08 b bijlage 9 Voskuilerdijk 26_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 9 Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
Quickscan natuur Voskuilerdijk 26 te Woudenberg
Opdrachtgever
Teus’Advies Ambon 10 3772 ZV Barneveld
Contactpersoon
Dave Anbeek dave@teusadvies.nl
Uitvoering
Groenewold Adviesbureau voor Milieu & Natuur Dossiernummer 2023-145 Versie Okt.23-v1 Behandeld door Lex Groenewold Datum 16 oktober 2023
Dokter Holtropstraat 97 • 3851 JH • Ermelo• Tel.: 06-533 616 75 Website: www.groenewoldmilieu.nl • e-mail: info@groenewoldmilieu.nl KvK: 08178662 • BTW: NL001508693B90• Bank: NL26 INGB 0673 0025 27
Inhoudsopgave 1 2 3 4
Aanleiding en doel ........................................................................................................ 3 Beschrijving situatie ...................................................................................................... 3 Relevante wetgeving .................................................................................................... 4 Aanpak Natuurtoets ...................................................................................................... 4 4.1 Gewenste ontwikkeling .......................................................................................... 4 4.2 Bronnenonderzoek ................................................................................................ 5 4.3 Locatiebezoek ....................................................................................................... 5 5 Effecten plan/activiteiten op Flora en Fauna ................................................................. 5 5.1 Vaatplanten ........................................................................................................... 5 5.2 Amfibieën en reptielen ........................................................................................... 6 5.3 Vlinders en libellen.................................................................................................
6 5.4 Zoogdieren ............................................................................................................ 6 5.4.1 Vleermuizen ................................................................................................... 6 5.5 Vogels ................................................................................................................... 6 5.5.1 Vogels algemeen ............................................................................................ 7 5.6 Overige soorten ..................................................................................................... 8 6 Gebiedsbescherming .................................................................................................... 8 6.1 Natura 2000 ........................................................................................................... 8 6.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Groene Contour (GC) ................................... 9 7 Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................... 9 7.1 Algemeen .............................................................................................................. 9 7.2 Beschermde soorten..............................................................................................
9 7.3 Gebiedsbescherming ........................................................................................... 10 7.4 Natuurnetwerk Nederland / Groene Contour ........................................................ 10 7.5 Voorbehoud en zorgplicht .................................................................................... 10 7.6 Ecologische kansen / natuurinclusief bouwen ...................................................... 11 8 Advies ......................................................................................................................... 12 9 Literatuur: ................................................................................................................... 13 Bijlagen .............................................................................................................................. 13
Bijlagen 1. Overzicht situatie 2. Foto’s plangebied 3. Samenvatting natuurwetgeving 4. Voorbeeld voorzieningen
FF Voskuilerdijk 26 Okt.23-v1
2
Versie: 16 oktober 2023
1 Aanleiding en doel Initiatiefnemer heeft het voornemen op het perceel van de Voskuilerdijk 26 te Woudenberg, een kippenstal te vergroten, een nieuwe vergister bij te plaatsen en de na-opslag te vervangen. Ter onderbouwing van de aanvraag is onder meer een natuurtoets nodig om de eventuele gevolgen voor de flora en fauna in beeld te brengen. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur is gevraagd hiervoor een quickscan uit te voeren.
2 Beschrijving situatie Een overzicht van de situatie is weergegeven op de figuren in de bijlage en hieronder. Het betreft een boerderij met twee pluimveeschuren en een mestvergistingsinstallatie, aan de Voskuilerdijk ten noordwesten in het buitengebied van Woudenberg. Plan is over te schakelen op meer biologische kippen. Daarvoor is meer ruimte nodig in de stallen. Plan is daarom de kippenschuren te verlengen in oostelijke richting. In de huidige situatie zijn twee mestbassins aanwezig. Plan is om er één bij te plaatsen. Ook de na-opslag vanuit de vergister wordt vernieuwd en verbeterd. Voor het plan heeft de gemeente een quickscan natuur gevraagd. Uit de quickscan moet blijken of er beschermde soorten of verblijfplaatsen in het geding zijn.
FF Voskuilerdijk 26 Okt.23-v1
3
Versie: 16 oktober 2023
3 Relevante wetgeving De natuur in Nederland is beschermd. Er zijn beschermde gebieden en beschermde soorten. De bescherming is per 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). De provincie is in de meeste gevallen bevoegd gezag voor ontheffingen en vergunningaanvragen. Voor wat betreft de Europees beschermde gebieden en daarin levende soorten sluit de Wet hierop aan (Habitat- en Vogelrichtlijn en Verdrag van Bern en Bonn). Dit omvat ook de bescherming van de Natura 2000-gebieden. Ook de soortbescherming sluit aan bij de Europese regelgeving. Alle in het wild voorkomende vogels zijn beschermd (art. 3.1 Wnb, conform Vogelrichtlijn). Verder alle soorten uit de Habitatrichtlijn (strikt beschermde soorten, art. 3.5 Wnb). Tot slot is er nog een nationale lijst met ‘Andere soorten’. Deze nationaal beschermde soorten (art. 3.10 Wnb, 1e lid) zijn aangewezen in de Bijlage bij de Wnb. Onderdeel A betreft een verbod op het opzettelijk doden of vangen van de genoemde in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers. Onderdeel B verbiedt het opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van de genoemde vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. In het voorliggende onderzoek worden de consequenties in beeld gebracht van de beoogde plannen en vindt toetsing plaats.
Als door het treffen van maatregelen tijdens de werkzaamheden en na de realisatie van het project, wordt voorkomen dat er verbodsbepalingen uit de Wnb worden overtreden én de functionaliteit van beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen komt niet in het geding, is er geen ontheffing nodig. In sommige gevallen is het noodzakelijk of raadzaam om vooraf een ontheffing aan te vragen bij de Provincie. Ook kan het zijn dat voor een aantal van de geplande activiteiten vrijstelling geldt. Dit kan per provincie enigszins verschillen. Als het plan invloed heeft op Natura 2000-gebied of gelegen is in het Natuurnetwerk Nederland moet dit inzichtelijk worden gemaakt en is mogelijk een vergunning noodzakelijk. Ook hiervoor is de provincie het bevoegd gezag. Een samenvatting van de natuurwetgeving is weergegeven in Bijlage 3.
4 Aanpak Natuurtoets De voorliggende quickscan is gebaseerd op een locatiebezoek, beschikbare gebiedskennis, verspreidingsgegevens en bekende ecologische principes. Hieruit moet blijken of en zo ja welke beschermde soorten in het plangebied voorkomen of kunnen voorkomen (hoofdstuk 4). Verder is gekeken of de voorgenomen activiteiten invloed hebben op beschermde gebieden (hoofdstuk 5). Als er effecten mogelijk zijn zal kort worden ingegaan op mogelijke mitigerende (verzachtende of inpassings-) en compenserende maatregelen. Ook op basis van de algemene zorgplicht kan het nodig zijn maatregelen te treffen.
4.1
Gewenste ontwikkeling
Het plan omvat sloop van de oostgevels van de stallen en verlenging daarvan met ca. 40m in oostelijke richting. De bouw van een extra vergister, ten zuiden van de bestaande vergisters. Vervangen van de na-opslag door een opslagbassin. Deze activiteiten vallen onder de definitie van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling op basis van de Wet natuurbescherming.
