijk ontwerp Tijdens het beheerexperiment is ervaring opgedaan op zonneparken met uiteenlopende ontwerpen. Waar sommige parken beheervriendelijk bleken ingericht, vormden andere juist knelpunten voor een efficiënte uitvoering van het beheer. De opgedane praktijkervaring maakt duidelijk dat het ontwerp van een zonnepark in hoge mate bepaalt hoe effectief en kostenefficiënt het beheer kan plaatsvinden. Keuzes met betrekking tot de constructie, zoals de positionering van dwarsbalken, de breedte van werkgangen en de ruimte rondom installaties, hebben direct invloed op de inzet van machines, de benodigde tijd en de beheerkosten.
Samenvatting
Het label
Een beheervriendelijk ontwerp voorkomt intensieve inzet van kleine of handmatige middelen, waardoor de kosten dalen. Het maakt het bovendien mogelijk om het beheer op een efficiënte en veilige wijze uit te voeren. Dit vraagt om ontwerpkeuzes die afgestemd zijn op gangbare beheermethoden, zowel bij maaien als bij begrazing. In deze paragraaf lichten we de richtlijnen en aanbevelingen toe met betrekking tot het ontwerp en het beheer van vegetatie in zonneparken. Deze zijn opgesteld op basis van praktijkervaringen uit het beheerexperiment. Beheervriendelijke inrichting voor maaien Het efficiënt uitvoeren van maaibeheer wordt in de praktijk vaak belemmerd door de aanwezigheid van obstakels in maaigangen, laaghangende dwarsbalken onder panelen en een oneffen of natte ondergrond. Dit leidt tot verhoogde tijdsbesteding, kosten en risico’s op schade aan bodem en materieel. Daarnaast hebben bodemverdichting en insporing door zwaar materieel langdurige negatieve effecten op de toegankelijkheid van het terrein voor beheer met verschillende typen machines. Ook loshangende kabels en de noodzaak om dicht langs constructiedelen te maaien, verhogen het risico op schade of incidenten. Het effectief inzetten van elektrisch aangedreven maaimachines vraagt bovendien om laadinfrastructuur op locatie.
Resultaten flora & fauna en bodem
3 Vegetatiebeheer gericht op herstel natuurwaarde
4 Diversiteit in vegetatie, insecten & spinnen 5 Diversiteit in zoogdieren en vogels 6 Schade aan de bodem voorkomen
Een beheervriendelijke inrichting zorgt ervoor dat het maaien zo efficiënt mogelijk kan worden uitgevoerd, met minimale impact op het terrein en tegen beheersbare kosten. De toegankelijkheid van het terrein voor machines is daarbij bepalend. De belangrijkste aandachtspunten voor een maaivriendelijke inrichting zijn: 1 Voorkom obstakels in maaigangen. Plaats geen obstakels in werkgangen tussen panelen, zoals transformator- of omvormerkasten, dockingstations of oplaadpunten. Deze belemmeren een efficiënte doorgang van maaimachines, wat leidt tot meer tijd, rijbewegingen en hogere kosten. 2 Plaats geen dwarsbalken of schoren onder paneelstellingen.
Resultaten flora & fauna en bodem
Richtlijnen
Over het project
5/7
17
Dwarsbalken en schoren onder panelen verhinderen de doorgang van maaimachines, verhogen de maaitijd en leiden tot extra kosten. Houd bij het ontwerp van de installatie rekening met voldoende doorgang voor maaien. 3 Voorkom bodemverdichting en insporing. Verdichting en insporing van de bodem, vaak door zware machines bij aanleg, hebben langdurige negatieve gevolgen voor beheer en toegankelijkheid. Voorkom dit door alleen op droge bodems te werken en zwaar materieel zo veel mogelijk te beperken. Bij verdichting en insporing is herstel noodzakelijk, al is dit in de praktijk vaak lastig of kostbaar. 4 Zorg voor een egale, goed begaanbare ondergrond. Een vlakke en droge ondergrond voorkomt schade aan machines en maakt het beheer efficiënter. Werk oneffenheden weg en voorkom ophoping van maaisel. In moeilijk begaanbare of natte parken is begrazing soms een beter alternatief. 5 Zorg dat kabels goed zijn weggewerkt. Loshangende kabels vormen een risico op brand en schade, vooral bij gebruik van maaiers met open messen. Werk kabels strak tegen panelen of palen weg, of integreer ze in steunconstructies zodat veilig maaien mogelijk is. 6 Zorg voor laadmogelijkheden voor elektrisch aangedreven maaimachines. Voor effectief gebruik van elektrische maaimachines is een oplaadpunt op het zonnepark nodig. Richt het park zo in dat minimaal één krachtstroomaansluiting beschikbaar is.
