12.b.b De Steeg 7_Bijlagen bij toelichting_Bijlage 2 Ecologische quickscan.pdf
Tekst van het document
Briefrapportage ecologische quickscan Opgesteld door
Dhr. R.J.A. van Laar
Controle en toets
Dhr. D.J. Gijsbertsen MSc.
Op aanvraag van
Kubiek Ruimtelijk plannen
Datum
16 april 2022
Betreft
Briefrapportage ecologische quickscan, De Steeg 7 te Woudenberg
Geachte ontvanger, In deze briefrapportage treft u de terugkoppeling van de door ons uitgevoerde ecologische quickscan, in plangebied De Steeg 7 te Woudenberg (provincie Utrecht).
1. Inleiding Bij ruimtelijke ontwikkelingen zijn een ecologisch vooronderzoek en toetsing aan de Wet natuurbescherming verplicht. Daarnaast is het vanuit zorgvuldigheidsoverwegingen, bij bestendig beheer en onderhoud in sommige gevallen raadzaam een verkennend ecologisch onderzoek uit te voeren. Bijvoorbeeld wanneer een maatregel invloed kan hebben op beschermde soorten die ter plaatse voor kunnen komen. Een verkennend vooronderzoek wordt veelal uitgevoerd in de vorm van een ecologische quickscan. In deze briefrapportage worden de bevindingen uit de door ons uitgevoerde quickscan beschreven en zijn de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ingreep getoetst aan het kader van de Wet natuurbescherming. Gelet op de aard en omvang van de werkzaamheden wordt in dit onderzoek alleen het onderdeel soortbescherming beschouwd. Hierbij zijn de volgende vragen beantwoord: a. Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming zijn van belang? b. In hoeverre is de beoogde ontwikkeling strijdig met de Wet natuurbescherming? c.
Zijn voorzorgsmaatregelen, nader onderzoek en/of een ontheffing nodig?
d. Wat zijn de gevolgen voor de verdere planvorming en uitvoering van het voornemen?
2. Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) van kracht. De Wnb is het wettelijke stelsel voor natuurbescherming en vervangt drie eerdere wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wnb voorziet in bescherming van (natuur)gebieden, houtopstanden en soorten (flora en fauna). Het beschermingsregime gaat uit van het “nee, tenzij-principe”. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wnb voor bescherming van gebieden, houtopstanden en soorten altijd van toepassing zijn. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten van de provincie waarbinnen het deelgebied gesitueerd is vormt het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.
3. Werkwijze Onderstaand vindt u een beschrijving van de bij deze quickscan gevolgde werkwijze. Deze werkwijze is gebaseerd op de hiervoor geldende richtlijnen van het Ministerie van Economische Zaken (Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, 2017). De scope van dit onderzoek betreft het plangebied (daar waar de ingreep plaats vindt) en de context hiervan (samen het onderzoeksgebied) voor zover de verspreiding van soorten, kenmerken van biotopen of verwachte effecten hier aanleiding toe geven. Literatuuronderzoek Allereerst is een literatuuronderzoek uitgevoerd. Hierbij is de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en de bebouwde kom (houtopstanden) onderzocht. Daarna is een studie naar de voor het plangebied relevante soort(groepen) uitgevoerd. Hierbij is gebruik gemaakt van actuele soortverspreidingsinformatie uit de database van Bureau Buitenwaard, verspreidingsatlassen en gevalideerde onlinedata uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Op deze wijze is een inschatting gemaakt van het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied. Tevens is een inschatting gemaakt van het belang van het plangebied als (onderdeel van) het leefgebied van soorten. Verkennend veldbezoek Aanvullend is door een ecoloog1 van Bureau Buitenwaard een verkennend veldbezoek uitgevoerd in het plangebied.
