CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

08.b7 Voskuilerdijk 26_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 7 Veiligheidsparagraaf mestvergistingsinstallatie.pdf

Raadscommissie 10 februari 2026, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 8: Bestemmingsplan Voskuilerdijk 269.371 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Foto impressie van de huidige gebouwen en installatie onderdelen

Notitie:

Veiligheidsparagraaf (extern en intern)

Onderwerp:

(co-)/mestvergistingsinstallatie Mts. de Greef Agro Energie BV. (hierna: ‘de Greef’) 60.000 ton mest en co-producten per jaar Voskuilerdijk 26, Woudenberg De heer Jan de Greef, mobiele tel.: 06 - 10339882 3 januari 2025 MDGAE-EVP-250103 02 G. Haandrikman, mobiele tel: 06 - 51497516

Input: Locatie: Contactpersoon: Datum: Documentnr: Versie: Opgesteld door:

1

Inhoudsopgave 1

EXTERNE VEILIGHEID (ALGEMEEN) ............................................................................................................. 3

2

BIOGAS .......................................................................................................................................................... 5

2.1 2.2

Eigenschappen biogas ................................................................................................ 5 Gevaren biogas ........................................................................................................... 5

3

TOETSING ASPECT EXTERNE VEILIGHEID AAN DE REGELGEVING ................................................................ 7

4

SITUERING PLANGEBIED IN RELATIE MET OMGEVING ...............................................................................10

5

ONDERZOEK OPSLAG GROTERE HOEVEELHEDEN BIOGAS..........................................................................11

5.1 5.2 6

BEOORDELING (EXTERNE) VEILIGHEIDSRISICO’S (CO-) MESTVERWERKINGSINSTALLATIES ......................14

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6 6.7 7

Beschrijving veiligheid biogasinstallatie ................................................................... 14 Explosiegevaar .......................................................................................................... 14 Leidraad Risico Inventarisatie – deel gevaarlijke stoffen (LRI-GS) ........................... 15 NPR-7919-1 .............................................................................................................. 16 Classificatie gevarenbronnen ................................................................................... 16 Omschrijving gevarenbronnen ................................................................................. 16 Explosieveiligheid gasreinigings- en opwaarderingsinstallatie ................................ 17

RISICO VAN ONGEVALLEN EN OPTREDEN VAN ABNORMALE (BEDRIJFS-) OMSTANDIGHEDEN ...............18

7.1 7.2 7.3 7.4 8

RIVM onderzoek 2008 .............................................................................................. 11 Classificatie biogas en BRZO ..................................................................................... 13

Algemeen ................................................................................................................. 18 Veiligheidsvoorzieningen ......................................................................................... 19 Werking drukveiligheid (over-/onderdrukventiel) ................................................... 19 Toegepaste veiligheidsvoorzieningen ...................................................................... 21

OVERIGE VEILIGHEIDSASPECTEN EN MAATREGELEN .................................................................................24

BIJLAGE 1

MILIEUTEKENING PROJECT 2078 WIJZ. 2125 ................................................................................26

BIJLAGE 2

RENVOOILIJST 1094 DE GREEF (AANGEVRAAGDE SITUATIE)_V3 .................................................27

BIJLAGE 3

TEKENING E.V. RISICOCONTOUREN PR=10-6/JAAR .......................................................................28

BIJLAGE 4

INHOUD (VARIABEL) DOMERS DE GREEF WOUDENBERG_BEREKENING 20231219 ....................29

2

1

Externe veiligheid (Algemeen) Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Sinds 1 januari 2010 moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: ● ● ● ● ●

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); de Registratiebesluit externe veiligheid; de ministeriële regeling provinciale risicokaart; het Besluit risico's Zware Ongevallen (Brzo).

Het externe veiligheidsbeleid voor transport van gevaarlijke stoffen staat in de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (de cRvgs of de "Circulaire"). De wijziging van deze circulaire loopt vooruit op het voorgenomen Basisnet, die op 1 april 2015 in werking is getreden. De circulaire is vervangen door het "Besluit transportroutes externe veiligheid [BTEV]". Het doel van het „Besluit externe veiligheid inrichtingen‟ is om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Vanaf 1 januari 2024 is de Omgevingswet met bijbehorende besluiten in werking getreden. Mestbehandeling is conform het Besluit al (artikel 3.225) aangeduid als een milieubelastende activiteit (mba). In art. 3.226 is het vergisten van dierlijke meststoffen in combinatie met afvalstoffen als vergunningplichtig aangewezen. In paragraaf 3.227 staat welke regels van toepassing zijn op deze activiteit. In deze regels zijn ook veiligheidsafstanden opgenomen waaraan dient te worden getoetst. Voor Seveso (voorheen BRZO) inrichtingen kunnen aanvullende regels gelden. Aangetoond dient te worden dat de hoeveelheid gevaarlijke stoffen de drempelwaarden al dan niet overschrijdt.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn activiteiten aangeduid waarvoor een beperkende risicocontour geldt en/of aandachtsgebieden (bijlage VII). Op basis van voorgenoemde toetsing kan worden getoetst of dit geldt voor deze activiteit. Indien dit het geval is, dient te worden voldaan aan de normwaarde voor het plaatsgebonden risico. Indien er een aandachtsgebied geldt dient in te worden gegaan op de kans dat er (10 of meer) slachtoffers vallen buiten de inrichting en hoe dit beperkt kan worden. 3

Buiten een risicocontour of aandachtsgebied zouden mogelijk nog risico’s kunnen ontstaan. In de meeste gevallen zullen deze risico’s beperkt zijn. Voor een onderbouwing dat deze risico’s beheersbaar zijn, kunnen bijvoorbeeld studies van het RIVM worden gehanteerd en aangehaald. Voor Seveso inrichtingen wordt normaliter naar domino veroorzakende activiteiten gekeken of in het kader van een risicoanalyse. Indien beiden niet van toepassing zijn, kan dit heel beknopt worden beschreven of mogelijk zelfs weggelaten. Wanneer het plan nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen of locaties mogelijk maakt (risicoontvanger) dient te worden gekeken naar risicobronnen in de omgeving. Wanneer dit niet het geval is kan beoordeling van risicovolle mba’s in de omgeving achterwege blijven. In hoofdstuk 3 wordt hier nader op ingegaan.

4

2

Biogas 2.1

Eigenschappen biogas Biogas is een menggas en bestaat voornamelijk uit methaan (55-65%), kooldioxide (35 tot 40%), zwavelwaterstof (0,01 tot 0,4%) en sporen van ammoniak, waterstof, stikstof en koolmonoxide. Ook moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van zwevende deeltjes. Biogas heeft een kleiner soortelijk gewicht dan lucht. Bij 10 °C heeft biogas dat uit 65% methaan en 35% CO2 bestaat, een soortelijk gewicht van 1095 gram per m3. Ter vergelijking: het soortelijk gewicht van lucht bij 10 °C is 1220 gram per m3. Het biogas zal daarom bij een lekkage opstijgen waardoor de kans op verstikking en explosie op de grond beperkt is.

2.2

Gevaren biogas Bij het omzetten van organisch materiaal (biomassa) in energie komt biogas vrij. Biogas is een inert, giftig gas, dat alleen brandbaar of explosief is wanneer het in bepaalde concentraties vermengd is met lucht. Er kan gesteld worden dat bij het gebruik en toepassing van biogas de volgende gevaren en risico´s kunnen optreden: -

levensgevaar door verstikking in niet-geventileerde ruimten en tanks; explosie van een ontvlambaar gas-/luchtmengsel; ontstaan van branden; bevriezen van gas- en substraatleidingen; condensvorming, vooral door het afkoelen van met water verzadigd gas; corrosie door agressieve bestanddelen in het gas, zoals ammoniak en zwavelwaterstof; verstopping van leidingen, vooral gas- en substraatleidingen.

Op de locatie zijn een aantal plaatsen waar deze problemen opgang doen. Voor de vergisters waar het gas geproduceerd wordt, is dat duidelijk. In de voor personeel toegankelijke tussenruimte tussen de 2 hoofdvergisters wordt geen biogas geproduceerd en zal ook geen vorming van biogas optreden. Het risico voor een gasexplosie aldaar wordt daarom als minimaal beschouwd. 5

De uittreesnelheid uit de vergister bij de overdrukventielen, is als gevolg van de geringe overdruk, boven de normale druk in de gasreservoirs, erg laag en gezien de situering van de overdrukventielen zou theoretisch bij stabiel weer ontmenging van het biogas kunnen optreden waardoor mogelijk zwaardere componenten in het biogas, zoals CO2 zich via de grond en vloeren kunnen verplaatsen. Deze situatie zou zich kunnen voordoen als en de buffercapaciteit van de 3 reservoirs onvoldoende is, de WKK zou zijn uitgevallen, de gasopwaarderingsinstallaties beiden zijn uitgevallen en/of invoeding in het aardgasnet niet mogelijk is en de fakkel niet zou werken. Zo’n situatie, waarbij alle redundants niet zouden werken, zal zich in de praktijk normaal gesproken niet voordoen. Bovendien gaat het dan ook nog om geringe hoeveelheden, waarbij het biogas zal zijn verwaaid voordat ontmenging optreedt. Bij eventueel optredende voorvallen van dien aard hebben eventueel aanwezige werknemers of bezoekers voldoende tijd om zich te verplaatsen naar een veilige omgeving. In paragraaf 7.2 zijn veiligheidsmaatregelen weergegeven die ervoor zorgen dat deze situatie niet optreedt. De biogasprocesinstallatie beschikt over een gasdetectiesysteem voor een continue bewaking en storingsmelding bij oplopende concentraties. Het betreft een meervoudig gasmeetinstrument.