Het aantal laadpunten hangt af van het materieeltype en de parkgrootte. 7 Houd het terrein vrij van afval en restmaterialen. Het zonnepark dient vrij te zijn van afval, zoals kabelresten, verpakkingsmaterialen of andere losse objecten. Deze kunnen schade veroorzaken aan maaimachines of verstoringen geven tijdens het beheer. Controleer het terrein voorafgaand aan de werkzaamheden en verwijder aanwezige restmaterialen.
Beheervriendelijke inrichting voor begrazen Bij de inzet van schapenbegrazing is een ‘schaapproof’ inrichting van het zonnepark essentieel. Scherpe randen, loshangende kabels en onbeveiligde technische installaties kunnen letsel bij dieren of schade aan installaties veroorzaken. Ook is een goed afgesloten hekwerk noodzakelijk om ontsnappingen te voorkomen. Daarnaast is een permanente drinkwatervoorziening onmisbaar voor het dierenwelzijn.
8 Zorg voor voldoende breedte tussen de tafels zodat er een maaimachine tussen past. Wanneer alternatieve maaimachines voorhanden zijn die met smallere rij-afstanden overweg kunnen, vervalt deze noodzaak. 9 Zorg voor een voldoende grote draaicirkel aan het einde van de rij, zodat een maaimachine kan omkeren.
nue beschikbaarheid van vers drinkwater, bijvoorbeeld via een poel, is noodzakelijk voor het welzijn van de dieren, zeker in droge of warme perioden.
Samenvatting
Het label
De belangrijkste aandachtspunten voor schaapbestendige inrichting zijn: 1 Werk scherpe randen weg. Voorkom verwondingen bij schapen door ervoor te zorgen dat er geen scherpe randen aan stellingen of andere constructiedelen aanwezig zijn voordat begrazing plaatsvindt. 2 Bevestig kabels stevig. Loshangende kabels vormen een risico op verwondingen of schade. Zorg dat kabels goed weggewerkt zijn en stevig bevestigd, zodat schapen er niet bij kunnen. 3 Scherm technische installaties af. Omvormers en andere kwetsbare installaties moeten goed worden afgeschermd, bijvoorbeeld met een hekwerk, om beschadiging en letsel te voorkomen. 4 Bevestig hekwerk correct tot aan de grond. Zorg dat het hekwerk maximaal 10 cm boven de grond is bevestigd, zodat schapen er niet onderdoor kunnen kruipen. Overweeg waar nodig het gebruik van een stroomlint aan de onderzijde om ontsnappingen te voorkomen. 5 Gebruik geen schapen jonger dan één jaar bij panelen van 60 cm hoogte of lager. Lammeren jonger dan één jaar kunnen op panelen klimmen bij lage paneelhoogtes, wat schade kan veroorzaken. Een minimale paneelhoogte van 60 cm is daarom aanbevolen. 6 Bevestig het hekwerk aan de binnenzijde van palen. Door het hekwerk aan de binnenkant van de palen te bevestigen, wordt voorkomen dat schapen het hek losduwen of beschadigen. 7 Zorg voor een permanente drinkwatervoorziening. Een conti-
Resultaten flora & fauna en bodem
Richtlijnen
Over het project
6/7
Resultaten flora & fauna en bodem
3 Vegetatiebeheer gericht op herstel natuurwaarde
4 Diversiteit in vegetatie, insecten & spinnen 5 Diversiteit in zoogdieren en vogels 6 Schade aan de bodem voorkomen
18
Tot slot: belangrijke opmerkingen Zowel bij maaien als bij begrazing blijkt een beheervriendelijk ontwerp essentieel om het beheer efficiënt, kosteneffectief en veilig uit te kunnen voeren. Ontwerpkeuzes, zoals de constructie, de inrichting van werkgangen en de positionering van installaties, hebben directe invloed op de uitvoerbaarheid van het beheer én op het realiseren van de gewenste natuurwaarden en bodemgezondheid.
