CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

12.a Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling_v3a.pdf

Raadscommissie 10 februari 2026, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 8: Bestemmingsplan Voskuilerdijk 2632.587 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordeling co-/mestvergister Mts. De Greef Agro Energie BV. Voskuilerdijk 26 te Woudenberg

Foto impressie van de huidige gebouwen en installatie onderdelen Betreft het vergroten van de inputcapaciteit van de vergister van de vergunde 30.000 ton mest en co-producten per jaar naar 60.000 ton per jaar, de bouw van een 3e vergistersilo, het uitbreiden van de biogasinstallatie met een nieuwe biogasreinigingsinstallatie en een 2e opwerkingsinstallatie van het geproduceerde biogas naar groen gas en invoeding in het openbare aardgasnet, het uitbreiden met een installatie voor het afvangen van de vrijkomende CO2 en de productie van vloeibaar CO2 en plaatsing van een CO2 tank en de bouw van een betonnen opslagsilo voor de gescheiden dunne digestaatfractie ter vervanging van het foliebassin.

experts in biogas en droging

1

Naam: Adres locatie: Plaats: Contactpersoon: Mobiele tel.: E-mail:

Mts. de Greef Agro Energie BV. (hierna: ‘De Greef’) Voskuilerdijk 26 3931 MZ Woudenberg De heer Jan de Greef 06 – 10339882 jandegreef1@gmail.com

Opgesteld door: Mobiele tel: E-mail:

G. Haandrikman 06 - 51497516 g.haandrikman@home.nl

Datum: Documentnr: Versie:

13 november 2025 DGAE-ANMER-251113 03

Ter attentie van:

de heer Tiemen van Engelenhoven RUD Utrecht

experts in biogas en droging

2

Inhoudsopgave 1

Inleiding .......................................................................................................................... 6

2

Plannen .......................................................................................................................... 7

3

Nut en noodzaak aanpassingen en motivatie ................................................................. 8

4

3.1

Vergroting inputcapaciteit naar 60.000 ton per jaar mest en co-producten ............. 8

3.2

Verminderde mestverwerkings- en afzetmogelijkheden voor de boeren ................. 8

3.3

Mestverwerking versus mestverwaarding............................................................... 9

3.4

Broeikasgassen ..................................................................................................... 9

3.5

Uitbreiding van de groengas productie ..................................................................10

3.5.1

Waarom focussen op groengas productie? .......................................................10

3.5.2

Toelichting op de plannen van De Greef ...........................................................10

3.6

CO2-afvang en verwerkingscapaciteit/productie CO2-terugwininstallatie ...............11

3.7

Inzet WKK-capaciteit en van overige stroombronnen en -voorziening ...................12

3.8

Ongewijzigde bedrijfsvoering pluimveehouderij (freiland leghennen) ....................13

Besluit m.e.r. .................................................................................................................15 4.1

Omvang initiatief ...................................................................................................15

4.2

M.e.r.-beoordeling .................................................................................................16

4.3

Doel aanmeldingsnotitie ........................................................................................16

4.4

Procedure .............................................................................................................18

4.5

Tijd van het project ................................................................................................18

5

Bestemmingsplan ..........................................................................................................19

6

Kenmerken van het project ............................................................................................20 6.1

Huidige activiteiten en verleende vergunningen ....................................................20

6.2

Omvang van het project ........................................................................................22

6.3

Nadere toelichting op de processen ......................................................................25

6.3.1

Aanvoer, opslag en verwerking mest en co-producten (bestaand en nieuw) .....25

6.3.2

Behandeling geurhoudende lucht (bestaand) ....................................................27

6.3.3

Procesbeschrijving lavafilter/-reactor (bestaand) ...............................................28

6.3.4

Het VacuümDrukTank (VDT) pompsysteem (bestaand) ....................................30

6.3.5

Installatie onderdelen en processen biogasinstallatie, vergisting, hygiënisatie, scheiding etc. (bestaand en nieuw) ...................................................................32

6.3.6

Vergisting en biogasopslag (bestaand en nieuw) ..............................................33

6.3.7

Toelichting op de vergistercapaciteit (nieuw) .....................................................35

6.3.8

Biogasopslagreservoirs (bestaand en nieuw) ....................................................37

6.3.9

Overdrukbeveiliging ..........................................................................................39

experts in biogas en droging

3

7

8

9

6.3.10

Digestaat verwerking (scheidingsstappen) (bestaand) ..................................39

6.3.11

Drogen dikke fractie (bestaand).....................................................................41

6.3.12

Afleveren eindproducten (bestaand) ..............................................................42

6.3.13

Zure luchtwasser behandeling ammoniakhoudende ventilatielucht (bestaand) . ......................................................................................................................43

6.3.14

Biogasverwerking/-reiniging en -opwaardering naar groengas kwaliteit (bestaand en nieuw) ......................................................................................44

6.3.15

Verbranding biogas in Warmtekrachtkoppeling installatie (WKK-installatie) (bestaand) .....................................................................................................46

6.3.16

Procesbeschrijving CO2 terugwininstallatie (nieuw) .......................................48

6.3.17

Bio2Net (bestaand en nieuw) ........................................................................50

6.3.18

Fakkel (veiligheidsvoorziening) (nieuw) .........................................................51

6.4

Cumulatie met andere projecten ...........................................................................53

6.5

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen .....................................................................54

6.6

Productie van afvalstoffen .....................................................................................55

6.6.1

Vrijkomen van afval ...........................................................................................55

6.6.2

Afval afkomstig van biogasopwerking en CO2 vervloeiing en luchtwasser .........55

6.6.3

Acceptatie van stoffen van derden ....................................................................56

6.7

Risico’s van ongevallen.........................................................................................57

6.8

Externe veiligheid ..................................................................................................58

6.9

Conclusie kenmerken van het project ...................................................................62

Plaats van het project ....................................................................................................63 7.1

Plaats van de voorgenomen activiteit ....................................................................63

7.2

Kenmerken van de omgeving................................................................................65

7.3

Rijkdom en regeneratievermogen van het gebied .................................................66

7.4

Opnamevermogen van het milieu..........................................................................66

7.5

Flora en Fauna......................................................................................................68

7.6

Landschap en cultuurhistorie ................................................................................68

7.7

Archeologie ...........................................................................................................68

7.8

Conclusie locatie van het project ...........................................................................69

Kenmerken van het potentiële effect .............................................................................70 8.1

Bereik van het effect .............................................................................................70

8.2

Grensoverschrijdend karakter van het effect .........................................................70

8.3

Waarschijnlijkheid van het effect ...........................................................................70

8.4

Duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect ...........................................70

8.5

Cumulatie van het effect .......................................................................................70

8.6

Mogelijkheden om te verminderen ........................................................................70

8.7

Conclusie kenmerken van het potentiële effect .....................................................71

Kentallen en uitgangspunten en toelichting uitvoeringsaspecten ...................................72

experts in biogas en droging

4

9.1

Hoeveelheden eindproducten ...............................................................................72

9.2

Transportbewegingen ...........................................................................................72

9.3

Bedrijfstijden .........................................................................................................73

9.4

Mestsoorten en restproducten...............................................................................74

9.5

Besluit Activiteiten Leefomgeving ..........................................................................74

10

Milieuaspecten ..........................................................................................................76

10.1

Geluid ...................................................................................................................76

10.2

Bodem ..................................................................................................................78