Daarnaast zijn er twee H2S-meetinstrumenten (mobiele detectoren) aanwezig voor het aanwezige personeel op de locatie. Voor een mobiele methaan-detector en een direct werkende NH3-detector wordt nog gezorgd.

6

3

Toetsing aspect externe veiligheid aan de regelgeving Voor bedrijfsterreinen zijn o.a. de volgende uitgangspunten voor externe veiligheid van toepassing: -

Aan de wettelijke grenswaarde voor het plaatsgebonden risico moet worden voldaan.

-

Bij de introductie van een risicobron dient de 10-6 contour van het plaatsgebonden risico binnen de erfgrens van de inrichting te liggen. Uitzondering hierop is dat de contour wel over gebieden mag liggen indien in het bestemmingsplan sprake is van een openbaar gebied, zoals wegen, kanalen, groenvoorzieningen, vijvers, parkeerplaatsen etc. en over gebieden waar geen bouwactiviteiten kunnen plaatsvinden op basis van het vigerende bestemmingsplan.

-

Voor risicobronnen niet zijnde BEVI-inrichtingen geldt dat toetsing aan de zogenaamde drempelwaardentabel moet plaatsvinden.

-

Indien binnen het invloedsgebied het aantal personen ten gevolge van een ruimtelijke ontwikkeling wijzigt, moet het groepsrisico worden verantwoord en moet de situatie voor het bestuur aanvaardbaar zijn.

Op de inrichtingsactiviteiten is paragraaf 4.88 van het Besluit activiteiten leefomgeving (BAL) van toepassing. Op grond van art. 4.866, 1e lid moet de afstand vanaf het middelpunt van een gasreservoir waarin vergistingsgas wordt opgeslagen tot de begrenzing van de locatie waarop de activiteiten worden verricht, ten minste 50 m zijn.1 De afstand geldt tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zijn toegelaten. Bovendien vinden binnen de inrichting geen activiteiten plaats, die vallen onder één van de genoemde categorieën activiteiten onder E van bijlage VII van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bkl). Het perceel geldt niet als een risicogebied externe veiligheid, zoals bedoeld in artikel 5.16, 1e lid, van het Bkl. Hieronder wordt dit nader gespecificeerd. • Act. 3.1 • Act. 3.2 • Act. 3.3

Er worden geen giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2 opgeslagen. Mocht uiteindelijk toch besloten worden dat ammoniak als koelmiddel zal worden toegepast, gaat het om max. 150 liter. Er worden geen gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3 binnen de inrichting opgeslagen. De propaantank heeft een inhoud van 5 m3 en de doorzet is < 600 m3/jaar.

1

Deze generieke afstand van 50 m wijkt af van het RIVM onderzoek uit 2008. De berekeningen in het RIVM onderzoek zijn uitgevoerd met het QRA rekenpakket Safeti-nl 6.51, volgens het “paarse boek” (CPR 18E) en de Handleiding Risicoberekeningen BEVI. De in het rapport genoemde afstanden zijn geen wettelijke normen, doch zijn richtinggevend. Verwezen wordt naar hoofdstuk 5.

7

• Act. 3.4

• • • • • • • •

• • •

Er worden, behoudens biogas en biomethaan, geen andere brandbare gassen van ADR-klasse 2 opgeslagen. Biogas en biomethaan vallen onder ADR klasse 2.1. In hoofdstuk 3 wordt de berekening van het PR=10-6/jaar en het GR verder toegelicht. Act. 4.1 Er worden geen vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 6.1 binnen de inrichting opgeslagen. Act. 4.2 Er worden geen vloeistoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3 binnen de inrichting opgeslagen in een verpakking met meer dan 1 m3 inhoud. Act. 4.3 De dieselolietank (ADR klasse 3 heeft een inhoud van 2,5 m3. Act. 5.1 Er worden geen giftige of bijtende gassen van ADR-klasse 2 in gasflessen met totale inhoud van meer dan 1.500 l opgeslagen of Act. 5.2 meer dan 1.500 l tot vloeistof verdichte gassen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3 of Act. 5.3 10.000 kg of meer in totaal van de gevaarlijke stoffen opgeslagen binnen de inrichting. Act. 6 Er is geen sprake van een Seveso inrichting. Hierbij wordt verwezen naar bijlage 22 van de vergunningsaanvraag Notitie BRZO- en ARIE toets. Act. 7 De gasdruk- en regelinstallatie van de groengas opwaardeerinstallatie heeft een gastoevoerleiding met een diameter van kleiner dan 20 inch, nl. ongeveer 5 inch. Act. 8 Het betreft geen metaalproductenindustrie. Act.

9 Een opslag- en transportbedrijf, groothandel en containeroverslag: Seveso-hoeveelheid is niet aan de orde bij onderhavige inrichting. Act. 11, 12,13 Zijn ook niet aan de orde.

De locatie van de inrichtingsactiviteiten is onderdeel van het perceel met kadastrale aanduiding WDB02-A-1530 (Woudenberg), die geheel in eigendom toebehoort aan initiatiefnemer. In onderstaande figuur zijn het perceel en de 50 m afstanden weergegeven.

8

In paragraaf 5.1 wordt nader op de PR=10-6/jaar contour bij De Greef ingegaan. In het kader van de aangevraagde omgevingsvergunning voor vergroting van de vergister inputcapaciteit wordt een nieuwe risicobron geïntroduceerd. Er komt een 3e biogasopslagreservoir bij. Dit 3e biogasopslagreservoir wordt op een grotere afstand van de dichtstbijgelegen woning gesitueerd dan de 2 bestaande biogasopslagen. In het kader van het BEVI/REVI behoeft voor de biogasopslag op de locatie geen invloedsgebied te worden vastgesteld. Er bevinden zich geen burger- en/of bedrijfswoningen binnen de LFL-contour van de biogasopslagreservoirs. In paragraaf 6.3 wordt hier op nader ingegaan.

9

4

Situering plangebied in relatie met omgeving Aan de hand van de landelijke risicokaart (www.risicokaart.nl/kaarten) is een inventarisatie uitgevoerd van de risicobronnen in en rond de locatie Voskuilerdijk 26.

Uitsnede risicokaart met de locatie erop ingetekend Uit bovenstaande uitsnede van de risicokaart blijkt dat de locatie Voskuilerdijk 26 niet binnen de invloedsfeer van BEVI-bedrijven ligt. De dichtstbijzijnde inrichting waar gevaarlijke stoffen opgeslagen worden is aan ’t Zwarte Land 31 in Scherpenzeel. Dit bedrijf (een LPG tankstation) ligt op meer dan 1.000 meter vanaf de locatie. De locatie ligt ruim buiten de risicocontour van dit bedrijf.

10

5

Onderzoek opslag grotere hoeveelheden biogas Voor de opslag van biogas in een gasreservoir bij een lichte overdruk (van 0,1-0,3 bar) moeten veiligheidsafstanden worden aangehouden. Voor de veiligheidsafstanden wordt aansluiting gezocht bij het RIVM-rapport Veiligheid grootschalige productie van biogas (RIVM, 2010) en het bijbehorende erratum van 9 juli 2012, alsmede het document Effect- en risicoafstanden bij de opslag van biogas (RIVM, 2008). Verder wordt rekening gehouden met de bestaande kennis, regelgeving en praktijksituaties, zoals opgenomen in het RIVM-rapport Het veilig bouwen en beheren van co-vergistingsinstallaties voor de productie van biogas.2 5.1

RIVM onderzoek 2008 Voor de opslag van grote hoeveelheden biogas zijn door het RIVM in 2008 berekeningen gemaakt van de effect- en risicoafstanden3. De berekeningen zijn uitgevoerd met het QRA rekenpakket Safeti-nl 6.51, volgens het “paarse boek” (CPR 18E) en de Handleiding Risicoberekeningen BEVI. De in het rapport genoemde afstanden zijn geen wettelijke normen, doch zijn richtinggevend. In onderstaande tabel zijn de afstanden weergegeven die gelden voor de situatie ‘biogas 50% en CO2 50%’, een met de situatie bij De Greef overeenkomende situatie.

2

RIVM rapport 620013001/2011 Het veilig bouwen en beheren van co-vergistingsinstallaties voor de productie van biogas, in opdracht van Agentschap NL (RVO) en vastgesteld januari 2012 3 RIVM rapport ‘Effect- en risicoafstanden bij de opslag van biogas’, uitgevoerd door Centrum Externe Veiligheid in opdracht van diverse gemeenten, d.d. 3 maart 2008.