Resultaten flora & fauna en bodem
De praktijkervaringen uit het beheerexperiment laten zien dat zorgvuldig beheer, afgestemd op terreincondities en lokale omstandigheden, een belangrijke bijdrage kan leveren aan deze doelen. Maar het behalen én behouden van die bijdrage vraagt meer dan alleen een goede inrichting en uitvoering.
3 Vegetatiebeheer gericht op herstel natuurwaarde
4 Diversiteit in vegetatie, insecten & spinnen
Een blijvende, aantoonbare impact op biodiversiteit en bodemgezondheid vraagt om structurele monitoring van het beheer. Door periodiek te volgen wat het effect is van de toegepaste maatregelen, en het beheer waar nodig bij te stellen, kunnen de beheerdoelen worden geborgd (zie ook hoofdstuk 10, terminologie). Zo kan ook worden aangetoond dat het zonnepark daadwerkelijk bijdraagt aan deze ecologische doelen.
Samenvatting
Het label
Resultaten flora & fauna en bodem
5 Diversiteit in zoogdieren en vogels 6 Schade aan de bodem voorkomen
Richtlijnen
Over het project
7/7
19
4
Diversiteit in vegetatie, insecten & spinnen
Resultaat 3a. Lead WUR De bovengrondse biodiversiteit in zonneparken wordt bepaald door de uitgangssituatie, de inrichting en het beheer van het zonnepark. Daarnaast hebben natuurinclusieve zonneparken potentie voor het leveren van ecosysteemdiensten zoals bestuiving in de directe omgeving. In dit resultaat is gekeken naar de diversiteit in vegetatie, insecten en spinnen.
Waarde van de zonneparken voor insectendiversiteit
dat er kansen zijn voor soorten in de specifieke omstandigheden die aanwezig kunnen zijn in zonneparken. Zo zijn er specifieke soorten aangetroffen die houden van de natte omstandigheden die ontstaan onder de zonnepanelen, door een veranderde verdeling van licht en vocht, en door de bodemverdichting tijdens installatie. Daarnaast is het belangrijk om op te merken dat dit vergelijk enkel opgaat voor de vegetatie tussen en rondom de panelen, terwijl een zeer groot gedeelte van de vegetatie in een zonnepark zich bevindt onder zonnepanelen en voorlopige resultaten wijzen op 70% minder insecten onder de panelen dan ertussenin. De resultaten van dit onderzoek zijn opgeschreven in een artikel dat momenteel in review is bij een wetenschappelijk tijdschrift.
De waarde van zonneparken voor insectendiversiteit is afhankelijk van de uitgangssituatie en de inrichting. Zo is de potentie van een zonnepark om een meerwaarde voor biodiversiteit te geven, hoger wanneer er voorheen vrijwel geen biodiversiteit aanwezig was. Om een goed beeld te krijgen van de huidige biodiversiteitsniveaus van zonneparken, zijn in 2022 inventarisaties van vegetatie, insecten en spinnen gedaan in 18 zonneparken. Daarbij zijn dezelfde inventarisaties gedaan in nabijgelegen agrarische intensief beheerde graslanden (vertrekvegetatie – negatieve controle) en in extensieve graslanden (doelvegetatie – positieve controle). Er is hierbij gekeken naar vegetatie, bloembeschikbaarheid, wilde bijen, zweefvliegen, dagvlinders, en naar arthropoden uit de bodem. Uit dit onderzoek blijkt dat deze zonneparken voor de meeste onderzochte soortgroepen qua dichtheden en soortenrijkdom de waarden van extensieve graslanden benaderen, en hoger zijn dan intensieve graslanden. Maar met name
Tijdens het project zijn de soorten van alle gevangen spinnen door een expert bevestigd. Daarbij is een nieuwe spinnensoort (Diplocephalus graecus) voor Nederland ontdekt (Kocsis & Schnerch 2024). Deze soort was vanwege klimaatsverandering en waarnemingen in omringende landen al enigszins verwacht, en werd in een agrarisch intensief beheerd grasland gevangen.
