12.b De Steeg 7_TOELICHTING.pdf
Tekst van het document
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten die toestaan dat: a. percelen voor specifieke stedelijke functies bestemmingen een andere stedelijke functie krijgen, niet zijnde permanente bewoning van een recreatiewoning, kantoor of detailhandel, onder de voorwaarde dat de functiewijziging naar aard en omvang, op basis van een integrale afweging, niet leidt tot vergroting van de locatie en tot een toename van de invloed op de omgeving, dat bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden behouden en dat omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd; b. stedelijke functies worden uitgebreid met maximaal 20% van de bebouwingsmogelijkheden onder het vigerende planologisch regime. Van deze maximale uitbreiding kan afgeweken worden mits er sprake is van een economische noodzaak. Ook het bestemmingsvlak kan worden uitgebreid indien er sprake is van een economische noodzaak. 2. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing, waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Sub a) Het perceel De Steeg 7 is binnen het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg 2010' bestemd voor verblijfsrecreatie in de vorm van een groepsaccommodatie.
In de beoogde nieuwe situatie is er nog steeds sprake van een verblijfsrecreatieve functie, maar wordt deze uitgebreid in de vorm van een groepsaccommodatie gecombineerd met een kleinschalige natuurcamping. Er is geen sprake van permanente bewoning van een recreatiewoning, kantoor of detailhandel. De locatie (het bestemmingsvlak) wordt met onderhavig initatief niet vergroot. Door gebruik te maken van gronden die reeds bestemd zijn ten behoeve van verblijfsrecreatie en als zodanig mogen worden ingericht, worden negatieve effecten op de omgeving zoveel mogelijk voorkomen. De betreffende gronden kunnen immers reeds worden gebruikt voor bijvoorbeeld een sportveld behorende bij de bestaande groepsaccommodatie. Bij het voorgaande is ook de stevige erfbeplanting aan de randen van het plangebied van belang. Voor het overige wordt verwezen naar de samenvatting van de ruimtelijke gevolgen, zoals uiteengezet in paragraaf 2.4. Daarin komt tevens naar voren dat met het beoogde initiatief de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden niet alleen worden behouden, maar zelfs worden versterkt.
Dit onder meer door herstel van het oude bakhuis, het terugbrengen van de voormalige boomgaard en het versterken van de landschappelijke structuur van het kampenlandschap door een passende landschappelijke inpassing Tot slot geldt dat omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. Verwezen wordt naar paragraaf 4.7.
De Steeg 7
27
Sub b) Onderhavig initiatief leidt niet tot een uitbreiding van het bestemmingsvlak. Er wordt gebruik gemaakt van het reeds als verblijfsrecreatief bestemd terrein. Voor wat betreft de groepsaccommodatie blijft het volledige hoofdgebouw hiervoor in gebruik en wordt de planologische situatie hiermee in overeenstemming gebracht. De nieuw te bouwen bedrijfswoning wordt ter plaatse van de huidige melkschuur gerealiseerd. Het realiseren van de natuurcamping leidt, door het toestaan van maximaal 10 kampeerhuisjes en bijbehorende voorzieningen, tot een toename van de bouwmogelijkheden. Dit betreft echter een nieuwe functie die vanwege economische noodzaak wordt toegevoegd aan de activiteiten van Hofstede Hooybroeck. Hofstede Hooybroeck is momenteel nog onderdeel van de activiteiten van een groter geheel, genaamd 'De Boerenstee'. Het doel is om in de komende jaren Hofstede Hooybroeck als zelfstandige ondernemening door te laten gaan en los te koppelen van de Boerenstee. Om de onderneming op die manier levensvatbaar te maken is het van belang het concept op een goede manier neer te zetten en uit te breiden. De nieuwe functie in de vorm van een kleinschalige natuurcamping is daarmee nodig voor de continuïteit van het bedrijf. Ter onderbouwing hiervan is een vertrouwelijke kosten-batenanalyse opgesteld.
Inhoudsmaat nieuwe woningen In artikel 9.4 van de Interim omgevingsverordening is gesteld dat de maximale inhoudsmaat van woningen in het landelijk gebied goed inpasbaar moeten zijn. In de toelichting op dit artikel is aangegeven dat gedacht moet worden aan een inhoudsmaat van 600 tot 800 m³. Voor de nieuwe bedrijfswoning geldt een maximale inhoudsmaat van 600 m3, inclusief aan- en uitbouwen. Dit conform de standaard van het huidige bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg 2010' alsook de huidige planologische mogelijkheden op het perceel De Steeg 7. De nieuwe bedrijfswoning wordt landschappelijk ingepast als onderdeel van de nieuwe erfopzet. Voor wat betreft de noodzaak van de nieuwe bedrijfswoning wordt verwezen naar subparagraaf 2.3.1.
Uitsnede kaart 'Wonen, werken en recreëren kaart 1' (Bron: Interim Omgevingsverordening)
De Steeg 7
28
Recreatiewoningen Artikel 9.6 van de Interim omgevingsverordening schrijft voor dat een bestemmingsplan bestemmingen en regels dient te bevatten die het recreatief gebruik van recreatiewoningen en bijbehorende gronden garanderen en omvorming van deze recreatiewoningen en gronden ten behoeve van permanente bewoning uitsluiten. In de regels van onderhavig bestemmingsplan is dit geborgd. Overstroombaar gebied Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het plangebied is gelegen in een overstroombaar gebied. Met betrekking tot deze gronden stelt artikel 2.10 van de Interim omgevingsverordening dat een bestemmingsplan bestemmingen en regels bevat die rekening houden met overstromingsrisico's. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks is dit ook van toepassing op individuele woningen en bedrijven. Door een goed bedachte locatiekeuze en inrichting kunnen gevolgen van een overstroming aanzienlijk beperkt worden. In dit kader is de ‘Handreiking Overstromingsrobuust Inrichten’ opgesteld. Bij het verdere ontwerp van het erf wordt rekening gehouden met de richtlijnen zoals gesteld in de handreiking om gebieden met overstromingsrisico’s veiliger te maken.
Uitsnede kaart 'Watersysteem kaart 2' (Bron: Interim Omgevingsverordening) Beschermingszone drinkwaterwinning Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het plangebied is gelegen in een beschermingszone drinkwaterwinning met een matig kwetsbare strategische grondwatervoorraad. Met betrekking tot deze gronden stelt artikel 3.11 van de Interim omgevingsverordening dat een bestemmingsplan rekening houdt met de bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de drinkwaterwinning. Onderhavig plan voorziet, net als in de huidige situatie, in een verblijfsrecreatieve functie wat geen verontreinigingsrisico met zich mee brengt. De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de Interim omgevingsverordening.