11

Voor volumes biogas tot 1.000 m3 met een overdruk van maximaal 30 mbar, waarvan in de onderhavige installatie sprake is, geldt een PR = 10-6/jaar contour van 40 meter. De effectafstand tot 0,1 bar overdruk is 75 meter. Voor opslagvolumes van 1.000 tot 1.500 m3 geldt een PR=10-6/jaar contour van 45 meter. De Greef beschikt over 2 ballonreservoirs van < 1.000 m3 en straks over 1 opslagreservoir van < 1.500 m3. De PR=10-6/jaar contour van 45 m. en ook de contour van 40 m. liggen deels over inrichtingsgrens. Binnen de berekende plaatsgebonden risicocontouren bevinden zich op dit moment geen (beperkt) kwetsbare objecten. De landbouwgronden ten oosten en ten westen van de inrichtingsgrens zijn in eigendom van de initiatiefnemer. Formeel bevat het vigerend bestemmingsplan geen bouwvlakken voor de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten op deze gronden, en evenmin op de doorgaande verharde weg, Breehoef. Gelet hierop gelden vanuit de regelgeving ten aanzien van het plaatsgebonden risico geen beperkingen. Dit levert derhalve geen veiligheidsprobleem op. Uit vergelijkbare risicoberekeningen bij grotere vergistingsinstallaties, d.w.z.

met meer dan ruime verdubbeling van de biogasopslagcapaciteit en meer verlaad- en overslagvoorzieningen dan bij De Greef wordt hier rekening gehouden met een invloedsgebied (10-8/jaar) van • 1,3 x PR = 10-6/jaar contour (worst case situatie), dus ongeveer 65 m.

Binnen het invloedsgebied bevinden zich geen (geprojecteerde) objecten van derden. Er is daarmee geen groepsrisico. De silo’s hebben een gezamenlijke biogasopslagcapaciteit van 3.162 m3. Bovendien wordt bij een dreigende overschrijding van 30 millibar overdruk automatisch een aantal veiligheden in werking gesteld. In paragraaf 7.2 wordt hier nader op ingegaan.

12

De toe te passen gasmotor in de WKK-installatie is zodanig gekozen dat deze op 90 % van het nominale vermogen draait. Bij uitval en onderhoud van de motor kan met de huidige gasopwerkingsinstallatie (groengas) en een beperkte terugregeling van de installatie de productie worden opgevangen. Aanvullend kan biogas in de opslagvoorzieningen voor biogas opgevangen worden voor een aantal uren of desnoods afgeblazen en afgefakkeld worden met de fakkelinstallatie. De noodprocedure treedt automatisch in werking. In hoofdstuk 7 wordt hier nader op ingegaan.

Classificatie biogas en BRZO

5.2

Het Stoffen Expertise Centrum (SEC) van het RIVM heeft een classificatie uitgevoerd op basis van de Seveso-regelgeving4. Hieruit komt naar voren dat een biogasmengsel met een H2Sgehalte vanaf 0,2 tot 1 vol % H2S moet worden aangemerkt als toxisch (T) en vanaf 1 vol % H2S als zeer toxisch (T+). Dit betekent dat een inrichting die biogas produceert met > 1 vol % H2S en daarbij een opslag heeft van meer dan 3.000 m3 biogas, de onderste drempelhoeveelheid van de Seveso-regelgeving zou kunnen halen en daarmee dus onder het Besluit Risico’s Zware Ongevallen, BRZO zou kunnen vallen en dus ook onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Daarnaast geldt het biogas als zeer licht-ontvlambaar en brandbaar, waarvoor eveneens toetsing aan het BRZO moet plaatsvinden. Tabel 3:

Drempelhoeveelheden externe veiligheidswetgeving (in ton) aangevuld met corresponderende volumes biogas (dichtheid van 1,10 kg/m3 bij 20 °C en 1 atm.) BRZO ’99

Giftig Zeer licht ontvlambaar H2 Acuut toxisch P2 ontvlambare gassen Categorie 1 of 2

Seveso III (‘BRZO 2015’)

Drempel laag 50 ton 10 ton -

Drempel hoog 200 ton 50 ton -

Drempel laag 50

Drempel hoog 200

-

-

10

50

In de notitie ‘Aanvullende toetsing BRZO- en ARIE toetsing co-mestvergistingsprocessen’ is vastgesteld dat de laagste drempelwaarde (zie tabel 3) niet wordt overschreden. Totale biogasopslag in silo’s en leidingwerk = 3.237 m3 x s.g. biogas (1,10 kg/m3) = ca. 3,56 ton biogas met een H2S-gehalte van ~ 13,5 kg H2S. De laagste drempelwaarde van 10 ton, geldend voor ( zeer) licht-ontvlambare gassen wordt evenmin overschreden.

4

RIVM Rapport 620201001/2010 Veiligheid grootschalige productie van biogas. Verkennend onderzoek risico’s externe veiligheid. Dit onderzoek werd verricht in opdracht van VROM-Inspectie, in het kader van het project M/620551, ‘Ondersteuning VROM-Inspectie 2010’.

13

Conclusie is dan ook dat de co-/mestvergistingsinstallatie bij De Greef niet valt onder de BRZO-regelgeving en daarmee is ook het BEVI niet van toepassing.

6

Beoordeling (externe) veiligheidsrisico’s (co-) mestverwerkingsinstallaties 6.1

Beschrijving veiligheid biogasinstallatie De biogasinstallatie wordt met betrekking tot eventuele risico’s voor brand en de gevolgen naar de omgeving, bezien op basis van de volgende samenstellende onderdelen: •

• •

•

•

6.2

De vergister wordt gevormd door een staande betonnen silo. De hoofdvergisters zijn voor ca. 90 % gevuld met vergistend substraatmengsel met een vochtgehalte van 70 % en een temperatuur van circa 40 ºC. De vergistersilo’s beschikken in de centrale buis over warmwaterkanalen waardoor de vergisterinhoud wordt verwarmd met warmwater (max. 80 ºC) tot een temperatuur van max. 45 ºC. Een gascompressor pompt het biogas waarin ongeveer 2-5 vol. % lucht wordt toegevoegd naar de centrale buis in de vergister. Hierdoor ontstaat roering van de inhoud en wordt de groei van zwavelvormende bacteriën tegengegaan. Het biogas wordt vanuit de navergistersilo eerst door een H2S-wasstraat geleid, waar de aanwezige H2S-concentratie met > 99% wordt teruggebracht. Tevens wordt de aanwezige NH3 eruit gewassen. In de gasleiding naar de WKK wordt het gas verder afgekoeld en via een condensatievat, gevuld met grind, ontwaterd en daarna weer verwarmd waardoor de relatieve vochtigheid afneemt tot ca. 80 %. Tevens wordt voor de WKK een automatische gas samenstelling meetinstallatie gemonteerd, waarmee de verschillende gascomponenten semi continu gemeten worden. In de gasleiding bevinden zich tegen elke hoofdcomponent van de installatie een handbedienbare kraan en vlamdoorslag beveiliging (die bij temperatuurstijging direct sluit). Op deze wijze worden risico’s van vlamdoorslag schade voorkomen. Explosiegevaar

Biogas bestaat voor 55-65% uit brandbaar methaangas. Explosiegevaar van het biogasmengsel treedt pas op wanneer er een mengsel ontstaat met meer dan 90 % lucht en 5 tot 10% methaan. Tijdens het vergistingsproces zal dit mengsel niet kunnen ontstaan, omdat biogas doorgaans tussen de 55 en 60% methaan bevat. In een mengverhouding van 5 – 10 % methaan en 95 – 90 % lucht ontstaat een explosief mengsel. Als dit ontstoken wordt, is een ontploffing het resultaat. Een dergelijk explosief mengsel kan ontstaan bij lekkage van de gasleidingen in de ruimten waar de gasopwerkingsinstallatie staat opgesteld. Deze worden daarom in ruime mate, met ten minste een ventilatievoud van 10 keer per uur, op de buitenlucht geventileerd. De vergisters worden in de open lucht opgesteld. Dit betekent dat de luchtsnelheid, zonder mechanische hulpmiddelen meestal hoger is dan 2 m/s. 14

Explosiegevaar kan wel optreden bij het opstarten en stilleggen van het vergistingsproces. Dan treedt de mengverhouding 90% lucht en 5-10% methaan wel korte tijd op. In het geval dat de gehele installatie moet worden stilgelegd vanwege een langdurige storing in het vergistingsproces of een langdurige onderhoudsperiode dient een veiligheidszone van ten minste 5 meter rondom de biogashoudende onderdelen te worden aangehouden. Deze situatie zal zich bij De Greef nauwelijks voordoen, gelet op de aanwezigheid van een WKK, straks 2 gasopwaardeerinstallaties, er kan altijd gewisseld worden, en de grote biogasopslagcapaciteit in de vergistersilo’s. Binnen genoemde afstanden dienen ontstekingsbronnen zoveel mogelijk te worden geweerd. De plaats van de vergistersilo’s op het terrein van de inrichting van De Greef is zodanig gekozen dat in ieder geval binnen een straal van 5 meter rond de gasreservoirs geen voorzieningen van derden en mogelijke ontstekingsbronnen aanwezig zijn. De silo’s zijn waar nodig, tegen aanrijden beschermd. Het inrichtingsterrein is deels voorzien van een hekwerk van ca. 2 meter hoogte. 6.3