10.3

Geur biogasinstallatie............................................................................................79

10.3.1

Algemeen ......................................................................................................79

10.3.2

Geuronderzoek biogasinstallatie ...................................................................80

10.3.3

Geurbeperkende maatregelen (BBT).............................................................82

10.4

Geur pluimveebedrijf .............................................................................................83

10.5

Luchtkwaliteit ........................................................................................................83

10.6

Wet natuurbescherming ........................................................................................84

10.6.1

Gebruiksfase .................................................................................................85

10.6.2

Bouwfase ......................................................................................................86

10.7

Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) .........................................................................86

10.8

Opslag gevaarlijke stoffen in tanks en emballage..................................................87

10.8.1

Opslagtank CO2 ............................................................................................87

10.8.2

Opslag ammoniak .........................................................................................88

10.8.3

Het spuiwater afkomstig van de luchtwasser. ................................................88

10.8.4

Bovengrondse opslagtank dieselolie .............................................................89

10.8.5

Overige gevaarlijke stoffen ............................................................................89

10.9

Explosieveiligheid .................................................................................................90

10.10

Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën ..........................................................................................................................91

10.11

Best beschikbare technieken.............................................................................91

10.12

Afvalwater .........................................................................................................93

10.13

Energie en CO2 .................................................................................................94

10.14

Conclusie en samenvatting ...............................................................................95

11

Overige aandachtspunten .........................................................................................98

12

Bijlagen .....................................................................................................................99

experts in biogas en droging

5

1

Inleiding

Mts. de Greef Agro Energy BV. (hierna: De Greef) bedrijft sinds 2019 naast een agrarisch bedrijf (een pluimveehouderij en tot voor kort op een aangrenzend perceel een biologisch melkrundveebedrijf), ook een biogasinstallatie aan de Voskuilerdijk 26 in Woudenberg. Sinds de start van het project zijn er veel ontwikkelingen geweest op het gebied van biogasinstallaties. Naast de positieve vooruitgang op het gebied van de techniek zijn er ook ontwikkelingen die ervoor zorgen dat het steeds lastiger wordt om een (relatief kleine) biogasinstallatie rendabel te (laten) opereren. De biogasinstallatie draait op voornamelijk pluimvee- en melkrundveemest en co-producten. Via de vergisting produceert De Greef uit deze producten biogas. Het biogas wordt voor een gedeelte opgewaardeerd tot groen gas en een ander deel wordt via een warmtekrachtkoppeling verbrand en omgezet tot groene stroom (± 40%) en warmte (± 60%). Na vergisting van de mest blijft digestaat over; in Nederland worden ook de toegevoegde co-producten als dierlijke mest gezien. Dit digestaat wordt eerst gescheiden in een vaste organische fractie en een vloeibare dunne fractie. De vaste fractie wordt met de in de WKK geproduceerde warmte gedroogd tot ca. 85-90% droge stof.

Mestkorrelproducent Hubun maakt er vervolgens mestkorreltjes van die wereldwijd worden verkocht aan tuinders en akkerbouwers in gebieden waar nutriënten (meststoffen) heel schaars zijn – en waar deze mestkorrels enorm waardevol zijn voor de bodem en de gewasgroei, -gezondheid en kwaliteit. De volumineuze dunne fractie uit het digestaat wordt als dierlijke mest op Nederlandse landbouwpercelen gebruikt, het liefst zo dicht mogelijk bij de locatie in het verzorgingsgebied, maar moet ook over soms grote afstanden worden vervoerd vanwege de beperkte mestplaatsingsruimte in de regio. .De locatie Voskuilerdijk 26 is gelegen in het Woudenbergse buitengebied tussen de kernen van Woudenberg en Scherpenzeel. Het plangebied is op ongeveer 3,5 km ten noordoosten van de kern van Woudenberg gelegen en ongeveer 1,5 km ten noordwesten van de kern van Scherpenzeel. De locatie is gesitueerd in een overwegend agrarische omgeving en landschap. Een globale ligging van de locatie ten opzichte van de omgeving is weergegeven in figuur 1 hieronder.

experts in biogas en droging

6

Figuur 1: Ligging bedrijf (bron: Google Maps)

2

Plannen

De plannen zijn nu om de inputcapaciteit te verhogen naar 60.000 ton mest en co-producten per jaar met als samenstelling > 50% mest en < 50% co-producten. De ingaande mest betreft voornamelijk melkrundvee- en pluimveemest. Hierbij wordt het extra te produceren biogas volledig opgewaardeerd tot groengas, de dikke fractie uit het digestaat wordt net als nu gedroogd voor de mestkorrelproductie. De dunne fractie wordt met tankwagens afgevoerd naar gebieden met nog voldoende mestplaatsingsruimte. Het vergistingsproces an-sich wordt niet anders. In paragraaf 6.2 Omvang van het project wordt een opsomming gegeven van de fysieke aanpassingen. Voor de exploitatie ervan is een aparte firma opgericht, Mts. de Greef Agro Energy BV. De gehele bedrijfsvoering is vanaf 2019 in professionele handen. Het is de bedoeling dat Engie RGE BV. blijvend betrokken zal blijven bij de exploitatie van de installatie om zodoende De Greef te ondersteunen bij o.a. het biologisch procesbeheer. Hieronder wordt de noodzaak van aanpassingen worden toegelicht en wordt aangegeven hoe De Greef dit wil gaan waarmaken.

experts in biogas en droging

7

3

Nut en noodzaak aanpassingen en motivatie

In de onderstaande paragrafen wordt toegelicht waarom verdubbeling van de mestverwerkingscapaciteit wenselijk en ook noodzakelijk is voor een renderende agrarische bedrijfstak en in het bijzonder de veehouderijbedrijven in Nederland, alsmede de milieudruk op de omgeving te beperken. De uitbreiding van de inputcapaciteit naar 60.000 ton per jaar zorgt voor een hogere biogasproductie, hetgeen ook noodzakelijk is om de groengasinstallatie en de CO2liquefaction installatie financieel rond te krijgen en ook nog voldoende biogas over te houden voor de groene stroom en warmte opwekking in de WKK.

3.1 Vergroting inputcapaciteit naar 60.000 ton per jaar mest en co-producten Het wordt steeds moeilijker om aan betaalbare en energierijke biomassa te komen en aan de andere kant is de afzet van het digestaat ook een steeds belangrijkere en grotere kostenpost geworden. De SDE+ subsidie voor stroom is erg laag en wordt afgebouwd en die voor groen gas is relatief hoog. De overheid wil (of beter gezegd: moet) groen gas in plaats van groene stroom. En dat wil De Greef ook. Om alle investeringen voor de conversie naar groengas te rechtvaardigen moet de biogasproductie omhoog. Om met de tijd mee te gaan en hierdoor de installatie in de toekomst nog rendabel te kunnen laten draaien is Mts. De Greef van mening dat de installatie doorontwikkeld dient te worden.