FF Voskuilerdijk 26 Okt.23-v1
4
Versie: 16 oktober 2023
De effecten op beschermde soorten zijn beoordeeld op basis van de diverse uit te voeren activiteiten. Uitgangspunten hiervoor zijn: - het slopen van de oostgevels van de stallen - het verlengen van de beide pluimveestallen met ca. 40m - het realiseren van een extra mestvergistingstank - het realiseren van een na-opslag tank op de plek van de bestaande opslag.
4.2
Bronnenonderzoek
Het plan ligt in kilometerhok x:160/y:456. Om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen is gebruik gemaakt van openbaar toegankelijke en betrouwbare bronnen, zoals verspreidingsatlassen, rapporten, recente artikelen en internetsites (zie literatuurlijst). Met deze gegevens in combinatie met een locatiebezoek en ecologische kennis kan een goede inschatting worden verkregen van de locatie en het belang daarvan voor verschillende soorten.
4.3
Locatiebezoek
Tijdens een locatiebezoek op 7 september 2023 is het gebied en de directe omgeving opgenomen. Het bezoek levert informatie over de op dat moment aanwezige soorten. Een quickscan is geen volledige inventarisatie. Om toch een goed beeld te krijgen van te verwachten soorten is een locatiebezoek bij de quickscan wel van groot belang. Samen met beschikbare literatuurgegevens is dan een inschatting te maken van de geschiktheid van het plangebied voor mogelijk hier voorkomende beschermde soorten. De resultaten zijn weergegeven in de hoofdstukken per soortgroep.
5 Effecten plan/activiteiten op Flora en Fauna Dit hoofdstuk gaat in op de vraag of er beschermde soorten voorkomen in of om het plangebied. Hierbij zijn de meest voorkomende soortgroepen apart benoemd.
5.1
Vaatplanten
Het plangebied ligt midden in agrarisch gebied, in hoofdzaak bestaand uit bemeste weilanden. Op ca. 150m ten noorden van het plangebied ligt een bosstrook langs de Voskuilerdijk. Op ca. 300m ten zuiden en ruim 450m ten zuidoosten van het plangebied ligt ook een aantal bosgebiedjes. De locatie waar de uitbreiding van de stallen is gepland bestaat uit verharding en bemest weiland. De locatie van de nieuwe vergister bestaat uit erfverharding. De bestaande na-opslag bestaat uit een omhullende grondwal met een groot afdekzeil. De grondwal en omliggende gronden bestaat uit grasland met kruiden (foto). Er zijn geen beschermde soorten aangetroffen of te verwachten. Er is bij verdere realisatie van de plannen geen sprake van overtreding van art. 3.5 of 3.10 Wnb. Het aanvragen van een ontheffing is voor de nog aanwezige flora niet nodig.
FF Voskuilerdijk 26 Okt.23-v1
5
Versie: 16 oktober 2023
5.2
Amfibieën en reptielen
Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën of reptielen aangetroffen. Wegens het ontbreken van geschikt oppervlaktewater is het plangebied geen biotoop voor deze diergroepen. Het terrein is geen typisch leefgebied voor reptielen. Een ontheffing op basis van art. 3.5 of 3.10 van de Wnb is voor deze soortgroepen vooralsnog niet nodig.
5.3
Vlinders en libellen
Tijdens het veldbezoek zijn alleen dagpauwoog en een koolwitje gezien. Het plangebied is geen biotoop voor beschermde soorten. Een ontheffing op basis van art. 3.5 of 3.10 van de Wnb is voor deze soortgroepen niet nodig.
5.4
Zoogdieren
Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde soorten aangetroffen. In de wijdere omgeving zijn waarnemingen bekend van das, boommarter en eekhoorn. De bestaande situatie voorziet niet in kap van bomen. De kippenschuur is vanwege de kans op vogelgriep goed afgesloten voor vogels en daarmee ook voor eventuele marters. Er verdwijnen met zekerheid geen vaste verblijfplaatsen van grotere zoogdieren. Bij de planrealisatie kan een klein aantal verblijfplaatsen van de algemene en laag beschermde kleine zoogdieren verloren gaan. Het aanvragen van een ontheffing is voor deze soorten hier echter niet nodig, omdat hiervoor behoudens de algemene zorgplicht, vrijstelling geldt conform de Interim Omgevingsverordening. 5.4.1 Vleermuizen Volgens de literatuurgegevens komen in de wijdere omgeving van het plangebied diverse soorten vleermuizen voor, zoals de gewone en ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis en de laatvlieger. Deze soorten zijn strikt beschermd onder de Wet natuurbescherming, op basis van Bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Zowel de zomer- als winterkolonies, als paarplaatsen en kraamkamers zijn beschermd tegen verstoring en vernietiging. Ook belangrijke foerageerroutes zijn beschermd. Op basis van de literatuurgegevens en de waarnemingen ter plaatse zijn geen (potentiële) verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen of te verwachten.
Er verdwijnen geen bomen en de te slopen kopgevels van de stallen zijn niet geschikt voor vleermuizen. Ook het dakvlak van de stallen is niet toegankelijk voor vleermuizen. Bomen zijn niet aanwezig. Er vindt geen aantasting plaats van verblijfplaatsen, (potentieel) onmisbare vliegroutes en foerageergebied. Er is als gevolg van de beoogde ingrepen geen schade te verwachten op vleermuizen. Het aanvragen van een ontheffing op basis van de Wnb is voor zoogdieren niet nodig.
5.5
Vogels
Op basis van waarnemingen tijdens het veldbezoek, de terreingesteldheid, waarnemingen uit de directe omgeving, bekende verspreidingsgegevens en ervaring is een inschatting gemaakt over mogelijk aanwezige soorten in het gebied. Er is geen broedvogelinventarisatie uitgevoerd. Tijdens het bezoek zijn de volgende vogels rond het gebied gehoord en/of gezien: koolmees, merel, witte kwikstaart en zwarte kraai.
FF Voskuilerdijk 26 Okt.23-v1
6
Versie: 16 oktober 2023
Er is specifiek gelet op de aanwezigheid van nesten en/of roestplaatsen van uilen en/of huismussen. Deze zijn niet aangetroffen en ook niet te verwachten. De stallen zijn ivm de vogelgriep goed afgesloten voor wilde vogels. Onder de overstek van de pluimveeschuur zijn diverse nesten aanwezig van de boerenzwaluw (foto). Nestplaatsen van de boerenzwaluw vallen onder categorie 5 van jaarrond beschermde nesten. Dat zijn nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Indien dit het geval is, is een omgevingscheck benodigd. In dit geval kunnen de boerenzwaluwen na realisatie van de uitbouw weer onder de nok van de oostgevel broeden. Het is dus vooral van belang dat buiten het broedseizoen wordt begonnen met de uitbouw. Bij voorkeur is deze gerealiseerd voordat het nieuwe broedseizoen begint. Dan is er voor de zwaluwen geen enkele belemmering. Ook zijn er voldoende omliggende gebouwen waarheen de vogels (tijdelijk) kunnen uitwijken.