vlinders, en bodembewonende arthropoden lopen qua aantallen en soortenrijkdom duidelijk achter, en zonneparken lijken voor deze soortgroepen het meest op intensieve graslanden. De soortensamenstellingen van de onderzochte groepen in de zonneparken zijn een mengelmoes van die van zowel intensieve als extensieve graslanden, wat suggereert dat de gemeenschappen nog in ontwikkeling zijn, en
tatie gemonitord. De uitvoer van het beheer is door veel verschillende oorzaken anders gelopen dan gepland, waardoor in vrijwel elk park serieuze twijfels zijn of de respons van insecten en vegetatie direct aan de beheervorm gekoppeld kunnen worden. Zo konden er bijvoorbeeld in sommige beheervlakken hele maairondes niet gemaaid worden door natte omstandigheden, zijn beheervlakken bewerkt voor
Samenvatting
Het label
Resultaten flora & fauna en bodem
3 Vegetatiebeheer gericht op herstel natuurwaarde
4 Diversiteit in vegetatie, insecten & spinnen 5 Diversiteit in zoogdieren en vogels 6 Schade aan de bodem voorkomen
Effecten van vegetatiebeheer op insectendiversiteit In hoofdstuk 3 is het beheerexperiment besproken. Gedurende de loop van het beheerexperiment zijn in elk beheervlak, in zowel de rand van het zonnepark (natuurlijke strook rondom de zone met zonnepanelen) als in de rijen tussen zonnepanelen insecten en vege-
Resultaten flora & fauna en bodem
Richtlijnen
Over het project
1/4
20
het aanleggen van drainage, is maaisel niet (effectief) verwijderd, of is er gemaaid na een begrazingsronde. Hoewel het experiment zeer veel praktische wijsheid heeft opgeleverd over vegetatiebeheer in zonneparken (zie hoofdstuk 3), is het voor goed onderbouwde conclusies over de effecten van beheervormen in zonneparken op insecten en vegetatie een probleem. In tussentijdse analyses zijn door de enorme variatie in uiteindelijk beheer geen structurele verschillen gevonden tussen de beheervormen wat betreft insecten en vegetatie. Wel komt uit die tussentijdse analyses naar voren dat soortenrijkdom van de vegetatie en een grotere structuurvariatie (bijvoorbeeld afwisseling tussen hoge kruiden, lage kruiden en grassen) gunstig zijn voor de insecten, en dat meer bloemen beter is voor bestuivers. Om toch een uitspraak te kunnen doen over welke beheervormen gunstig zijn voor insecten en vegetatie, is op basis van inzichten uit wetenschappelijke literatuur en met inachtneming van de praktische bezwaren voor vegetatiebeheer in zonneparken, bepaald welke beheervormen naar verwachting het best presteren voor de bovengrondse biodiversiteit. Voorafgaand aan het experiment is reeds besloten dat gefaseerd vegetatiebeheer minimaal noodzakelijk is om te zorgen voor meer variatie in vegetatiestructuur, voor een langere bloeiboog, en voor overwintering van insecten in overstaande vegetatie.
Voor een gunstig beheer voor insecten is het noodzakelijk een soortenrijke en bloemrijke vegetatie te hebben. Om de minder competitief sterke gras- en kruidsoorten een kans te geven, is het nodig om de dominantie van enkele dominante grassoorten (bijvoorbeeld Engels raaigras, gestreepte witbol) te doorbreken. Jaarrond begrazing met een lage dichtheid begrazers (vaak schapen) is voorafgaand aan het experiment al afgeschreven als optie voor een gunstige beheervorm, omdat zij een beperkte capaciteit hebben om dominerende grassen weg te eten, en omdat schapen vaak de kruiden en bloemhoofden selectief weggrazen. Maaien waarbij het maaisel niet wordt afgevoerd zorgt voor verrijking van de bodem en verstikking van de vegetatie, waarbij na enkele jaren een dichte grasmat is gevormd, met ruigtekruiden zoals brandnetels en distels. Maaien en afvoeren van het maaisel heeft dit effect niet, en is daarom gunstig voor de ontwikkeling naar een bloemrijke vegetatie. De frequentie van het maaien en afvoeren hangt af van de voedselbeschikbaarheid in de bodem, met als vuistregel dat op voedselrijke