CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

12.a Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling_v3a.pdf

Raadscommissie 10 februari 2026, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 8: Bestemmingsplan Voskuilerdijk 2632.587 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

experts in biogas en droging

53

6.5 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Er is geen sprake van processen of activiteiten waarbij natuurlijke hulpbronnen, anders dan energie en water, worden gebruikt. Het grootste deel van de stroom en de warmte wordt op de locatie zelf opgewekt. Alle benodigde warm water voor de processen en op temperatuur houden van de installatieonderdelen worden gerealiseerd door warmteterugwinning bij oliekoeling van de compressoren gasopwerking en CO2 liquefaction, toepassing warmtewisselaars voor de laagwaardige warmte in combinatie met warmteverdelers en warmtepompen (als back-up). Bij het zeer incidenteel opstarten van een vergister is een stoomketel nodig, welke wordt gehuurd. Deze is meestal diesel gestookt (worst case), maar zou ook op (bio)gas kunnen werken. Naast de elektriciteit zal ook diesel worden gebruikt, maar dit zal vooral voor de machines op het terrein benodigd zijn.

experts in biogas en droging

54

6.6 Productie van afvalstoffen 6.6.1 Vrijkomen van afval Binnen de inrichting kunnen bij de acceptatie en de productie een beperkt aantal afvalstoffen vrijkomen. Deze zullen apart opgeslagen worden in containers die periodiek door daartoe vergunde bedrijven worden opgehaald, tenzij ze in het vergistingsproces verwerkt kunnen worden (zie het gehanteerde A&V beleid). De gehele verwerking is erop gericht om zoveel mogelijk (nieuwe) producten uit de mest en de restproducten te genereren, waardoor er weinig afval wordt gegenereerd. Het vergiste (co-)/mest mengsel wordt gescheiden in een fosfaathoudende dikke fractie en een stikstofhoudende dunne fractie. De dikke fractie wordt gedroogd tot gewilde mestkorrels, die met name in buitenland worden afgezet en toegepast. De dunne fractie wordt afgevoerd naar gebieden in Nederland waar nog plaatsingsruimte mogelijk is. Daarnaast wordt al het reinigingswater van de vloeren, opslagvoorzieningen, silo's en mestscheider teruggevoerd in en toegevoegd aan het vergistingsmengsel. Er komt minder dan 5 ton (vast) gemengd bedrijfsafval per jaar vrij, waarvan een klein deel gevaarlijk afval, zoals afgewerkte olie, tl-buizen, olie- en brandstoffilters, vervuilde poetsdoeken en verpakkingsmaterialen.

Vanwege de uitbreiding van de input-/verwerkingscapaciteit van de vergister zal de productie van afval mogelijk toenemen, dit is inherent aan de bedrijfsontwikkeling. Andersom zal het bedrijf na uitbreiding meer afvalstromen verwaarden en worden deze daarna nuttig toegepast. De gevraagde afvalstromen die als grondstof worden gebruikt betreffen het primaire productieproces. Zeker als het eindproduct digestaat is, wordt deze ook met een einde afvalstatus als grondstof gebruikt bij derden.

6.6.2 Afval afkomstig van biogasopwerking en CO2 vervloeiing en luchtwasser De gasopwerkingsinstallatie en de CO2 vervloeiingsinstallatie produceren slechts één vaste afvalstof: de inhoud van het actieve koolfilter in de reinigingsinstallaties, welke 1 - 2 x per jaar wordt verwisseld. Het gaat hierbij om 3000 kg vervuild kool per jaar. Deze afvalstroom wordt afgevoerd als gevaarlijk afval of wordt teruggestuurd naar de leverancier, waar het wordt geregenereerd en hergebruikt. Het condensaat dat opgevangen wordt tijdens de koelingsstap in de voorreiniging wordt teruggeleid naar de vergister (in de meng-/hydrolysetank). Het ‘geproduceerde’ spuiwater uit de luchtwasser wordt periodiek met een tankwagen afgevoerd en wordt toegepast als meststof voor bemesting op cultuurlandgronden. Het spuiwater betreft de ammoniak houdende lucht uit de afzuiging van de mest-/digestaat opslagvoorzieningen, t.w. de schroefpersfilter ruimte, de opslagplaats dikke digestaatfractie en toploader en de droogruimte, en

experts in biogas en droging

55

hetgeen met zwavelzuur wordt gebonden tot de (NH4)2SO4-houdende meststof. De hoeveelheid spuiwater uit de luchtwasser, inzetbaar als mineralen meststof wordt geraamd op 1.640 m3 per jaar. Dit is ruim aangehouden.

6.6.3 Acceptatie van stoffen van derden De producten die worden aangevoerd bij De Greef kunnen worden gekenmerkt als zijnde afval. Derhalve is voor het project een beleid opgesteld voor de acceptatie en registratie van alle binnenkomende biomassa stromen. Voor het accepteren van plantaardige co-substraten is een procedure voor de AO/IC en het A&V (beleid m.b.t. de administratieve organisatie en interne controle en het acceptatie- en verwerkingsbeleid) opgesteld. Deze wordt als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Daarnaast wordt een document ‘Toetsing doelmatigheid toepassing afvalstoffen als cosubstraat in het vergistingsproces’ bij de aanvraag gevoegd.

experts in biogas en droging

56

6.7 Risico’s van ongevallen Het risico van ongevallen en abnormale (bedrijfs-)omstandigheden voor de ondernemer en zijn personeel, zullen zoveel mogelijk worden beperkt door onder andere het installeren van alle apparatuur in overeenstemming met NEN-eisen door erkende installateurs. Dit betreft met name de procesinstallaties en de elektriciteitsvoorzieningen. Met betrekking tot brandgevaar zal het bedrijf voldoen aan de voorschriften zoals opgenomen in het Bouwbesluit. Op de tekening, behorende bij de aanvraag om omgevingsvergunning, zullen alle brandblusmiddelen worden weergegeven op de plaats waar ze gesitueerd zullen worden, dan wel reeds aanwezig zijn. Het grootste risico voor een bedrijf met vergisting betreft het biogas. Bij het gebruik van biogas kunnen de volgende gevaren c.q. risico’s optreden: • • • • • • •

levensgevaar door verstikking in niet-geventileerde ruimten en tanks; explosie van een ontvlambaar gas-/luchtmengsel; ontstaan van branden; bevriezen van gas- en substraatleidingen; condensvorming, vooral door het afkoelen van met water verzadigd gas; corrosie door agressieve bestanddelen in het gas, zoals ammoniak en zwavelwaterstof; verstopping van leidingen, vooral gas- en substraatleidingen.

In de gasopwaarderingsruimten is/wordt detectieapparatuur aangebracht in de vorm van CO2meters. Binnen de inrichting worden de volgende preventieve maatregelen genomen: • • • •

de brandweer wordt op de hoogte gesteld van de aanwezigheid van de vergistingsinstallatie met gasopslag; blusmiddelen worden binnen de inrichting geplaatst in overleg met de brandweer; roken en open vuur is verboden; de benodigde veiligheidstekens worden overeenkomstig het Besluit veiligheids- en gezondheidssignalering aangebracht.

De noodzaak om een bliksembeveiligingsinstallatie te plaatsen verschilt per situatie. In een later stadium zal worden beoordeeld of een bliksembeveiligingsinstallatie noodzakelijk is. Voor de veiligheid van de gasopvang dient het materiaal van de biogasopvang bestendig te zijn tegen de inwerking van biogas. Verder dient de maximale druk van de vergister en gasopvang niet te worden overschreden. Zoals al beschreven, worden binnen de inrichting maatregelen genomen om te waarborgen dat de maximale druk niet wordt overschreden.

experts in biogas en droging

57

6.8 Externe veiligheid In de nabijheid van het bedrijf bevinden zich risicovolle inrichtingen die vallen onder het ‘Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen’ (BEVI). Dit zijn allen categoriale inrichtingen waarvoor afstanden gelden. Aan de hand van de landelijke risicokaart (www.risicokaart.nl/kaarten) is een inventarisatie uitgevoerd van de risicobronnen in en rond de locatie Voskuilerdijk 26. In onderstaande figuur zijn deze weergegeven.