3.2 Verminderde mestverwerkings- en afzetmogelijkheden voor de boeren a.

Het mestprobleem in Nederland is nog steeds groot. Er is veel te weinig bewerkings- en verwerkingscapaciteit. In Nederland wordt er veel mest geproduceerd. De meeste bedrijven met intensieve veehouderij hebben een mestoverschot en moeten het teveel aan geproduceerde mest afvoeren. Door de mest niet direct toe te passen op land als meststof maar eerst als tussenstap te vergisten, wordt er meerwaarde gecreëerd. Tijdens de vergistingsstap wordt er biogas (methaan) uit de mest gehaald en opgewerkt naar groengas. Dit is een vorm van duurzame energie en vervangt aardgas wat een fossiele brandstof is. Na de vergisting blijft er ook een hoogwaardige meststof over (digestaat), wat op andere plekken toegepast kan worden in Nederland en het buitenland. Door de verscherpte mestregelgeving per 1 januari 2014, waarbij is bepaald dat een deel van het mestoverschot lokaal moet worden verwerkt, bestaat al langere tijd bij de veehouderijen grote behoefte aan een meer centrale mestverwerking. Op individueel bedrijfsniveau is dat nauwelijks rendabel te maken. Ook de belangenorganisatie LTO pleit voor een meer centrale mestverwerking. Bij een reeds bestaande mestvergistingsinstallatie loont het om naast mestscheiding in een fosfaatrijke dikke fractie en een stikstofrijke dunne fractie de energierijke organische stoffractie in de mest om te zetten in biogas.

Door deze mestverwerkingsplicht zullen naar verwachting meer mineralen (fosfaat) de grens over naar het buitenland moeten worden gebracht.

experts in biogas en droging

8

b.

Door aanscherping van de Europese regels voor de derogatie vrijstelling waarvan de Nederlandse veehouders jarenlang gebruik konden maken, maar die de komende jaren stap voor stap wordt afgebouwd, is er steeds meer behoefte aan mestafvoermogelijkheden en mestverwerkingscapaciteit, ‘lees vergistingscapaciteit.

c.

Dan is nog per 1 januari 2023 de regel in werking getreden dat bij de bemesting van de landerijen een mestvrije zone van 5 meter tot een watergang moet worden overgehouden. Dus de agrariër kan een stuk minder mest kwijt op zijn landbouwarealen, waar dus naarstig naar een oplossing wordt gezocht.

3.3 Mestverwerking versus mestverwaarding Er is in Nederland algemene consensus dat mestverwerking een belangrijk middel is om tot mestverwaarding te komen. Dit standpunt wordt ook uitgedragen door het Nederlandse Centrum Mestverwaarding (NCM). Mestverwaarding is het verhogen van de maatschappelijke en/of economische waarde van mest. De economische waarde kan er zijn voor de toeleverende veehouders, De Greef en de afnemers van de meststoffen. De maatschappelijke waarde blijkt uit het feit dat via deze mestverwerking de waterkwaliteit verbetert, de stikstofuitstoot daalt, er minder broeikasgasemissie zal zijn en omdat het bijdraagt aan de circulaire economie door de productie van groene energie, en circulaire meststoffen met een lagere carbon footprint en minder verliezen uit de kringloop. Hierbij is het zo dat deze maatschappelijke baten veelal ‘algemeen’ van aard zijn: ze zijn voor iedereen belangrijk. Daarentegen staat de installatie op een plek en dat betekent een lokale verandering. Hierbij mag in zijn algemeenheid van de ondernemer worden gevraagd dat hij zonder overlast zijn bedrijf runt. De ervaring, en ook die van toezichthouders, is dat het management van de ondernemer allesbepalend is voor het voorkomen van overlast en daarmee voor het draagvlak in de eigen omgeving.

Mestvergisting is een extra stimulans voor de toeleverende veehouders de mest niet langdurig in de mestopslagen op te slaan omdat uit verse mest de biogasopbrengst veel hoger zal zijn. Er ontstaat daarmee een win-win voor milieu en economie. Dit kan direct al door frequent de mest uit de mestopslagen bij veehouders op te halen om te vergisten. Via stalaanpassingen (dagontmesting) of andere manieren om mest te stabiliseren (toevoegmiddelen, biologisch aanzuren) kan dat steeds verder worden verbeterd. Dit heeft bij de veehouders direct al een gunstig effect op ammoniakverliezen in de stallen en de mestopslagen, omdat (een deel van) de organische stikstof wordt omgezet in NH4-N.

3.4 Broeikasgassen Door de veeteelt en de bijbehorende mest worden broeikasgassen uitgestoten. Een aantal gassen in de atmosfeer, zoals koolstofdioxide (CO2), distikstofoxide (N2O) en methaan (CH4) ofwel broeikasgassen, zorgen ervoor dat warmte van de zon wordt vastgehouden rondom de aarde. Dit

experts in biogas en droging

9

zorgt voor een versterkt broeikaseffect, waardoor de aarde opwarmt. Methaan heeft een 40 x hoger broeikasgaseffect als CO2 en N2O zelfs 300 x hoger broeikasgaseffect als CO2. Door de opwarming verandert het klimaat op aarde. In de IPCC Sixth Assessment Report (IPCC, 2022) worden de meest recente wetenschappelijk onderbouwde oorzaken en gevolgen van de klimaatverandering beschreven. Met mestvergisting haal je actief methaan uit de mest waarna het als groen gas wordt verbruikt door huishoudens of industrie. Kortom, je zet een probleem (methaanuitstoot) om naar een oplossing (methaan als groen gas, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan het realiseren van het Klimaatakkoord). Afhankelijk hoe vers de te vergisten mest is de broeikasgassenuitstoot uit mest tot meer dan 90 % lager. Bovendien gebruikt De Greef voor de energiebehoefte van de installatie en de rest van zijn bedrijf grotendeels zelf geproduceerde groene energie. De energievraag van alle processen is nu circa 20 % van de opgewekte energie en wordt ongeveer 35 % na ingebruikneming van de nieuwe installaties.

3.5 Uitbreiding van de groengas productie 3.5.1 Waarom focussen op groengas productie? Biovergisten van organisch afval is de meest effectieve en snelste manier om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Emissies (CO2 en CH4) van organisch afval dat in de lucht terechtkomt, worden vermeden omdat ze worden omgezet in hernieuwbaar aardgas via het proces van biomethanisering. Daarnaast wordt met digestaat, in vergelijking met kunstmest, ook uitstoot van broeikasgassen vermeden. In het klimaatakkoord heeft de overheid de ambitie van de groene gassector om 70 PJ groen gas te produceren in 2030 vastgelegd. Dit is omgerekend ca. 2 miljard m3 groen gas dat op het aardgasnetwerk bijgemengd moet gaan worden en daarmee een vergelijkbare hoeveelheid aardgas vervangt. Hiermee beoogt de overheid een reductie in uitstoot van 3,6 Mton CO2 door verbranding van aardgas. Groen gas wordt gemaakt door bewerking van biogas tot dezelfde kwaliteit als aardgas, waarmee het direct op het al bestaande aardgas netwerk kan worden ingebracht. De Greef wil graag een steentje bijdragen aan deze gigantische opgave.