Aan de oostzijde van de stallen is nog een kapschuur aanwezig voor het opvangen van de mest. In de kapschuur zijn geen poepsporen of braakballen gezien die wijzen op een verblijfplaats van bijv. een kerkuil. De locatie voor de geplande vergister bestaat uit kale erfverharding. De wallen van de naopvang bestaan uit gras en kruiden. Hier kan in het voorjaar een enkele grondbroeder nestelen. Alle broedende vogels zijn beschermd totdat de jonge vogels zijn uitgevlogen. Het advies is dan ook om de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten. Er zijn verder geen andere beschermde soorten in het plangebied aangetroffen of te verwachten. Gezien de situatie zal verdere realisatie van het plan geen negatief effect hebben op broedvogels. 5.5.1 Vogels algemeen In het algemeen geldt dat ingrepen in een plangebied tijdens het broedseizoen (15 maart – 15 juli - huismus 15 augustus) sterke negatieve effecten hebben op de meeste vogelsoorten door vernietiging van broedplaatsen en verstoring van de reproductie. Wettelijk gezien is dat verboden (art. 3.1 Wnb). Verstoring van broedvogels is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op de populatie (art. 3.1 lid 5). Het beschadigen of vernietigen van nesten is wel verboden en dient te allen tijde te worden voorkomen.
Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nesten van broedvogels zal plaatsvinden.
FF Voskuilerdijk 26 Okt.23-v1
7
Versie: 16 oktober 2023
Als bijv. met de inrichting van het terrein wordt gewacht tot het broedseizoen bestaat een kans dat grondbroeders eieren gaan leggen. Dan moet met de realisatie worden gewacht tot de jonge vogels zijn uitgevlogen. De effecten op (broed)vogels in het plangebied en de directe omgeving zullen verder beperkt of nihil zijn. Na realisatie van de loods ontstaan overigens ook weer nieuwe broedmogelijkheden voor diverse soorten. Werkzaamheden die broedbiotopen van vogels verstoren of beschadigen moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit is mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval op te starten buiten het broedseizoen van de aanwezige vogels. Is dat niet mogelijk dan dient aantoonbaar te zijn onderzocht (deskundige) dat er geen vernietiging van nesten, eieren of jongen zal plaatsvinden.
5.6
Overige soorten
Van de overige beschermde soorten en soortgroepen is te stellen dat deze in het plangebied niet voorkomen of zijn te verwachten. Ook zullen de geplande activiteiten geen effect hebben op deze soorten.
6 Gebiedsbescherming Dit hoofdstuk beschrijft in algemene zin de te verwachten effecten van realisatie van het bestemmingsplan op beschermde gebieden en doelsoorten. Het plangebied ligt in het buitengebied van Woudenberg.
6.1
Natura 2000
Artikel 2.1 Wnb vormt de invulling van de gebiedsbescherming van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn en heeft als doel het beschermen en instandhouding van bijzondere gebieden in Nederland. De Wnb sluit aan bij de Europese gebiedsbescherming zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn. Alle Europese lidstaten dragen hieraan bij. Natura 2000 is gericht op het behoud van natuurgebieden en de ontwikkeling daarvan. De Nederlandse wetgeving heeft dit vastgelegd in een groot aantal Natura 2000-gebieden. Alle Natura 2000-gebieden liggen binnen het Natuurnetwerk Nederland (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur). Het plan ligt op ca. 11 km van de Natura 2000-gebieden Veluwe, Rijntakken en Binnenveld (zie figuur hiernaast PDOK oktober 2023). Gezien de aard van het plan (werkzaamheden wijzigen niet) en de ligging t.o.v. de Natura 2000-gebieden zijn met zekerheid geen effecten van het plan te verwachten op de instandhoudingsdoelstellingen en habitattypen. Nader onderzoek of aanvragen van een Wnb-vergunning gebieden is vooralsnog niet nodig. Voor de stikstofdepositie wordt een separate notitie opgesteld.
FF Voskuilerdijk 26 Okt.23-v1
8
Versie: 16 oktober 2023
6.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Groene Contour (GC)
Naast toetsing op Natura 2000-gebied vindt separaat een toetsing plaats op het natuurbeleid van de provincie Utrecht. De provincie heeft voor het NNN (de voormalige Ecologische hoofdstructuur) aanvullend beleid opgesteld en vastgelegd in de Natuurvisie en de Interim Omgevingsverordening 2021. Het plangebied ligt buiten zowel het NNN als de GC (figuur resp. groen en bruin).
7 Conclusies en aanbevelingen 7.1
Algemeen
Verschillende soorten planten en dieren worden beschermd in de Wet natuurbescherming. Op basis van de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn speciale beschermingsgebieden aangewezen. Een ruimtelijke ontwikkeling is alleen mogelijk als duidelijk is dat de nesten, holen of andere verblijfsplaatsen niet worden vernield of beschadigd. Verstoring is in sommige gevallen wel toegestaan, mits er geen negatief effect is op populatieniveau. Beschermde planten mogen niet worden verwijderd van hun groeiplaats. Ook mogen door een ruimtelijke ontwikkeling geen significante negatieve effecten plaatsvinden op beschermde gebieden. Adviesbureau Groenewold Milieu & Natuur heeft in opdracht van de initiatiefnemer een natuurtoets uitgevoerd voor het uitbreiden van twee pluimveestallen, realisatie van een mestvergister en vervanging van de na-opslag van de vergisting, aan de Voskuilerdijk 26 te Woudenberg.
7.2
Beschermde soorten
Er zijn geen beschermde soorten gevonden of te verwachten, behoudens enkele broedende vogels tijdens het broedseizoen en nesten van de boerenzwaluw aan de oostgevel van de pluimveestal. Specifiek is gezocht naar aanwijzingen voor nesten van uilen en mogelijk verblijfplaatsen van beschermde zoogdieren. Deze zijn niet aangetroffen of te verwachten. Vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen, uilen of marters zijn uit te sluiten. Nesten van de boerenzwaluw zijn alleen beschermd als er geen andere opties in de omgeving zijn. Die zijn er wel en na realisatie van de uitbreiding kunnen de oostgevels van de stallen weer worden gebruikt als nestplaats. Advies is om een aantal kunstnesten te plaatsen, om de vogels sneller te verleiden daar weer te gaan broeden. De huidige kwaliteit van het gebied als foerageergebied voor vogels en vleermuizen is matig tot redelijk. Realisatie van het plan heeft naar verwachting verder geen negatieve gevolgen voor de foerageermogelijkheden. Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten (Interim Verordening Utrecht 2021). Overigens blijft de algemene zorgplicht altijd van kracht.
FF Voskuilerdijk 26 Okt.23-v1
9
Versie: 16 oktober 2023
Er vindt door realisatie van het plan/uitvoering van de activiteiten dan geen overtreding plaats van de verbodsbepalingen van art. 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming. Het aanvragen van een Wnb ontheffing soorten is daarmee niet nodig.