Figuur 10: Uitsnede risicokaart met de locatie erop ingetekend Uit bovenstaande uitsnede van de risicokaart blijkt dat de locatie Voskuilerdijk 26 niet binnen de invloedsfeer van BEVI-bedrijven ligt. De dichtstbijzijnde inrichting waar gevaarlijke stoffen opgeslagen worden is aan ’t Zwarte Land 31 in Scherpenzeel. Dit bedrijf (een LPG tankstation) ligt op meer dan 1.000 meter vanaf de locatie. De locatie ligt ruim buiten de risicocontour van dit bedrijf. Relevant in het kader van de voorgenomen uitbreiding input van 30.000 ton/jaar naar 60.000 ton/jaar is de aanwezigheid van het biogas. Op de risicokaart zijn de plaatsgebonden risicocontouren van de bestaande twee vergisters niet weergegeven. In het kader van de aangevraagde omgevingsvergunning voor vergroting van de vergister

experts in biogas en droging

58

inputcapaciteit wordt een nieuwe risicobron geïntroduceerd. Er komt een 3e biogasopslagreservoir bij. Dit 3e biogasopslagreservoir wordt op een grotere afstand van de dichtstbijgelegen woning gesitueerd dan de 2 bestaande biogasopslagen. In het kader van het BEVI/REVI behoeft voor de biogasopslag op de locatie geen invloedsgebied te worden vastgesteld. Er bevinden zich geen burger- en/of bedrijfswoningen binnen de LFL-contour van de biogasopslagreservoirs. Uit vergelijkbare risicoberekeningen bij grotere vergistingsinstallaties, d.w.z. met meer dan ruime verdubbeling van de biogasopslagcapaciteit en meer verlaad- en overslagvoorzieningen dan bij De Greef wordt hier rekening gehouden met een invloedsgebied (10-8/jaar) van •

1,3 x PR = 10-6/jaar contour (worst case situatie), dus ongeveer 65 m.

Figuur 11: Kaart met PR=10-6/jaar risicocontouren en invloedsgebied (10-8/jaar) Binnen het invloedsgebied bevinden zich geen (geprojecteerde) objecten van derden. Er is daarmee geen groepsrisico. De Europese Seveso III-richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015). De opslag van vergistingsgas (biogas) in grote hoeveelheden kan de drempelwaarden van het Brzo overschrijden. Vandaar dat is getoetst in hoeverre het Brzo 2015 op de inrichting van toepassing is. Uit onderzoek blijkt dat toxische eigenschappen van een vergistingsgas pas vanaf een gehalte H2S van 17,8 vol% relevant zijn in relatie tot het Brzo 2015. Zoals aangegeven in de ‘Handreiking co-vergisting van mest’ is aangegeven geldt voor een goed werkende installatie onder normale condities een gehalte waterstofsulfide van 0,1 vol% als

experts in biogas en droging

59

maximum. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat de toxische eigenschappen van het biogas niet relevant zijn met betrekking tot het Brzo 2015. De drempelwaarde voor brandbare stoffen (P2 ontvlambare gassen van categorie 1 of 2) is 10 ton, dat is ongeveer 8.000 tot 10.000 m3 biogas. De verwachte biogas opslagcapaciteit wordt verhoogd naar circa 3.150 m3 biogas (2,65 ton). Dit blijft dus ruimschoots onder de genoemde drempelwaarde liggen. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de hoeveelheid biogas die op enig moment binnen de inrichting aanwezig kan zijn, altijd lager blijft dan de drempelwaarde zoals opgenomen in Bijlage I van de Seveso III-richtlijn. Het Brzo 2015 is daarom niet van toepassing op de inrichting. Sinds 2004 is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van kracht. Het doel van dit besluit is mensen in de buurt van een bedrijf met gevaarlijke stoffen te beschermen. Bij een omgevingsvergunning milieu of een ruimtelijk besluit rond zo'n bedrijf moet het bevoegd gezag rekening houden met veiligheidsafstanden. Dit zijn veiligheidsafstanden voor de bescherming van individuen (plaatsgebonden risico) en groepen personen (groepsrisico). Het Bevi is niet van toepassing op het opslaan van vergistingsgas. Alleen als het Brzo van toepassing zou zijn, dan is ook het Bevi van toepassing. Dit staat in artikel 2 lid 1a Bevi.

Zoals beschreven in bovenstaande is het Brzo 2015 niet van toepassing op de inrichting. De inrichting valt zodoende niet onder de werkingssfeer van het Bevi. Een overzicht van de wet- en regelgeving die van toepassing is bij vergunningverlening voor (co-)vergisting van dierlijke mest is te vinden in de ‘Handreiking co-vergisting van mest’. Volgens de handreiking moeten bij de opslag van biogas in een gasreservoir bij lichte overdruk, veiligheidsafstanden en daaraan gerelateerde maatregelen worden toegepast. Voor inrichtingen met biogasopslag tot en met 4.000 m3 is in de handreiking co-vergisting van mest een vaste veiligheidsafstand van 50 meter gedefinieerd. Bij grootschalige opslag van biogas (meer dan 4.000 m3) is het noodzakelijk de externe veiligheidsafstanden te berekenen. Zoals reeds beschreven is op de inrichting sprake van een biogasopslagcapaciteit van circa 3.150 m3. De vaste veiligheidsafstand van 50 meter is van toepassing. Deze afstand geldt vanaf het midden van de gasopslag. Binnen deze afstand mogen geen kwetsbare objecten in de zin van het Bevi liggen. Daarnaast liggen er bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten binnen de afstand van 50 meter. Binnen de 50 meter zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig.

De beoogde verandering van de input in de co-vergistingsinstallatie leidt niet tot andere conclusies met betrekking tot risico’s voor de omgeving. De hoeveelheid en toxiciteit van het biogas alsmede de locatie van het biogas veranderen niet en leiden dan ook niet tot additionele gevaren. Er ontstaan door de verandering dan ook geen significante risico’s voor de omgeving. Het Bevi (besluit externe veiligheid) en BRZO 2015 (Besluit Risico’s zware ongevallen) zijn ook door de verandering niet van toepassing op de gewijzigde inrichting. P.S. Aanvullend

experts in biogas en droging

60

Het enige onderdeel van artikel 1 (toepassingsgebied van de REVI (de regeling die het BEVI uitvoert) dat de groengasinstallatie betrekking zou kunnen hebben is artikel 1b onderdeel g: “inrichtingen waar aardgasdruk gereduceerd wordt aardgashoeveelheid gemeten wordt, voor zo ver de gastoevoerleiding een grote diameter heeft dan 20 inch.” De Bio2Net is een inrichting binnen het gebouw van de groengasinstallatie waar de aardgashoeveelheid wordt gemeten, maar de gas toevoerleiding van de Bio2Net is slechts 3 inch. De installatie moet voldoen aan de ATEX-richtlijnen (94 en 137) en aan NEN 1059. De installatie is uitgerust met een H2S detectie, zodat in het geval van lekkage de aanvoerafsluiters dicht gaan en de toevoer stopt.

experts in biogas en droging

61

6.9 Conclusie kenmerken van het project Gelet op alle kenmerken van het uit te breiden project ten opzichte van de referentiesituatie en de uitkomsten van de daarbij verrichte onderzoeken, kan worden uitgesloten dat het verschil tussen de milieueffecten van de beoogde situatie en de milieueffecten van de referentiesituatie belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

experts in biogas en droging

62

7

Plaats van het project

7.1 Plaats van de voorgenomen activiteit De inrichting is gevestigd aan de Voskuilerdijk 26, op ongeveer 1,5 km van de dorpskern van Scherpenzeel en op ongeveer 2,5 km van de kern van Woudenberg. In onderstaande figuur is de ligging weergegeven van de vanaf 2018/2019 bestaande en in bedrijf zijnde vergistingsinstallatie. De dichtstbijgelegen woning, zijnde een woning behorend bij een voormalig agrarische bedrijf ligt op ongeveer 100 m. afstand van de vergister.