Leidraad Risico Inventarisatie – deel gevaarlijke stoffen (LRI-GS) Volgens de LRI-gevaarlijke stoffen, bijlage 6, GK1, versie 3.1 oktober 2007, Gevarenkaart nr. 1, tabel 2a zijn de volgende effectafstanden voor brandbare - niet tot vloeistof verdichte – gassen (zoals biogas), met een explosieve situatie tot gevolg hebbend, van toepassing:

De afstand waarbij 1 % van de aanwezige blootgestelde personen overlijdt (bij een stralingshitte van 19 kW/m2) komt overeen met 65 m. bij een biogasreservoir van circa 1.350 kg (~ 1.188 m3 ). Bij een afstand van 110 m. van de ontstoken gasmassa treden nog 1e graads brandwonden op (7,5 kW/m2). Er bevinden zich binnen deze effectafstanden geen (geprojecteerde) kwetsbare objecten. De dichtstbijgelegen burgerwoning, Voskuilerdijk 28, ligt op ca. 130 meter afstand van de vergistersilo’s 1 en 2.

15

6.4

NPR-7919-1 De Nederlandse praktijkrichtlijn NPR 7910-1 "Gevarenzone-indeling met betrekking tot ontploffingsgevaar" is van toepassing in ruimten en installaties waar een ontplofbare atmosfeer kan ontstaan door onder andere de aanwezigheid van brandbare gassen. De indelingsplicht en dus de beoordeling of deze van toepassing is, is met name bedoeld voor die delen die met biogas in aanraking komen. De zonering betreft met name de vergisters, de gasleidingen, de directe omgeving rondom gasaansluitingen en veiligheden. Expliciet gesteld, alle plaatsen waar door mogelijke gaslekkages een explosieve atmosfeer kan ontstaan.

6.5

Classificatie gevarenbronnen De NPR-7910-1 kent een zone-indeling in 3 zones. De gevarenbronnen worden verdeeld in een continue, een primaire of een secundaire gevarenbron. In onderstaand schema zijn de criteria voor deze indeling gegeven en de bijbehorende zone-indeling en de eisen die aan de apparatuur in die zone worden gesteld. Gevarenbron Continue gevarenbron. Meer dan 1000 uur/jaar explosieve omstandigheden Primaire gevarenbron. Tussen 10 en 1000 uur/jaar explosieve omstandigheden Secundaire gevarenbron. Minder dan 10 uur/jaar explosieve omstandigheden Geen explosieve omstandigheden = niet gevaarlijk gebied

6.6

ATEX zone

Zone 0

Type apparatuur 1G

Zone 1

2G

Zone 2

3G

Eisen apparatuur Geen electromotoren

Gasdichtheidseis: IP6x, Oppervlaktetemp.: max. 125 °C. Gasdichtheidseis: IP5x, Oppervlaktetemp.: max. 125 °C.

Niet gevaarlijk gebied

Omschrijving gevarenbronnen Een explosieve atmosfeer kan ontstaan: • in ruimten waar gas wordt opgeslagen of opgewekt, of in vertrekken die met dergelijke ruimten in verbinding staan (gasdaken) • in kanalen en verzamelbakken • in het inwendige van apparaten, tanks en leidingen die biogas bevatten • in zones waaruit bedrijfsmatig gas kan ontsnappen, bijvoorbeeld bij overdrukventielen, bij mest- en gastanks, aftapopeningen e.d. 16

De volgende gevaarbronnen en de daarbij horende zonering kunnen worden onderscheiden: Gevaarbron Gasopslag (gasdak) Overdrukventiel op gasdaken Noodaflaten op vergisters (Mobiele) fakkel Gastransportleidingen Biogasreinigingsinstallatie / gasontzwavelingsstraat) Condensputten

ATEX zone 2 1 1 1 2 2

Afstand 3m 5m 5m 5m 3m 3m

2

3m

Binnen deze zone is NEN 3410 van toepassing. 6.7

Explosieveiligheid gasreinigings- en opwaarderingsinstallatie Op de bestaande en de nieuwe gasopwaarderingsinstallatie is § 4.29. Regelen en meten van aardgas op grond van Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing. Bij een inlaatdruk tussen 0,1 en 16 kPa geldt volgens tabel 4.421 van het Bal een aan te houden afstand van ten minste 6 m tot de inrichtingsgrens en tot kwetsbare en zeer kwetsbare objecten. Hieraan wordt ruimschoots voldaan. In overeenstemming met de NEN-EN-IEC-60079-10 is het verplicht om voor installaties waarin brandbare gassen voorkomen te toetsen of zonering van toepassing is. Uit de aanwijzingen van de NPR 7910-1, gebaseerd op de NEN-EN-IEC-60079-10, blijkt dat Exzonering van de compressor- en procescontainer noodzakelijk is. Praktisch betekent dit dat de gehele biogas procesruimte (opwaarderingsinstallaties) een Zone 2 is in de zin van de ATEX-richtlijn 1999/92/EG (ATEX 137). Deze ruimte wordt middels een gedwongen ventilatiesysteem beveiligd. Alle apparatuur die zich in deze ruimte bevindt voldoet aan de ATEX-richtlijn 94/9/EG (ATEX 95). Uit de aanwijzingen van de NPR 7910-1, gebaseerd op de NEN-EN-IEC-60079-10, blijkt dat Ex-zonering van de CO2-terugwinunit niet noodzakelijk is.

De ruimte binnen de onderdelen van deze unit is een “safe area” in de zin van de ATEX-richtlijn 1999/92/EG (ATEX 137), en de hierin opgestelde apparatuur voldoet in het algemeen dan ook niet aan de ATEX-richtlijn 94/9/EG (ATEX 95). De CO2-afvang en -vervloeiingsinstallatie, die in de nog vrije ruimte in de loods wordt gesitueerd, gaat volgens de laatste informatie gekoeld worden met kooldioxide. Hierop is art. 4.435 van het Bal ‘externe veiligheid: koelinstallaties met kooldioxide’ van toepassing. Een koelinstallatie met kooldioxide wordt ontworpen en geïnstalleerd en wordt beheerd en onderhouden volgens paragraaf 5.7 en hoofdstukken 7 en 8 van de NPR 7601. Uit de plattegrondtekening van Engie-RGE en de aanbieding van de leverancier blijkt dat de CO2-terugwininstallatie veilige wijze kan functioneren, snel en veilig uit bedrijf kan worden genomen en onveilige situaties worden voorkomen.

17

De installatie als geheel is uitsluitend geschikt voor gebruik in een safe area in de zin van de ATEX-richtlijn 1999/92/EG (ATEX 137). Voor de compressor- en procesbehuizing wordt hierbij een ventilatievoud van > 5 gehandhaafd, conform de ATEX richtlijn. Voor de elektrische ruimte is de ventilatie uitsluitend bedoeld om de besturingskasten niet te warm te laten worden. In de installatiebeschrijving zijn de veiligheidsmaatregelen verder uitgewerkt. 6.8

Affakkelen (overdrukbeveiliging) Indien de WKK in storing valt, zal er een alarmeringssignaal worden gegenereerd. De gasproductie zal, ondanks het wegvallen van de warmtebron nog in beperkte mate doorgaan. Het geproduceerde biogas hoopt zich op onder het membraan. Indien de storing langer duurt zal er geen verse mest en/of co-producten meer aan de vergister worden toegevoerd. Indien de gasopslag voor 95% gevuld is en de gasdruk onder de gasdaken in de buurt van 5 mbar komt en de ‘afnemers’ onvoldoende biogas afnemen, zal er biogas moeten worden afgefakkeld. Er is een vaste fakkelinstallatie geplaatst op het terrein. De positionering van de fakkel voldoet aan de veiligheidseisen conform het gestelde in de Richtlijn NPR 7910:2012. In de situatie van de onderhavige biogasinstallatie zullen ontstekingsbronnen binnen een veiligheidsafstand van ten minste 5 meter worden geweerd. Dit is bij De Greef het geval. Op de milieutekening is de afstand ingetekend. De fakkel is voorzien van een gesloten vlam. Dat betekent dat de warmteoverdracht fakkel naar vergistersilo c.q. biogasopslagreservoir nihil is.

7

Risico van ongevallen en optreden van abnormale (bedrijfs-) omstandigheden

7.1

Algemeen Om de risico’s van ongevallen en het optreden van abnormale (bedrijfs-) omstandigheden te voorkomen, zijn er diverse veiligheidsvoorzieningen ingebouwd. De risicofactoren die bij biogasvergisting een rol spelen zijn: -

De gasopslag (dubbele gaskap) van een biogasinstallatie kan eventueel kapot gaan / scheuren bij overdruk en bij onderdruk; explosiegevaar biogas.