Doel van dit veldbezoek was een inschatting te maken van de ecologische kwaliteiten van het plangebied in relatie tot de voorgenomen ingreep. Tijdens het veldbezoek is de aanwezige biotoop2 beoordeeld en zijn de bevindingen uit het literatuuronderzoek vergeleken met de actuele situatie in het veld. Het verkennend veldbezoek is uitgevoerd door ecoloog R.J.A. van Laar op 30 maart 2022. Tijdens het verkennend veldbezoek was het circa 10 °C, wind NNO 2 Bft en bewolkt. Ten tijde van een veldbezoek, zijn niet alle soorten zichtbaar aanwezig. Diersoorten zijn bijvoorbeeld alleen ’s nachts actief of verblijven een deel van het jaar elders. Daarom zijn de eisen die soorten met betrekking tot hun vaste rust- en verblijfplaats, foerageergebied of migratieroute aan hun leefomgeving stellen, vergeleken met en getoetst aan de actuele situatie. Voor planten is gelet op de groeiplaats omstandigheden. Op deze manier is het belang van het deelgebied voor soorten die niet zijn waargenomen maar desondanks wel kunnen voorkomen beoordeeld.
1 Voor een omschrijving van een ecologisch deskundige zie: https://www.rvo.nl/onderwerpen/agrarisch-ondernemen/beschermdeplanten-dieren-en-natuur/ruimtelijke-ingrepen/ontheffing-vrijstelling/ecologisch-deskundige. 2 Een biotoop is een gebied met een uniform landschapstype waarin een bepaalde levensgemeenschap met organismen kan gedijen. Binnen een biotoop kunnen habitats worden onderscheiden.
Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan
Pagina 2 van 15
4. Plangebied en voorgenomen ontwikkeling Situering plangebied Het plangebied (fig. 1) ligt in de provincie Utrecht, buiten de bebouwde kom van Woudenberg, ten zuiden van Scherpenzeel. Het plangebied wordt omringd door agrarisch landschap. Aan de oostzijde ligt het valleikanaal met daarachter een bosperceel. Aan de westzijde ligt De Steeg.
Figuur 1 | Situering van het onderzoeksgebied gemarkeerd met een rood kader. (bron ondergrond: OpenTopo.nl)
Voorgenomen ontwikkeling De opdrachtgever is voornemens het hoofdgebouw (nr. 1, fig. 2) uit te breiden door het voormalig bakhuis aan de achterzijde te herstellen, een vrijstaande bedrijfswoning te realiseren op het zuidelijk deel van het erf, het slopen van alle bijgebouwen met uitzondering van gebouw 7 en 9 en het bouwen van enkele kleine gebouwen ten behoeve van een boerencamping. Huidige situatie In de huidige situatie zijn in het plangebied een woonhuis en met bijgebouwen aanwezig. Deze worden omringd door een erf en graslanden. Het woonhuis betreft een ouder pand met schuine kap. De bijgebouwen zijn opgetrokken uit hout. Binnen het plangebied is een oude eikenlaan aanwezig en opgaande begroeiing in de vorm van struiken en heesters.
Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan
Pagina 3 van 15
Figuur 2 | Gebouwsituatie voor functiewijziging, plangebied rood gemarkeerd. (bron ondergrond: Document; verkenning uitbreidingsmogelijkheden Hofstede Hooybroeck, Fam. Van Ravenhorst)
Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan
Pagina 4 van 15
Onderstaande afbeeldingen (foto 1 t/m 4) geven een impressie van het plangebied.
Foto 1 t/m 4 | Impressie plangebied: LB) het hoofdgebouw, RB) de bijgebouwen 5 en 6, LO) kerkuilenkast in gebouw 5, RO) uitwerpselen en braakballen van kerkuil in gebouw 5.
Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan
Pagina 5 van 15
5. Toetsing en effectbeoordeling beschermde gebieden en houtopstanden Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op ruim acht kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied; Binnenveld. De situering van het plangebied op geruime afstand van Natura 200 gebieden voorkomt eventuele effecten van licht, trillingen en geluid tijdens de aanlegfase. Dergelijke effecten kunnen daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Gelet op de aard en omvang van de werkzaamheden tijdens de sloop- en bouwfase kan het voornemen worden geclassificeerd als een klein project. Sinds 1 juli 2021 is voor kleine projecten in de aanlegfase een vrijstelling voor stikstof emissie van toepassing. Er is daarom geen AERIUS-berekening noodzakelijk voor de aanlegfase. In de toekomstige situatie wijzigen inrichting en gebruik van het plangebied niet zodanig dat toename van externe werking (stikstof emissie) verwacht wordt. Negatieve effecten voor Natura-2000 gebieden in de gebruiksfase worden daarom redelijkerwijs uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt naast het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Aan de noord- en oostzijde wordt het gebied omsloten door het NNN (fig. 3). Doordat het plangebied niet overlapt met het NNN en de voorgenomen ontwikkeling kleinschalig van aard is, kunnen negatieve effecten op de waarden en kenmerken van het NNN redelijkerwijs worden uitgesloten.