Figuur 12: Situatietekening met de ligging Mts. De Greef Agro Energy BV. Het deel van de inrichting waar de vergistingsinstallatie is gesitueerd heeft de coördinaten x = 160.425 en y = 456.340 (centrum van de locatie) en is kadastraal bekend als: gemeente WOUDENBERG02, sectie A, nummer 1531. De oppervlakte bedraagt nu nog 12.325 m2.

experts in biogas en droging

63

Figuur 13: Ontwerpbestemmingsplan Voskuilerdijk 26, ingediend 2023 [bron: ruimtelijkeplannen.nl] Het perceel heeft nu de bestemming “Agrarisch met waarden – Landschapswaarde – Reliëf ” met de functieaanduidingen “intensieve veehouderij” en “specifieke vorm van bedrijf mestvergistingsinstallatie”. Met het nieuwe bestemmingsplan worden in feite 2 percelen gerealiseerd en krijgt het 2e perceel een industriebestemming, doch specifiek bestemd voor een co/mestvergistingsinstallatie met aanvullende verwerking/verwaarding van de primair gevormde producten. De goothoogte van bedrijfsgebouwen mag maximaal 6 m. en de bouwhoogte maximaal 11 m. bedragen. De maximale hoogte van bouwwerken, geen gebouwen of overkappingen zijnde, mag 10 m. bedragen. Verder mogen silo's, niet zijnde mestsilo's en watersilo’s niet hoger zijn dan 12 m. en mag de maximale hoogte van sleufsilo's 3 m. bedragen. Ten slotte mogen bouwwerken voor mestopslag maximaal 10 m. bedragen en de maximale inhoud 2.500 m³, exclusief de mestopslagruimten onder gebouwen. Op onderstaande figuur is de plattegrondtekening met de installatieonderdelen voor de beoogde situatie weergegeven.

experts in biogas en droging

64

Figuur 14: Plattegrondtekening biologisch pluimveehouderij incl. biogasinstallatie De Greef Voor de betekenis van de installatieonderdelen wordt verwezen naar de plattegrondtekening en het renvooi overzicht in de bij deze aanmeldnotitie bijgevoegde bijlage 1. Om de uitbreidingsplannen gerealiseerd te krijgen moet het bestaande bouwvlak worden vergroot van 1,5 ha naar 2,5 ha. De provincie heeft aangegeven wel veel kansen te zien om dit gerealiseerd te krijgen en heeft benadrukt achter de plannen voor groengas productie te staan. Het is noodzakelijk de vergroting door middel van een planherziening te realiseren. Binnen de provinciale verordening artikel 5.6. is het mogelijk de vergister als stedelijke functie in het buitengebied toe te staan, mits deze aansluit bij een agrarisch bouwperceel. Dat houdt in dat de agrarische bestemming beperkt wordt tot het echt agrarische deel en voor het mestvergistingsdeel een aparte bestemming (bedrijf voor opwekking duurzame energie). Vooruitlopend op de omgevingsvergunningsaanvraag is eind december 2023 een bestemmingsplanherziening voor 2 bouwvlakken in procedure gebracht. Het ontwerp-b.p. is op 27 december 2023 ter visie gelegd. Na verwerking van de zienswijzen wordt het definitieve bestemmingsplan naar verwachting op 15 december 2025 ter visie gelegd, voorzien van een verslag van de ondernomen participatie activiteiten.

7.2

Kenmerken van de omgeving

Voor de kenmerken van de omgeving wordt verwezen naar de Ruimtelijke onderbouwing, onderdeel van de bestemmingsplanherziening. Tegelijkertijd wordt het bestaande Ruimtelijk Kwaliteitsplan c.q. Erfinrichtingsplan geactualiseerd aangeleverd. De locatie is gelegen in het landelijke gebied halverwege de kernen Woudenberg en Scherpenzeel.

experts in biogas en droging

65

De dichtstbijgelegen woning van derden ligt op ongeveer 100 meter van de inrichtingsgrens van de vergister. Dit betreft een woning bij een voormalig agrarisch bedrijf. De bestemming hiervan is nog altijd een agrarische bedrijfswoning. De gronden rondom de vergisterlocatie zijn eigendom van initiatiefnemer. De locatie is centraal gelegen voor potentiële leveranciers van mest en co-producten en afnemers van digestaat en afgeleide producten. De ontsluiting van de locatie loopt via Voskuilerdijk (in noordelijke en zuidelijke richting) naar de N224.

7.3 Rijkdom en regeneratievermogen van het gebied Omdat het gehele terrein een bestaand gebied betreft, is geen sprake van rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. Het bedrijf is hier reeds gevestigd. Er worden geen (bedrijfs-)gebouwen afgebroken, alleen het bestaande foliebassin voor de opslag dunne fractie wordt opgeruimd en er worden enkel twee staande opslagsilo’s bijgebouwd voor de opslag van mestvergistingsmengsel, resp. dunne fractie. Deze aspecten zijn in deze daarom ook niet of minder relevant.

7.4 Opnamevermogen van het milieu De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen soortbescherming en gebiedsbescherming en is geregeld in de Wet natuurbescherming. Een overzicht van de meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is gegeven in onderstaande tabel 3. Binnen deze gebieden zijn één of meerdere stikstofgevoelige habitats aangewezen. Tabel 3: Overzicht van de meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden

De stikstofdepositie wordt berekend tot een afstand van 25 km van de bron. Omdat de geometrie van de bronnen in de referentiesituatie en de aan te vragen situatie niet één op één overeenkomt heeft dit als consequentie dat ter plaatse van de hexagonen die liggen op 25 km afstand randeffecten kunnen optreden, waarbij in de verschilberekening toe- of afnames worden berekend die er feitelijk niet zijn. Dit komt doordat op de maximale rekenafstand van 25 km van de bronnen uit de referentiesituatie geen (of gedeeltelijke) overlap optreedt met de maximale rekenafstand van 25 km van de bronnen in de beoogde situatie.

experts in biogas en droging

66

De kortste afstand van de locatie en het dichtstbijgelegen Natura 2000 gebied ‘Veluwe’ bedraagt circa 11,4 kilometer. Het bedrijf beschikt over een adequate Wnb-vergunning, op 2 november 2018 door provincie Utrecht aan het bedrijf verstrekt. Hierbij zijn zowel de stikstofemissies van het pluimveebedrijf als van de vergister meegenomen in de berekeningen. Met het nieuwe Aerius Calculator model 2025.0.1 is de depositie voor de beoogde situatie in beeld gebracht. Hierbij wordt verwezen naar de bijlage (bijgevoegd) AERIUS_projectberekening_20251030105505_RyGzsqdPdcHy_Aantevragensituatie (30 oktober 2025). In de aan te vragen situatie wordt een bijdrage berekend op stikstofgevoelige (overbelaste) habitats binnen Natura 2000-gebieden. De berekende bijdrages zijn zodanig dat op voorhand significante effecten niet zijn uit te sluiten. Er is sprake van vergunningplicht. Het project dient passend te worden beoordeeld. In dat kader mag intern worden gesaldeerd met de reeds vergunde emissies en depositiebijdragen. Uit de AERIUS-projectberekening inclusief interne saldering volgt dat ten opzichte van de vergunde situatie de totale depositiebijdrage op de individuele hexagonen binnen omliggende Natura 2000 gebieden niet toeneemt en voor het merendeel juist in belangrijke mate afneemt ten opzichte van de vergunde situatie.

Na interne saldering als mitigerende maatregel zijn significant negatieve effecten niet te verwachten. Er is daarmee sprake van een vergunbare situatie. Dit onder de voorwaarde dat ook wordt voldaan aan voorwaarde 2 en voorwaarde 3 als beschreven onder stap 3 van het “Schema beoordelingskader intern salderen” als Bijlage bij persbericht bij uitspraak Afdeling bestuursrechtspraak van 18 december 2024 zaaknummer 202201311/1. Een aanvraag om natuurvergunning wordt nog in december 2025 bij de provincie Utrecht ingediend.

experts in biogas en droging

67

7.5 Flora en Fauna De effecten van de planontwikkeling op de natuurwaarden in het plangebied zelf of directe omgeving, worden zeer laag ingeschat. Er zal geen verstoring plaatsvinden of onevenredige aantasting van natuurwaarden. De natuurwaarden worden positief versterkt doordat de nieuwbouw met gebiedseigen en -relevante erfbeplanting wordt ingepast. Met de ontwikkeling van deze nieuwe landschapselementen op het terrein wordt bijgedragen aan versterking van de natuur- en landschapswaarden. Geconcludeerd wordt dat het plan daardoor een positief effect heeft op de betekenis voor natuur- en landschapswaarden.