De Steeg 7
29
Uitsnede kaart 'Ondergrond en bodem kaart 1' (Bron: Interim Omgevingsverordening) CHS - militair erfgoed De locatie De Steeg 7 is deels gelegen in 'militair erfgoed'. Volgens artikel 7.7 van de Interim omgevingsverordening dient in een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen in de Cultuurhistorische hoofdstructuur rekening te worden gehouden met de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur en worden regels gesteld ter bescherming en benutting van deze waarden. In de toelichting op artikel 7.7 wordt aangegeven dat het uitgangspunt behoud door ontwikkeling is. Er is ruimte voor ontwikkelingen, inclusief verstedelijking, gericht op het creëren van economische kostendragers als deze bijdragen aan het herstel van de cultuurhistorische waarde van de buitenplaatszone of het militaire erfgoed. Denk aan kleinschalige stedelijke functies en/of bebouwing. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in de Grebbelinie is het behouden van de openheid van de voormalige inundatiegebieden en de samenhang tussen de elementen van de linie (strategisch landschap, watermanagement en de militaire attributen) van groot belang. De linies bepalen de ontwikkelingsrichting en de vorm van de verstedelijking en de grootschalige infrastructuur. Uit de toelichting van dit bestemmingsplan blijkt dat rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarden van de Grebbelinie.
Verwezen wordt naar hoofdstuk 2 en paragraaf 4.3. Daarnaast draagt onderhavig initiatief bij aan het beleefbaar maken van het cultureel erfgoed van de Grebbelinie. Ten behoeve van de bescherming van de waarden van het Grebbelinielandschap wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Grebbelinielandschap' uit het inpassingsplan 'Grebbelinielandschap', overgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Daarnaast ligt de locatie De Steeg 7 in de 'uitzondering verstedelijkingsverbod Landelijk gebied'. Artikel 7.8 bepaalt dat in afwijking van het verstedelijkingsverbod voor het landelijk gebied een bestemmingsplan verstedelijking kan toestaan in het Militair erfgoed, onder de voorwaarde dat de verstedelijking: a. kleinschalig is; b. gericht is op het creëren van economische kostendragers ten behoeve van het behoud, herstel of de versterking, of een combinatie hiervan, van de cultuurhistorische waarde van de Historische buitenplaatszone dan wel het Militair erfgoed; en
De Steeg 7
30
c. zorgvuldig wordt ingepast in de omgeving. Onderhavig initiatief kan onder dit artikel worden geschaard. Met inachtneming van de reeds bestaande planologische mogelijkheden op het perceel De Steeg 7, is er sprake van kleinschalige verstedelijking. Door de ligging op zeer korte afstand van de Grebbelinie, draagt het initiatief bij aan het beleefbaar maken van het cultureel erfgoed van de Grebbelinie. De ambitie is om een actitiviteit te realiseren voor de gasten om zo ook een stuk cultuurhistorie/erfgoed tot leven te brengen en de omgeving hier goed bij te betrekken. Daarnaast wordt met initiatief bijgedragen aan het vergroten van het contrast tussen de open aanvalszijde (oostkant van de liniedijk) van de Grebbelinie en de besloten verdedigingszijde (westkant van de liniedijk) van de Grebbelinie. Daarmee is het initiatief passend binnen de uitgangspunten, zoals die gelden voor het deelgebied 'besloten linie' waar het plangebied deels onderdeel van uitmaakt. Verwezen wordt naar paragraaf 2.1 en 4.3.
Uitsnede kaart 'Cultuurhistorie en landschap kaart 1' (Bron: Interim Omgevingsverordening) Landschap Gelderse Vallei Het plangebied is gelegen in het Landschap Gelderse Vallei. Met betrekking tot deze gronden stelt artikel 7.9 van de Interim omgevingsverordening dat een bestemmingsplan bestemmingen en regels bevat ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten en geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. De kernkwaliteiten voor het landschap Gelderse Vallei zijn als volgt: 1. rijk gevarieerde kleinschaligheid; 2. Stelsel van beken, griften en kanalen; 3. Grebbelinie; 4. overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank). Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van de Gelderse Vallei verschillende accenten. Onderhavig initiatief houdt rekening met de kernkwaliteiten en versterkt deze. Door te voorzien
De Steeg 7
31
in stevige erfbeplanting, wordt het contrast tussen openheid en beslotenheid vergroot. Daarmee leidt het initiatief tot een versterking van het kampenlandschap en de bijbehorende rijk gevarieerde kleinschaligheid. Ook de kernkwaliteiten van de Grebbelinie worden versterkt door het contrast te vergroten tussen de open aanvalszijde (oostkant van de liniedijk) van de Grebbelinie en de besloten verdedigingszijde (westkant van de liniedijk) van de Grebbelinie. Verwezen wordt naar paragraaf 2.1 en 4.3. Conclusie Onderhavig initiatief voorziet in een uitbreiding van de verblijfsrecreatieve activiteiten van Hofstede Hooybroeck. Het initiatief draagt bij aan de ambities ten aanzien van recreatie en toerisme, zoals verwoord in de Omgevingsvisie. Verder is uiteengezet dat het initiatief voldoet aan de regels uit de Interim omgevingsverordening. Het initiatief is dan ook passend binnen het beleid van de provincie Utrecht. 3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie Woudenberg 2030 (inclusief oplegger 2019)
Op 23 mei 2013 heeft de gemeenteraad van Woudenberg de Structuurvisie Woudenberg 2030 vastgesteld. Op 24 januari 2019 is daarbij ook de oplegger vastgesteld. In de ruimtelijke visie wordt aangegeven hoe de gemeente denkt over de ruimtelijke invulling voor het wonen, werken en recreëren voor de jaren tot 2030. Met de oplegger is geconstateerd dat de huidige structuurvisie op hoofdlijnen nog voldoet, wel is deze geactualiseerd op een aantal onderdelen. In de Structuurvisie worden de volgende thema's beschreven: landschap en groen, wonen, economie, recreatie, verkeer, maatschappelijke voorzieningen. De relevante thema's voor onderhavige ontwikkeling zijn 'landschap en groen' en 'recreatie'. Onderstaand wordt ingegaan op de betreffende thema's en worden de overige relevante zaken benoemd uit de Structuurvisie. Landschap en groen Ten aanzien van het thema 'landschap en groen' staat over cultuurhistorie en erfgoed opgenomen dat de historische Grebbelinie de oostelijke kant van de gemeente doorkruist. Om de kwaliteiten van de Grebbelinie te behouden en versterken is het van belang dat de linie als cultuurhistorisch element duidelijk(er) herkenbaar wordt, recreatief beter ontsloten en recreatieve routes aansluiting vinden op elkaar: Een recreatieve west-oost route vanuit de Heuvelrug via het dorpcentrum die samenkomst met een recreatieve noordzuid route op en langs het Valleikanaal.