Ter preventie van calamiteiten zal de gehele vergistinginstallatie voldoen aan de eisen en richtlijnen in de van toepassing zijnde BREF-documenten [vanaf 2013], de Handreiking (co)vergisting van mest (augustus 2018) en de preventierichtlijnen [FOV 2005]. Rond de

18

installatie zal een veiligheidszone van 10 meter worden gehanteerd zoals gesteld door NPR 7910-1. Deze zone zal indien nodig van waarschuwingsmiddelen worden voorzien. Binnen deze zone geldt een open vuur en rookverbod. Hiervoor worden duidelijke zichtbare verbodsborden geplaatst op strategische plaatsen binnen de inrichting. Zo veel mogelijk wordt voorkomen wordt dat leidingen komen bloot te liggen. Indien dit niet mogelijk blijkt zullen de leidingen door fysieke barrières tegen beschadiging van buitenaf worden beveiligd. Om de kans op het vrijkomen van biogas zo klein mogelijk te houden dient een onderhoudsschema te worden nagekomen. Daar waar geen wettelijke referentie voor specifieke wetgeving voor biogas voorhanden is zullen de normen voor aardgasinstallaties (NEN-EN 15001-2:2008 nl. Gasinfrastructuur Gasinstallatieleidingen met bedrijfsdrukken groter dan 0,5 bar voor industriële en groter dan 5 bar voor industriële en niet-industriële gasinstallaties) worden aangehouden. Indien nodig kan de leverancier worden verzocht aan te tonen dat aan de gestelde normen is/wordt voldaan. Alle in de installatie gebruikte pijpleidingen en persluchtsystemen met een overdruk > 0,5 bar, inclusief aansluitstukken en bevestigingen voor flensen en dergelijke voldoen aan de Richtlijn Druksystemen (97/23/EG) en aan de Europese richtlijn Drukapparatuur PED. 7.2

Veiligheidsvoorzieningen De vergister is grotendeels gevuld met een vergistend substraatmengsel. Overdruk in de reactor kan optreden door: - afsluiting van de gas uitstroomopening uit de vergister naar het interne gasnet, en - sterke volume uitzetting van het vergistingsmengsel, door het uitblijven van de ontgassing van het substraat (versterkte gisting, langdurige uitval van het roerwerk). In beide gevallen zal de overdruk beveiliging in werking treden waardoor hetzij gas dan wel substraat kan ontwijken. Eventueel uitstromend substraatmengsel komt op de vloeistofkerende verharding terecht. Door de gasproductie zal er in de vergister een overdruk heersen, dat voorkomt dat lucht in de vergister kan komen. Ter voorkoming van het wegvallen van deze overdruk is de vergister uitgevoerd met een compressor waardoor te allen tijde een lichte overdruk in de vergister gegarandeerd blijft. Hierdoor kan er in de vergister geen explosief mengsel ontstaan.

7.3

Werking drukveiligheid (over-/onderdrukventiel) Het gasdak bestaat feitelijk uit 2 daken. Tussen het bovenste en het onderste dak wordt lucht geblazen met een blower en die lucht verlaat aan de tegenoverliggende zijde van de blower weer door een luchtuitlaatklep in het bovenste gasdak. Daardoor staat het bovenste dak altijd bol. Het onderste dak wordt omhoog gedrukt door het biogas.

19

Het over-/onderdrukventiel is een veiligheidsvoorziening om ontoelaatbare gasdruk en gasopslag in de silo te voorkomen. Het over-/ onderdrukventiel is standaard ingesteld op een overdruk van 3,5 mbar en een onderdruk van -0,5 mbar. Voor gasvolumestromen tot 1000 m3/h treedt binnen het ventiel een drukverlies van 1,0 mbar op. Als de druk van het biogas ca. 1,5 mbar (dat is slechts 0,0015 bar drukverschil) hoger is dan de druk tussen de 2 gasdaken (en die druk tussen de 2 daken is ongeveer hetzelfde als de druk van de buitenlucht, dus ca. 1 bar oftewel 1.000 mbar) dan gaat het onderste gasdak heel langzaam omhoog. Als er geen biogas of te weinig biogas zou worden onttrokken door de WKK en de gasopwerkingsinstallaties dan gaat het onderste dak helemaal omhoog. De vergister (oftewel het onderste gasdak) komt dan helemaal vol met biogas en de druk loopt op tot maximaal ca. 4,5-5 mbar. Op de gasdaken zit een mechanische over-en onderdrukbeveiliging met een waterslot. Deze overdrukbeveiliging is afgesteld op ca. 5 mbar. Als de druk meer wordt dan 5 mbar dan stroomt het biogas naar de fakkel. Mocht de fakkel onverhoopt niet beschikbaar zijn, dan wordt het biogas door het waterslot naar buiten gedrukt; de druk in de vergister kan daardoor nooit verder oplopen, omdat via het overdrukventiel 1.000 m3/h biogas kan wegstromen. Het toegepaste ventiel is namelijk berekend op max. 1.000 m3/h.

Mocht deze situatie zich ooit voordoen, dan wordt de voeding van de vergisters automatisch gestopt. Een overdruk van 5 mbar = 0,005 bar is een relatief erg lage druk. Het biogas stroomt indien dat mocht gebeuren langzaam door de mechanische overdrukbeveiliging naar de buitenlucht. Deze overdrukbeveilingen zitten helemaal bovenin de vergisters en het biogas wordt direct heel erg verdund met buitenlucht. De overdrukbeveiligingen (nogmaals: deze zitten op elke (na)vergister met gasdak) zijn aanzienlijk overgedimensioneerd (maximaal 1.000 m3/h per gasreservoir om het biogas gemakkelijk af te kunnen laten. Bij De Greef is het biogasopslagvolume in de 3 reservoirs in totaal ca. 3.162 m3. De biogasproduktie is momenteel (september 2023) maximaal 800 m3 / uur. Als de gasdaken leeg zijn dan duurt het dus zeker 4 uur alvorens het biogas door de overdrukbeveiligingen (op alle vergisters zitten deze beveiligingen) gaat. Bovendien staan alle biogasreservoirs in direct contact met elkaar d.m.v. een centrale biogastransportleiding. In alle reservoirs heerst exact dezelfde druk. Omdat de WKK en de gasopwerkingsinstallatie(s) in principe altijd draaien, zal er bij normaal bedrijf nooit biogas door de overdrukbeveiligingen ontsnappen, omdat de voeding van de vergisters zodanig geregeld is dat de gasdaken altijd tussen de 25 en 85% vol zitten. Elk uur worden de vergisters gevoed.

Als de gasdaken meer dan 85% vol zitten dan wordt er het 20

volgende uur maar de helft of indien boven de 90% gevuld dan helemaal niets gevoed. Dat gebeurt allemaal automatisch omdat er op alle gasdaken een gasdakhoogtemeter zit, die op de computer aangeeft hoe vol de gasdaken zitten. Als de gasdakvulling onder de 25% zakt, dan wordt er het volgende uur wat meer gevoed. Deze systematiek maakt het heel gemakkelijk om er voor te zorgen dat er geen biogas kan ontsnappen. Men wil uiteraard ook niet dat er biogas ontsnapt, ook vanwege financiële redenen. Bij onderhoud aan de WKK en één van de gasopwerkingsinstallaties wordt er van te voren voor gezorgd dat de gasdaken bij aanvang van de onderhoudswerkzaamheden leeg zijn. De onderhoudswerkzaamheden worden altijd zodanig gepland dat deze binnen 8 uur gereed zijn. Dit is ook van toepassing bij langdurige onderhoudswerkzaamheden (1x per jaar). In dat geval zorgt een beperkte voeding ervoor dat met of de WKK, of de gasopwerking voldoende capaciteit aanwezig blijft om alle geproduceerde biogas te verbranden cq. op te werken naar groengas. In de toekomst zal er een 2e gasopwerking bij De Greef worden gerealiseerd. De totale biogasproductie wordt dan mogelijk opgevoerd naar maximaal ca. 1.800 m3 / uur. Het totale biogasopslagvolume wordt ca. 3.162 m3. Als de gasdaken leeg zijn dan duurt het ca. 2-3 uur alvorens deze geheel gevuld zijn met biogas.

Bij onderhoudswerkzaamheden aan de WKK blijft het biogas naar de gasopwerking gaan en bij onderhoudswerkzaamheden aan de gasopwerking blijft het biogas naar de WKK gaan. Het biogas hoeft dan bij grote onderhoudswerkzaamheden niet meer via een fakkel te worden verbrand. 7.4

Toegepaste veiligheidsvoorzieningen Hieronder volgen in volgorde de volgende toegepaste veiligheidsvoorzieningen: a.