7.6 Landschap en cultuurhistorie Op de kaart 'cultuurhistorie en landschap' is de locatie Voskuilerdijk 26 gelegen in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur, nader aangeduid als 'militair erfgoed'. In artikel 7.7 wordt hierover het volgende bepaald: In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties gelegen in de Cultuurhistorische hoofdstructuur wordt rekening gehouden met de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur en worden regels gesteld ter bescherming en benutting van deze waarden. In het plangebied zelf zijn geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig. Voor dit plan gaat het om de waarden van het militaire erfgoed dat gevormd wordt door de Grebbelinie. De beoogde plannen voorzien in een bestemmingswijziging, waarbij het plangebied gesplitst wordt in twee bedrijfstakken. Ter plaatse was al een agrarisch (en daarmee een mestvergistingsinstallatie) toegestaan. De verlenging van de pluimveestal en de nieuwe 3e vergistersilo en een staande betonnen naopslagsilo zorgen niet voor een (significante) aantasting van de openheid. Daarnaast zal in de nieuwe situatie meer groen aangelegd worden door de toevoeging van 120 bomen. Ook hierdoor worden de kernkwaliteiten van de Grebbelinie versterkt. In het plangebied zijn geen verdedigingssystemen aanwezig.

Het nieuwe bestemmingsplan heeft dan ook geen negatieve invloed op de waarden van de Grebbelinie en het bijbehorende landschap.

7.7 Archeologie In 1992 is het Europees Verdrag van Malta ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder ook Nederland. Het doel hiervan is het veiligstellen van het (Europese) archeologisch erfgoed. Dit moet met name gestalte krijgen in het ruimtelijke ordeningsbeleid, wat betekent dat bij de voorbereiding van bestemmingsplannen meer aandacht moet worden besteed aan de (mogelijke) aanwezigheid van archeologische waarden en dat een beschermende regeling moet worden opgenomen ten aanzien van die archeologische waarden. Ter implementatie van het Verdrag van Malta is op 1 september 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Deze wet regelt onder andere dat er in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening gehouden wordt met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden.

experts in biogas en droging

68

Op 20 juli 2021 is het gemeentelijke archeologiebeleid geactualiseerd. Op de archeologische waarden- en verwachtingskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting.

Verder geldt voor het plangebied deels de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'. Naar verwachting aanwezige, archeologische waarden worden daarmee beschermd. Tevens rust op het plangebied ook de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwervingsgebied'. De nieuwe na-opslag en vergister liggen in het gebied met een lage verwachting. Hier geldt als ondergrens voor archeologisch onderzoek een oppervlakte van 1.000 m2 én een diepte van 0,3 m mv. Die ondergrens wordt niet overschreden. De uitbreiding van de stal is gelegen in de gebieden met een hoge en middelhoge verwachting. Daar geldt als ondergrens voor archeologisch onderzoek een oppervlakte van 100 m2 bij een hoge verwachting en 1.000 m2 bij een middelhoge verwachting én een diepte van 0,3 m -mv. Ondanks dat die oppervlaktes overschreden worden, wordt de ondergrens van niet dieper dan 0,3 m onder het maaiveld niet overschreden.

7.8 Conclusie locatie van het project De aangevraagde situatie heeft geen negatieve gevolgen voor flora en fauna, de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura2000 gebieden en/of invloed op waardevolle structuren of elementen in het gebied. Door het treffen van diverse maatregelen wordt voldaan aan BBT en is de invloed van de inrichting op de omgeving zeer gering.

experts in biogas en droging

69

8

Kenmerken van het potentiële effect

8.1 Bereik van het effect De grootste effecten van de beoogde oprichting en bedrijfsvoering van Mts. De Greef Agro Energy BV. zijn te verwachten voor de aspecten geluid en geur. Deze zijn lokaal van aard en kunnen op korte termijn hinder veroorzaken. Voor deze aspecten worden maatregelen getroffen om hinder zoveel mogelijk te voorkomen. Deze maatregelen zullen verder worden beschreven in de technische toelichting met - waar mogelijk - berekeningen gebaseerd op metingen in de praktijk welke wordt bijgevoegd bij de omgevingsvergunningaanvraag. De rapportages van de resultaten van de uitgevoerde milieuonderzoeken en die in oktober 2025 geactualiseerd zijn, zijn als bijlagen bij deze notitie gevoegd. In hoofdstuk 10 van deze aanmeldnotitie worden de uitgangspunten, resultaten en conclusies van de uitgevoerde milieuonderzoeken toegelicht.

8.2 Grensoverschrijdend karakter van het effect Gezien de ligging van de inrichting en de effectafstanden is er, met uitzondering van stikstofdepositie wat wordt gereguleerd middels de Wet natuurbescherming, geen sprake van een grensoverschrijdend karakter.

8.3 Waarschijnlijkheid van het effect Het optreden van effecten is zeer waarschijnlijk, maar door de getroffen maatregelen zijn deze marginaal en niet significant.

8.4 Duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect De effecten zijn marginaal, de vergunning wordt gevraagd voor onbepaalde tijd. De silo’s en gebouwen worden gebouwd om vervolgens permanent in gebruik te nemen met de bijbehorende emissies en effecten. De exploitatie van het bedrijf is een onomkeerbare effecten.

8.5 Cumulatie van het effect Op het bedrijfsterrein zijn momenteel geen bedrijven van een gelijke aard. Cumulatie van effecten met de effecten van andere ontwikkelingen of projecten is niet van toepassing. Wel vindt cumulatie van effecten plaats op gebied van emissies. Voor de stikstofdepositie wordt in het kader van de Wet natuurbescherming rekening gehouden met omliggende bedrijven en bijbehorende emissies.

8.6 Mogelijkheden om te verminderen Er worden diverse maatregelen getroffen om emissies en eventuele hinder zoveel mogelijk te beperken. Deze worden beschreven in de technische rapporten die als bijlage bij de omgevingsvergunningsaanvraag worden gevoegd en betreffen onder andere het realiseren van een luchtwasser, maar ook rapportages en berekeningen van de feitelijke emissies. De rapportages zijn bovendien als bijlagen bij deze aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling gevoegd.

experts in biogas en droging

70

8.7 Conclusie kenmerken van het potentiële effect Uit de hiervoor genoemde kenmerken en effecten, waaronder de diverse genoemde onderzoeken die inmiddels voor de aanvraag om omgevingsvergunning zijn uitgevoerd, kan geconcludeerd worden dat er als gevolg van de voorgenomen ontwikkelingen geen effecten zijn die belangrijke nadelige gevolgen op de omgeving hebben.

experts in biogas en droging

71

9

Kentallen en uitgangspunten en toelichting uitvoeringsaspecten

9.1 Hoeveelheden eindproducten In onderstaande tabel 3 wordt een inschatting gegeven van de hoeveelheden van de eindproducten, inclusief de toekomstige producten bij een volgroeide eindsituatie van het bedrijf. Tabel 3:

hoeveelheden eindproducten

Eindproduct Biogas en groene stroom en/of groen gas

Vloeibare koolzuur Warmte

Dikke fractie digestaat na scheiding Fosfaathoudende meststof (gedroogd product) Stikstofhoudende dunne digestaatfractie Spuiwater luchtwasser

Hoeveelheid / jaar o.b.v. 8.760 uur - circa 14,5 miljoen m3 biogas met circa 5,5 miljoen kWh groene stroom en circa 6,5-6,8 miljoen m3 groen gas of - circa 14,5 miljoen m3 biogas met circa 8,5 miljoen m3 groen gas circa 12,8 kton circa 11,3 GWh therm. bij toepassing van full time gebruik van de WKK met 100% belastingsgraad, dus WKK draait jaarrond op vollast. circa 12,5 kton circa 5,525 kton circa 38,5 kton circa 1,65 kton N-concentraat

De gehele hoeveelheid geproduceerde dikke fractie - opgewaardeerd en gevalideerd naar exportwaardige kwaliteit - gaat gedroogd worden in de drooginstallatie. Er wordt rekening mee gehouden dat incidenteel de dikke fractie niet exportwaardig wordt verklaard en dat in deze gevallen de dikke fractie ongedroogd moet worden afgevoerd. Het aantal mogelijke extra vrachten gaat in ieder geval niet noemenswaardig toenemen. En deze zijn al verdisconteerd in het akoestisch rapport.