Een actueel voorbeeld van het herkenbaar maken en versterken van erfgoed is het herstel van de verdedigingslinie Lambalgen als onderdeel van de Grebbelinie. De gezamenlijke Utrechtse Grebbeliniegemeenten hebben een Beeldkwaliteitsplan Grebbelinie opgesteld dat gehanteerd zal worden als stimulerings- en beoordelingsinstrument bij ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van de Grebbelinie. Op verzoek van de gemeenten zal de provincie een inpassingsplan opstellen waarmee het Beeldkwaliteitsplan verankerd wordt. Recreatie Ten aanzien van het thema 'recreatie' staat opgenomen dat op de Utrechtse Heuvelrug tot 2030 de recreatie naar verwachting met 10%-20% groeit. Woudenberg wil deze groei benutten. De gemeente draagt komende jaren bij aan de recreatieve hoofdstructuur van de provincie Utrecht door het accommoderen van meer kwaliteit en diversiteit. In potentie is Woudenberg daar goed toe in staat. De gemeente biedt immers een breed pakket aan recreatieve voorzieningen: van vermaak op het Henschotermeer tot cultuur en natuur bij de Pyramide van Auserlitz, langs de Grebbelinie en spoordijk en op verschillende landgoederen. Daarnaast biedt met name het buitengebied nog uitgebreide mogelijkheden tot sportief recreëren. De grootste opgave ligt in: Het verbinden en combineren van partijen; Het verbeteren van de verblijfskwaliteit;
De Steeg 7
32
Het verlengen van de verblijfsduur (seizoensverlenging). De sectoren en partijen die daarvoor van belang zijn zijn: de agrarische sector met haar agrariërs, de cultuurhistorie en het erfgoed met o.a. de landgoedeigenaren, natuur en landschap en hun organisaties en de (recreatieve) ondernemers en winkeliers in het centrum van Woudenberg en daarbuiten. Voor deze sectoren schept de gemeente condities die leiden tot kwaliteitsverbetering en vruchtbare samenwerking. Alleen dan is het mogelijk een sterke en duurzame recreatieve structuur te ontwikkelen in Woudenberg die onderdeel uitmaakt en meeprofiteert van de recreatieve hoofdstructuur op provinciaal niveau. De agrarische sector: door middel van professionele verbreding met recreatieve nevenactiviteiten, natuur en landschapsbeheer en verbetering van de landschappelijke kwaliteiten; Cultuurhistorie en erfgoed: door middel van het openstellen, beleefbaar maken en (multifunctioneel) benutten (recreatief, zakelijk, horeca, etc.) van de landgoederen en de cultuurhistorische waarden in de gemeente; Natuur en water: door middel van bescherming en het beleefbaar maken van de intrinsieke waarde van biodiversiteit en natuur; Toevoegen van nieuwe recreatieve functies, mits dit leidt tot een integrale kwaliteitsverbetering van het landschap; Versterken van promotie en samenwerking.
Conclusie Met onderhavig initiatief worden de ambties van de gemeente Woudenberg ten aanzien van de thema's 'landschap en groen' en 'recreatie' met elkaar verbonden. De uitbreiding van de activiteiten van Hofstede Hooybroeck voorzien in het benutten van de groei van de recreatie door middel van meer kwaliteit en diversiteit, waarbij de Grebbelinie als cultuurhistorisch element duidelijk(er) herkenbaar wordt en beter recreatief ontsloten. Daarnaast dragen extra mogelijkheden voor verblijfsrecreatie nabij de Grebbelinie bij aan het beleefbaar maken van het cultureel erfgoed van de Grebbelinie. Daarbij is van belang dat het de ambitie is om een actitiviteit te realiseren voor de gasten om zo ook een stuk cultuurhistorie/erfgoed tot leven te brengen en de omgeving hier goed bij te betrekken. Gelet op het voorgaande past de ontwikkeling binnen de ambities van de gemeente Woudenberg, zoals geformuleerd in de Structuurvisie Woudenberg 2030 (inclusief oplegger 2019).
De Steeg 7
33
Hoofdstuk 4
Uitvoeringsaspecten
In dit hoofdstuk zullen de relevante uitvoeringsaspecten bij het plan worden besproken. Hierin is aandacht voor de verschillende milieuaspecten zoals flora en fauna en luchtkwaliteit, en is er aandacht voor milieuzonering, verkeer en parkeren en externe veiligheid. 4.1
Flora en fauna
4.1.1
Wettelijk kader
Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen. Het doel is om met één wet en minder regels de wet makkelijker te kunnen toepassen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten. Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen.
Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld. Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de plantenen diersoorten die in het plangebied voorkomen. Zorgplicht Voorts geldt bij uitvoering van werkzaamheden ten allen tijde een de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden een algemeen beschermde soort als konijn, veldmuis of gewone pad wordt aangetroffen zij de ruimte en tijd moet krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren verplaatst worden naar een naastgelegen ruimte waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden.
Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota's en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten. Stikstofdepositie Voorheen diende op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS), welke in juli 2015 van kracht werd, berekend te worden of een nieuwe (bouw)activiteit tot een significante toename leidde van
De Steeg 7
34
stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Onder het PAS golden enkele drempel- en grenswaarden. Deze waarden bepaalden of een toename van stikstofdepositie significant was en zo ja, of er dan een meldingsplicht of een vergunningplicht gold. Door te rekenen met het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator werd automatisch met die drempelwaarden rekening gehouden. In het geval van de meldingsplicht kon de planontwikkeling aanspraak kan maken op benutting van de ontwikkelingsruimte die voor een Natura 2000-gebied gold, totdat deze niet meer voorradig was. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hierdoor kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunning plichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb). Dit betekent dat ook relatief kleinschalige projecten zorgvuldig dienen te worden getoetst op hun stikstofdepositie, om zo aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep).
Sinds de vernieuwing van de AERIUS Calculator op 16 september 2019, en na de laatste update van 6 november 2023, kan correct berekend worden of er überhaupt sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebied. Daarbij dient zowel de gebruikersfase als de realisatiefase doorgerekend te worden. Zodra er geen rekenresultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar zijn, is er geen belemmering voor een plan op het gebied van stikstofdepositie. 4.1.2
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt op ruim acht kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Binnenveld. Het plangebied ligt naast het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Aan de noord- en oostzijde wordt het gebied omsloten door het NNN.