3.5.2 Toelichting op de plannen van De Greef Om met de tijd mee te gaan en hierdoor de installatie in de toekomst nog rendabel te kunnen laten draaien is de Greef van mening dat de installatie doorontwikkeld dient te worden. Het einde van de huidige SDE+ subsidie beschikking voor de verbranding van het vergistingsgas in de WKK komt over enkele jaren in zicht. Het ziet er niet naar uit dat er binnen de SDE nog mogelijkheden komen om de termijnen te verlengen. De subsidieverstrekker (Rvo) heeft alle kaarten voor wat betreft biogas afgestemd op de productie van groen gas t.b.v. invoeding op het openbare aardgasnet. De plannen van De Greef zijn een groengas productie van ongeveer 6,5 à 8,5 miljoen m3/jaar groen gas (= aardgaskwaliteit) voor ten minste 4.500 gezinnen per jaar en in te voeden in een 8 bar aardgasleiding in de berm van de Voskuilerdijk; dat betekent groen gas voor meerdere dorpen in de

experts in biogas en droging

10

gemeenten Woudenberg en Scherpenzeel en waarvoor de locatie van De Greef heel geschikt is. Dit is te realiseren met de beoogde te verwerken 60.000 ton mest en energierijke co-producten per jaar. Het plan is dan ook om uit te gaan van de maximale capaciteit van de groen gas productie, dus 8,5 miljoen m3/jaar. De gemeente Woudenberg hoopt met de uitbreiding van de vergistingscapaciteit, en dus vergroting van het aandeel groene energie een bijdrage te leveren aan haar doelstellingen op duurzaam energiegebied en de bedrijvigheid in hun gebied te vergroten. In 2017 al is door de netbeheerder Stedin een onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden van invoeding van groengas in de 8 bar leiding. De netinfrastructuur moet nu en in de toekomst aan de capaciteitsbehoefte van de klanten voldoen. In het onderzoek van Stedin is vastgesteld dat de invoedmogelijkheid van de Greef past in het gehele aardgasdistributie plaatje van de beheerder in Utrecht en de Gelderse Vallei. In vergelijking met een regulier draaiende WKK is er bij een groen gas installatie geen sprake van emissies naar de lucht van SOx en NOx. Ook zijn er geen andere milieubelastende argumenten te noemen die in het nadeel zijn van een groen gas installatie.

3.6 CO2-afvang en verwerkingscapaciteit/productie CO2-terugwininstallatie Het restgas van de gasopwerking bestaat voor 98-99% CO2, en bevat daarnaast nog kleine hoeveelheden CH4, N2, O2 en water. Het principe waarop de werking van de CO2-terugwininstallatie is gebaseerd, is het drogen van het restgas, gevolgd door het vloeibaar maken van de CO2, waardoor de niet-condenseerbare verontreinigingen (N2, O2, CH4) in de gasfase achterblijven en de CO2 eenvoudig per tankwagen afgevoerd kan worden. Het is bedrijfseconomisch interessant geworden om de bij de biogasopwerking vrijkomende CO2 af te vangen en vloeibaar te maken en bijv. naar de glastuinbouw (kassen) af te zetten. Het wordt de komende jaren een enorme uitdaging voor Nederland om de CO2-uitstoot drastisch omlaag te brengen. De productie van groengas biedt daarvoor mogelijkheden. Het is dan ook de bedoeling het afvangen en vervloeien van CO2 in de vergunningsaanvraag op te nemen. Het voornemen is ook deze installatie in de loods onder te brengen. Dit wordt ook zo aangevraagd. Uitgaande van een productie van maximaal 1.100 m3 groen gas per uur, dus als alle geproduceerde biogas in groen gas wordt omgezet, komt er een koolzuurgasstroom vrij van ongeveer 730 m3 per uur. Dit komt overeen met ongeveer 1.460 kg CO2 per uur ofwel ongeveer 1.260 liter vloeibaar CO2.

Het vloeibare CO2 wordt onder een druk van 18 bar opgeslagen in een 1 x 80 m3 tank of 2 x 50 m3 tanks bij een temperatuur van tussen -10 en -20°C. De hoeveelheid geproduceerde vloeibare CO2 bedraagt ongeveer 1,2 m3 per uur. Op jaarbasis (8.760 uur) gaat het om 12.790 ton afgevangen CO2 uit het restgas. Dit betreft dus een ‘worst case’ scenario. Tot nu toe wordt de vrijkomende CO2 gewoon in de buitenlucht afgeblazen. Er is geen sprake van methaanslip bij het vervloeien van CO2. Alle niet-condenseerbare verontreinigingen, zoals CH4 worden in de CO2-terugwininstallatie (actieve koolfilter) uit de CO2-luchtstroom gehaald en bij verzadiging van het AK filter afgevoerd.

experts in biogas en droging

11

Er wordt theoretisch ca. 35 ton CO2/dag geproduceerd, dus met wat ruimte voor het weekend, heb je of 1 grote tank van 80 m3 of 2 tanks van 50 m3 nodig. Er is vooralsnog 1 tank van 80 m3 voorzien. De CO2 wordt 1 x 2 à 3 dagen opgehaald, dus met een frequentie van gemiddeld 0,5 transporten per etmaal (alleen dagperiode) tot maximaal 2 transporten per etmaal bij zeer uitzonderlijke, incidentele overmachtssituaties. Het beoogde ontwerp is geschikt om voor de SDE++ de CO2 ruimte toe te wijzen. Alle afgevangen 12.790 ton CO2 (restgas 3e trap van de biogasopwerking) wordt opgewerkt tot zuiver CO2 en krijgt na vervloeiing een nuttige bestemming. De installatie onderdelen van de CO2- terugwinning worden in de bestaande loods gesitueerd. De ventilatie (in- en uitlaatroosters) worden daarop aangepast. Op dit moment is niet zeker wie de CO2 liquefaction installatie gaat leveren. Indien de opdracht in de vervolgfase wordt verstrekt aan een andere aanbieder zal het in ieder geval om een vergelijkbaar ontwerp gaan met dezelfde specificaties en installatie onderdelen en omvang. De van toepassing zijnde voorschriften en maatregelen, die zijn opgenomen in hoofdstuk 7 van de PGS 9 met betrekking tot de opslag van vloeibare koolzuur zijn leidend. Daarnaast wordt de Europese richtlijn drukapparatuur (PED) bij de technische uitvoering en specificaties toegepast.

Met het Warenwetbesluit drukapparatuur (WBDA 2016) is de (PED) in Nederland geïmplementeerd. En worden de aanbevelingen voor goed onderhoud (hoofdstuk 10), aanbevelingen voor het (veilig) gebruik van de opslagvoorziening (hoofdstuk 11) en aanbevelingen voor instructies bij incidenten (hoofdstuk 12) opgevolgd.

3.7 Inzet WKK-capaciteit en van overige stroombronnen en -voorziening In de aangevraagde situatie wordt alle geproduceerde biogas uitgebreid voorgereinigd, dus ook het voor de stroomproductie bestemde deel. De inzet van de WKK-capaciteit zal ook de komende jaren nodig blijven om in de warmtebehoefte van het vergistingsproces en het droogproces te voorzien. Op gezette tijden zal het ook nodig zijn om de biogasinstallatie, inclusief de digestaat verwerkingsinstallatie en de pluimveetak van eigen geproduceerde groene stroom te voorzien. Het gaat bovendien om een nog betrekkelijk nieuwe WKK (1 MWel). Het aanhouden en stand-by houden van de WKK heeft als voordeel dat ingeval van grotere fluctuaties in de biogasopbrengst, bij calamiteiten of bij grotere onderhoudsbeurten er geen biogas onnodig behoeft te worden verbrand in de fakkel of in het uiterste geval ongereinigd in de buitenlucht behoeft te worden afgelaten. Vanwege de netcongestie problemen heeft daarnaast de netbeheerder, Stedin in dezen, de mogelijkheid de WKK bij de Greef automatisch aan, bij en uit te schakelen. Dit is afhankelijk van de beschikbaarheid van groene stroom en tegelijkertijd de stroomvraag van huishoudens, bedrijven en