9.2 Transportbewegingen Jaarlijks worden voor de aangevraagde situatie (60.000 ton inputmateriaal per jaar) t.b.v. de (co)/mestvergisting maximaal 3.220 totaal aan vrachten naar de inrichting vervoerd en uit de inrichting afgevoerd, dat betekent een 65% toename van het aantal transporten ten opzichte van de huidige, vergunde situatie op basis van 30.000 ton input per jaar. Er vanuit wordt gegaan dat dagelijks van de af te voeren dunne digestaat één tankwagen als retourvracht mee terug wordt genomen. Voor het pluimveebedrijf geldt als uitgangspunt op jaarbasis 191 transporten, dus 382 transportbewegingen. Dit betekent dat het totaal aantal transportbewegingen (co-/mestvergister + agrarische activiteiten) per jaar, d.w.z. aankomst en retour op ongeveer 2 x 3.411 = 6.822 stuks wordt berekend.

experts in biogas en droging

72

De transportbewegingen vindt plaats tijdens de dagperiode (tussen 07.00 en 19.00 uur) en betreffen 6 dagen in de week (ma-za). In bijlage 2 is een tabel opgenomen met de aantallen transporten op basis van 60.000 ton input per jaar. Het jaargemiddelde aantal transporten bedraagt 12 per werkdag. In de praktijk blijkt dat het aantal transporten per werkdag sterk kan fluctueren, mede afhankelijk van het jaargetijde (voorjaar en najaar) en bijzondere omstandigheden bij leveranciers en afnemers. Het uitgangspunt voor de akoestisch representatieve situatie is een verhoogd aantal transporten. Oftewel er is rekening mee gehouden dat op een drukke dag er ten hoogste 24 transporten zijn in de dagperiode en 4 in de avondperiode. Dat komt heen en weer overeen met 48 vrachtverkeersbewegingen in de dagperiode en 8 in de avondperiode als weergegeven in tabel 4 van het akoestisch onderzoek. Dit geldt als een worst case situatie. In de bovenstaande aantallen zijn de overige extra transportbewegingen, bijv. t.b.v. onderhoud, afvoer vloeibaar CO2 en de transportbewegingen t.b.v. de pluimveetak verdisconteerd. Het transportverkeer wordt via 2 invalswegen afgewikkeld. In het akoestisch onderzoek wordt dit nader toegelicht, inclusief de verdeling van de aantallen. In het nieuwe akoestisch onderzoek worden de consequenties van het toegenomen transportverkeer inzichtelijk gemaakt.

Het akoestisch onderzoek is als bijlage 3 toegevoegd aan deze aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling.

9.3 Bedrijfstijden De aanvoer van grondstoffen en de afvoer van de verschillende mest(producten) vinden plaats tijdens de dag-uren van 06.00 – 19.00 uur, behoudens tijdens de inkuilperiode in het najaar, waarbij ook ’s avonds in te kuilen producten worden aangevoerd en verwerkt. De verwerking van grondstoffen in de vergister en de activiteiten op het terrein t.b.v. van de (co-)/ mestvergisting en de mestvergisting (intern transport, invoer in de vergister etc.) vinden plaats in de dagperiode. Bij hoge uitzondering kunnen ook ’s avonds werkzaamheden buiten op de locatie plaatsvinden. Op de installatie zullen maximaal 3-5 mensen werkzaam zijn. De installatie is alleen bemand tijdens de dagperiode van 7 – 19 uur. Het terrein is buiten de werktijden afgesloten. De aanvoer van kippenvoer en de afvoer van eieren vindt alleen plaats in de dag-uren van 06.00 – 19.00 uur. De aanvoer en afvoer van kippen kan ook in de avonduren en ’s nachts plaatsvinden. Deze activiteiten vinden één keer (aanvoer) en één keer (afvoer) per jaar plaats. Het vergistingsproces en de verdere verwerkingsactiviteiten van de producten vinden volcontinu plaats, 24 uur per etmaal.

experts in biogas en droging

73

In het nieuwe akoestisch onderzoek worden de consequenties van het toegenomen transportverkeer en de bedrijfsduurcorrecties etc. inzichtelijk gemaakt. Het akoestisch onderzoek is als bijlage 3 bij deze aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgenomen.

9.4 Mestsoorten en restproducten De co-/mestvergistingsinstallatie wordt gevoed met 60.000 ton mest en co-producten per jaar, waarvan > 50% vloeibare mest en vaste mest en < 50% vloeibare en vaste co-producten , die voorkomen op de lijst uit bijlage Aa, onderdeel IV van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (de voormalige positieve lijst co-vergisting). De samenstelling van de te verwerken grondstoffen, mest en restproducten blijven grotendeels ongewijzigd. Op jaarbasis zal vooral rundveemest (ongeveer 25.000 - 30.000 ton) worden verwerkt van bedrijven uit de wijde omgeving. Daarnaast bestaat de mestaanvoer ten behoeve van de verwerking in de vergister uit kalvermest en beperkte hoeveelheden eigen pluimveemest en paarden- en konijnenmest. De consequenties van de te verwerken (rest)producten in de vergister op de geuremissie zijn in het nieuwe geuronderzoek inzichtelijk gemaakt. Het geuronderzoek is als bijlage 4 bijgevoegd.

9.5 Besluit Activiteiten Leefomgeving Per 1 januari 2024 zijn het Activiteitenbesluit, de Activiteitenregeling en het Besluit omgevingsrecht (Bor) komen te vervallen en zijn de milieubelastende activiteiten, en rechtstreeks werkende, algemene regels opgenomen in het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL). De inrichting waarvoor vergunning is aangevraagd, is aangemerkt als een inrichting waarvoor vergunningplicht (voorheen type C inrichting) geldt. Bij De Greef vinden meerdere activiteiten plaats die vallen onder de werkingssfeer van het BAL en er moet onder meer worden voldaan aan de volgende paragrafen uit het BAL (voor zover deze activiteiten betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten): • • • • • • • • • • • •

Paragraaf 3.2.0 Paragraaf 3.2.1 Paragraaf 3.2.5 Paragraaf 3.2.7 Paragraaf 3.2.8 Paragraaf 3.2.9 Paragraaf 3.3.2 Paragraaf 3.3.10 Paragraaf 3.3.14 Paragraaf 3.4.2 Paragraaf 3.5.11 Artikel 3.187

Energiegebruik bij gebouwen Stookinstallatie > 100 kW Koelinstallatie met koolwaterstoffen als koelmedium Bovengrondse opslagtank voor tot vloeistof verdichte gassen, nl. CO2 Opslagtank voor vloeistoffen ADR klasse 3 dieseltank tractoren Gevaarlijke stoffen in verpakking IPPC installatie – grootschalige energieopwekking IPPC installatie – afvalbeheer Grootschalige mestverwerking Behandelen, regelen en meten van aardgas Verwerken van bedrijfsafvalstoffen (of gevaarlijke stoffen) Aanwijzing vergunningplichtige gevallen: ontwateren en drogen bedrijfsafvalstoffen (of gevaarlijke afvalstoffen), met uitzondering van afvalwater

experts in biogas en droging

74

• •

Artikel 3.191 Artikel 3.194

• • • •

Paragraaf 3.6.1 Artikel 3.201 Paragraaf 3.6.8 Artikel 3.226.b

• • • • • • • •

Artikel 4.96 Paragraaf 4.32 Paragraaf 4.33 Paragraaf 4.39 Paragraaf 4.50 Paragraaf 4.82 Paragraaf 4.83 Paragraaf 4.84