Situering plangebied in relatie tot het NNN (bron: Ecologische quickscan, Bureau Buitenwaard) In de ecologische quickscan die is uitgevoerd door Bureau Buitenwaard (Bijlage 2) wordt geconcludeerd dat de situering van het plangebied op geruime afstand van Natura 2000-gebieden eventuele effecten van licht, trillingen en geluid tijdens de aanlegfase voorkomt. Dergelijke effecten kunnen daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. In de toekomstige situatie wijzigen inrichting en gebruik van het
De Steeg 7
35
plangebied niet zodanig dat toename van externe werking verwacht wordt. Negatieve effecten voor Natura-2000 gebieden in de gebruiksfase worden daarom redelijkerwijs uitgesloten. Doordat het plangebied niet overlapt met het NNN en de voorgenomen ontwikkeling kleinschalig van aard is, kunnen negatieve effecten op de waarden en kenmerken van het NNN eveneens redelijkerwijs worden uitgesloten. Nader onderzoek en toetsing aan het beschermingskader voor het NNN zijn daarom niet van toepassing. Bescherming van houtopstanden is van toepassing buiten de bebouwde kom. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen bomen gekapt waardoor effecten op beschermde houtopstanden niet van toepassing zijn. Stikstofdepositie Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied betreft 'Rijntakken' op een afstand van circa 6,7 kilometer. Er is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd met behulp van de AERIUS Calculator. Hieruit blijkt dat de gewenste ontwikkeling zowel in de gebruiks- als bouwfase niet leidt tot een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee zijn er voor wat betreft het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. De stikstofdepositieberekening met bijbehorende bijlagen is opgenomen in Bijlage 3 bij deze toelichting. 4.1.3
Soortenbescherming
Quickscan Om de effecten van de voorgenomen wijziging op de aanwezige flora en fauna te bepalen is in 2022 een ecologische quickscan uitgevoerd door Bureau Buitenwaard (Bijlage 2). Deze quickscan zoomt in op de (mogelijke) schadelijke effecten door de activiteiten en op welke wijze in het kader van de wet gehandeld kan worden. Uit de ecologische quickscan blijkt dat: Negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de beschermde steenmarter kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de steenmarter is noodzakelijk. Voor overige beschermde grondgebonden zoogdieren is in de provincie een algemene vrijstelling van toepassing. Wel dient met de aanwezigheid van deze soorten rekening te worden gehouden door het toepassen van de algemene zorgplicht. Effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen niet worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van de gewone dwergvleermuis, de ruige dwergvleermuis, de laatvlieger en de gewone grootoorvleermuis is noodzakelijk. Effecten op overige voor vleermuizen essentiële gebiedsfuncties zoals foerageergebied en vliegroutes worden uitgesloten. Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op jaarrond beschermde nesten (vaste rust- en verblijfplaatsen) van broedvogels uit categorie 1-4 kunnen niet op voorhand worden uitgesloten.
Nader onderzoek naar nesten (vaste rust- en verblijfplaatsen) van huismus, kerkuil en steenuil is noodzakelijk. Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op broedvogels uit categorie 5, kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar nesten (vaste rust- en verblijfplaatsen) van zwarte- en gekraagde roodstaart is noodzakelijk. In het plangebied kunnen algemene broedvogels tot broeden komen. Bij werkzaamheden tijdens het broedseizoen (maart t/m augustus) zijn daarom voorzorgsmaatregelen van toepassing. Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op reptielen kunnen redelijkerwijs uitgesloten worden. Negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling op strikt beschermde amfibieën kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op algemeen beschermde amfibieën zijn niet uitgesloten. Voor deze soorten is een algemene vrijstelling en de zorgplicht van toepassing. Nader onderzoek Naar aanleiding van voorgaande conclusies heeft Bureau Buitenwaard in 2022/2023 aanvullend onderzoek uitgevoerd naar steenmarter, vleermuizen, huismus, steenuil, kerkuil en roodstaarten. De
De Steeg 7
36
rapportage is als Bijlage 4 bij deze toelichting gevoegd. Onderstaand worden de resultaten per soort beschreven. Vleermuis In het plangebied zijn twee vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. In het woonhuis bevindt zich een gecombineerd zomer- en paarverblijf van de gewone dwergvleermuis. De voorgenomen ontwikkeling is mogelijk van invloed op deze verblijfplaats. Directe effecten kunnen optreden wanneer werkzaamheden aan de voorgevel en muur ter plaatse van de verblijfplaats worden uitgevoerd. Indirecte effecten kunnen optreden door bijvoorbeeld trillingen en geluid wanneer in de nabijheid van de verblijfplaats werkzaamheden worden uitgevoerd. Om schade aan de verblijfplaats en het hier verblijvende dier te voorkomen dienen voorzorgsmaatregelen te worden getroffen. Met het toepassen van deze maatregelen kunnen negatieve effecten redelijkerwijs uitgesloten worden. In een nestkast langs de oprijlaan is een paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis aangetroffen. Het verblijf lijkt incidenteel te worden bewoond, doordat slechts tijdens een veldbezoek activiteit bij de verblijfplaats is waargenomen. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling worden geen wijzigingen aan de oprijlaan uitgevoerd. Negatieve effecten op de verblijfplaats en het hier verblijvende dier zijn daarom niet van toepassing.
In het plangebied zijn geen anderen voor vleermuizen essentiele gebiedsfuncties zoals foerageergebied of vliegroutes vastgesteld. Negatieve effecten op deze voor vleermuizen belangrijke gebiedsfuncties kunnen daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Huismus In het plangebied zijn twaalf (12) vaste rust- en verblijfplaatsen (nesten) van de huismus aangetroffen. Een deel van deze verblijfplaatsen gaat bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling verloren. Dit betreft de nesten in de melkschuur en het schapenhok en mogelijk nesten onder de dakrand van het hoofdgebouw op de locatie waar het bakhuis teruggebouwd wordt (oostgevel). In totaal betreft dit naar schatting vijf (5) huismussennesten. Voor het uitvoeren van de voorgenomen ontwikkeling zijn voorzorgsmaatregelen en een ontheffing het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Negatieve effecten op het functionele leefgebied van de huismus zijn niet van toepassing doordat structureel voldoende leefgebied voor de soort in en om het plangebied beschikbaar blijft. Steenuil In het nader onderzoek is vastgesteld dat het plangebied onderdeel is van het territorium van de steenuil. Als zodanig vormt het onderdeel van het functioneel leefgebied van de soort. De steenuil broedt of verblijft (roestplaats) niet binnen het plangebied.
Negatieve effecten op het functionele leefgebied van de steenuil zijn niet van toepassing doordat bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling voor de steenuil belangrijke elementen zoals bomen, struweel en grasland behouden en verder ontwikkeld worden. Kerkuil In het plangebied verblijft een kerkuilenpaar. De kapschuur met nestkast blijft bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling behouden. Negatieve effecten op de vaste rust- en verblijfplaats van de kerkuil kunnen daarom redelijkerwijs uitgesloten worden. Door het treffen van (verplichte) voorzorgsmaatregelen kan eventuele verstoring van het uilenpaar worden voorkomen. Significant negatieve effecten op het functioneel leefgebied van de kerkuil worden, gelet op de beperkte omvang van het plangebied en de toekomstige inrichting hiervan op voorhand uitgesloten. Roodstaart Tijdens het nader onderzoek zijn geen gekraagde- of zwarte roodstaart aangetroffen in het plangebied.