Overdrukbeveiliging

Een Bedieningshandleiding over- en onderdrukveiligheid (bio-)gasdak is als bijlage bijgevoegd. De gasdaken bij De Greef zijn voorzien van Flexxovalve 1000W van Flexxolutions GFS BV. uit Oldenzaal. Naast de mechanische over-en onderdrukbeveiliging zitten er op de vergisters ook nog druksensoren die een alarm geven als de druk oploopt boven een bepaalde waarde. Bij De Greef is dat 3,5 mbar. Op dat moment weet de bedrijfsleider dat de gasdaken vol zitten en dat hij moet opletten dat de voeding van de vergisters moet worden verminderd en daadwerkelijk tijdelijk op nul staat. De gasproduktie wordt dan snel minder (binnen enkele uren). Verder gaat een alarm als het gasdak 90% gevuld. Dan moet de automatische voeding worden gestopt. 21

Bij overdruk wordt in eerste instantie het biogas afgeblazen via het overdrukventiel en naar de gasfakkel. Het biogas wordt dan verbrand. Op elke vergister is tevens een mechanische over- en onderdruk beveiliging geplaatst (zie bijgevoegde foto hieronder). Een waterslot voorkomt dat hier onder normale omstandigheden biogas uit ontsnapt. Als de gasfakkel niet functioneert, dan gaat het biogas door de overdrukbeveiliging (het waterslot). De beheerder krijgt bij overdruk tevens een alarm. Bij schuimvorming krijgt de beheerder een alarm van de schuimdetectiemeter. Dat is normalerwijze al ruim voordat er overdruk ontstaat. De voeding wordt automatisch stopgezet en alle roerwerken in de vergister gaan aan. Dat is in de regel voldoende om de schuimvorming tegen te gaan. Ontstaat er toch overdruk, dan krijgt de beheerder nogmaals een alarmmelding dat de druk te hoog is. De overdruk kan ontwijken door inschakelen van de gasfakkel en/of de mechanische over- en onderdruk beveiliging. Mocht er sprake zijn van overmatige schuimvorming, dan wordt de WKK uitgezet en zal de beheerder de gasleidingen afsluiten om te voorkomen dat schuim in de gasleiding komt. De beheerder kan dan zonodig wat digestaat uit de vergister pompen, om de vulstand te verlagen en extra ruimte te creëren voor het schuim.

De beheerder heeft vervolgens nog de aanvullende mogelijkheid om druk af te laten door het openen van een handafsluiter bovenin het gasbereik van de vergister. Dat gebeurt praktisch bijna nooit, maar in eventuele situaties met veel schuimvorming kan hierdoor schade aan het gasdak worden voorkomen. b. Onderdrukbeveiliging Als er door omstandigheden veel minder biogas wordt geproduceerd, dan er wordt verwerkt (de WKK blijft bijvoorbeeld op vollast lopen) dan kan er onderdruk in de gasopslag ontstaan. Dat is een situatie die moet worden voorkomen, omdat dan het gasdak kan gaan scheuren. c. Gasdakhoogtemeting Als er veel meer biogas wordt onttrokken dan er wordt geproduceerd, dan zakt de hoogte van het gasdak. Als aanvullende veiligheidsvoorziening wordt de gasdakhoogte op alle vergistersilo’s continu gemeten. De gasdakhoogtemeters zitten aan de buitenkant van de vergisters (op elke vergister is een hoogtemeter aanwezig) en met het oog kan eenvoudig worden gezien hoe vol de vergisters met biogas zitten. Zoals hiervoor is aangegeven kan dit ook op de computer worden afgelezen. Als deze onder een bepaalde vooraf in te stellen waarde komt (bijv. onder 30% vulling) dan krijgt de beheerder een alarm en wordt het vermogen van de WKK (gasmotor) automatisch verminderd naar 50% van vollast. De WKK onttrekt dan 50% minder biogas.

Een 30% vulling van de biogasopslagruimten komt overeen met een gasdakhoogte van ongeveer 2 m. (binnenmembraan bij 2 reservoirs), resp. 3 m. (binnenmembraan bij het 3e reservoir). In dat geval krijgt de beheerder een alarm en onderneemt hij actie. Als de gasdakhoogte onder de 10% belandt, dan gaat de WKK automatisch uit. d.

Mechanische over- en onderdruk beveiliging

22

Mocht er om wat voor reden dan ook toch onderdruk ontstaan in een gasopslag op een vergister, dan wordt door het waterslot van de mechanische onderdruk beveiligingen buitenlucht aangezogen in de vergister, waardoor de onderdruk wordt tegengegaan. e. Onderdrukmeter De WKK is rechtstreeks verbonden met een drukmeter in het gasbereik van de vergisters, voor het meten van de actuele druk, en die bij de minste onderdruk de WKK-motor uitschakelt. Juist voordat deze in onderdruk zou komen, geeft deze via de computer al een signaal naar de WKK, waardoor de WKK wordt uitgeschakeld. f. Alarm naar beheerder De beheerder krijgt in alle bovengenoemde gevallen een alarmmelding. Hij kan dan zonodig ook handmatig maatregelen nemen, zoals bijvoorbeeld het vermogen van de WKK naar beneden toe bijstellen, meer gaan voeden, de WKK uitzetten of de handafsluiter bovenin de vergister een weinig open zetten. Daarnaast is de vergister voorzien van een schuimoverstort met een waterslot. Mocht een vergister onverhoopt toch gaan schuimen en de druk daardoor oplopen in de gasdaken tot meer dan ca. 5 mbar dan wordt het schuim automatisch door een dikke buis (30 cm doorsnede) afgelaten en kan de druk niet meer oplopen.

23

Foto: de mechanische overdruk- en onderdrukbeveiliging

8

Overige veiligheidsaspecten en maatregelen 1) In de computer- cq. besturingsruimte WKK alsmede in de WKK-opstellingsruimte zullen nog rookmelders worden aangebracht met een directe doormelding naar de bedrijfsleiding cq. beheerder van de vergistingsinstallatie. 2) De WKK-ruimte wordt ruimschoots geforceerd geventileerd (afzuigdebiet ten minste 2000 m3 met een ventilatievoud van ten minste 4 keer). De WKK-opstellingsruimte is van een gasmelder voorzien, fabricaat ExTox, type ET-4D2, met 3 alarmniveaus. Bij het bereiken van de signaleringswaarde van de LEL-waarde wordt een signaal naar de bedrijfsleider, cq. beheerder van de installatie, gezonden. De bedrijfsleider onderneemt terstond actie.

24

3) In de co-/mestvergistingsinstallatie en in de werkplaats zijn 6 schuim- en koolzuursneeuwblussers aanwezig. De brandblussers zullen jaarlijks worden gecontroleerd door een REOB erkend bedrijf. Naast de brandblussers zijn noodstopknoppen geplaatst. Ter plaatse van het gasleidingentracé en de noodkoelers zijn 2 noodstopknoppen geplaatst. Daarnaast zijn inpandig naast de droogruimte en in de WKK-ruimte zijn 2 noodstopknoppen aangebracht. 4) In de besturingsruimte van de biogasreinigingsinstallatie (wasstraat) is een H2Ssensor geplaatst die bij het bereiken van de signaleringswaarde van de H2Sdrempelwaarde een signaal zendt naar de bedrijfsleider, cq. beheerder van de installatie. De bedrijfsleider onderneemt terstond actie. 5) In de nabije omgeving is een brandhydrant aanwezig, waardoor de brandweer direct over voldoende bluswater (60-90 m3/uur) kan beschikken, mocht dit nodig zijn bij een calamiteit. 6) Als voldaan wordt aan alle gestelde veiligheidsnormen mag het hele gebied rond de vergistinginstallatie als ongevaarlijk gebied worden gezien. De vergisters zijn volledig gesloten systemen. Gedurende het in bedrijf zijn van de vergister zal er geen brandbare stof vrij komen. Het vrijkomen van brandbare stof is ook niet waarschijnlijk en zal indien toch aanwezig slechts zelden en gedurende korte tijd bestaan .

De afblaasleidingen van de over- en onderdrukbeveiligingen moeten ten minste 5 meter van gebouwen zijn verwijderd. 7) De vergistersilo’s zijn niet voorzien van een aparte bliksemafleider. Het is onwenselijk een bliksembeveiliging rechtstreeks te bevestigen aan de mestvergistingsinstallatie en/of de gasopslag vanwege het toenemende brandgevaar bij blikseminslag. De vergistersilo’s bevatten geen uitstekende metalen onderdelen, waardoor de bliksem niet wordt aangetrokken. Bovenstaande situatie is al jaren bestaand en verandert niet in het kader van deze aanvraag. 8) Er zijn meerdere toegangsroutes tot het terrein van de biogasinstallatie met ontsluiting op de Voskuilerdijk, resp. de Breehoef. G. Haandrikman 6 januari 2025

25

Bijlage 1

Milieutekening project 2078 wijz. 2125

26

5.500

wintergarten

ep.

ventilatiekoker Ø 920mm

100

9500+

8264+

renvooi

geisoleerd sw-paneel

6387+ golfplaten p

ventilatiegordijn

4500+

14

7

spoelwaterput 15 m3

3500+

3000+

5

2100+

ventilatieopening

0+

pluimveestal

golfplaten

5250+

p

6

2500+

0+

wintergarten

0+

wintergarten 1750

3000

1750

3000

1750

3000

1750

3000

1750

spoelwaterput 10m3

14

p

p

doorsnede a-a

doorsnede b-b

doorsnede c-c

mestopslagloods

opslag/ paardenstal

pluimveestal

folie dubbel membraams gasdak

12000+

12000+

betonwand

14

betonwand

6000+

p

6000+ houten kolom

p

houten kolom

8

vergister-1

p

0+

2100-

wintergarten

14

9

vergister-2

0+

wintergarten

folie dubbel membraams gasdak

nr.