• •

Paragraaf 4.88 Paragraaf 4.92

•

Paragraaf 4.95

• •

Paragraaf 4.104 Paragraaf 4.126

Composteren en vergisten van bovenstaande (grond)stoffen Aanwijzing vergunningplichtige gevallen: scheiden van bedrijfsafvalstoffen (of gevaarlijke afvalstoffen) Veehouderij IPPC installatie > 40.000 leghennen Bedrijf voor mestbehandeling Het vergisten van dierlijke meststoffen in combinatie met afvalstoffen Afval: in ontvangst nemen van afvalstoffen Opslaan van afvalstoffen Koelinstallatie met kooldioxide, koolwaterstoffen of ammoniak Kleinschalig tanken dieselbrandstof (< 25.000 liter/jaar) Ontvangen van afvalstoffen Dierenverblijven Opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen en/of plantaardige restproducten uit de landbouw en tuinbouw Mestvergistingsinstallatie Opslaan van oxiderende en verstikkende gassen in een opslagtank, waaronder CO2 Opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in een tankcontainer, IBC’s inbegrepen of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt Opslaan van goederen Kleine en middelgrote stookinstallatie voor standaard brandstoffen, zoals vergistingsgas

Van belang voor deze vergunningsaanvraag is, of de inrichting ook voor de milieubelastende activiteiten die onder het BAL vallen, voldoet aan BBT. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf. In de bijgevoegde BBT toets zijn de van belang zijnde activiteiten (BREF’s) opgenomen alsmede de BBT beoordeling op basis van de Omgevingsregeling. Melding Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL) Gelet op artikel 2.17 van het BAL moet de verandering van de inrichting 4 weken voor het begin van een activiteit worden gemeld. De milieubelastende activiteiten in het bovenvermelde overzicht worden opgenomen en verwerkt in de in te dienen aanvraag omgevingsvergunning.

experts in biogas en droging

75

10 Milieuaspecten 10.1 Geluid Voor de inrichting De Greef is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door het akoestisch bureau Noorman Bouw- en milieuadvies van de bestaande installatie inclusief de nieuwe onderdelen. De rapportage (kenmerk Rapport 22310242r03a_251031) dateert van 31 oktober 2025. De rapportage is als bijlage bij deze notitie gevoegd en wordt bij de omgevingsvergunningsaanvraag gevoegd. Doel van het onderzoek is het voor de aan te vragen situatie bepalen van de vanwege de inrichting te verwachten geluidniveaus in de omgeving. De geluidniveaus zijn onder meer getoetst aan de grenswaarden als opgenomen in de in 2018 verleende omgevingsvergunning (revisie) met kenmerk Z-WABO-2018-1737 en aan de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. In voorgaande paragraaf 9.2 is het uitgangspunt toegelicht waarmee in het akoestisch onderzoek is gerekend v.w.b. het aantal transporten van en naar de locatie. Teneinde de nadelige gevolgen voor het milieu zoveel mogelijk te beperken worden binnen de inrichting de volgende geluidreducerende maatregelen getroffen, overeenkomend met de beste beschikbare technieken: • • • •

• • •

•

De bedrijfsduur van de voertuigen op het buitenterrein wordt beperkt, motorvoertuigen zijn niet onnodig in bedrijf. De activiteiten en werkzaamheden alsmede de aan- en afvoer zijn in hoofdzaak beperkt tot de akoestisch minder kritische dagperiode. De binnen de inrichting in gebruik zijnde installaties, machines en motorvoertuigen voldoen aan de stand der techniek. De bestaande WKK-installatie en gasopwerkingsinstallatie staan inpandig opgesteld en zijn aanvullend uitgevoerd met een geluidisolerende omkasting. De nieuwe (tweede) gasopwerkingsinstallatie en de onderdelen van de CO2-opwaardeer- en vervloeiingsinstallatie worden eveneens voorzien van een geluidisolerende omkasting en inpandig opgesteld. De WKK-installatie is uitgevoerd met goed geluidgedempte luchttoevoer- en afvoervoorzieningen en een goed presterende uitlaatdemper. De bestaande pluimveestal 5 wordt in gebruik genomen voor opslag/stalling agrarische goederen (geen relevante geluidemissie) en niet meer voor het houden van hennen. De nokventilatoren van de te verlengen pluimveestal 6 worden uitgevoerd met toerenregeling. Voor toerengeregelde ventilatoren geldt dat ten gevolge van de lagere omwentelingssnelheid de geluidbijdrage bij een lager debiet fors lager is ten opzichte van ventilatie met aan-/uitregeling.

Alle mengers van de bestaande co-substraatsilo’s krijgen een nadere onderhoudsbeurt en worden gecontroleerd op een goede werking.

experts in biogas en droging

76

•

•

•

•

Het uitgangspunt voor de aanvraag is dat een CO2-koeler wordt bijgeplaatst. Een dergelijke koeler zal worden uitgerust als een ‘low noise’ koeler, met een immissierelevante bronsterkte LW = 77 dB(A) bij nominale capaciteit. De geluidemissie vanwege de bestaande biogasreiniging wordt in de richting van de woning Voskuilerdijk 28 afgeschermd met een 2 m hoog geluidscherm. De biogasreiniging wordt aangepast c.q. vernieuwd. Uitgangspunt is dat de totale geluidemissie niet toeneemt en eveneens wordt voorzien van een geluidscherm ter beperking van de geluidbijdrage in de richting van de woning Voskuilerdijk 28. Het scherm wordt ten minste 1 m hoger dan de bovenzijde van de installaties én aan de binnenzijde geluidabsorberend uitgevoerd. De te plaatsen warmtepompen worden direct zuidelijk van de vergisters 1 en 2 opgesteld. De geluidemissie in noordelijke richting (in de richting van de woning Voskuilerdijk 28) wordt daar mee in belangrijke mate afgeschermd door de tussenliggende bebouwing. De horizontale geveluitlaat door de wand van de WKK-loods wordt voorzien van een demper met een dempingswaarde van tenminste 10 dB.

De bovengenoemde maatregelen zijn (en worden) ingepast in de bedrijfsvoering en maken integraal onderdeel uit van de in dit akoestisch onderzoek in beeld gebrachte representatieve bedrijfssituatie. RBS Uit de berekeningsresultaten volgt dat de grenswaarden al opgenomen in paragraaf 22.3.4 van het ‘Omgevingsplan gemeente Woudenberg’ van resp. 50, 45 en 40 dB(A) in de dag-, avond en nachtperiode wordt voldaan. De hoogst berekende geluidbelasting (Voskuilerdijk 28) bedraagt 44, 41 en 36 dB(A) in de resp. 3 beoordelingsperioden. Opgemerkt wordt dat al rekening is gehouden met de toepassing van geluidreducerende maatregelen als hierboven beschreven. Een verdere reductie is redelijkerwijs niet mogelijk. UBS Uit het overzicht van de berekende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de uitzonderlijke bedrijfssituatie (UBS, voorheen IBS) met afvoer (avond en nacht) of aanvoer (overdag) van leghennen en het gebruik van shovel voor het verladen van kratten volgt dat de geluidbelasting in dat geval ten hoogste 46 dB(A) in de dag-, 45 dB(A) in de avond- en 41 dB(A) in de nachtperiode bedraagt ter plaatse van de woning Voskuilerdijk 28. De te ver wachten gevelgeluidwering bedraagt ten minste 20 dB. Het in de UBS te verwachten binnenniveau in de nachtperiode bedraagt ten hoogste LAr,LT = 41 – 20 = 21 dB(A).

Aan de op basis van het Besluit kwaliteit leefomgevings (Bkl) toelaatbare waarde van 25 dB(A) kan worden voldaan. De in de UBS berekende geluidbelasting is daarmee middels maatwerkvoorschrift vergunbaar. LAmax Uit de berekeningsresultaten van de maximale geluidniveaus (LAmax) volgt dat ter plaatse van de omliggende woningen kan worden voldaan aan de vergunde en algemeen aanvaardbaar geachte waarden van respectievelijk 70, 65 en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. Uit het overzicht van de rekenresultaten van het LAmax in de uitzonderlijke bedrijfssituatie (UBS) met afvoer (avond en

experts in biogas en droging

77

nacht) of aanvoer (overdag) van leghennen volgt dat de maximale geluidniveaus op de woning Voskuilerdijk 28 in deze situatie voor de nachtperiode tot 2 dB hoger zijn dan onder representatieve omstandigheden. Aan de op basis van het Bkl toelaatbare waarde van 45 dB(A) kan worden voldaan. Het in de UBS berekende maximale geluidniveau is daarmee middels maatwerkvoorschrift vergunbaar. Hinder is mede gelet op het uitzonderlijke karakter zeker niet te verwachten. Indirecte hinder Uit het overzicht van de berekende indirecte hinder vanwege het bedrijfsverkeer (RBS) rijdend over de openbare weg, volgt dat de berekende geluidbelasting ten hoogste 50 dB(A) etmaalwaarde bedraagt ter plaatse van de woning Voskuilerdijk 30. Aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde wordt derhalve voldaan.