7.3
Gebiedsbescherming
Op basis van de ligging en aard van de ruimtelijke ingrepen is de conclusie dat deze ingreep geen negatieve invloed heeft op de specifieke natuurwaarden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de Veluwe, Rijntakken en Binnenveld, alle op ca. 11km afstand. Er zijn geen gevolgen te verwachten op daarin beschermde soorten of habitats. Vooralsnog is aanvragen van een Wnb vergunning gebieden niet nodig. Voor de stikstofdepositie wordt een separate notitie opgesteld.
7.4
Natuurnetwerk Nederland / Groene Contour
Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het NNN en de GC. Hiervoor geldt geen externe werking. Nader onderzoek is niet nodig.
7.5
Voorbehoud en zorgplicht
De voorliggende natuurtoets is gebaseerd op inventarisatiegegevens van derden, literatuuronderzoek en een verkennend terreinbezoek. Om de risico’s op verstoring van beschermde soorten (bijv. vogels) op het werkterrein te minimaliseren, wordt aanbevolen om voorafgaand aan de werkzaamheden het terrein te controleren op de aanwezigheid van beschermde soorten. Algemene zorgplicht Voor alle beschermde soorten, dus ook voor de soorten die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt wel een zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Dit betekent onder meer dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het voorkómen van verontrusting of verstoring in de kwetsbare perioden zoals de broed-/voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. Specifiek valt hier onder de zorgplicht voor aanvang van de werkzaamheden nog een extra check uit te voeren op aanwezigheid van een eventuele doortrekkende hazelworm.
Bij onverhoopt aantreffen hiervan dient het werk te worden stilgelegd en dient een hazelwormdeskundige te worden geraadpleegd. De kwetsbare perioden kan per soortgroep verschillen. Als ‘veilige’ periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half augustus tot half november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als vleermuizen, overige zoogdieren en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Indien een plangebied in die periode bouwrijp wordt gemaakt, geeft realisatie gedurende het winterseizoen en het daaropvolgende voorjaar meestal geen problemen. Vaak is het voldoende om rekening te houden met de broedtijd (15 maart-15 juli-huismus tot 15 augustus). Als bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is
FF Voskuilerdijk 26 Okt.23-v1
10
Versie: 16 oktober 2023
als leefgebied voor die soorten. Zo kan bijvoorbeeld vegetatie gedurende het groeiseizoen kort gemaaid worden, of kunnen bomen buiten het broedseizoen worden gekapt, zodat er geen vogels gaan broeden. Hierbij geldt overigens wel de algemene zorgplicht. Beschermde soorten Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te voorkomen (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).
7.6
Ecologische kansen / natuurinclusief bouwen
De pluimveestallen zijn na de verlenging goed geschikt voor soorten als de boerenzwaluw. Advies is aan de nieuwe oostgevels een aantal kunstnesten voor deze soort te plaatsen. Het gebied is op zich geschikt voor de steenuil en de kerkuil. Als de kapschuur blijft bestaan is het advies een kast te plaatsen in de kopgevel. Dat kan vrij eenvoudig. Ook een steenuilenkast is wellicht te plaatsen in één van de bomen ten noorden van de puimveestal. Plaatsing van uilenkasten bij voorkeur uitvoeren in overleg met een plaatselijke uilenwerkgroep. De maatregelen kosten weinig geld maar betekenen veel voor de betreffende soorten. Zo is een bijdrage te leveren aan het behoud van deze soorten voor de toekomst. Een aantal voorbeelden is weergegeven in Bijlage 4.
FF Voskuilerdijk 26 Okt.23-v1
11
Versie: 16 oktober 2023
8 Advies
Uitvoering van de werkzaamheden bij voorkeur laten plaatsvinden buiten de broedperiode ivm de boerenzwaluw. Overigens mogen eventuele vroege of late legsels niet worden verstoord. De beste tijd voor de werkzaamheden is dan tussen september en februari. Bij voorkeur zijn de werkzaamheden aan de stallen voor aanvang van het broedseizoen afgerond, zodat de boerenzwaluw direct weer kan broeden. Als de werkzaamheden wel in de broedtijd plaatsvinden, dan moet vooraf worden onderzocht of er geen broedende vogels aanwezig zijn. Bij het aantreffen van broedende vogels (alle soorten) moet worden gewacht tot de jonge vogels zijn uitgevlogen. Bij uitvoering van dergelijke werkzaamheden altijd invulling geven aan de ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wet natuurbescherming), wat inhoudt dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan beschermde soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Als onverhoopt tijdens de werkzaamheden toch broedende vogels of andere beschermde soorten worden aangetroffen, moet het werk worden stilgelegd tot een passende oplossing is gevonden. Het is dan noodzakelijk dit te melden bij het bevoegd gezag (provincie) en een ter zake deskundige te raadplegen. Door het uitvoeren van bovenbedoelde maatregelen, wordt voorkomen dat er verbodsbepalingen genoemd in de Wet natuurbescherming overtreden worden. Een ontheffing Wnb soorten is niet nodig.
De Natura 2000-gebieden liggen op grote afstand (ca. 11 km). Effecten op soorten of habitats zijn daarmee uit te sluiten. Nader onderzoek of een vergunning in het kader van de Wnb gebieden is vooralsnog niet nodig. Voor eventuele stikstofeffecten wordt een separate notitie opgesteld. Het plan ligt buiten provinciaal beschermde gebieden, Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour. Nader onderzoek is niet nodig. Het advies is om in het plan een aantal maatregelen mee te nemen (niet verplicht) ter ondersteuning van vogels en uilen. Een aantal voorbeeld staat in Bijlage 5.
FF Voskuilerdijk 26 Okt.23-v1
12
Versie: 16 oktober 2023
9 Literatuur:
Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. Van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen, 1992. Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, 3de herziene druk. Janssen, J.A.M. en Schaminée, J.H.J., 2008: Soorten van de habitatrichtlijn Lange, R., P.Twisk, A. van Winden & A. van Diepenbeek, 1994. Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij KNNV en VZZ i.s.m. Vereniging Natuurmonumenten. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (red.) (1997). Atlas van de Nederlandse vleermuizen, Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging, Utrecht. Ministerie van EZ, Dienst Regelingen, dec. 2011, Soortenstandaard Gewone dwergvleermuis.
Provincie Gelderland: Mitigatiecatalogus gebouwbewonende soorten, Arcadis, 27 september 2018 Provincie Utrecht, Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening Utrecht BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Gewone dwergvleermuis 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Huismus 1.0 BIJ12, Juli 2017 Kennisdocument Steenuil 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Gierzwaluw 1.0 BIJ12, Juli 2017, Kennisdocument Das 1.0 www.checklistgroenbouwen.nl www.gegevensautoriteitnatuur.nl www.infomil.nl www.natura2000.nl www.Natuurloket.nl www.RAVON.nl www.rijksoverheid.nl www.soortenregister.nl http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000 http://www.vleermuis.net www.waarneming.nl (website met soortenwaarnemingen in Nederland) www.wetten.nl www.zoogdieratlas.nl
Bijlagen 1. 2. 3. 4.