experts in biogas en droging

12

kantoren in het Utrechtse leveringsgebied van Stedin. Dit wordt in een overeenkomst met de Greef vastgelegd. Ter aanvullende facilitering van het energiebedrijf heeft De Greef ook plannen om zonnepanelen op het dak van de verlengde pluimveestal 6 te leggen en de opgewekte zonnestroom op te slaan in 2 batterijen met elk een opslagcapaciteit van 2 MWh en de stroom weer aan het net af te geven bij een piekvraag. Het dak heeft een oppervlak van circa 3.750 m2. Indien uitgegaan wordt van de gebruikelijke afmetingen van een zonnepaneel is er ruimte voor ongeveer 2.000 panelen. Bij een reguliere zonnige dag lijkt een opslagcapaciteit van 2 x 2 MWh voldoende voor de opgewekte zonnestroom op die dag. Om aan de hoogwaardige warmtebehoefte voor het droogproces te voldoen en om de totale jaarlijkse geproduceerde dikke digestaatfractie te kunnen verwerken naar een droge stofpercentage van tenminste 85% zal de WKK volcontinu in bedrijf zijn en grotendeels op vollast draaien. De geproduceerde en beschikbare warmte bij 90-100% belastbaarheid is voldoende om alle dikke digestaatfractie te drogen tot 85-90% d.s. De warmtepompen zijn bedoeld als back-up. De draaiuren worden met een urenteller op de WKK bijgehouden. Daarnaast wordt ook de belastingsgraad, afhankelijk van de aangeboden hoeveelheid biogas, van de WKK vastgelegd en gelogd.

De belastbaarheid wordt automatisch door de WKK of handmatig door de operator geregeld. Alle data, als opgewekte stroom en warmte kunnen op elk moment worden getoond op het beeldscherm en worden bijgehouden en gecontroleerd door een gecertificeerde meetdienst, bijv. Fudura BV. De data kunnen op aanvraag in de vorm van grafieken getoond worden. Afhankelijk van de beschikbare hoeveelheid biogas en back-up / andere opstartmogelijkheden, zijn er één tot mogelijk drie warmtepompen nodig. De definitieve invulling en capaciteit zal in een latere fase bepaald worden. Voor de aangevraagde situatie wordt uitgegaan van een worst case scenario, d.w.z. 3 warmtepompen met een hoge capaciteit. De inzet van warmtepompen zal ook in het akoestisch onderzoek worden meegenomen. Een warmtepomp levert afhankelijk van een aantal factoren, 3 tot 4 keer de energie die hij verbruikt. Deze efficiëntie wordt uitgedrukt in de COP: Coëfficiënt Of Performance. Dit doet hij door energie aan de buitenlucht of een andere vloeistof te onttrekken. In het voorliggende geval, wordt uitgegaan van een lucht-water warmtepomp. Tevens wordt er warmte terug gewonnen uit de biogascompressor(s). Dit gebeurt met een efficiëntie van ca. 90%.

3.8 Ongewijzigde bedrijfsvoering pluimveehouderij (freiland leghennen) Om de pluimveehouderij op een toekomstbestendige manier voort te zetten is het belangrijk voor De Greef om gefaseerd het volièresysteem aan te passen aan de huidige stand der techniek. De Greef heeft de mogelijkheid gekregen om de grond achter de beide pluimveestallen over te nemen en op deze grond geen chemische bestrijdingsmiddelen en kunstmest meer toe te passen. De grond heeft inmiddels de kwalificatie biologisch gekregen. Dat zou De Greef de mogelijkheid bieden om biologische leghennen te houden. Doch vanwege gewijzigde marktomstandigheden, ook op langere termijn, blijft De Greef de huidige bedrijfsvoering voortzetten. De mest van het

experts in biogas en droging

13

pluimveebedrijf blijft vooralsnog gewoon verwerkt worden in de vergistingsinstallatie. De huidige grote stal 6 wordt uitgebreid met ongeveer 50 meter, het aantal rijen volièrestellingen gaat naar 4 en de kleine stal 5 zal buiten gebruik worden gesteld voor het houden van pluimvee. Er zijn 44.900 kippen vergund met als stalsysteem volièrehuisvesting (OW-code: HE 2.3.1, volgens bijlage V van de Omgevingsregeling). Het aantal te houden leghennen en het huisvestingssysteem blijven ongewijzigd. Voor traditioneel gehouden leghennen geldt een leefoppervlak van 9 stuks / m2. Het aantal nokventilatoren op de grote stal neemt toe van 6 naar 15 met een betere positieverdeling op de stal. De ventilatoren worden frequentie gestuurd uitgevoerd. Dat houdt dat het afzuigdebiet per leghen beter wordt (in)geregeld, en beter wordt afgestemd op de buitentemperatuur, waardoor sprake zal zijn van een betere beheersing van het binnenklimaat in de stallen. Stal 6 wordt uitgevoerd met een wintergarten. Het oppervlak van de overdekte uitloop maakt geen onderdeel uit van het vereiste leefoppervlak van 9 kippen per m2. De stal en de uitloop zijn zo ingericht te zijn dat de dieren zich op een zo natuurlijk mogelijke manier kunnen gedragen. In principe kunnen de dieren altijd naar buiten, tenzij dit door gezondheids-, weers- of bodemomstandigheden niet kan.

Noch in de huidige bedrijfsvoering, noch in de beoogde situatie wordt gebruik gemaakt van een nageschakelde techniek voor de verwerking en opslag van de mest. De verzamelde pluimveemest wordt nu nog na het afdraaien door middel van een transportband in de achter de stal gelegen opslagloods gedeponeerd en binnen enkele dagen met een shovelbak in de vergister ingebracht. Vanwege het verlengen van stal 6 wordt deze opslagloods ontmanteld en verwijderd. De opslag van mest wordt straks door middel van een nieuwe transportband in een gesloten container gedraaid, die tussen stal 6 en hydrolyse-/mengtank (nr. 8 milieutekening) staat opgesteld. De inhoud wordt steeds dagelijks afgevoerd in de vergister via het schroefvijzel invoersysteem.

experts in biogas en droging

14

4

Besluit m.e.r.

4.1 Omvang initiatief Bepaalde grondstoffen die de Greef als biogrondstoffen gebruikt, worden juridisch aangemerkt als afvalstoffen (uitgezonderd meststoffen, bijproducten en einde afvalfase zoals verwoord in artikel 2, 5 en 6 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen). Hierbij wordt opgemerkt dat een deel van de ‘afvalstoffen’ niet onder Euralcode worden aangeleverd. Bij de toeleveranciers worden deze stoffen als (landbouw)product afgevoerd en bij de Greef komen ze als grondstof binnen. Desondanks wordt het voeren van bijproducten juridisch gezien beschouwd als afvalstoffenverwerking. Als separate bijlage bij de omgevingsvergunningsaanvraag wordt de lijst met Euralcodes als onderdeel van het A&VAO/IC document toegevoegd die voor de inname worden verwacht. De pluimveetak op zich wordt niet gewijzigd, doch de grote stal 6 wordt verlengd en met 4 volièrestellingen uitgerust en tegelijkertijd wordt stal 5 ontmanteld en buiten gebruik gesteld als stal. Dus deze aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling heeft ook betrekking op de pluimveehouderij. Het stalsysteem blijft ongewijzigd volièrehuisvesting, doch wordt uitgerust met mestbandbeluchting (OW-code HE2.3.2.1). In bijlage V. van het Omgevingsbesluit zijn de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen waarvoor een mer-(beoordelings)plicht geldt. Kolom 1

Kolom 2

Nr.