Nader onderzoek en toetsing aan het beschermingskader voor het NNN zijn daarom niet van toepassing. Houtopstanden Bescherming van houtopstanden is van toepassing buiten de bebouwde kom. Bij de voorgenomen ontwikkeling worden geen bomen gekapt waardoor effecten op beschermde houtopstanden niet van toepassing zijn.
Figuur 3 | Situering van het plangebied (rood omkaderd) in relatie tot het NNN (groen) (bron: webkaart.provincie-Utrecht.nl)
Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan
Pagina 6 van 15
6. Toetsing en effectbeoordeling beschermde soorten Beschermde soorten stellen vaak zeer specifieke eisen aan hun biotoop. Dergelijke omstandigheden zijn beperkt aanwezig in het plangebied. Op grond van de kenmerken van het plangebied (aanwezige habitat) en bekende verspreidingsgegevens van soorten kan de aanwezigheid van onder de Wnb beschermde soorten uit een aantal soort(groep)en redelijkerwijs uitgesloten worden. Dit betreft de soortgroepen: flora, vissen, vlinders, libellen en overige ongewervelden. De belangrijkste beschermde soorten die wel in of nabij het plangebied kunnen voorkomen zijn weergegeven in onderstaande tabel. Voor een aantal soortgroepen, zoals vleermuizen en vogels is dit overzicht niet uitputtend. In de verdere toetsing en effectbeoordeling worden de relevante soorten verder besproken. Tabel 1 | Overzicht van beschermde soorten in (de omgeving van) het plangebied.
Soortgroep
Lokaal aanwezige soorten
Flora
Niet van toepassing
Grondgebonden zoogdieren
o.a. boommarter, das, eekhoorn, haas, bosmuis, eekhoorn, egel, konijn, ree, steenmarter en vos
Vleermuizen
o.a. gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis
Vogels jaarrond beschermd (cat. 1 t/m 4)
o.a. gierzwaluw, kerkuil, steenuil en huismus
Vogels jaarrond beschermd onder bijzonder
o.a. ekster, zwarte kraai boerenzwaluw, zwarte roodstaart
omstandigheden (cat. 5)
en gekraagde roodstaart
Vogels algemeen
o.a. spreeuw, heggemus en roodborst
Reptielen
o.a. hazelworm
Amfibieën
o.a. bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, poelkikker en kleine watersalamander
Vissen
Niet van toepassing
Vlinders, libellen en overige ongewervelden
Niet van toepassing
* Van de onderstreepte soorten zijn exemplaren of sporen waargenomen tijdens het veldbezoek.
Grondgebonden zoogdieren Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van meerdere strikt beschermde zoogdieren bekend. De boommarter is waargenomen in de omgeving van het plangebied, deze soort is gebonden aan bosgebied en bewoont holle bomen. Dergelijke bosgebieden of bomen met holtes zijn in het plangebied niet aanwezig. De das komt voor in halfopen landschappen en bossen en graaft burchten als verblijfplaats. Tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen gevonden die wijzen op aanwezigheid van dassen of verblijfplaatsen van deze soort. Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van de eekhoorn bekend. Deze soort is net als de boommarter gebonden aan bosgebied of grote tuinen met bomen. Tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen van de eekhoorn of nesten aangetroffen. Op grond van het ontbreken van geschikt habitat voor bovengenoemde soorten binnen het plangebied
Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan
Pagina 7 van 15
en de afwezigheid van verblijfplaatsen of nesten in de directe omgeving kunnen negatieve effecten op deze soorten worden uitgesloten Er zijn in de omgeving van het plangebied ook waarnemingen van de steenmarter bekend. De steenmarter is een echte cultuurvolger die graag verblijft in de omgeving van mensen waar hij voedsel vindt en verblijfplaatsen maak in rommelige hoeken of schuren op boerenerven. Tijdens het veldbezoek zijn meerder locaties aangetroffen die geschikt kunnen zijn als verblijfplaats voor de steenmarter. Negatieve effecten op deze soort kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Overige beschermde grondgebonden zoogdieren zoals de bosmuis, konijn, haas, egel, ree en vos kunnen in en om het plangebied voorkomen. Voor deze soorten is in provincie Utrecht bij ruimtelijke ontwikkelingen een algemene vrijstelling van toepassing. Dit betekent dat werkzaamheden binnen het leefgebied van een soort kunnen worden uitgevoerd zonder verdere ontheffing. Wel dient datgene gedaan te worden dat redelijkerwijs van een initiatiefnemer verwacht kan worden, om schade aan eventueel aanwezige fauna te voorkomen. Er dient daarom bij de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden met de aanwezigheid van deze en andere algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren rekening te worden gehouden. Dit kan door het toepassen van de algemene zorgplicht (zie kader).