10.2 Bodem De beoogde biogas opwerkingsinstallatie en de CO2-vervloeiingsinstallatie worden gemonteerd in volledig gesloten gebouwen op een aaneengesloten betonvloer. Er is een zeker bodemrisico, wat door het nemen van maatregelen in lijn met de richtlijnen, i.c. de NRB 2012, verwaarloosbaar zal zijn; er worden stoffen gebruikt die als bodembedreigend gezien kunnen worden. Concreet gaat het om een smeeroliecircuit in combinatie met de koelcompressor (met een freon) en water-glycolmengsel (die gebruikt wordt in de koeltafel). Onder de mogelijke bronnen van lekkage staan tevens lekbakken. Zodoende bestaat er geen risico op het lekken van vloeistoffen in de bodem. Gezien het gesloten systeem is er verder geen bodemverontreiniging te verwachten bij normaal bedrijf, noch bij interne lekkage of andere calamiteiten. Het vloeibare CO2 wordt niet als bodembedreigend gezien (omdat het bij lekkage instantaan verdampt). Beide processen kunnen in de NRB gezien worden als een combinatie van een gesloten proces met transport door leidingen. Bovendien is de vloer van het CO2-gebouw vloeistofkerend uitgevoerd. Er wordt geen koelmiddel, noch freon, noch ammoniak in emballage opgeslagen in de gebouwen. Alleen voor het odoriseren van het groene gas is een vaatje van 50 liter aanwezig van THT. Deze staat in een lekbak van afdoende grootte.

Dit vat wordt gebruikt om handmatig het buffervaatje van het odorantsysteem te vullen en is op andere momenten volledig afgesloten. Ook onder het buffervaatje is een lekbak in het ontwerp opgenomen. Er is geen verdere opslag van THT op de site. Ten behoeve van de luchtwasser wordt zwavelzuur gebruikt. De zwavelzuur wordt opgeslagen in KIWA gekeurde dubbelwandige kunststoffen (1 m3 inhoud) IBC’s, inpandig opgesteld op een vloeistofkerende betonvloer. De dosering van de zwavelzuur betreft een gesloten systeem. Dit betreft een reeds bestaande en vergunde situatie. Ten behoeve van de brandstofvoorziening van de shovel/verreiker op het terrein werkzaam, is een bovengrondse dieselolietank aanwezig. Deze 2,5 m3 inhoud bevattende tank is dubbelwandig uitgevoerd met een PE omhulling. De tank en lekbak en toebehoren is KIWA gekeurd en staat naast

experts in biogas en droging

78

de loods op een vloeistofkerende betonverharding. Het aftanken van de shovel/verreiker gebeurt eveneens op een vloeistofkerende verharding en voldoet daarmee aan de NRB 2012. Ten behoeve van de omgevingsvergunningsaanvraag is een bodemrisicoanalyse uitgevoerd (september 2023) waarin de reeds bestaande installatie onderdelen, logistieke voorzieningen en activiteiten zijn beschreven. Daarbij is onderzocht welke combinaties van voorzieningen mogelijk zijn om een verwaarloosbaar bodemrisico te bereiken. De vloeren worden vloeistofdicht en vloeistofkerend uitgevoerd op die plaatsen waar ten gevolge van activiteiten risico’s bestaan op bodemverontreiniging. Hieruit volgt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in zoverre kunnen worden uitgesloten. De BRCL(BB-vcm) versie 2020-01 wordt als bijlage bij de omgevingsvergunningsaanvraag gevoegd. Een bodemonderzoek behoeft niet te worden uitgevoerd, omdat de nieuwe installatieonderdelen inpandig en op de bestaande betonvloer onder een deel van de reeds bestaande sleufsilo’s worden gesitueerd. Een bodemonderzoek heeft in het kader van deze aanvraag naar de mening van initiatiefnemer geen toegevoegde waarde. Uiteraard wordt bij het uitgraven van de grond voor de bouw van de vergistersilo nr. 3 en de opslagsilo dunne digestaat gelet op de aanwezigheid van verontreinigende elementen.

De uitgegraven grond wordt op eigen terrein verwerkt in terreinophoging en voor grondaanvulling van de singelbeplanting.

10.3 Geur biogasinstallatie 10.3.1 Algemeen De geuremissie van de biogasinstallatie blijft na realisatie van de uitbreiding min of meer ongewijzigd. Bij een vergistersilo gaat het om een volledig gesloten leidingensysteem, waar normaliter geen biogas, ‘lees geur in de buitenlucht wordt geëmitteerd. Omdat in biogas ammoniak en/of zwavelverbindingen zitten bestaat er een kans op geuroverlast vóór de groen gas installatie. Bij de opwerking van het biogas naar groengas kwaliteit komt geen emissie en geur vrij. Het betreft een volledig gesloten installatie. In de beoogde situatie wordt al het geproduceerde biogas, dus ook het deel wat is bestemd voor verbranding in de WKK, door de uit te breiden voorreinigingsinstallatie geleid waarin een waterwasser en actief koolfilters de geurstoffen (zoals H2S, NH3 en terpenen) uit het biogas halen. Hierna bevat het gereinigde biogas enkel de geurloze bestanddelen methaan en CO2. De vereiste geurstof (THT) die nodig is om het groengas op aardgaskwaliteit te brengen, wordt pas als laatste stap aan het gas toegevoegd, vlak voor het invoeden in het aardgasnet. Voordat dit gebeurt is in de Bio2Net installatie al bepaald dat het gas de juiste kwaliteit heeft om in het net te worden ingevoed. Zodoende wordt de typische aardgaslucht pas aan het groen gas toegevoegd als zeker is dat dit ook het aardgasnet in gaat.

Er bestaat een minimale kans dat hierdoor geuroverlast ontstaat. Het gebouw is bovendien uitgerust met een gasalarm (i.v.m. explosiegevaar), dat bij gaslekkage direct de hele installatie uitschakelt en alle relevante afsluiters dichtzet, lang voordat er geuroverlast voor de omgeving kan ontstaan.

experts in biogas en droging

79

Bij de verbranding van biogas in een WKK zou, in geval van een hogere zwavelconcentratie in de aangevoerde producten, theoretisch een zeer beperkte geuremissie kunnen optreden en ontwijken via de verbrandingsgassen. De normale gang van zaken is dat door middel van biologische ontzwaveling in de vergister (toevoeging van een kleine hoeveelheid lucht) en toevoeging van waterijzer aan het vergistingsmengsel het H2S-gehalte goed onder controle wordt gehouden. Dit is ook nodig om corrosie in de WKK-installatie te voorkomen. Dit is in de huidige, reguliere bedrijfssituatie ook al het geval. In de aangevraagde situatie wordt, zoals hiervoor al vermeld, ook het aandeel biogas wat bestemd is voor de WKK door actief koolfilters (AK filters) geleid om met name het H2S- en koolwaterstoffengehalte verder omlaag te brengen.