Overzicht situatie Foto’s plangebied Samenvatting natuurwetgeving Voorbeeld voorzieningen
FF Voskuilerdijk 26 Okt.23-v1
13
Versie: 16 oktober 2023
Bijlage 1 Overzicht situatie
Ligging t.o.v. Natura2000 gebied
Ligging t.o.v. NNN (groen) en Groene Contour (bruin)
NIEUWE SITUATIE
HOLEVOETPLEIN 301
2708
LANDBORG
POSTBUS 2
onderwerp
projectnr.
bestaand bouwvlak
11
2
1
5
fakkel nieuwe na-opslag Ø 36 x 8 m 8.413 m3
nieuw bestemmingsvlak
12
SCHERPENZEEL
033 - 30 31 060
8
1 : 1500
schaal:
WWW.LANDBORG.NL
4 september 2023
datum:
bestaande stallen uitbreiden omschakelen naar bio extensiveren pluimveetak
nieuw bestemmingsvlak
bestaand bouwvlak
INFO@LANDBORG.NL
** uitloop weide **
bestaand bouwvlak
CO2 verpompstation
CO2 opslagtank
7
6
nieuwe vergister Ø 28 x 8 m 4.926 m3
10
3
VOSKUILERDIJK 26, WOUDENBERG
9
4
3925 ZG
koeltoren CO2
grens bouwvlak
nieuw bouwvlak Agrarisch - intensief ca. 1,25 ha
bestaand bouwvlak
nieuw bouwvlak niet-agrarisch (mestvergistingsinstallatie) ca. 1,25 ha
12.450,11 m2
12.408,82 m2
bestaand bouwvlak
mestopslag vergister 1, 3.927 m3, Ø 28 x 8 m vergister 2: 3.927 m3, Ø 28 x 8 m
8 9 10
droog installatie
WOUDENBERG A 1530, 1531 1 : 1000
- Gemeente - sectie: - perceel nr.: - schaal:
Kadastraal bekend:
12
?
pluimveestal
11
pluimveestal
loods
5
7
berging/opslag/garage
4
6
kantine/kantoor
bijgebouw
2 3
bedrijfswoning
1
gebouw functie
perceelsgrens
onderlegger (GBKN)
agrarische bedrijfsbebouwing
bijgebouw
woning
renvooi
Bijlage 2 Foto’s plangebied
Uitbreiding pluimveestallen oostzijde
Toegangen stallen goed afgescherm
Locatie geplande nieuwe mestvergister
Locatie bestaande en geplande nieuwe na-opvang vergisting
Bijlage 3 Samenvatting Natuurwetgeving
Samenvatting Wet Natuurbescherming Versie November 2022
Inleiding In deze bijlage worden in het kort het wettelijk kader van de natuurwetgeving beschreven en de toepassing bij ruimtelijke ingrepen en beheer. De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en Nationale wet- en regelgeving. Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb vervangt de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. De Wet beoogt waardevolle natuur te beschermen met duidelijke en eenvoudige regels. Er is net als in de oude regelgeving onderscheid tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. Daar waar sprake is van Europese bescherming verandert er qua beschermingsniveau niet zo veel. In de soortenbescherming is wel het één en ander gewijzigd voor wat betreft de nationale bescherming. De uitvoeringsregels zijn vastgelegd in het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming.
Doel van de Wet Vooruitlopend op de Omgevingswet beoogt het Rijk met de bovengenoemde samenvoeging van drie wetten in de Wnb, invulling te geven aan vermindering en vereenvoudiging van het aantal regels. Artikel 1.10 geeft aan dat de Wnb gericht is op a. het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit; b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en c. het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. Hiermee is ook duidelijk dat natuur en economie beide van belang worden geacht en dat het ontwikkelen van natuur ten dienste kan staan van maatschappelijke functies. Of zoals de memorie van antwoord het stelt: ‘De ambitie van het natuurbeleid en het doel van de natuurwetgeving is om de natuur en de maatschappij, ecologie en economie, met elkaar te verbinden en zo mogelijk elkaar laten versterken.’ Ook is er de verplichting natuurvisies op te stellen (art. 1.5-1.7). Dit gebeurt op provinciaal niveaus via een Natuur- of Omgevingsvisie en het vaststellen van een verordening. Ook het Rijk stelt een nationale Natuurvisie op.
Qua beschermingsniveau gelden in ieder geval de Europese regels en zijn beperkt aanvullende regels op nationaal niveau gesteld ter bescherming van soorten. De Wnb zal t.z.t. in principe integraal worden opgenomen in de Omgevingswet, via de Aanvullingswet natuur.
Bevoegdheid Een andere belangrijke wijziging is dat in de meeste gevallen de Provincie het bevoegd gezag is, voor vrijwel alle vergunningen, ontheffingen, meldingen en handhaving van het natuurbeleid. De provincie heeft conform art. 1.12 een actieve rol in de bescherming, instandhouding en herstel van de natuur in de provincie. Het aanwijzen van gebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland is een verplichting. Daarnaast mogen provincies ook bijzondere provinciale natuurgebieden of landschappen aanwijzen. Alleen bij nationale belangen, zoals bijv. hoofdwegen en spoorwegen, is het Rijk bevoegd gezag. Gemeenten blijven wel het eerste aanspreekpunt voor de aanvraag van een Omgevingsvergunning. Het is evenals in de oude situatie niet verplicht om voor natuur ‘aan te haken’. Een ontheffing of vergunning voor de natuur is los van de omgevingsvergunning aan te vragen. Een ontheffing Flora- en Faunawet lag bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Deze taak is dus nu ook naar de provincie overgegaan. Daarmee is de provincie in de meeste gevallen bevoegd gezag voor zowel de soort- als de gebiedsbescherming.
Procedures Er staat in beginsel een doorlooptijd van 13 weken voor zowel een ontheffing als voor een vergunning. Verlenging is mogelijk met maximaal 7 weken. Bij aanhaken binnen de Omgevingsvergunning geldt de uitgebreide procedure van 26 weken. Bezwaar en beroep moet eerst bij een regionale rechtbank worden ingediend en daarna in voorkomende gevallen naar de Raad van State. In Art. 5.13 was een aanhaakverplichting opgenomen. D.w.z. dat bij een aanvraag Wnb verplicht moet meelopen bij een aanvraag Omgevingsvergunning. Deze verplichting is vooralsnog geschrapt, in ieder geval tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Het is dus mogelijk een Wnb vergunning aan te vragen los van de Omgevingsvergunning. Vrijwillig aanhaken mag wel.
Gemeenten behouden de loketfunctie. Bij een aanvraag Omgevingsvergunning waar gevolgen kunnen zijn voor beschermde soorten, moet een natuurtoets deel uitmaken van de procedure. Een eventuele ontheffing kan vooraf worden aangevraagd bij de provincie. Als bij het indienen van een aanvraag Omgevingsvergunning vooraf geen aparte ontheffing Wnb is aangevraagd moet de natuurtoets wel aanhaken. De gemeente legt de aanvraag dan voor aan de provincie. De provincie geeft op grond van de inhoudelijke toetsing al dan niet een Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) af.