Ø Negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de beschermde steenmarter kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de steenmarter is noodzakelijk. Ø Voor overige beschermde grondgebonden zoogdieren is in de provincie een algemene vrijstelling van toepassing. Wel dient met de aanwezigheid van deze soorten rekening te worden gehouden door het toepassen van de algemene zorgplicht. Vleermuizen Vleermuizen hun vaste rust- en verblijfplaatsen en essentiële gebiedsfuncties (foerageergebieden en vliegroutes) zijn beschermd (Wnb, artikel 3.5 lid 1, 2 en 4). Het is verboden opzettelijk dieren te doden of verwonden of vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen te verstoren. Uit (de omgeving van) het plangebied zijn waarnemingen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis en laatvlieger bekend. Met de aanwezigheid van deze soorten dient daarom rekening gehouden te worden. Vaste rust- en verblijfplaatsen Vleermuizen zijn nacht actieve dieren. Overdag verblijven de soorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger in gebouwen. De rosse vleermuis is voornamelijk boom bewonend, de gewone grootoorvleermuis verblijft zowel in gebouwen als bomen.
In de bebouwing binnen het plangebied zijn onder het dakbeschot van het woonhuis openingen aangetroffen die voor vleermuizen toegankelijk zijn, daarnaast zijn de schuren aantrekkelijk voor de gewone grootoorvleermuis. Openingen zoals aanwezig in het woonhuis of dakconstructie van schuren bieden vleermuizen de mogelijkheid om overdag veilig weg te kunnen kruipen in de achterliggende ruimte. Op grond van de kenmerken van de gebouwen kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied niet op voorhand uitgesloten worden. Massa winterverblijfplaatsen bevinden zich doorgaans in hoogbouw, waar voldoende volume is om warmte bufferend vermogen en warmte gradiënt in de verblijfplaats te bieden. Dergelijke condities ontbreken in het plangebied waardoor de
Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan
Pagina 8 van 15
aanwezigheid van massa winterverblijfplaatsen op voorhand kan worden uitgesloten. De geplande ontwikkeling heeft geen effect op de bomen op het terrein waardoor schade aan eventuele verblijfplaatsen van rosse vleermuis redelijkerwijs uitgesloten is. De mogelijk aanwezige soorten en te onderzoeken gebiedsfuncties zijn weergegeven in tabel 2. Foerageergebieden Het plangebied kan deel uitmaken van het foerageergebied van vleermuizen. Het onderscheid zich niet zodanig van het omliggende terrein dat het op zichzelf genomen een essentiële functie vervult. De aanwezigheid van voor vleermuizen essentieel foerageergebied in het plangebied kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Incidenteel foeragerende vleermuizen kunnen gemakkelijk uitwijken naar geschikt foerageergebied in de directe omgeving van het plangebied. Vliegroutes Om zich te oriënteren in de ruimte maken vleermuizen gebruik van lijnvormige structuren zoals gebouwen, boomrijen, houtwallen, kades en watergangen. Bij uitvoering van het voornemen vinden geen aanpassingen aan dergelijke structuren plaatst. Negatieve effecten op een mogelijk aanwezige vliegroutes kunnen daarom worden uitgesloten.
Essentiele vliegroute
Essentieel foerageergebied
Massa winterverblijfplaats
Winterverblijfplaats (solitair)
Paarverblijfplaats
Kraamverblijfplaats
Soort / Functie
Zomerverblijfplaats
Tabel 2 | Overzicht van mogelijk aanwezige vleermuissoorten en beschermde functies (groen).
Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Gewone grootoorvleermuis
Ø Effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen niet worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van de in tabel 2 genoemde soorten en functies is noodzakelijk. Ø Effecten op overige voor vleermuizen essentiële gebiedsfuncties zoals foerageergebied en vliegroutes worden uitgesloten. Broedvogels Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4) De nesten van deze soorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Uit het literatuuronderzoek komen waarnemingen van gierzwaluw, kerkuil, steenuil en huismus naar voren. De gierzwaluw en huismus nestelen beide in gebouwen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van openingen onder dakpannen, boeiboorden, in muren of andere schuilplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn er geen huismussen waargenomen in (de directe omgeving van) het plangebied. Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan
Pagina 9 van 15
Gelet op de kenmerken van het plangebied kan de aanwezigheid van deze soort echter niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van huismussen en de functies die het plangebied heeft voor deze soort is noodzakelijk. De gierzwaluw verblijft momenteel in Afrika. In het gebouw zijn voor beide soorten geen toegankelijke openingen aanwezige. De steenuil en kerkuil zijn beide soorten die graag nestelen in de omgeving van boerenerven en vaak gebruik maken van nestkasten of ruimtes in schuren. De kerkuilenkast in gebouw 5 (zie foto-overzicht) lijkt bewoond te zijn. Overige gebouwen kunnen geschikt zijn voor de steenuil. Negatieve effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen (nesten) van vogels met jaarrond beschermde nesten kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Vogels met onder bijzondere omstandigheden jaarrond beschermde nesten (cat. 5) Van sommige soorten zijn de nesten alleen onder bijzondere omstandigheden jaarrond beschermd. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer in de omgeving onvoldoende alternatieve broedplaatsen voorhanden zijn. De ekster, zwarte kraai, boerenzwaluw, gekraagde roodstaart en zwarte roodstaart zijn soorten van deze groep die in de omgeving van het plangebied voorkomen. De ekster en zwarte kraai broeden doorgaans in een zelfgebouwd nest in een boom.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zijn geen bomen betrokken, waardoor effecten voor deze soorten kunnen worden uitgesloten. De boerenzwaluw maakt zelf nesten in schuren of onder een overstek. Tijdens het veldbezoek zijn er geen nestplaatsen van boerenzwaluw aangetroffen. De zwarte- en gekraagde roodstaart broedden in open schuren, kleine openingen (nissen) in gebouwen of (half-open) nestkasten. Deze soorten kunnen tot broeden komen in de gebouwen in het plangebied. Gelet op de geïsoleerde ligging van het plangebied kan voor roodstaarten sprake zijn van een jaarrond beschermde nestplaats wanneer geen alternatieven beschikbaar zijn in de directe omgeving. Geadviseerd wordt om de aanwezigheid van roodstaarten en de functie van het plangebied voor deze soorten te onderzoeken. Negatieve effecten op nesten van vogels met onder bijzondere omstandigheden jaarrond beschermde nesten kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Tijdens het broedseizoen beschermde vogels De nesten van algemene broedvogels zijn beschermd wanneer deze als broedlocatie in gebruik zijn. In het plangebied zijn beperkt voor vogels aantrekkelijke broedlocaties aanwezig. Er dient echter rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van broedvogels die kunnen nestelen in of om het gebouw zoals spreeuw en roodborst.
De negatieve effecten: het storen of doden van individuen en het vernietigen van nesten (Wnb, artikel 3.1, lid 1, 2 en 4), kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Vogels kunnen gedurende het gehele jaar tot broeden komen. Het is daarom belangrijk hier vooraf rekening mee te houden. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode tussen 15 maart en 15 augustus (broedseizoen). Bij (start van de) werkzaamheden in deze periode dient de werkzone te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten van algemene broedvogels. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden, waarbinnen gedurende de periode waarin het nest in gebruik is niet wordt gewerkt. De omvang van deze zone is afhankelijk van de verstoringsgevoeligheid van de soort en dient door een ter zake kundig ecoloog te worden bepaald.
Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan
Pagina 10 van 15
Ø Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op jaarrond beschermde nesten (vaste rust- en verblijfplaatsen) van broedvogels uit categorie 1-4 kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar nesten (vaste rust- en verblijfplaatsen) van huismus, kerkuil en steenuil is noodzakelijk. Ø Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op broedvogels uit categorie 5, kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. Nader onderzoek naar nesten (vaste rust- en verblijfplaatsen) van zwarte- en gekraagde roodstaart is noodzakelijk. Ø In het plangebied kunnen algemene broedvogels tot broeden komen. Bij werkzaamheden tijdens het broedseizoen (maart t/m augustus) zijn daarom voorzorgsmaatregelen van toepassing.