De Steeg 7
37
De aanwezigheid van roodstaarten in het plangebied wordt daarom uitgesloten. Ontheffing Wet natuurbescherming Gelet op de resultaten uit het nader onderzoek is een ontheffing Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming voor wat betreft huismus noodzakelijk. Daarnaast gelden er specifieke voorzorgsmaatregelen ten aanzien van vleermuis en kerkuil om negatieve effecten te voorkomen. De ontheffing Wet natuurbescherming wordt in het verdere traject aangevraagd bij de provincie Utrecht. 4.1.4
Conclusie
Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat onderhavig initiatief uitvoerbaar is vanuit de Wet natuurbescherming. Initiatiefnemer conformeert zich aan de voorgeschreven voorzorgsmaatregelen waarmee negatieve effecten ten aanzien van vleermuis en kerkuil worden voorkomen. Daarnaast wordt ten aanzien van huismus een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd bij de provincie Utrecht. Door te voorzien in vervangende tijdelijke en permanente verblijfplaatsen is in redelijkheid te verwachten dat een eventuele ontheffing zal worden verleend en is het beoogde plan haalbaar in het licht van de Wet natuurbescherming. 4.2
Bodemkwaliteit
4.2.1
Wettelijk kader
De Wet Bodembescherming schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van een dergelijk onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. Met voorliggend initiatief vindt er een uitbreiding van de verblijfsrecreatieve activiteiten van Hofstede Hooybroeck plaats. Ondanks het feit dat de uitbreiding plaatsvindt op gronden die in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg 2010' reeds de bestemming 'Recreatie-Verblijfsrecreatie' hebben, zal er in verband met het historische gebruik van de gronden voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. 4.2.2
Onderzoek
De resultaten van het verkennend bodemonderzoek worden voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan in deze toelichting toegevoegd. 4.2.3
Conclusie
PM 4.3
Cultuurhistorie en archeologie
4.3.1
Wettelijk kader
Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld. Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen.
De Steeg 7
38
4.3.2
Cultuurhistorie
Het perceel De Steeg 7 kan worden gezien als een cultuurhistorisch waardevol erf. Het hoofdgebouw betreft een gerenoveerde woonboerderij uit 1913. Met onderhavig initiatief wordt de cultuurhistorische waarde als historisch erf versterkt. Een deel van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing doet afbreuk aan de cultuurhistorische waarden. Door de sloop van deze bebouwing, het herstellen van (landschaps)elementen, waaronder herstel van het oude bakhuis en het terugbrengen van de voormalige boomgaard, wordt de cultuurhistorische waarde van het historisch erf De Steeg 7 versterkt. Daarnaast grenst het plangebied aan een gebied met belangrijke cultuurhistorische waarden, namelijk de Grebbelinie. Voorliggend initiatief mag geen afbreuk doen aan de specifieke cultuurhistorische waarden van deze waterlinie. In paragraaf 2.1 is reeds een beschrijving gegeven van het Grebbelinielandschap. Naast de (gebouwde) elementen is ook het gebied rondom de Grebbelinie van belang. Het gaat dan om de relatief open inundatiezijde (voor het zien van de vijand) en de meer beschutte verdedigingszijde (waar men zich verschool). Deze gebieden bepalen voor een groot deel het zicht op en het zicht vanaf de Grebbelinie en zijn daarmee van groot belang voor de herkenbaarheid en de beleefbaarheid van deze linie. Deze gebieden zijn echter niet aangewezen als rijksmonument.
Om ook deze waarden te borgen is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, dat handvatten aanreikt en regels stelt ten aanzien van bebouwing en beplanting in deze gebieden. In het onderstaande wordt nader ingegaan op het betreffende beeldkwaliteitsplan. Beeldkwaliteitsplan Grebbelinie Op 8 december 2014 is het inpassingsplan 'Grebbelinielandschap' vastgesteld door Provinciale Staten van Utrecht. Dit inpassingsplan geldt als het planologische beleidskader voor de Grebbelinie. Een strook aan de oostzijde van het plangebied ligt binnen de begrenzing van het inpassingsplan 'Grebbelinielandschap' en kent de dubbelbestemming 'Waarde - Grebbelinielandschap. De voor 'Waarde - Grebbelinielandschap' aangewezen gronden zijn tevens aangewezen voor het behoud, herstel en bescherming van de herkenbaarheid en de beleefbaarheid van de cultuurhistorische waarden, deeluitmakende van de Grebbelinie zoals beschreven het 'Beeldkwaliteitsplan Grebbelinie'. De strook aan de oostzijde van het plangebied welke onderdeel is van het Grebbelinielandschap, valt binnen het deelgebied 'de besloten linie'. Dit betrefte een zone ten westen van de Grebbeliniedijk en heeft een diepte van 50 m. De besloten linie dient het contrast tussen de open aanvalszijde (oostkant van de liniedijk) van de Grebbelinie en de besloten verdedigingszijde (westkant van de liniedijk) van de Grebbelinie te versterken.
Waar aan de oostzijde de openheid en zichtlijnen leidend zijn, wordt in de besloten linie ingezet op meer groen. In de respectzone dienen erven/bebouwingen op afstand gehouden te worden. In de besloten linie is het gewenst dat de erven een rijke hoeveelheid erfbeplanting hebben, waardoor deze qua uitstraling aansluiten op de rijk beplantte liniedijk. Naast het versterken van het contrast tussen west en oost, zoekt de besloten linie naar meer samenhang tussen het zuiden en noorden van de Grebbelinie. De besloten linie draagt hieraan bij door de realisatie van veel erfbeplanting, waardoor de Grebbelinie sterker herkenbaar is als één doorgaande (groene) verdedigingslijn. De uitstraling van de linie is hier leidend en het landschapstype ondergeschikt. Binnen de besloten linie wordt dan ook geen onderscheid gemaakt naar landschapstypen.