Stappenplan soortbescherming ruimtelijke ingrepen (folder Min. EZ)
Soortbescherming In art. 1.10 is de intrinsieke waarde van de natuur expliciet erkend. Het bevoegd gezag oefent taken en bevoegdheden uit met het oog op die doelen. Eén van de instrumenten is het opstellen van een natuurvisie, zowel nationaal als provinciaal, waarin het beleid en de bescherming expliciet is uitgewerkt. Voor de soortenbescherming onderscheidt de Wet natuurbescherming drie beschermingsniveaus, twee op Europese en één op nationale grondslag. Dit vloeit voort uit het principe dat de regelgeving in principe niet strenger hoeft te zijn dan de Europese regels. Dat komt terug in de definities. Zo is in art. 3.1 Wnb het woord ‘opzettelijk’ toegevoegd. Het opzettelijk doden of vangen is niet toegestaan. Het opzettelijk verstoren is in sommige situatie wel toegestaan, als dat niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. Voorwaardelijke opzet is hierbij inbegrepen. Dat is bewust de kans aanvaarden dat
gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor beschermde soorten. Uit het voorgaande blijkt dat natuuronderzoek vooraf, in veel gevallen een vereiste is. Beschermingsregime De Wnb kent drie invalshoeken van bescherming. Twee geënt op de Europese regels en één op nationaal niveau. Daarbij zijn de regels van de Europese bescherming vrijwel één op één overgenomen. Vogelrichtlijnsoorten : Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (art. 3.1-3.4 Wnb) Habitatrichtlijnsoorten : Dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het verdrag van Bern en Bijlage II van het verdrag van Bonn (art. 3.5-3.9 Wnb). Andere soorten : Dier- en plantensoorten genoemd in Bijlage bij art. 3.10 en 3.11 Wet natuurbescherming Onderdeel A en B. Ca. 145 soorten. Hiermee zijn ca. 700 soorten vogels en ca. 230 andere Europese en nationale soorten beschermd. Voor ca. 200 soorten die eerder wel beschermd waren onder de Flora- en Faunawet geldt nu alleen de algemene zorgplicht. De provincies kunnen een vrijstellingsverordening opstellen, voor soorten waarvoor geen ontheffingsplicht geldt. Deze kunnen dus per provincie verschillen, wat ook de bedoeling is van de wetgever. Zo kunnen regionaal bedreigde soorten worden beschermd en daar waar geen bedreiging bestaat op populatieniveau, is minder bescherming nodig.
Verboden De Wnb kent voor elk van de drie categorieën van beschermde soorten aparte bestuursrechtelijke en strafrechtelijke verboden. Deze sluiten aan bij de verboden in de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de nationale soorten geldt een iets soepeler regime met minder verboden en meer ruimte voor afweging van belangen. Alle verboden zijn van toepassing op individuen. Het opzettelijk handelen omvat ook voorwaardelijke opzet. Dat betekent het bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat een gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten. Relevante belangen voor vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen In de Wnb is een regeling opgenomen voor de jacht (art. 3.20 e.v.), een landelijke regeling voor schadebestrijding (art. 3.15), gedragscodes (art. 3.31), regulier onderhoud en beheer Rijk (regeling) en enkele bijzondere vrijstellingsregelingen (bijv. dierenambulances). Er zijn 6 landelijke schadesoorten aangewezen, te weten: Canadese gans, houtduif, kauw, konijn, vos en zwarte kraai. Er is een landelijke vrijstellingsregeling voor regulier beheer en onderhoud e.d. in gevallen waar het Rijk bevoegd is (in regeling aangewezen nationaal beschermde soorten). Provincies hebben de bevoegdheid om vrijstellingen te verlenen (PS) of ontheffingen (GS) van de verboden genoemd in de art. 3.3, 3.8 of 3.10.
Om te kunnen afwijken van de verbodsbepalingen gelden 3 voorwaarden (ar. 3.3 lid 4, 3.8 lid 5, 3.10 lid 2): Er is geen andere bevredigende oplossing Er moet een in de wet genoemd wettelijk belang zijn (verschillend per beschermingsregime) De ingreep mag geen afbreuk doen aan de gunstige staat van instandhouding van de soort Als aan deze drie is vereisten voldaan, is het aanvragen van een ontheffing mogelijk. Daarnaast is het mogelijk dat er aanvullende vrijstellingen gelden voor bepaalde handelingen. Bijvoorbeeld door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode (met maatregelen voor de betreffende soort en handeling), of zoals omschreven in een provinciale verordening. De genoemde belangen verschillen per type beschermingsregime. Dit kan van belang zijn voor het al dan niet verkrijgen van een ontheffing. Soorten Vogelrichtlijn: - in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - ter bescherming van flora of fauna; Dier- en plantensoorten Habitatrichtlijn/verdragen van Bern en Bonn: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of - in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
- in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen vanggroot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; Nationaal beschermde soorten planten en dieren: - in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; - in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied; of - in het algemeen belang. Gedragscode (art. 3.31) Verboden en meldingen (art. 3.1, 3.2, 3.5, 3.6, 3.10 Wnb) zijn niet van toepassing als handelingen aantoonbaar worden uitgevoerd conform een door de Minister goedgekeurde gedragscode.
De gedragscode moet ook feitelijk betrekking hebben op de betreffende soort, uit te voeren handelingen en plaatsvinden in het kader van één van de volgende doelen: - Bestendig gebruik, beheer en onderhoud - Ruimtelijke ontwikkeling of inrichting Er moet gewaarborgd zijn dat er geen benutting of economisch gewin plaatsvindt en er sprake is van zorgvuldig handelen. Bestaande gedragscodes van de Flora- en Faunawet blijven geldig (max. 5 jaar) tot een nieuwe gedragscode conform de Wnb is goedgekeurd. Vogels Bij vogels is verstoring tijdens het broedseizoen niet per sé verboden als de gunstige staat van instandhouding niet in gevaar is (zorgplicht geldt wel). Dit geldt alleen voor het verstoren. Het vernielen of beschadigen van nesten blijft verboden. Voor de jaarrond beschermde soorten mogen de nesten niet worden beschadigd of vernietigd. Wel kan verstoring er toe leiden dat beschermde vogels kiezen voor een alternatieve nestlocatie. Ook hier geldt altijd de algemene zorgplicht. Dat houdt onder meer in dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan, de mogelijke gevolgen van het plan voor de natuur en mogelijke maatregelen om negatieve gevolgen tegen te gaan.
In onderstaande tabel zijn de verschillen tussen de oude regelgeving en de Wnb weergegeven: Verboden Flora- en Faunawet Doden, verwonden, vangen Opzettelijk verontrusten Beschadigen, vernielen, uithalen, verstoren nesten, holen, vaste rust- of verblijfplaatsen Rapen, uit nest nemen, beschadigen of vernietigen van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben Uitzetten in vrije natuur
Verboden Wet natuurbescherming Opzettelijk doden of vangen Opzettelijk storen Opzettelijk vernielen, beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren of wegnemen nesten Rapen en onder zich hebben van eieren Handel, vervoer en onder zich hebben Uitzetten in vrije natuur
De bescherming van een nest omvat ook de inhoud en functionele omgeving daarvan, voor zover het broedsucces daarvan afhankelijk is. Dit impliceert dat inheemse in gebruik zijnde nesten beschermd zijn gedurende het broedseizoen. Buiten het broedseizoen zijn nesten niet beschermd, behalve voor soorten met jaarrond beschermd nesten. Jaarrond beschermde nesten Een lijst met jaarrond beschermde nesten is niet in de Wet natuurbescherming zelf opgenomen, maar is wel door elke provincie vastgesteld. Het betreft dan de indeling waarbij nesten van vogelsoorten in categorie 1 t/m 4 jaarrond beschermd zijn. De nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. De Provincie kan per verordening hiervan afwijken.