Reptielen In (de nabijheid van het plangebied) komt de strikt beschermde hazelworm voor. In het plangebied is voor deze reptielen geen aantrekkelijk habitat aanwezig in de vorm van ruwe vegetatie, open plekken tussen de vegetatie en muizenholen of andere toegankelijke openingen in de grond. Negatieve effecten op de hazelworm kunnen daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. Ø Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op reptielen kunnen redelijkerwijs uitgesloten worden. Amfibieën In (de nabijheid van het plangebied) komen de strikt beschermde poelkikker en heikikker voor. De heikikker is een soort die erg kritisch is ten aanzien van zijn habitat. De habitat waar de heikikker wordt aangetroffen kenmerkt zich door schraal, ruig en vochtig terrein zoals heide of hoogveen. Dergelijk habitat is niet aanwezig in het plangebied daarom kunnen negatieve effecten op de heikikker redelijkerwijs worden uitgesloten. De poelkikker is minder kritisch ten aanzien van zijn habitat echter is deze soort sterk gebonden aan water. In het plangebied is geen open water dat geschikt is voor de poelkikker. Uit de omgeving van het plangebied zijn tevens waarnemingen van o.a. de algemene bruine kikker, meerkikker, bastaardkikker, kleine watersalamander en gewone pad gedaan. Voor deze soorten is in provincie Utrecht bij ruimtelijke ontwikkelingen een algemene vrijstelling van toepassing.
Dit betekent dat werkzaamheden binnen het leefgebied van een soort kunnen worden uitgevoerd zonder verdere ontheffing. Wel dient datgene gedaan te worden dat redelijkerwijs van een initiatiefnemer verwacht kan worden, om schade aan eventueel aanwezige fauna te voorkomen. Er dient daarom bij de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden met de aanwezigheid van deze en andere algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren rekening te worden gehouden. Dit kan door het toepassen van de algemene zorgplicht (zie kader). Ø Negatieve effecten van de voorgenomen ontwikkeling op strikt beschermde amfibieën kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Ø Effecten van de voorgenomen ontwikkeling op algemeen beschermde amfibieën zijn niet uitgesloten. Voor deze soorten is een algemene vrijstelling en de zorgplicht van toepassing.
Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan
Pagina 11 van 15
7. Conclusie en advies In opdracht van Kubiek Ruimtelijk Plannen heeft Bureau Buitenwaard BV een ecologische quickscan uitgevoerd. In dit verkennend onderzoek zijn de consequenties van een ruimtelijke ontwikkeling voor onder de Wet natuurbescherming opgenomen soorten beoordeeld. De voorgenomen ontwikkeling kan alleen doorgaan wanneer deze niet in strijd is met de bepalingen die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming, of nadat de benodigde vergunningen en/of ontheffingen zijn verleend. Onderstaand worden de onderzoeksvragen beantwoord en zijn ter voorkoming of verzachting van negatieve effecten op beschermde soorten voorzorgsmaatregelen beschreven. In tabel 4 onder aan dit hoofdstuk zijn de resultaten per relevante soortgroep samengevat.
A. Welke onderdelen van de Wet natuurbescherming zijn van belang? Het plangebied ligt op ruime afstand van Natura 2000-gebieden en wijzigt in de nieuwe situatie niet of nauwelijks in gebruik. Gelet op de ligging van het plangebied en aard van de voorgenomen ontwikkeling worden in de bouwfase geen effecten van bijvoorbeeld licht, trillingen of geluid op Natura 2000-gebieden verwacht. In de gebruiksfase kunnen negatieve effecten als gevolg van stikstof emissie eveneens worden uitgesloten. Om volledige zekerheid te verkrijgen betreffende stikstof emissie in relatie tot Natura 2000-gebieden kan het bevoegd gezag vragen om een AERIUS-calculatie. Een dergelijke calculatie vormt geen onderdeel van een quickscan. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. Nader onderzoek en toetsing aan het beschermingskader van het NNN zijn daarom niet van toepassing. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op bomen, waardoor het onderdeel bescherming van houtopstanden in de Wnb niet van toepassing is. Het onderdeel soortbescherming is voor een aantal soort(groep)en van toepassing bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling.