Verschijningsvormen Grebbelinie (bron: Beeldkwaliteitsplan Grebbelinie)
De Steeg 7
39
Voor het deelgebied 'de besloten linie' gelden de volgende beeldkwaliteitscriteria: Algemeen 1. Versterk het karakter van de dichte, besloten westkant van de Liniedijk door middel van een rijke hoeveelheid (historische) gebiedseigen erfbeplanting. 2. Behoud een compacte erfindeling. 3. Plaats bebouwing en erfbeplanting op een minimale afstand van 50 meter ten opzichte van het Linie-element. Uitbreiding van het erf 4. Behoud een compacte erfindeling met dichte erfbeplanting, zodat het groene karakter van het erf bepalend is voor de uitstraling richting de Liniedijk. 5. Onttrek bedrijfsmatige elementen (zoals silo's en/of sleufplaten) zoveel mogelijk uit het zicht door een goede positionering tussen gebouwen of door gebruik van een dichte erfbeplanting. Functieverandering van het erf 6. Versterk de beslotenheid van het erf door op vrijkomende grond dichte erfbeplanting te realiseren, zoals houtwallen en/of boscomplexen. Toetsing Met onderhavig initiatief wordt grotendeels voldaan aan de beeldkwaliteitscriteria, zoals die gelden voor het deelgebied 'de besloten linie'. Uit de erfopzet, zoals weergegeven in hoofdstuk 2, blijkt dat Hofstede Hooybroeck wordt voorzien van een stevige erfbeplanting. Het erf krijgt hierdoor de gewenste besloten uitstraling en versterkt de zichtbaarheid van de linie als doorgaande verdedigingslijn.
De erfbeplanting beperkt bovendien het stenige beeld van bebouwing aan de Liniedijk en zorgt voor een groenere, rustigere beleving vanaf de Liniedijk. Voorts is het behoud van een compacte erfindeling een belangrijk criterium voor het deelgebied 'de besloten linie'. In het kader van onderhavig initiatief is rekening gehouden met dit criterium. Zo wordt de beoogde nieuwe vrijstaande bedrijfswoning op de plaats van de huidige melkschuur opgericht, vlak naast de oorspronkelijke woonboerderij. Door deze erfopzet wordt eveneens bijgedragen aan het beperken van een stenig beeld van het erf richting de Liniedijk. Enkel de bebouwing behorende bij de (kleinschalige) natuurcamping (met name kampeerhuisjes) bevindt zich vanwege de aard van een dergelijke functie buiten het compacte erf. De cultuurhistorische waarden van de Grebbelinie maken daarnaast een zorgvuldige afweging ten aanzien van het bouwvolume in de beoogde nieuwe situatie noodzakelijk. Hierbij is met name de beoogde nieuwe bedrijfswoning relevant. Zoals in voorgaande alinea aangegeven is de beoogde nieuwe bedrijfsbewoning bewust ter plaatse van de huidige melkschuur gesitueerd. Hoewel deze melkschuur al deels gesloopt had moeten zijn in het kader van de in 2009 verleende vergunning, maakt dit gebouw wel onderdeel uit van de historische erfopzet.
Deze historische erfopzet en het behoud/herstel daarvan, wordt met onderhavig initiatief gerespecteerd. De huidige melkschuur kent een totale inhoud van ruim 800 m3. Door de maximale inhoud van de bedrijfswoning, inclusief aan- en uitbouwen, te beperken tot 600 m3, ontstaat een kleiner bouwvolume dan historisch aanwezig op deze locatie. In verband met de cultuurhistorische waarden van de Grebbelinie is besloten om de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor het vergroten van de bedrijfswoning tot maximaal 800 m3, zoals die bestaat op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg 2010', niet meer op te nemen in onderhavig bestemmingsplan. Op deze wijze wordt voorkomen dat met eventuele gebruikmaking van een dergelijke binnenplanse afwijkingsmogelijkheid alsnog een groter bouwvolume ontstaat nabij de Grebbelinie. Door de situering van de beoogde nieuwe bedrijfswoning achter de bestaande wagenloods en naast de (voormalige) woonboerderij in combinatie met het kleinere bouwvolume ten opzichte van de huidige melkschuur, wordt geen afbreuk gedaan aan de cultuurhistorische waarden van de Grebbelinie. Het stenig beeld vanaf de Liniedijk neemt niet toe. Andersom geldt dat er geen waardevolle zichtlijnen vanaf De Steeg richting de Liniedijk worden doorbroken. Hoewel het erf van de Steeg 7 niet direct tegen de Liniedijk aan ligt, is deze hier wel op korte afstand van gesitueerd.
De gewenste minimale afstand van 50 meter is in het onderhavige geval echter niet haalbaar.
De Steeg 7
40
Een grotere afstand is, afgezien van praktische bezwaren, niet mogelijk gezien de omsluiting door het Natuurnetwerk Nederland. Verwezen wordt naar de afbeelding in subparagraaf 4.1.2. Daarnaast is van belang dat ten opzichte van de huidige situatie geen (verdere) afbreuk wordt gedaan aan de herkenbare lineaire vorm van de Liniedijk. De gronden kennen in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg 2010' immers reeds de bestemming 'Recreatie-Verblijfsrecreatie' waarbij de regels dwingend voorschrijven dat een strook met een breedte van 5 meter rondom de terreinen uitsluitend is bestemd voor landschappelijke inpassing van de recreatieterreinen door middel van dichte opgaande beplanting, bestaande uit streekeigen bomen en struiken. Het beoogde initiatief brengt hierin geen wijziging aan. Tot slot wordt opgemerkt dat onderhavig initiatief van positieve invloed is op het cultureel erfgoed van de Grebbelinie door het beleefbaar maken hiervan. Conclusie Concluderend maakt het plangebied onderdeel uit van een gebied met belangrijke cultuurhistorische waarden. Onderhavige ontwikkeling doet geen afbreuk aan deze cultuurhistorische waarden, maar leidt juist tot een versterking. Het aspect cultuurhistorie vormt daarmee geen belemmering voor de gewenste uitbreiding van de verblijfsrecreatieve activiteiten van Hofstede Hooybroeck. 4.3.3
Archeologie
Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. Voorts geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken. Dat melden dient terstond te gebeuren. Het plangebied kent op basis van het geldende bestemmingsplan grotendeels de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie-2'. Op basis van deze dubbelbestemming zijn de betreffende gronden, behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden. Conform de regels bij de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie-2' is archeologisch onderzoek nodig bij het realiseren van bouwwerken met graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm met een oppervlakte van meer dan 100 m2. Verder toetst de gemeente Woudenberg initiatieven aan de archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is het grootste deel van het plangebied aangewezen als Archeologisch Waardevol Gebied (AWG) dan wel geldt er een hoge archeologische verwachting. Een archeologisch onderzoek is in beide gebieden verplicht bij bodemingrepen dieper dan 30 cm over een oppervlakte groter dan 100 m2.