Verstoring In art. 3.1 lid 4 is opgenomen dat het opzettelijk verstoren van vogels verboden is. Lid 5 stelt dat dit niet van toepassing is als de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (doden en vernielen van nesten blijft dus wel verboden). Dit vraagt dan om nader en specifiek onderzoek, zoals om welke soort het gaat (algemeen/zeldzaam/bedreigd), de locatie, de periode van het jaar en de intensiteit, duur en frequentie van de verstorende activiteit en of er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn. Verstoring in het broedseizoen ligt daarbij heel kritisch als dit invloed heeft op het broedsucces (art. 5d Vogelrichtlijn).
Zorgplicht (art. 1.11 Wnb) In artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming is de zorgplicht omschreven. De zorgplicht geldt voor alle soorten en alle beschermde gebieden. Dus ook voor niet specifiek in de wetgeving benoemde soorten. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild levende soorten, laat deze handelingen achterwege. Indien het achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevraagd, worden maatregelen getroffen om de gevolgen te voorkomen, of zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt. Dat houdt onder meer in dat een initiatiefnemer zich tijdig op de hoogte stelt van de aanwezige natuurwaarden, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen van het plan. Bij de uitvoering moeten negatieve gevolgen zoveel mogelijk worden voorkomen dan wel beperkt of ongedaan gemaakt. In art. 7.2 is bepaald dat Gedeputeerde Staten bevoegd zijn tot handhaving (last onder bestuursdwang).
Gebiedsbescherming De bescherming van gebieden is geregeld via een aantal sporen. Dat zijn Natura 2000 gebieden, gebieden behorende bij het natuurnetwerk Nederland (NNN), provinciale natuurgebieden of provinciale landschappen. Natura 2000 gebieden De Natura 2000 gebieden zijn op basis van Europese regels aangewezen als beschermde gebieden, incl. de daarbij horende beschermde soorten en habitats. Omdat de Europese regels worden gevolgd is er ten aanzien van de gebiedsbescherming niet veel gewijzigd. Nederland kent een 161 Natura 2000 gebieden, waarvoor instandhoudingsdoelen zijn vastgesteld. Per gebied is het ook de bedoeling beheerplannen vast te stellen. Daarin staat o.a. welke maatregelen nodig zijn om de natuurdoelen te halen en welk (bestaand en toekomstig) gebruik al dan niet vergunningplichtig is. Voor regulier onderhoud en beheer is dan in principe geen vergunning nodig (Art. 2.9 Wnb). Overigens blijft de zorgplicht altijd gelden. Omdat de meeste onder de oude wetgeving beschermde natuurmonumenten in een Natura 2000 gebied liggen is de aparte bescherming van deze natuurmonumenten vervallen. Als handelingen kunnen leiden tot nadelige effecten voor instandhoudingsdoelen van een Natura 2000 gebied is een vergunning nodig. Zoals gezegd is de provincie meestal bevoegd gezag. De vergunningaanvraag kan apart bij de provincie of via de Omgevingsvergunning bij de gemeente.
Passende beoordeling (Art. 2.7-2.8 Wnb) Als een project of andere handeling gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, mogelijk schadelijke gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied is een natuurvergunning noodzakelijk, tenzij een wettelijke uitzondering geldt. Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld het handelen conform een vastgesteld beheerplan of een programma (Art. 2.9 Wnb) of het weiden van vee (Art. 2.9 Regeling Wnb). Ook bestaand gebruik op referentiedatum 31 maart 2010 is een uitzondering. Het bevoegd gezag moet hier dan wel redelijkerwijs van op de hoogte (kunnen) zijn en de handelingen mogen niet of niet in betekenende mate zijn gewijzigd. Mogelijk leidt dit tot discussies vanwege oudere Europese data voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden, resp. 10 juni 1994 en 7 december 2004. Er is overigens geen definitie van een project of een andere handeling. Alle activiteiten welke geen project zijn, zijn daarmee feitelijk ‘andere handelingen’. Onderzoek moet uitwijzen of deze gevolgen significant kunnen zijn. De gevolgen moeten worden beoordeeld in samenhang met die van andere plannen en projecten (‘cumulatieve effecten’). Als er geen effecten zijn, is geen vergunning nodig. Als de effecten klein zijn, volgt een verslechterings- en verstoringstoets’. Bij mogelijke significante effecten volgt een ‘passende beoordeling’. Het positieve effect van maat-
regelen mag niet bij de afweging voor vergunningplicht worden betrokken. Dat mag wel bij het besluit op een vergunningaanvraag. In de verslechterings- en verstoringstoets worden de effecten gespecificeerd. Daarbij hoeft dan niet meer naar cumulatieve effecten te worden gekeken. Het bevoegd gezag beoordeelt of de effecten aanvaardbaar zijn of niet. Aan de vergunning kunnen beperkende voorwaarden worden verbonden (mitigatie en compensatie). De passende beoordeling is veel uitgebreider. Op basis van de beste wetenschappelijke kennis dienen de effecten op de habitats en soorten te worden ingeschat, rekening houdende met cumulatieve effecten. Als de passende beoordeling uitwijst dat er slechts beperkte effecten zijn, dan dient vergunning te worden aangevraagd, die wordt verleend indien de effecten aanvaardbaar worden geacht. Als er significante effecten zijn, dan mag vergunning alleen worden verleend als er voldaan is aan alle drie onderstaande ADCcriteria: -
Er zijn geen geschikte Alternatieven. Er is sprake van Dwingende redenen van groot openbaar belang, waaronder redenen van sociale en economische aard. Er is voorzien in exacte en tijdige Compensatie.
Als er sprake is van aantasting van een gebied dat is aangewezen ter bescherming van prioritair natuurlijk habitat of een prioritaire soort, dient eerst door de minister van LNV aan de Europese Commissie advies te worden gevraagd. Bovendien is het aantal redenen van groot openbaar belang beperkt. Externe werking Niet alleen activiteiten in een Natura 2000-gebied hebben invloed op de staat van instandhouding van het gebied. Ook activiteiten buiten het gebied kunnen de waarden in een gebied beïnvloeden. Dit wordt 'externe werking' genoemd. Externe werking treedt op wanneer er, ongeacht de locatie, een effectgebied ontstaat als gevolg van het optreden van ruimtelijke overlap tussen een invloed gebied van een instandhoudingsdoelstelling (IHD) en een invloed gebied van een activiteit die plaatsvindt buiten een Natura 2000gebied en waarvoor de IHD gevoelig is. Stikstof in Natura 2000-gebieden (Besluit natuurbescherming) Een voorbeeld van externe werking is de depositie van stikstof. Door allerlei bronnen komt stikstof in het milieu terecht, afkomstig van de landbouw, verkeer, industrie en huishoudens. De grote hoeveelheid stikstof heeft effecten op de groei van planten. Dit gaat in de regel ten koste van kwetsbare planten en biodiversiteit, waardoor gevoelige gebieden (zoals venen en heide) verruigen door de groei van bijv. grassen en soorten als braam.