renvooi

1

motor eierband

4x

0,35 kW

2

motor uitdrijfsysteem

3x

0,35 kW

3

motor eiertransportband

1x

0,75 kW

4

motor mestband

3x

0,75 kW

5

vervallen

6

motor mestband

6x

1,75 kW

7

eierinpakmachine

1x

1,5 kW

8

voersysteem

3x

0,75 kW

9

waterbron

1x

1,0 kW

10

warmtewisselaar

1x

3,5 kW

11

koelinstallatie eieropslag

1x

1,0 kW

12

vervallen

13

vervallen

4x

14

ventilator Ø 92cm

14x 1,4 kW

15

vervallen

16

kadaverkoeling

17

vervallen

18

ventilator Ø 70cm P6

1x

1,0 kW

vijzel

2x

0,5 kW

19

compressor

1x

2,5 kW

20

electrisch handgereedschap

1x

5,0 kW

21

noodstroomaggregaat (zelfs., diesel)

1x

100 kW

poederblusser

aanvoer voeder

B-02

afvoer eieren

B-03

aanvoer pluimvee

B-04

afvoer mest

4x

voersilo (+ vijzel)

2100-

p

doorsnede d-d

doorsnede e-e

vergister -1

vergister -2

folie dubbel membraams gasdak

12000+

....

RENVOOI VERGISTINGSINSTALLATIE ZIE BIJLAGEN BIOGASPLUS / ENGIE RGE

R-...

AGMAT/KUMAC RENVOOI MESTVERWERKING ZIE BIJLAGE VP HOBE

18.

8000+ betonwand

6000+ p

6

12

huisvesting

RAV-code

bedrijfswoning

beton

metselwerk

pannen

-

-

-

deel

beton

metselwerk

pannen

-

-

-

garage/ berging-opslag

beton

metselwerk

golfplaten

-

-

-

loods

beton

metselwerk damwand

geisoleerd sw-paneel

-

-

-

pluimveestal

beton

metselwerk

golfplaten

10 m2

2 paarden

K1

pluimveestal

beton

metselwerk

golfplaten

2 m2

42.000 leghennen

E 2.11.1

mestopslagloods

beton

golfplaten

golfplaten

-

vergister -1

beton

beton

folie

-

-

-

vergister -2

beton

beton

folie

-

-

-

tussenruimte

beton

damwand

bitumen

-

-

-

drooginstallatie

beton

kunststof

kunststof

-

-

-

vergister -3

beton

beton

folie

-

-

-

-

-

-

centrale biogasreinigingsinstallatie 2e gasopwaarderingsinstallatie

beton

metselwerk damwand

geisoleerd sw-paneel

-

-

-

CO2 afvang en vervloeiingsinstallatie

beton

metselwerk damwand

geisoleerd sw-paneel

-

-

-

eindopslag RENURE (vlb. dunne digestaatfractie kunstmestvervanger)

beton

beton

kunststof spankap

-

-

-

loods

beton

metselwerk damwand

geisoleerd sw-paneel

-

-

-

16

opslagtank eindproduct Renure 0+

2100-

2100-

doorsnede f-f

42.000 leghennen - E 2.11.1

doorsnede g-g

vergister -3

c

putinh.

houten kolom

0+

p

pluimveestal

dak

betonwand

houten kolom

vergister-3

p

wanden

6000+

p

14

14 ton

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16.

vloer

17.

spankap

14

0,25 kW 6 kg.

B-01

V1

1,1 kW

6x

onderdeel

eindopslag 9.125+

c 131.230

14

1.557,67 m2

p

drukkamer wortelhout

luchtwasser vulpakket

2500+

11

p

luchtwasser vulpakket betonwand

0+

NA

0+

erfverharding

18

4500+

Ep 3810+

3994+

0+

TTE

vloeistofkerende vloer

14

doorsnede j-j

drooginstallatie

biobed

loods t.b.v. verwerking digestaat

ATE (A-W

spoelwaterput 10 m3

doorsnede i-i

OT

p

SLO

GAT

p

doorsnede h-h p

RGA

14

NG )

p p

p

14

b

b p p

p

14

5.500

76.600

5 opslag

opslag

p

20.750

84.900

uitloopweide

100

100

14

p

5.500

100

p

propaantank 5 m3 inhoud op verharding

j wintergarten

wintergarten

> 5m Leiding 125mm

Nr. 24 Flotatie-Unit

Leiding 125mm

Leiding 250mm

Leiding 125mm

Naar luchtwass

er

Vulkasten

perceelsgrens 2500

erfverharding

14

2549

7

p

Nood-douche

35

p

p

keerwand hoogte

40.000

51

5.000

Naar luchtwass

Zeefbandpers

er

container t.b.v. 7000 mestopslag

53

Keerwand

Nr

.2

ondergrondse leiding naar sloot met uitstroompunt

6

6

sleufsilo 14

¤

Osmose 1

nieuwe bouwvlak grens douche

Opslag dikke

fractie Ëxportwa

51

ardig"

entree

gazijn werkplaats/ma

garderobe

GRENS INRICHTING Nood-douche

j

** uitloop weide **

49

** uitloop weide **

** uitloop weide **

38.040

sloot

schroefvijzel invoersysteem lava bedreactor Ø 3m hoogte 5m

36

36

nieuwe bouwvlak grens

ondergrondse

leiding

B-02

5.600 K 1.100 1 paard

K 1.100 1 paard

20.950

5.600

21

15.500

5.400

37

46

elektraruimte

gasopwerkingsruimte

9

22

f

11.000

15

e

e

8.050 7.000

31.760

7.000

15

3

garage

- Gemeente - sectie: - perceel nr.: - schaal:

g

luchtwasser

opslagtank eindproduct Renure

SITUATIE

8.143 m3

drukkamer

diameter: Ø36m hoogte: 8 m

42 42 42 42

diameter: Ø25m hoogte: 8 m

erfverharding

opstelruimte containers

loods erfverharding

45

48

kantoor

CO2 opslagtank

27

kantine

silo t.b.v. drijfmest Co-substraat inhoud: 100 m3 diameter: 3,5 m

26

27

silo t.b.v. drijfmest Co-substraat inhoud: 100 m3 diameter: 3,5 m

27

silo t.b.v. Co-substraat inhoud: 100 m3 diameter: 3,5 m

48

48

43 44

44

44 Holevoetplein 301 Postbus 2 3925 ZG Scherpenzeel 033 30 31 060 info@landborg.nl www.landborg.nl

27

silo t.b.v. Co-substraat inhoud: 100 m3 diameter: 3,5 m

silo t.b.v. drijfmest Co-substraat inhoud: 100 m3 diameter: 3,5 m

perceelsgrens

silo t.b.v. Co-substraat inhoud: 100 m3 diameter: 3,5 m

silo t.b.v. Co-substraat inhoud: 100 m3 diameter: 3,5 m

spuiwatertank inhoud: 100 m3 diameter: 3,5 m

project

schaal

REVISIEVERGUNNING

1 : 200

AGRARISCH BEDRIJF "SNIDDELAAR"

getekend

VOSKUILERDIJK 26 TE WOUDENBERG

Bio2net

weeg- 25 brug

12.400

15.942

1181 1 : 3500

39

41 38

WOUDENBERG A

diameter: Ø28m hoogte: 8 m

4 werktuigenstalling

g

4.926 m3

52

6.000

berging/ opslag

f

vergister-3

vergister-2

P12 erfverharding

40

WKK-ruimte 20

Kadastraal bekend:

h

h

19

16

41

21

hal

25.600

39

40

emissiepunt (vert. projectie)

14

erfverharding

luchtwasser

drooginstallatie

12

kantine

wc

11

perceelsgrens

23

52

wc bijkeuken

47

29

drukkamer

bedrijfswoning

warmtepompen

emissiepunt (vert. projectie)