Met het beoogde initiatief vinden er diverse bodemingrepen plaats in de vorm van de realisatie van maximaal 10 ecolodges, een toiletgebouw/afwasplaats, een kantine en een bedrijfswoning met eventuele bijbehorende bouwwerken. Daarnaast vindt er mogelijk herstel van het oude bakhuis plaats, moeten er kabels en leidingen en parkeerplaatsen worden aangelegd en wordt rekening gehouden met versterking van erfbeplanting. De nieuwbouw in de vorm van de nieuwe vrijstaande bedrijfswoning en herstel van het oude bakhuis wordt gerealiseerd op bestaande structuren waar de grond al is geroerd. Of de vrijstellingsgrens qua diepte van de bodemingrepen in combinatie met de oppervlakte met het beoogde initiatief wordt overschreden, hangt onder meer af van de wijze van funderen, de diepte van de ligging van kabels en leidingen en de diepte van de graafwerkzaamheden ten behoeve van de parkeerplaatsen. Bij de verdere uitwerking van het beoogde initiatief zal blijken of de vrijstellingsgrens wordt overschreden. In het kader van onderhavig bestemmingsplan zijn de archeologische belangen geborgd door de dubbelbestemming uit het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg 2010' over te nemen in dit bestemmingsplan. Indien blijkt dat de vrijstellingsgrens wordt overschreden, zal in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.
De Steeg 7
41
Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart met plangebied globaal rood omlijnd 4.3.4
Conclusie
Met de gewenste ontwikkeling worden cultuurhistorische panden of structuren niet aangetast, maar juist versterkt. Voorts vindt de ontwikkeling plaats in beschermd archeologisch gebied, maar zal uit de verdere uitwerking van het beoogde initiatief moeten blijken of de vrijstellingsgrens van een oppervlakte van 100 m2 in combinatie met een diepte 30 cm/40 cm wordt overschreden. Indien dit het geval is, zal in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. De archeologische waarden zijn beschermd door de dubbelbestemming uit het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg 2010' over te nemen in dit bestemmingsplan. Er zijn dan ook geen belemmeringen vanuit cultuurhistorie en archeologie voor onderhavig initiatief. 4.4
Verkeer en parkeren
Zowel vanuit de ruimtelijke ordening als vanuit verkeer en vervoer is een goede ontsluiting van belang. Daarnaast dient voorzien te worden in voldoende parkeerplaatsen. Onderstaand worden eerst de mobiliteitseffecten in beeld gebracht. Vervolgens volgt een overzicht van het parkeren. 4.4.1
Verkeer
Hofstede Hooybroeck is centraal gelegen in Nederland. Per auto is de locatie te bereiken vanaf de A12/A30 richting de N224/N226. Na deze hoofdwegen volgt nog een beperkte route via landelijke wegen. Met het initiatief vindt een uitbreiding van de bestaande activiteiten plaats door een natuurcamping te realiseren met 10 kampeerhuisjes (in de vorm van jaarronde verhuur van eco-lodges) en 16 niet-permanente standplaatsen (glamping tenten of kampeerplaatsen voor tenten, campers en caravans). De verkeersaantrekkende werking van de toe te voegen natuurcamping is te bepalen aan de hand van de kencijfers van 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren'. Gezien de aard van het initiatief en de oppervlakte/capaciteit van de kampeerhuisjes wordt de natuurcamping ingedeeld in de categorie 'Camping (kampeerterrein)'. Verder wordt rekening gehouden met de kencijfers behorende bij 'weinig stedelijk' en 'buitengebied'. Op basis van de planopzet is de volgende inschatting te maken.
De Steeg 7
42
Omschrijving
Min.
Max.
Aantal (standplaatsen)
Tot. min.
Tot. max.
Camping (kampeerterrein)
0,4
0,4
26
10,4
10,4
11
11
Totaal verkeersbewegingen etmaal
/
Tabel verkeersgeneratie per dag natuurcamping Op basis van bovenstaande berekening resulteert het aantal verkeersbewegingen per dag in de beoogde nieuwe situatie als gevolg van de toe te voegen natuurcamping in maximaal 11 verkeersbewegingen. Voor de groepsaccommodatie zijn geen landelijke kengetallen beschikbaar. Om tot een goede inschatting te komen, wordt derhalve uitgegaan van het verwachte aantal bezoekers in de nieuwe situatie. Uitgangspunt is dat de groepsaccommodatie met een efficiëncyslag in de beoogde nieuwe situatie een maximale capaciteit heeft van circa 30 personen. Worst case voeren gasten meerdere verplaatsingen per dag uit om te recreëren of andere voorzieningen te bezoeken. Daarbij wordt rekening gehouden met het feit dat de groepsaccommodatie over een eigen kookgelegenheid beschikt. Uitgaande van gemiddeld vier ritten per persoon per dag en een gemiddelde voertuigbezetting van 4 personen, leidt dat op een gemiddelde dag tot 30 verkeersbewegingen (15 voertuigen heen en terug). Tot slot geldt voor de vrijstaande bedrijfswoning een verkeersgeneratie van maximaal 9 verkeersbewegingen per dag confrom de kencijfers van 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren'. Concluderend is er in de beoogde nieuwe situatie sprake van 50 verkeersbewegingen per etmaal.
Gezien de ligging van het plangebied en de verkeerssituatie ter hoogte van het plangebied mag worden aangenomen dat dit niet leidt tot problemen met de verkeersafwikkeling. Het initiatief heeft een gering en verantwoord effect op de omliggende ontsluitingswegen. Daarbij is van belang dat de situatie is berekend dat zowel de natuurcamping als de groepsaccommodatie volledig bezet is. Dit is een worst-case situatie die zich slechts een beperkte periode van het jaar zal voordoen. Daarnaast is er reeds spake van bestaande verkeersbewegingen als gevolg van de huidige groepsaccommodatie. 4.4.2
Parkeren
De parkeerbehoefte van de toe te voegen natuurcamping is eveneens te bepalen aan de hand van de kencijfers van 'CROW 381 Toekomstbestendig parkeren'. In onderstaande tabel is het benodigde aantal parkeerplaatsen weergegeven. Zoals aangegeven wordt de natuurcamping ingedeeld in de categorie 'Camping (kampeerterrein)' en wordt rekening gehouden met de kencijfers behorende bij 'weinig stedelijk' en 'buitengebied'. Op basis van de planopzet is de volgende inschatting te maken. Omschrijving
Min.
Max.
Aantal (standplaatsen)
Tot. min.
Tot. max.