Projecten

Gevallen waarin de mer-plicht geldt Gevallen waarin de mer(artikel 16.43, eerste lid, aanhef en beoordelingsplicht geldt onder a, van de wet) (artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet)

Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onder c, van het Omgevingsbesluit

L2

Installaties voor de verwijdering van nietgevaarlijke afvalstoffen

Oprichting, wijziging of uitbreiding Oprichting, wijziging of van een installatie voor de uitbreiding verbranding of chemische behandeling met een capaciteit van meer dan 100 ton per dag

De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit

A1

Installaties Oprichting, wijziging of uitbreiding voor intensieve die betrekking heeft op meer dan: veehouderij 1°. 85.000 plaatsen voor mesthoenders; 2°. 60.000 plaatsen voor hennen; 3°. 3.000 plaatsen voor mestvarkens; of 4°. 900 plaatsen voor zeugen

experts in biogas en droging

Kolom 3

Oprichting, wijziging of uitbreiding

Kolom 4

De omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit

15

Binnen het besluit milieueffectrapportage vervult categorie L2 een vangnetfunctie en het begrip ‘verwijdering’ omvat binnen het besluit MER ook nuttige toepassing. Op grond van bovenstaande kunnen de voorgenomen activiteiten van de Greef worden geschaard onder de categorie L2 van het Omgevingsbesluit. De aangevraagde productiehoeveelheid bij de Greef voor de beoogde uitbreiding bedraagt 30.000 ton/jaar. De uitbreiding onderschrijdt hiermee de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van bijlage V. van het Omgevingsbesluit (OB) voor de categorie L2. Het aantal leghennen blijft ongewijzigd op 44.900 gehandhaafd, waarmee de drempelwaarde van 60.000 stuks pluimvee wordt onderschreden. Uit de bovenstaande categorie- en kolomindeling wordt geconcludeerd dat een aanmeldingsnotitie opgesteld dient te worden

4.2 M.e.r.-beoordeling Voor activiteiten waarvoor de m.e.r.-beoordelingsplicht geldt (kolom 2 van bijlage V. van het OB) moet het bevoegd gezag beoordelen of er een milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld. Bij de beoordeling of een milieueffectrapport moet worden opgesteld, dient met name te worden gelet op de aard, omvang, ligging en effecten van het project. Het opstellen van een milieueffectrapport is alleen noodzakelijk als er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. De bijzondere omstandigheden, waaronder de activiteit wordt ondernomen, kunnen betrekking hebben op: • de kenmerken van de voorgenomen activiteit (aard en omvang); • de plaats van de voorgenomen activiteit; • de kenmerken van de belangrijkste nadelige gevolgen (reikwijdte). Een beoordeling vindt plaats in een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Met vormvrij wordt hier bedoeld dat er geen procedurevereisten voor zijn. Er gelden wel inhoudelijke vereisten voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Er moet namelijk getoetst worden aan de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.

4.3 Doel aanmeldingsnotitie In deze notitie wordt de informatie gegeven op basis waarvan het bevoegd gezag kan beoordelen of sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen die het noodzakelijk maken om een milieueffectrapport op te stellen. Hierin zijn alle beoogde activiteiten betrokken, om een volledige toetsing mogelijk te maken. Een en ander is uiteraard onderzocht in relatie tot het bestemmingsplan wat ter plaatse de activiteit al globaal qua milieucategorie heeft beoordeeld en, in verband met eventuele cumulatie, met andere projecten in de omgeving. De aanmeldingsnotitie geeft de milieugevolgen aan die kunnen ontstaan als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Hierbij moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn 2011/92/EU. Deze criteria zijn in de hoofdstukken 2, 3 en 4 per paragraaf uitgewerkt en betreffen het volgende:

experts in biogas en droging

16

1. Kenmerken van het project Bij de kenmerken van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • de omvang van het project; • de cumulatie met andere projecten; • het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; • de productie van afvalstoffen; • verontreiniging en hinder; • risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën; • risico’s voor de menselijke gezondheid. 2. Plaats van het project Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: • het bestaande grondgebruik; • de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; • het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: a. wetlands; b. kustgebieden ; c. berg- en bosgebieden; d. reservaten en natuurparken; e. gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn); f. gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; g. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; h.

landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3. Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: • • • • • •

het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); het grensoverschrijdende karakter van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; cumulatie van effecten met de effecten van bestaande en/of goedgekeurde projecten; mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.

experts in biogas en droging

17

4.4 Procedure Het bevoegd gezag wordt gevormd door provincie Utrecht. De beoordeling of een milieueffectrapport moet worden gemaakt, vindt plaats nadat het bevoegd gezag de aanmeldingsnotitie heeft ontvangen. De initiatiefnemer maakt met het indienen van de aanmeldingsnotitie aan het bevoegd gezag kenbaar, in hoeverre het opstellen van een milieueffectrapport naar haar mening in dit geval noodzakelijk is. De te volgen procedure is geregeld in de Omgevingswet § 16.4.2. Milieueffectrapportage voor projecten. Volgens de wettelijke procedure moet het bevoegd gezag vervolgens binnen zes weken na indiening van de notitie het besluit nemen of een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Na bekendmaking van de beslissing kan De Greef de vergunningsaanvraag indienen en wordt de beslissing bij de vergunningaanvraag gevoegd. Doch de regels maken het ook mogelijk beide procedures parallel te laten lopen. Op 14 november 2025 is de aangepaste m.e.r. aanmeldnotitie, inclusief bijlagen naar de gemeente Woudenberg, de provincie Utrecht, i.c. de RUD Utrecht als gemandateerde, gestuurd ter beoordeling.

4.5 Tijd van het project Het voornemen van de Greef is om medio 2026 te starten met de herinrichting van het terrein, bouw en renovatie en hiervoor wordt 0,5 jaar uitgetrokken.

experts in biogas en droging

18

5

Bestemmingsplan

Om de uitbreidingsplannen gerealiseerd te krijgen moet het bestaande bouwvlak worden vergroot van 1,5 ha naar 2,5 ha. De provincie heeft aangegeven wel veel kansen te zien om dit gerealiseerd te krijgen en heeft benadrukt achter de plannen voor groengas productie te staan. Het is noodzakelijk de vergroting door middel van een planherziening te realiseren. Binnen de provinciale verordening artikel 5.6. is het mogelijk de vergister als stedelijke functie in het buitengebied toe te staan, mits deze aansluit bij een agrarisch bouwperceel. Dat houdt in dat de agrarische bestemming beperkt wordt tot het echt agrarische deel en voor het mestvergistingsdeel een aparte bestemming (bedrijf voor opwekking duurzame energie). Vooruitlopend op de omgevingsvergunningsaanvraag is eind december 2023 een bestemmingsplanherziening voor 2 bouwvlakken in procedure gebracht. Het ontwerp-b.p. is op 27 december 2023 ter visie gelegd. Na verwerking van de zienswijzen wordt het definitieve bestemmingsplan naar verwachting op 15 december 2025 ter visie gelegd, voorzien van een verslag van de ondernomen participatie activiteiten.