Ø900

P6

10.000

Ø900

2

berg. douche

24

47

VDT

fakkel

55

15.045

kantoor

1

trafo

10

erfverharding

47

Ø900

25.600

CO2 koeler (optioneel) 24

5.500

10.100 9.060

12.000

tussenruimte

13

56 6.100

erfverharding

bio-bed Ø900

6.410

carport

i

i

10.000

opslag

11.000

Osmose 2

er

11

P6

Heftruck

sleufsilo

lava bedreactor Ø 3m hoogte 5m

9

6.000

Naar luchtwass

weegbrug

kantine

52

14.000

met hydrolyse-ring diameter: Ø25m hoogte: 8 m

eierenopslag

fractie

wc

vergister-1

9.936

veranda

Container dikke

d

15.000

7

15.000

31

18

1

inpakruimte

8.300

Keukenblok

ogte keerwand ho

8

3

18

er

kantoor

Verdeelwagen

6

6

p

Naar luchtwass

nieuwe bouwvlak grens

voorraad kast

p

GRENS INRICHTING

ringskasten

perceelsgrens

p

25.000

p

51

Afvoergoot

1911

Ruimte bestu

r Ionenwisselaa

B-04

3x afzuigpunt 3 5000 m / uur totaal

er

25.250

¤

Naar luchtwass

25.325

C N GvI

datum

in opdracht van: J. de Greef

O C

T P E formaat 1500x1111

18 december 2024

gewijzigd

2 januari 2025 G. Haandrikman

onderdeel

projectnummer

MILIEUTEKENING

2708-M01

Bijlage 2

Renvooilijst 1094 De Greef (aangevraagde situatie)_v3

27

Renvooilijst Projectnummer Documentnr. Datum: Revisie: Nr. Omschrijving

1 Bedrijfswoning ( (privé)) 2 Kantoor en kantine (privé) 3 Berging / opslagruimte (privé) 4 Loods met kantoor en kantine (bestaand) 5 Opslag materieel en paardenstal (2 paarden > 3jr) Pluimveestal, incl. 2 x wintergarten en inpakruimte en 6 eierenopslag 7 Opslagloods pluimveemest

t.b.v. de onderdelen van de biovergister 1094 Mts. De Greef Agro Energy BV. RL00 28-12-2024 3 Afmetingen Oppervlakte Hoogte Diepte D=diameter t.o.v. t.o.v. maaiveld maaiveld

31,5x25m

787,5m²

32,15x146,23m 4.701,3m2 6,5x8m

52m

2

3,5/8,1m

0,8m

8,25m

0m

6,7m

0m

Totale wandhoogte

Inhoud/ capaciteit

4,3/8,9m

4.567m³

2,5m 3,5m

8 Vergister-1 (bestaand)

Ø 25x8m

490m²

5,9m

2,1m

8m

9 Vergister-2 (bestaand) Gebouw vergisters + tussengebouw + hydrolysering 10 (bestaand) 11 Gebouw drooginstallatie + luchtwasser (bestaand)

Ø 25x8m

490m²

5,9m

2,1m

8m

4,65m 4m

1,1m 0m

5,75m

11x30m

153m² 330m²

12 Vergister-3 (nieuw) Centrale biogasreinigingsinstallatie (bestaand en 13 uitbreiding capaciteit) 14 Gasopwerkingsinstallatie 2 (nieuw) 15 CO2-afvang- en CO2-vervloeiingsinstallatie

Ø 28x8m

615m² 65 m2

5,9m

2,1m

3.925m3; opslag biogas 987m3 3.925m3; opslag biogas 987m3

1.320m³ 8m

4.925m3; opslag 3 biogas 1.188m

16 Opslagsilo eindproduct RENURE Ø 36x8m Vervallen opslagplaats dikke digestaatfractie en toploader (wordt ingeruimd voor 3 co-substraatsilo's zie 17 nr. 48) Meng-/hydrolysering(tank) (29m = buitendiameter) 18 (bestaand) Ø 25-29x3,2m 19 Gasopwerkingsruimte 1 (bestaand) 5x11m 20 WKK-ruimte (bestaand) 6x11m 21 Elektra-ruimte (bestaand) 2,5x24,4m 22 WKK (bestaand) 1,5x4,8m 23 Trafo (bestaand) 3,0x2,5m 24 Noodkoelers (bestaand) 25 Weegbrug (bestaand) 18,4x3,38m 26 Bio2net (bestaand gebouw) 1,6x2,2m Co-substraat (2stuks) en drijfmest (2 stuks) Ø 3,5m 27 vooropslagsilo's (bestaand) 28 Vervallen 2 pasteurisatietanks 29 VacuümDrukTank (bestaand) 30 Shovel/verreiker (bestaand) 31 Sleufsilo's (bestaand en deels nieuw) 32 Vervallen schroefpersfilter (digestaatscheider) 33 Vervallen container schroefpersfilter (bestaand) 34 Vervallen toploader (bestaand) Transportband dikke digestaatfractie naar droger 35 (bestaand)

1.017,5m2

36 Lavareactoren (bestaand) 37 Biobed (bestaand) 38 Droger (bestaand) 39 Luchtwasser (bestaand) 40 Drukkamer (bestaand)

9,5m 40m²

86,1m²

Ø 3,5m 4,65x8,6m

3,0x28,7m

5,9m

2,1m

8m

8.143m3

2,1m 0m 0m 0m

3,3m 3m 3m 3m

544m3

55m² 66m² 61m² 7,2m² 7,5m²

1,2m n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. 1,9m

62m² 3,5m²

0m 2,25m

1m 0m

1m

62m³

9,6m²

10,7m

0m

10,6m

100m³

2,5m

0m

4,85m 2,5m

46m 100m³

n.v.t. n.v.t.

0m 0m

120m2 170m2

0,2m

1.060m2

2

3

41 Technische ruimte (besturing) (bestaand) 42 Zuuropslagruimte (bestaand) 43 Spuiwatertank (bestaand) 44 Containerbakken gedroogd product (bestaand) 45 Opslagtank vloeibare CO2 incl. laadunit (nieuw) 46 Fakkelinstallatie (nieuw) 47 Warmtepompen (nieuw) Vooropslag silo's co-substaat (2 stuks) en drijfmest (1 48 stuks) (nieuw)

Ø 3,5m

9,0m² 3,6m² 9,6m²

n.v.t. n.v.t. 10,7m 2m

Ø 2,75m

8 x 2,5m 13,5m 2m

0m 0m 0m

10,6m

40m3 80m3

2

1,25m

Ø 3,5m

9,6m²

49 Schroefvijzel invoersysteem van vaste producten (nieuw) 1,5 x4m 50 Reserve Afzuigpunten ruimte zeefbandpers, vijzel en 51 opslagruimte dikke fractie (nieuw)

6 m2

3m

52 Walking floor (= schuifvloer) systeem / toploader (nieuw) 53 Invoedpunt schoon, loosbaar water op sloot (nieuw) 54 Propaangastank (nieuw) Ø 1,5m

200 m2

4m

55 Gasolietank (nieuw) Ø 1,25m Noodkoelers (optioneel t.b.v. CO2-noodkoeling) (nieuw) 56

100m³

10,7m

0m

10,6m

100m³

5m3 2,5m3

Materiaal cq. Uitvoering

Kleurstelling

Bijzonderheden

m.werk en staal

diverse

metselwerk en groene damwanden voormalige pluimveeschuur

beton, metselwerk donkergrijs en golfplaten

41.880 leghennen

beton en golfplaten donkergrijs

in container

Beton

antraciet

membraan wit; H=6m1

Beton

antraciet

membraan wit; H=6m

damwand beton

antraciet grijs

deuren en kozijnen wit kunststof wanden en daken

Beton

antraciet

membraan wit; H=6m1

1

verwerkingscap. max. 1.665 m3 biogas/uur gebouw inpandig 650 - 850 m3 groengas/uur gebouw inpandig

beton

antraciet

spankap grijs; H=2m1; vervangt het omdijkte foliebassin mest/digestaat met opp. van 1.369 m2

vervalt beton n.v.t. n.v.t. n.v.t.

grijs capaciteit 250 m3 groengas/uur

vermogen 1 MWel. beton

Grijs t.b.v. gasopwaarderingsinstallaties

beton staal

Grijs antraciet

polyester

beige

4 stuks vervalt mobiel 1.060 m2 (totale opp. 3 sleufsilo's) vervalt vervalt vervalt

beton

zwart lichtgrijs

overkapt, gesloten 2 stuks op gewicht 2x (max. 50.000 m3 lucht per wasser) 2 stuks

2 IBC containers (zwavelzuur) stikstofhoudende meststof 3 stuks; afdekking met stevig kunststof zeil en voorzien van doekenfilters 80 m3 inhoud

Polyester

grijs

metaal

cap. 900 Nm3/uur; veiligheidszone d=10m. licht beige/grijs max. 3 stuks

polyester

beige

3 stuks

metaal

lichtgrijs

vervangt invoer via invoerluik in hydrolyse 3 afzuigpunten met een totaal afzuigdebiet van 5.000 m3/uur inpandig

metaal

lichtgroen

metaal

donkerblauw

bestemd als brandstof voor IR-branders dubbelwandige stalen tank, bovengronds PE omhulling met opvangbak t.b.v. CO2-noodkoeling

Bijlage 3

Tekening E.V. risicocontouren PR=10-6/jaar

28

Bijlage 4 Inhoud (variabel) Domers De Greef Woudenberg_berekening 20231219

29

Volgens opgaaf van Flexxolutions GFS Oldenzaal Groen invullen Buiten diameter Dikte silowand Binnen diameter Hoogte membraan buiten Hoogte membraan binnen Systeem maat Totale inhoud Inhoud bandenconstructie Variabele inhoud hellingshoek hoogte boven de wand Groen invullen Buiten diameter Dikte silowand Binnen diameter Hoogte membraan buiten Hoogte membraan binnen Systeem maat Totale inhoud Inhoud bandenconstructie Variabele inhoud hellingshoek hoogte boven de wand

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/4263/documents/72919