B. In hoeverre is de beoogde ontwikkeling strijdig met de Wnb? Er kunnen negatieve effecten optreden voor de in tabel 3 genoemde beschermde soorten en/of functies. Tabel 3 | Overzicht van mogelijk aanwezige beschermde soorten en functies.
Soort
Functie
Grondgebonden zoogdieren
Vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter, leefgebied algemeen beschermde soorten
Vleermuizen
Mogelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen
Vogels jaarrond beschermd (cat. 1 t /m 4)
Nesten van huismus, steenuil en kerkuil
Vogels jaarrond beschermd (cat. 5)
Nesten van zwarte- en gekraagde roodstaart
Broedvogels algemeen
Nesten
Amfibieën
Leefgebied algemeen beschermde amfibieën
Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan
Pagina 12 van 15
C. Zijn voorzorgsmaatregelen, nader onderzoek en/of een ontheffing nodig? Nader onderzoek steenmarter Om vast te kunnen stellen of er vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter in het plangebied aanwezig zijn dient nader onderzoek plaats te vinden. Dit onderzoek wordt uitgevoerd volgens de richtlijnen ‘Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortenbescherming, provincie Noord- Brabant 2017’. Om verblijfsfuncties voor steenmarter vast te stellen worden wildcamera’s (cameravallen) opgesteld in de schuren en directe omgeving daarvan, op kansrijke plekken op het erf en aan de randen van het plangebied nabij groenstructuren. Deze onderzoeksmaterialen kunnen in de meest actieve periode van de steenmarter (tussen maart en augustus) min. 6 weken in het plangebied worden geplaatst. Wanneer het onderzoek wordt uitgevoerd in de periode september tot en met februari, worden de eenheden dubbel zo lang geplaatst (minimaal 12 weken), omdat de trefkans dan kleiner is. Nader onderzoek vleermuizen Om vast te kunnen stellen of er vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in het gebouw dient nader onderzoek plaats te vinden. Vleermuis onderzoeken worden uitgevoerd conform de kaders uit het Vleermuis protocol (2021). Gelet op de mogelijk aanwezige soorten dienen in de periode 15 mei – 15 juli, twee avondbezoeken en één ochtendbezoek en in de periode 15 aug.
– 30 sept. twee nachtbezoeken plaats te vinden. Nader onderzoek vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 t/m 4) De huismus, steenuil en kerkuil kunnen nestelen in het plangebied. Om dit vast te stellen of uit te kunnen sluiten dient nader onderzoek plaats te vinden. Deze onderzoeken worden gedaan volgens aanwezigheidsprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). De aanwezigheid van nesten van de huismus wordt onderzocht tijdens twee gerichte veldbezoeken in de periode tussen 1 april en 20 juni. De aanwezigheid van een nest van een kerkuil wordt als volgt aangetoond: Er is een bezet nest, er is minimaal één waarneming in de periode van 1 februari tot en met 31 augustus van een paar in broedbiotoop, of territoriaal gedrag: een krijsende vogel. Dit kan het hele jaar zijn, maar vooral in februari en maart, of bedelende jongen: doorgaans vanaf juni. De aanwezigheid van een nest of van een rustplaats van een steenuil kan het hele jaar worden onderzocht. Alle waarnemingen in een geschikt gebied duiden op de mogelijke aanwezigheid van een nestplaats in het gebied. De meest optimale periode om de aanwezigheid aan te tonen, is van 15 februari tot en met 15 april. De inventarisatie moet tijdens gunstige weersomstandigheden plaatsvinden. Het beste moment om te inventariseren is in de avondschemer, vanaf een halfuur na zonsondergang, tot middernacht.
Een ander goed moment is in de ochtendschemer, van anderhalf uur voor zonsopkomst tot zonsopkomst. De beste resultaten worden gekregen door de baltsroep van de steenuilen af te spelen of na te doen. Daarnaast moet er overdag gezocht worden naar sporen die op de aanwezigheid van een territorium duiden, bijvoorbeeld braakballen, uitwerpselen of prooiresten. Nader onderzoek vogels met onder bijzondere omstandigheden jaarrond beschermde nesten (cat. 5) Voor onderzoek naar de zwarte- en gekraagde roodstaart geldt geen protocol. Het kan het beste uitgevoerd worden tijdens het broedseizoen. De vogels verblijven ’s winters in Afrika en keren vanaf half april terug en treken vanaf juli weer naar het zuiden. Geadviseerd wordt om tijdens twee gerichte veldbezoeken in de periode mei – juni te zoeken naar territoriale vogels.
Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan
Pagina 13 van 15
Voorzorgsmaatregelen vogels De vestiging van algemene broedvogels kan nooit geheel uitgesloten worden. Om vertraging van de werkzaamheden of schade aan eventuele nesten te voorkomen kunnen de sloopwerkzaamheden het beste buiten het broedseizoen (maart-aug) uitgevoerd worden. Wanneer dit niet mogelijk is dient het werkgebied voor start van de werkzaamheden door een ecologisch deskundige te worden gecontroleerd op eventueel aanwezige nesten. Wanneer een broedgeval wordt aangetroffen, dient een verstoringsvrije zone te worden aangewezen waarbinnen gedurende de periode waarin het nest in gebruik is niet wordt gewerkt. De omvang van deze zone is afhankelijk van de verstoringsgevoeligheid van de soort en dient door een ter zake kundige te worden vastgesteld. Bij twijfel of het aantreffen van een nest, dient een ecoloog ingeschakeld te worden.
D. Wat zijn de gevolgen voor de verdere planvorming en uitvoering van het voornemen? Het nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen van steenmarter, vleermuizen en nesten van kerkuil en steenuil kan gevolgen hebben voor verder planvorming. Nader onderzoek naar de steenmarter dient uitgevoerd te worden in de periode maart tot augustus of september tot februari. Onderzoek naar de steenuil wordt doorgaans uitgevoerd in de periode 15 februari tot 15 april. Het nader onderzoek naar de kerkuil dient plaats te vinden in de periode van 1 februari tot 31 augustus. Het nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen wordt uitgevoerd tijdens 5 veldbezoeken, verspreidt in de periode tussen 15 mei en 30 september. Tabel 4 | Overzicht van onderzochte beschermde soortgroepen, effecten en vervolgstappen.
Soort(groep)
Effect
Vervolgstappen*
Flora
Geen overtreding art. 3.5 of 3.10
N.v.t.
Grondgebonden zoogdieren
Geen overtreding art. 3.5 of 3.10
Nader onderzoek vaste rust- en verblijfplaatsen steenmarter
Vleermuizen
Geen overtreding art. 3.5 of 3.10
Nader onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen
Vogels jaarrond (cat. 1-4)
Geen overtreding art. 3.1
Nader onderzoek naar huismus, steenuil en kerkuil
Vogels
jaarrond
bijzonder
Geen overtreding art. 3.1
omstandigheden (cat. 5) Vogels algemeen
Nader onderzoek naar zwarte- en gekraagde roodstaart
Mogelijk overtreding art. 3.1
Sloopwerkzaamheden
buiten
het
broedseizoen, of vooraf controleren op de aanwezigheid van nesten** Reptielen
Geen overtreding art. 3.5 of 3.10,
Algemene zorgplicht
Amfibieën
Mogelijke overtreding art. 3.5
Algemene zorgplicht
Vissen
Geen overtreding art. 3.5 of 3.10
N.v.t.
Insecten en ongewervelden
Geen overtreding art. 3.5 of 3.10
N.v.t.
*de algemene zorgplicht is altijd en voor alle soortgroepen van toepassing ** voorzorgsmaatregelen ten behoeve van algemene broedvogels vastleggen in een ecologisch werkprotocol
Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan
Pagina 14 van 15
Algemene zorgplicht De algemene zorgplicht is te allen tijde en voor alle soortgroepen van toepassing (Wnb, artikel 1.11). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling (en bestendig beheer en onderhoud) voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden algemene soorten als konijn of gewone pad worden aangetroffen, zij de ruimte en tijd moeten krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren voorzichtig verplaatst worden naar veilig, naastgelegen terrein. Voor het toepassen van voorzorgsmaatregelen en toepassing van de algemene zorgplicht is geen ontheffing in het kader van de Wnb nodig.
Bureau Buitenwaard | Briefrapportage ecologische quickscan
Pagina 15 van 15