experts in biogas en droging

19

6

Kenmerken van het project

6.1 Huidige activiteiten en verleende vergunningen Mts. de Greef Agro Energy BV. (hierna: De Greef) bedrijft sinds 2019 naast een agrarisch bedrijf (een pluimveehouderij en tot voor kort op een aangrenzend perceel een biologisch melkrundveebedrijf), ook een biogasinstallatie aan de Voskuilerdijk 26 in Woudenberg. Sinds de start van het project zijn er veel ontwikkelingen geweest op het gebied van biogasinstallaties. Naast de positieve vooruitgang op het gebied van de techniek zijn er ook ontwikkelingen die ervoor zorgen dat het steeds lastiger wordt om een (relatief kleine) biogasinstallatie rendabel te (laten) opereren. De biogasinstallatie draait op voornamelijk pluimvee- en melkrundveemest en co-producten. Via de vergisting produceert De Greef uit deze producten biogas. Het biogas wordt voor een gedeelte opgewaardeerd tot groen gas en een ander deel wordt via een warmtekrachtkoppeling verbrand en omgezet tot groene stroom (± 40%) en warmte (± 60%). In 2023 was de productie als volgt: • • • •

Aanvoer 15.643 ton mest van pluimvee en melkvee. Dit kwam voor 65% uit Woudenberg. De Greef heeft een wachtlijst van melkveehouders die willen leveren. Aanvoer 14.051 ton co-producten. Dat zijn toegelaten producten op bijlage Aa-IV van de uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Productie 1,8 miljoen m3 groen gas, op het aardgasnet geïnjecteerd. Productie 4.500 MWh groene stroom, waarvan 65% is geleverd op het net en de rest is gebruikt voor de eigen energiebehoefte van deze en andere installaties van De Greef Agro en een aantal omliggende woningen.

De meeste processen vinden inpandig plaats en in gesloten systemen. Voor de exploitatie ervan is een aparte BV. opgericht, Mts. De Greef Agro Energy BV. (hierna: ‘De Greef’). De gehele bedrijfsvoering is vanaf 2019 in professionele handen. ENGIE RGE BV. zal blijvend betrokken blijven bij de exploitatie van de installatie om zodoende De Greef te ondersteunen bij o.a. het biologisch procesbeheer en onderhoud van de technische installaties. Na vergisting van de mest blijft digestaat over; in Nederland worden ook de toegevoegde co-producten als dierlijke mest gezien. Dit digestaat wordt eerst gescheiden in een vaste organische fractie en een vloeibare dunne fractie. De vaste fractie wordt met de in de WKK geproduceerde warmte gedroogd tot ca. 90% droge stof. Mestkorrelproducent Hubun maakt er vervolgens mestkorreltjes van die wereldwijd worden verkocht aan tuinders en akkerbouwers in gebieden waar nutriënten (meststoffen) heel schaars zijn – en waar deze mestkorrels enorm waardevol zijn voor de bodem en de gewasgroei, -gezondheid en kwaliteit. De volumineuze dunne fractie uit het digestaat wordt als dierlijke mest op

experts in biogas en droging

20

Nederlandse landbouwpercelen gebruikt, het liefst zo dicht mogelijk bij, maar moet ook over soms grote afstanden worden vervoerd vanwege de beperkte mestplaatsingsruimte in de regio. Op 4 juni 2015 is een omgevingsvergunning voor een mestvergistingsinstallatie verleend aan Mts. de Greef Agro Energy, waarbij door gemeente Woudenberg is besloten mee te werken aan een afwijking van het bestemmingsplan o.g.v. art. 2.12, lid 1a, sub 2 Wabo en art. 4, lid 7 van bijlage II van het Bor. Op 20 mei 2015 is voor het perceel Voskuilerdijk 26 een wijzigingsplan vastgesteld. In verband met de wens van het bedrijf om de vrije uitloop van de kippen in stand te kunnen houden, diende de vergistingsinstallatie buiten het huidige agrarisch bouwvlak te worden gebouwd. De vorm van het bouwvlak is daarom aangepast d.m.v. een wijzigingsplan. In het kader van het wijzigingsplan is door Landschapsbeheer Woudenberg een plan voor de landschappelijk inpassing vervaardigd. Op 12 maart 2018 is door gemeente Woudenberg een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van de vergunde lay-out van een biogasinstallatie. De omgevingsvergunning is verstrekt voor de onderdelen milieuneutrale wijziging, bouwen en handelen in strijd met regels voor de ruimtelijke ordening.

Op 26 november 2018 is door gemeente Woudenberg een omgevingsvergunning (revisievergunning) voor een pluimveehouderij en biogasinstallatie (co-vergisting). De verwerkingscapaciteit van de biogasinstallatie bedraagt 30.000 ton per jaar. De locatie is gelegen in het bestemmingsplan Buitengebied gemeente Woudenberg 2013, die op 27 juni 2013 door de gemeenteraad van Woudenberg is vastgesteld.

experts in biogas en droging

21

6.2 Omvang van het project De plannen zijn nu om de inputcapaciteit te verhogen naar 60.000 ton mest en co-producten per jaar met als samenstelling > 50% mest en < 50% co-producten. De ingaande mest betreft voornamelijk melkrundvee- en pluimveemest. Hierbij wordt het extra te produceren biogas volledig opgewaardeerd tot groen gas, de dikke fractie uit het digestaat wordt net als nu gedroogd voor de mestkorrelproductie. Het vergistingsproces an-sich wordt niet anders. De fysieke aanpassingen betreffen: • plaatsen van een nagenoeg geurvrij en akoestisch niet relevant schroefvijzel invoersysteem, ter vervanging van het huidige invoerluik op de hydrolyse-/mengtank (ringsilo), • uitbreiding met een derde hoofd-/navergistersilo met validatiefunctie incl.

biogasopslagreservoir, nodig om de dubbele inputmassa adequaat te kunnen verwerken, • aanpassing en vergroting van de biogasreinigingsinstallatie met extra koolfilters, blower, koeling en extra scrubbercapaciteit; • uitbreiding met een inpandig te plaatsen 2e groengasinstallatie in een aparte ruimte in de loods, • uitbreiding met inpandig te plaatsen CO2-afvang- en vervloeiingsinstallatie in de loods, • plaatsing op het buitenterrein van een dubbelwandige bovengrondse tank voor de opslag van vloeibare CO2, • plaatsing van drie extra ontvangstsilo’s van drijfmest en vloeibare co-producten van ieder 100 m3 opslagcapaciteit, • dichtmaken van de half open opslagplaats voor de gescheiden dikke fractie, • ontmanteling en verwijdering van het huidige foliebassin voor de opslag van de dunne digestaatfractie; hier voor in de plaats wordt een betonnen opslagsilo met spankap op deze plek gebouwd voor de opslag van dunne digestaatfractie, • plaatsing van één tot maximaal drie lucht-water, resp.