Camping (kampeerterrein)
1,1
1,3
26
28,6
33,8
29
34
Totaal aantal parkeerplaatsen
Tabel parkeren natuurcamping Gelet op bovenstaande tabel zijn ten behoeve van de natuurcamping minimaal 29 parkeerplaatsen benodigd. In de beoogde nieuwe situatie zijn op eigen terrein 40 parkeerplaatsen aanwezig ten behoeve van de natuurcamping en de groepsaccommodatie. Derhalve resteert voor de groepsaccommoatie (met een maximale capaciteit van circa 30 personen) een capaciteit van 11 parkeerplaatsen. Uitgaande van een gemiddelde voertuigbezetting van 4 personen voor wat betreft de groepsaccommodatie, wordt derhalve voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Hierbij wordt wederom opgemerkt dat bovenstaande situatie van volledige bezetting een worst-case situatie is die zich slechts een beperkte periode van het jaar zal voordoen. Bovendien is er op het terrein, afgezien van de te realiseren parkeerplaasen, voldoende ruimte aanwezig om eventueel meer voertuigen te parkeren. Het is dan ook niet waarschijnlijk dat (een deel van) de parkeervraag op en de openbare ruimte wordt afgewenteld. Voor wat betreft laadpunten geeft het CROW een minimum van 2,5% aandeel laadpunten voor bij een
De Steeg 7
43
camping. Derhalve zal bij de beoogde parkeervoorziening minimaal één laadpunt worden gerealiseerd. Ten behoeve van de nieuwe bedrijfswoning worden twee afzonderlijke parkeerplaatsen aangelegd. 4.4.3
Conclusie
Voorgenomen initiatief zal niet leiden tot verkeerskundige en/of parkeertechnische problemen. 4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Wettelijk kader
Wet milieubeheer Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van de luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). In de Wet milieubeheer zijn onder andere regels en grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Omdat titel 5.2 van de Wm ingaat op de luchtkwaliteit, staat dit ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Hierin wordt gesteld dat ruimtelijke plannen doorgang kunnen vinden indien aan één van de onderstaande voorwaarden is voldaan: de plannen leiden niet tot het overschrijden van een grenswaarde; de luchtkwaliteit verbetert tengevolge van de plannen (per saldo) of blijft ten minste gelijk; de plannen dragen niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de concentratie van NO2 en PM10 in de buitenlucht. Vanaf het in werking treden van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op 1 augustus 2009 wordt onder een NIBM bijdrage een bijdrage van minder dan 3% van de grenswaarde verstaan; het project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). AMvB en Regeling niet in betekenende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten.
Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. De AMvB en Regeling NIBM bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als NIBM moet worden beschouwd. Het betreft onder andere de onderstaande gevallen, waarbij een project als NIBM wordt beschouwd: Woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Kantoorlocaties: = 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 1 ontsluitingsweg, en = 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Woningbouw en kantoorlocaties: 0,0008*aantal woningen+ 0,000012*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg en 0,0004*aantal woningen+ 0,000006*bruto vloeroppervlak kantoren in m2 = 1,2 bij één ontsluitingsweg. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven. Tevens is in artikel 5 van het Besluit NIBM een anticumulatie bepaling opgenomen, die zegt dat de effecten van beoogde ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied moeten worden meegenomen in de beoordeling van het betreffende plan. Hiermee wordt voorkomen dat verschillende NIBM-projecten samen toch in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit.
De Steeg 7
44
Goede ruimtelijke ordening Plannen dienen te voldoen aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Een goede luchtkwaliteit is een van de belangen die in dat kader een rol speelt, ofwel de luchtkwaliteit dien geschikt te zijn voor de beoogde functie. Daarbij speelt de mate van blootstelling en de gevoeligheid van bepaalde groepen mensen voor luchtverontreiniging een rol. Wat dat laatste betreft is het Besluit Gevoelige bestemmingen van belang. 4.5.2
Beoordeling
Effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit Voor de beoogde uitbreiding van de verblijfsrecreatieve activiteiten van Hofstede Hooybroeck geldt dat dit niet onder een in de regeling NIBM opgenomen categorie valt. Om die reden is de bijdrage aan de luchtkwaliteit berekend met de zogenaamde NIBM-tool. Om voor kleine projecten te kunnen bepalen of het project als 'niet in betekenende mate' beschouwd mag worden, heeft het toenmalige ministerie van VROM in de NIBM-tool (en handleiding) gepubliceerd op de website van InfoMil (www.infomil.nl). De invoer van de maximaal te verwachten toename van verkeersbewegingen in de NIBM-tool leidt tot de conclusie dat het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven.
Rekenresultaat NIBM-tool (bron: http://www.infomil.nl) Luchtkwaliteit ter plaatse Vanuit de wet milieubeheer gelden grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5). Daarnaast hanteert de World Health Organization (WHO) advieswaarden voor stikstofdioxide, fijn stof en zeer fijn stof. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van de waarden ter plekke van het plangebied, de grenswaarden en de advieswaarden. Stof
Jaar 2020
Grenswaarde
Advieswaarde
NO2
11 µg/m3
40 µg/m3
10 µg/m3
PM 10
16 µg/m3
40 µg/m3
15 µg/m3
PM 2,5
9 µg/m3
20 µg/m3
5 µg/m3
Waarden in het plangebied, grenswaarden en advieswaarden luchtkwaliteit Gelet op het voorgaande wordt op de planlocatie ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5.
De Steeg 7
45
De advieswaarden van de WHO liggen ver beneden de wettelijke grenswaarden. In de huidige situatie liggen de concentraties NO2 en PM10 reeds tegen de advieswaarde van de WHO aan. Voor wat betreft PM2,5 ligt de huidige waarde verder af van de advieswaarde. Met inachtneming van de verwachting dat de concentraties in de toekomst verder zullen afnemen, zijn de huidige waarden acceptabel voor een goed verblijfsklimaat op de planlocatie. 4.5.3
Conclusie
Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. Tot slot is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoende voor een goed verblijfsklimaat op de planlocatie. 4.6
Geluidhinder
4.6.1
Wettelijk kader
Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. 4.6.2
Beoordeling
Met onderhavig initiatief wordt geluidsgevoelige bebouwing mogelijk gemaakt in de vorm van een vrijstaande bedrijfswoning. Recreatief verblijf geldt in de zin van de Wgh niet als een geluidgevoelige bestemming, maar in het kader van een goede ruimtelijke ordening verdient dit wel enige bescherming. Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidzone van een industrieterrein. Daarnaast ligt de locatie De Steeg 7 buiten de onderzoekszone van de spoorlijn Utrecht-Arnhem en buiten de onderzoekszone van de rijksweg A12. Het plangebied ligt wel binnen de zone van De Steeg (60 km/u). Strikt genomen zou daarmee een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk zijn. Gelet op de aard en het karakter van De Steeg met bijbehorende lage verkeersintensiteit, kan zonder nader onderzoek op voorhand worden gesteld dat de geluidbelasting als gevolg van het wegverkeer op De Steeg niet hoger zal zijn dan de voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder. Om deze conclusie te staven is het Geoportaal van de ODRU geraadpleegd. Daaruit blijkt dat de geluidbelasting op ruim 350 meter van het plangebied in de categorie 48 - 53 dB valt. Daarmee kan worden gesteld dat een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ter plaatse van het plangebied niet aan de orde zal zijn.