10.3.2 Geuronderzoek biogasinstallatie Het vergistingsproces an-sich en de meeste voorbewerkings- en nabewerkingsprocessen blijven ongewijzigd, alleen de inputcapaciteit neemt toe van 30.000 ton mest en co-producten per jaar naar 60.000 ton per jaar. Ten behoeve van deze uitbreiding is een geuronderzoek uitgevoerd door Olfasense BV. Het rapport met kenmerk HARO 25A1, 31 oktober 2025 is als bijlage bij deze notitie gevoegd en wordt bij de omgevingsvergunningsaanvraag gevoegd. Uit analyse van de huidige en toekomstige bedrijfsvoering zijn de volgende geurbronnen geïdentificeerd: • Luchtbehandelingssysteem (lavafilters en vervolgens biobedfilter) • Opslag vaste mest • Opslag vaste co-producten • Vullen hydrolysering (huidige situatie) • Opslag dikke fractie • Luchtwasser droger • WKK Naar verwachting zijn het luchtbehandelingssysteem (biobedfilter) en de gaswasser van de droger de voornaamste geurbronnen. De bijdrage van de overige bronnen is beperkt. Er is daarom besloten om aan de twee bepalende bronnen geurmetingen uit te voeren. Aan de hand van de resultaten van de geurmetingen is vervolgens de geuremissie- en immissiesituatie in beeld gebracht, waarin onderscheid gemaakt is in drie situaties: •

•

•

De vergunde situatie Deze is beschreven in ‘Toelichting op de geuraspecten Maatschap de Greef, Voskuilerdijk 26, Woudenberg’ (rapportdatum 30 mei 2018, versie 1.0, opgesteld door M. Verhaart van Biogas Plus). De huidige situatie Op basis van de huidige inzichten wordt de geuremissiesituatie in de huidige situatie opnieuw bepaald. De aangevraagde situatie

experts in biogas en droging

80

Uiteraard wordt ook de geuremissie- en immissiesituatie van de aangevraagde situatie in beeld gebracht. Om een indruk te krijgen van de werking en effectiviteit van het biobedfilter is gekeken naar de verblijftijd van de afgezogen lucht uit de hydrolyse-/mengtank. Afzuigdebiet, gemeten door Olfasense = 900 m3/uur en inhoud biobedfilter = 79 m3. Dat betekent een verblijftijd van 5,3 minuten. Dit is ruim voldoende om een goede afbraak van de geurcomponenten te bewerkstelligen in geurloze componenten. In het kader van het geuronderzoek zijn geurmetingen uitgevoerd bij een 2-tal geurbronnen, nl. • •

aan de uitlaatopening van de chemische (zuur) luchtwasser, waarin m.n. de afgewerkte drooglucht wordt nabehandeld en de ammoniak eruit wordt gehaald, en aan de lavareactoren en aansluitend het biobedfilter, waarin de overige geurhoudende luchtstromen worden gereinigd.

De gemeten geuremissies in OuE/m3 zijn verwerkt in een geurverspreidingsmodel. De berekende geurbelasting is getoetst aan het provinciale geurbeleid van Gelderland. De gemeente Woudenberg beschikt nl. niet over een eigen geurbeleid; ook de Provincie Utrecht beschikt niet over een geurbeleid. Het Bevoegd gezag heeft aangegeven als toetsingskader het geurbeleid van de Provincie Gelderland te willen toepassen. Het geurbeleid van de Provincie Gelderland is verwoord in het document ‘Rectificatie: Beleidsregel geur voor milieubelastende activiteiten niet-veehouderijen Gelderland 2024’. De metingen resulteerden in emissies van de luchtwasser en het biofilter van respectievelijk 19 * 106 en 0,7 *106 OuE/h. Verspreidingsberekeningen, inclusief de overige bronnen, laten zien dat de geurbelasting beperkt is. Voor de aaneengesloten woonbebouwing geldt dat de geurbelasting ruimschoots lager is dan de voorgestelde richt- en grenswaarden (gelegen ver buiten de gepresenteerde contouren), waardoor die niet maatgevend is en verder buiten beschouwing is gelaten. De geurbelasting ter plaatse van de meest nabij gelegen woningen ligt zowel in de vergunde, huidige als aangevraagde situatie rond de voorgestelde richtwaarden bij de 3 van toepassing zijnde percentielwaarden. Er is voor de aangevraagde situatie sprake van een zeer geringe toename die niet merkbaar zal zijn voor de omgeving.

Geconcludeerd kan worden dat de geurbelasting als gevolg van Mts. de Greef Agro Energie BV beperkt is, waarbij naar de mening van Olfasense en ook initiatiefnemer sprake is en blijft van een aanvaardbaar geurhinderniveau. Behoudens één terechte klacht over stank, direct na de opstartfase van de vergister, waarop direct door het bedrijf actie is ondernomen, is de huidige bedrijfsvoering nimmer aanleiding geweest tot klachten vanuit de omgeving. De huidige afdekking van het digestaat opslagbassin is in het afgelopen jaar bron van geuremissie geweest. Dit bassin wordt in de beoogde situatie opgeruimd en op deze plek wordt een nagenoeg emissievrije opslagsilo gerealiseerd voor de opslag van het dunne digestaat.

experts in biogas en droging

81

10.3.3 Geurbeperkende maatregelen (BBT) Binnen de inrichting worden de volgende (BBT) geurbeperkende maatregelen toegepast: √ √ √ √ √

√ √

√

√

Alle procesonderdelen waarin biogas aanwezig is of kan zijn, worden gesloten uitgevoerd. Dit geldt voor de vergistersilo’s met biogasopslag, leidingen en besturingsinstallatie. Het leidingensysteem is voorzien van adequate aan- en afsluitsystemen om de emissie van biogas te voorkomen. De toevoer van mest en overige biomassa (= co-substraat) in de vergister is zodanig dat geen emissie van biogas kan plaatsvinden, de vergistersilo’s worden hiervoor niet geopend. In het onderhoudsprotocol wordt in het bijzonder aandacht besteed aan het voorkomen van emissie van biogas (en de daarmee samenhangende emissie van geur). De van derden afkomstige vloeibare dierlijke mest en vloeibare co-producten worden middels een gesloten leidingsysteem vanuit een tankwagen gelost in de opslagtanks/-silo’s. De verdringingslucht wordt afgevoerd middels een gesloten leidingsysteem naar de meng-/hydrolysetank. Deze vloeibare stoffen worden eveneens middels een gesloten leidingsysteem vanuit de opslagtanks/-silo’s naar de vergister gevoerd. Het leidingsysteem is voorzien van adequate aan- en afsluitsystemen. Het transport van (dunne) digestaat van de hoofdvergister naar de na-vergister en naar de na-opslagsilo vindt plaats via een gesloten leidingsysteem.

De te vergisten mest en overige biomassa (bijvoorbeeld maïs, reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie en andere ‘positieve lijst’ stoffen) wordt opgeslagen in gesloten tanks of worden afgedekt opgeslagen in sleufsilo’s, indien er sprake is van geurhoudende of geuremitterende producten. De opslagplaats voor vaste co-producten wordt in dat geval afgedekt met niet geurende producten als graszaden, graanresten of erwtendoppen en/of eventueel plastic folie als er sprake is geurhoudende vaste co-producten, zodat emissie tot een minimum wordt beperkt. De aangevoerde vaste mest wordt zo veel mogelijk direct na ontvangst en lossing op de opslagplaats verwerkt in mengtank en de hydrolysering. De opgeslagen organische stoffen kunnen gaan broeien en/of fermenteren. Bij de aanvoer en opslag van deze producten wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de aard, versheid van het product, de omvang van de opslag en de verblijftijd in de opslagplaats om broei en fermentatie tijdens de opslag te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken. Verder wordt door goed management van de (co-)/mestvergistingsinstallatie het ontstaan van ongewenste geurstoffen als zwavelhoudende stoffen (H2S), vluchtige vetzuren, fenolen, ammonia en vluchtige aminen tijdens het vergistingsproces zoveel mogelijk voorkomen.

Het gewicht van het dubbele membraanfoliedoek op de vergistingssilo’s zorgt voor een continue lichte overdruk in het intern gasnet van de installatie. Deze lichte overdruk zorgt voor doorstroming van de leiding naar de aansluiting op de gascompressor, die met een overdruk tot 40 mbar het gas naar de WKK en de biogasopwerking pompt. De installatieonderdelen vergister, gasleiding en gasopslag onder de gasdaken in de vergistingsruimten, fungeren als communicerende vaten met een gelijke lichte overdruk.

experts in biogas en droging

82

De gasdruk in dit stelsel wordt bewaakt. De besturing draagt zorg voor uitschakeling van de compressor bij het benaderen van een onderdruk situatie. Hierop zal door automatische sturing de WKK zich eveneens afschakelen en stoppen. Het mogelijk ongecontroleerd vrijkomen wordt hiermee voorkomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/4263/documents/72928