water-water warmtepompen om te allen tijde verzekerd te zijn van voldoende warmte voor de bedrijfsprocessen, • plaatsing van twee batterijen voor het opslaan van opgewekte groene stroom op het bedrijf, • het stopzetten van het houden van pluimvee en buiten gebruikstellen van de kleine stal (stal 5) en verlengen van de grote stal (stal 6), voor de huisvesting van 44.900 stuks leghennen; het stalsysteem blijft ongewijzigd volièrehuisvesting, doch wordt uitgerust met mestbandbeluchting (OW-code HE2.3.2.1), • plaatsing van een fakkelinstallatie, • het wijzigen van de vergunde decantercentrifuge als digestaatscheider in een schroefpersfilter, • het legaliseren van de 2 reeds aanwezige lavareactoren als tussenstap in de nabehandeling van de geurhoudende luchtstromen uit de vergistingsinstallatie. In het onderstaande procesflowdiagram zijn de te onderscheiden installatie onderdelen en processen weergegeven.

experts in biogas en droging

22

Het vergistingsproces, opslagcapaciteit, logistieke processen en aanvullende verwerkingsprocessen zijn in de aanvraag omgevingsvergunning uit 2018 uitgebreid toegelicht. De processen blijven voor een belangrijk deel ongewijzigd, behalve dat een 3e vergistersilo (navergister/validatiesilo) en een nieuwe staande betonnen silo voor de eindopslag van de geproduceerde dunne digestaatfractie. Overigens is in de omgevingsvergunning van 2019 al een groengas productie installatie meegenomen, met een weliswaar kleine capaciteit, nl. 250 m3 groengas per uur. Een 2e groengas installatie zal een capaciteit krijgen van ten minste 850 m3 groen gas per uur. Al het geproduceerde biogas ondergaat eerst een uitgebreide reinigingsstap in de buitenopstelling. De bestaande reinigingsinstallatie wordt daartoe uitgebreid met extra A.K. vaten, scrubber, waterwasser en gaskoelers, waardoor tevens de mogelijkheid wordt gecreëerd om het voor de WKK bedoelde biogas van H2S en NH3 te ontdoen. De hoeveelheid geproduceerd biogas is hierop afgestemd. De vergister produceert, na uitbreiding, maximaal 60.000 ton per jaar x gemiddeld 240 m3 / ton (dit is afhankelijk van het menu) = jaarlijks

experts in biogas en droging

23

ongeveer 14,5 miljoen m3 biogas. Na de opwerkingsfase resteert uiteindelijk ongeveer 6,4 miljoen m3 groen gas op jaarbasis, bij een maximaal operationeel zijnde WKK. Indien de WKK langere tijd buiten gebruik staat, is het mogelijk uiteindelijk maximaal 8,8 miljoen m3 groen gas op jaarbasis in te voeden. Plaatsing van de 2e opwaarderingsinstallatie naar groengas is voorzien in de loods, inpandig dus naast de 1e compressorruimte. De beide groengas installaties worden tezamen zodanig gedimensioneerd (max. 1.100 m3 groengas per uur) dat alle geproduceerde biogas op elk gewenst moment naar groengaskwaliteit kan worden opgewaardeerd en worden ingevoed in het openbare aardgasnet. De meeste processen vinden inpandig plaats en in gesloten systemen. Belangrijk om te melden is dat de gewenste verdubbeling van de inputcapaciteit qua opslagbehoefte, voorbewerking van de grondstoffen, verwerking van de tussenproducten en nabehandeling van de afgezogen geurhoudende lucht binnen de bestaande en vergunde installatie kan worden gerealiseerd.

experts in biogas en droging

24

6.3 Nadere toelichting op de processen 6.3.1 Aanvoer, opslag en verwerking mest en co-producten (bestaand en nieuw) De aanvoer van vaste en vloeibare mest en vaste en vloeibare co-producten vindt plaats per as. Er kan daarnaast ook sprake zijn van aanvoer van co-producten en mest met tractoren (mesttank en silagewagen). Vaste co-substraten en vaste mest worden met een vrachtauto (bijv. met walking floor) geleverd op locatie. Na weging worden vaste gescheiden mest en vaste co-substraten gelost in de daarvoor bestemde opslagvakken in de sleufsilo’s die ten dienste staan van de vergister (sleufsilo op tekening) gedeponeerd. De sleufsilo’s hebben een totale oppervlakte van ongeveer 1.060 m2. Een groot deel van deze producten geven normaliter geen geurhinder en worden ook niet afgedekt. In het geval van stuifvormige producten vindt wel afdekking plaats en/of worden deze producten zo nodig regelmatig bevochtigd. De (mogelijk) geurende co-producten en reststoffen worden afgedekt met een laag niet geurend biologisch materiaal, zoals graanresten, aardappelzetmeel, cacaodoppen, erwtendoppen, graszaad en vergelijkbaar materiaal in plaats van standaard met plastic of folie. Een andere, goede optie is de toepassing van zaaigranen op de ingekuilde producten.

Het toepassen van folie of plastic blijkt in de praktijk erg lastig en nauwelijks werkbaar, vanwege verkleving aan de producten, verwaaien van losgescheurde stukken plastic op het terrein en de omgeving. Afdekking met plastic of folie is bovendien overbodig gebleken. Vrijwel alle producten zijn droog en gaan ook bij langere opslag (bijv. enkele maanden) niet ruiken. Producten die wel voor geuremissie zouden kunnen gaan zorgen (bijv. paardenmest, aardappelen, aardappel- en bietenloof e.d.) worden op de dag van levering of binnen enkele dagen na levering op de locatie in de hydrolyse-/mengtank (ringsilo) ingebracht en daarmee in de vergister. De meng-/hydrolysetank is een gesloten systeem. De geloste vaste mest en de vaste coproducten worden bij voorkeur direct in de meng-/hydrolysetank gebracht met een shovel/verreikerbak om energieverlies zoveel te voorkomen. De huidige bedrijfsvoering betreft nu nog invoeding van de producten via een geopend vulluik op de betonnen ringsilo. Na de lossing wordt de vulopening (vulluik) onmiddellijk weer met een deksel afgesloten. Het mest-/coproduct mengsel wordt in deze mengtank een aantal uren / dagdelen rondgepompt en opgemengd. Het is niet nodig de grondstoffen eerst in een shredder te verkleinen. In de aangevraagde situatie worden de vaste grondstoffen vanuit de shovelbak in een invoerbak gedeponeerd.

Vanuit deze invoerbak wordt de voeding via een schroefvijzel in de meng-/ hydrolysetank

experts in biogas en droging

25

gedraaid. Met dit invoersysteem voor vaste co-producten wordt geuroverlast tijdens het inbrengen voorkomen. Doordat de vijzel constant gevuld blijft met voeding (vaste co-producten), ook als er geen producten worden ingebracht, kan er nagenoeg geen geur naar buiten vanuit de meng/hydrolysetank ontwijken. Op onderstaande foto’s (figuur 2) is het nieuwe vijzel invoersysteem weergegeven. Uit ervaringen elders is gebleken dat de headspace ruimte van de hydrolysetank volledig afgesloten is van de buitenlucht.

Figuur 2:

impressie van het nieuwe schroefvijzel invoersysteem in de hydrolyse/mengring

Vloeibare co-substraten en drijfmest worden met een tankauto geleverd op de locatie. De vloeibare co-producten en de drijfmest worden direct opgeslagen in één van de bestaande vier 100 m3 polyester opslagtanks en de drie nieuwe 100 m3 polyester opslagtanks. Deze opslagvoorzieningen zijn volledig gesloten systemen. Bij het vullen van de drijfmestsilo’s en de co-substraatsilo’s wordt per lossing van een tankwagen gemiddeld 35 - 40 m3 geurhoudende

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/4263/documents/72928