Hiervoor gold vanaf 1 juli 2015 het systeem van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Hiermee hoopte het Rijk de hoeveelheid stikstof in de Natura 2000 gebieden te kunnen verminderen, zonder alle ontwikkelingen te blokkeren. De PAS bracht daartoe alle bronnen in beeld. Met behulp van een rekentool (Aerius Calculator) is de stikstofbijdrage van een (nieuw) plan op beschermde habitats te berekenen. De basisgedachte was dat economische ontwikkelingen verantwoord mogelijk blijven (ontwikkelruimte), mits de totale hoeveelheid stikstof in het gebied omlaag gaat. Uitspraak Raad van State (PAS) De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer is te gebruiken als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten, die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. De beslissing van de Raad van State heeft vergaande consequenties voor ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw, de aanleg van infrastructuur (o.a. vaar-, spoor-, en autowegen), de bouw van nieuwe bedrijven en agrarische activiteiten die kunnen leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden.
Hierdoor is het een stuk ingewikkelder geworden om ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken en te realiseren die effecten hebben voor de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000gebieden (118 gevoelige gebieden). Nu het ecologisch onderzoek (“de passende beoordeling”) van het PAS niet meer als basis voor toestemmingverlening kan worden gebruikt, is voor veel ruimtelijke ontwikkelingen, ook op grote afstand van Natura 2000-gebieden, nodig dat zij op een andere manier gaan aantonen, dat hun project of plan (zoals een
bestemmingsplan) op voorhand geen significant schadelijke effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. Pas daarna kan toestemming worden verleend. De passende beoordeling van het PAS kan daarvoor sinds de uitspraak van 29 mei 2019 niet meer worden gebruikt.
Voor projecten betekent dit dat moet worden beoordeeld of een natuurvergunning is vereist. Gedeputeerde staten (en in een aantal gevallen het ministerie van LNV) zijn het bevoegde gezag voor deze vergunning. Zij dienen te beoordelen of voor een project een natuurvergunning is vereist. Voor bestemmingsplannen geldt weliswaar geen natuurvergunningsplicht, maar ook zij moeten aan de eisen van de Wet natuurbescherming voldoen. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan is een beoordeling nodig om te bepalen of de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen significant negatieve effecten zouden kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Is dat het geval, dan is ook een passende beoordeling (en als gevolg daarvan ook een milieueffectrapport) noodzakelijk. Gevolgen woningbouw Wordt in de voortoets op basis van objectieve gegevens geconcludeerd dat er geen significant negatieve effecten zijn te verwachten voor de instandhoudingsdoelen van het betrokken Natura 2000-gebied, dan is te volstaan met een voortoets en kan de gemeenteraad (voor wat betreft de stikstoftoets) het bestemmingsplan vaststellen. Dit is het geval als bijvoorbeeld geen toename plaatsvindt van de stikstofdepositie. Als een bestaande, legale en/of vergunde activiteit wordt gestaakt (bijv.
agrarisch bedrijf), dan mag in beginsel de daarmee samenhangende vermindering van de stikstof-depositie in mindering worden gebracht op de toename van de stikstofdepositie als gevolg van het nieuwe project (bijv. woningbouw). Dat kan ertoe leiden dat per saldo de effecten op de stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden gelijk blijven (en soms zelfs verminderen als gevolg van het verdwijnen van die agrarische functie). Een passende beoordeling is dan niet nodig. Per 1 juli 2021 is een nieuwe Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering en ook het bijbehorende Besluit van kracht geworden. De Wet regelt onder meer drie resultaatsverplichtingen voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura 2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. Voor de zogeheten PAS melders en initiatiefnemers die onder het PAS vergunningvrij waren is in de Wet bepaald dat zij alsnog gelegaliseerd worden. Hiertegen lopen echter diverse rechtszaken. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw- sloop en eenmalige aanlegactiviteiten, in het kort de bouwvrijstelling. Dit hield in dat er voor de aanlegfase geen apart onderzoek meer nodig was omdat de milieubelasting tijdens de bouw altijd tijdelijk is, terwijl het gebruik een permanent karakter heeft.
De Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State heeft in een uitspraak van 2 november 2022 echter aangegeven dat de bouwvrijstelling stikstof niet voldoet aan het Europese natuurbeschermingsrecht. Daardoor mag de bouwvrijstelling niet meer gebruikt worden bij bouwprojecten. Er moet nu weer per project worden onderzocht of er mogelijk negatieve gevolgen zijn op de natuur, vanwege de uitstoot van stikstof in de aanlegfase.
Beleidsregels intern en extern salderen De provincies hebben regels vastgesteld voor intern en extern salderen. Deze beleidsregels gelden voor de het verlenen van vergunningen op grond van de Wet natuurbescherming vanwege de effecten door stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Activiteiten waarbij niks verandert, behouden hun vergunning. Voor activiteiten waarvoor wel een vergunning nodig is, moet gezorgd worden dat de neerslag van stikstof in Natura 2000-gebieden per saldo niet toeneemt. De nieuwe beleidsregels stellen met name voorwaarden aan intern en extern salderen:
Intern salderen: Bedrijf mag een bepaalde hoeveel stikstof uitstoten. Nieuwe activiteiten of bestaande activiteiten veranderen kan. De activiteiten moeten neerslag verminderen of tenminste niet meer worden. Alleen de al gerealiseerde capaciteit van de vergunning kan gebruikt worden. Extern salderen: Bedrijf maakt gebruik van de vergunning van een ander bedrijf dat wordt beëindigd. Slechts 70% van de gerealiseerde capaciteit mag gebruikt worden.
Deze beleidsregels gelden alleen voor het verlenen van vergunningen door gedeputeerde staten, niet voor het vaststellen van bestemmingsplannen door gemeenteraden. Op 20 januari 2021 heeft de Raad van State een belangrijke uitspraak gedaan in het stikstofdossier. In de uitspraak over de Logtsebaan1 geeft de Raad van State aan dat intern salderen2 sinds de wetswijziging van 1 januari 20203 vergunningsvrij is. Als sprake is van intern salderen en er daarmee geen toename is van de stikstofdepositie zal de provincie op een ingediende aanvraag een zogenaamde positieve weigering afgeven. Het vastleggen van de bestaande situatie (bestaande situatie op referentiedatum en nieuwe situatie zijn gelijk) valt ook onder de definitie van het intern salderen. Er moet een Aerius-verschilberekening gemaakt worden, waar in dit geval situatie 1 (referentie) en situatie 2 (beoogd) gelijk zijn. Voor intern salderen is er op dit moment geen vergunningplicht meer. Sommige bedrijven vragen een positieve weigering aan, om toch een document te hebben als er bijv. een nieuwe stal gebouwd moet worden, voor bijv. de bank. Als er niets verandert in het bedrijf is dat eigenlijk niet nodig. Maar dat is een eigen keuze. Wanneer er wijzigingen komen is opnieuw toetsing op eventuele vergunningplicht nodig. 1