08 b bijlage 8 Voskuilerdijk 26_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 8 Aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling
Tekst van het document
De te vergisten mest en overige biomassa (bijvoorbeeld maïs, reststromen uit de voedingsmiddelenindustrie en andere ‘positieve lijst’ stoffen) wordt opgeslagen in gesloten tanks of worden afgedekt opgeslagen in sleufsilo’s, indien er sprake is van geurhoudende of geuremitterende producten. De opslagplaats voor vaste co-producten wordt in dat geval afgedekt met niet geurende producten als graszaden, graanresten of erwtendoppen en/of eventueel plastic folie als er sprake is geurhoudende vaste co-producten, zodat emissie tot een minimum wordt beperkt. De aangevoerde vaste mest wordt zo veel mogelijk direct na ontvangst en lossing op de opslagplaats verwerkt in mengtank en de hydrolysering. De opgeslagen organische stoffen kunnen gaan broeien en/of fermenteren. Bij de aanvoer en opslag van deze producten wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de aard, versheid van het product, de omvang van de opslag en de verblijftijd in de opslagplaats om broei en fermentatie tijdens de opslag te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken. Verder wordt door goed management van de (co-)/mestvergistingsinstallatie het ontstaan van ongewenste geurstoffen als zwavelhoudende stoffen (H2S), vluchtige vetzuren, fenolen, ammonia en vluchtige aminen tijdens het vergistingsproces zoveel mogelijk voorkomen.
Het gewicht van het dubbele membraanfoliedoek op de vergistingssilo’s zorgt voor een continue lichte overdruk in het intern gasnet van de installatie. Deze lichte overdruk zorgt voor doorstroming van de leiding naar de aansluiting op de gascompressor, die met een overdruk tot 40 mbar het gas naar de WKK en de biogasopwerking pompt. De installatieonderdelen vergister, gasleiding en gasopslag onder de gasdaken in de vergistingsruimten, fungeren als communicerende vaten met een gelijke lichte overdruk.
experts in biogas en droging
83
De gasdruk in dit stelsel wordt bewaakt. De besturing draagt zorg voor uitschakeling van de compressor bij het benaderen van een onderdruk situatie. Hierop zal door automatische sturing de WKK zich eveneens afschakelen en stoppen. Het mogelijk ongecontroleerd vrijkomen wordt hiermee voorkomen.
10.4 Geur pluimveebedrijf Voor de huidige bestaande en vergunde pluimveestallen 5 en 6 en de wijzigingen in de ventilatiebehoefte en de wijze van ventilatie in de beoogde situatie zijn geurbelastingsberekeningen gemaakt van de huidige bedrijfsvoering en de toekomstige bedrijfsvoering. De berekeningen zijn uitgevoerd met het V-Stacks Vergunning model v.2020. In de beoogde situatie is alleen stal 6 nog in gebruik, weliswaar met ruim 50 m verlengd, doch met hetzelfde aantal leghennen en uitgerust met volière huisvestingssysteem inclusief mestbandbeluchting. Voor wat betreft de uitgangspunten voor de V-Stacks berekeningen en de beide berekeningen wordt verwezen naar bijlage 8 van deze aanmeldingsnotitie. Op de milieutekening is de lay-out van het toe te passen volièrestalsysteem uitgebeeld. Voor het huisvestingssysteem van de leghennen geldt de OW-code HE2.3.2.1. Hiervoor is een geuremissiefactor van 0,34 OuE/dierplaats/s. Voor de mestopslag i.c. een droogtunnel met oppervlaktedroging (dichte banden) is geen geuremissiefactor vastgesteld. Er worden daarnaast nog 2 paarden gehouden. Hiervoor geldt evenmin een geuremissiefactor. Uit de V-Stacks berekeningen blijkt dat de geurbelasting bij de dichtstbijgelegen woning, Voskuilerdijk 28, afneemt van 7,3 naar 6,9 OuE/m3. Het aantal te houden kippen blijft ongewijzigd 44.900 stuks. Stal 6 wordt verlengd.
Het huisvestingssysteem in stal 6 blijft ongewijzigd na de aanpassing en vergroting van deze stal. Voor de ventilatie wordt gebruik gemaakt van 15 nokventilatoren, die evenredig zijn verdeeld over de lengte van de stal. De uittreesnelheid bedraagt 4 m/s. Er is geen sprake van een relevante warmteinhoud. Voorts is nog gekeken naar de gecumuleerde geurbelasting op de woningen in de directe omgeving van De Greef. Bij elkaar opgeteld neemt de hoogste geurbelasting op de dichtstbijgelegen woning, Voskuilerdijk 28, met 0,3 OuE/m3 af van 7,3 + 1,5 = 8,8 OuE/m3 naar 6,9 + 1,6 = 8,5 OuE/m3. Dit geldt in meer of mindere mate voor de andere woningen aan de Voskuilerdijk. Ook ter plaatse van de verder weg gelegen geurgevoelige objecten (ggo’s), t.w. de agrarische bedrijfswoningen Voskuilerdijk 15, 36 en 40 neemt de geurbelasting af (met 0,4 OuE/m3). Uit de berekeningen blijkt dat zowel in de vergunde als de aangevraagde situatie ruimschoots wordt voldaan aan de grenswaarde voor de geurbelasting van 14 OuE/m3.
10.5 Luchtkwaliteit
experts in biogas en droging
84
In 2018 is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd op het leghennen deel (2 schuren) en op de co/mestvergisterinstallatie. De immissieconcentraties voor stikstofdioxide en fijnstof vanwege de aangevraagde activiteiten van De Greef zijn berekend. In de berekeningen is uitgegaan van worst case aannames, kengetallen en benutting van de vergunde productiecapaciteit en aangepast huisvestingssysteem pluimveestal. Geconcludeerd is in 2018 dat met betrekking tot de activiteiten, het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt, en evenmin voor toekomstige ontwikkelingen, zoals uitbreiding van de vergistingsinstallatie met een drooginstallatie voor dikke digestaatfractie, toploader en opslagvoorzieningen gedroogd product. In vergelijking met een WKK is er bij een groen gas installatie geen sprake van emissies naar de lucht van SOx en NOx. In verband met de beoogde te wijzigen bedrijfsvoering met betrekking tot het pluimveebedrijf en het vergroten van de vergistingscapaciteit is opnieuw een luchtkwaliteitsonderzoek anno 2025 uitgevoerd met kenmerk: Notitie 22310242n02c_251121 d.d. 21 oktober 2025. De notitie is als bijlage bijgevoegd. In de notitie is met name de jaargemiddelde situatie in beeld gebracht. Dit is bij luchtkwaliteitsonderzoek te doen gebruikelijk omdat ook de normstelling hierop gebaseerd is.
Dat neemt niet weg dat op een drukke dag er een groter aantal transporten kan plaatsvinden. Een dergelijke drukke dag vormt ook de basis voor het uitgevoerde akoestisch onderzoek. Of en in hoeverre dit bij woningen/beoordelingspunten in de omgeving ook leidt tot een verhoogd aantal overschrijdingsuren voor NO2 en/of overschrijdingsdagen voor PM10 is naast de hogere emissies op deze dagen met name afhankelijk van de meteo-omstandigheden en heersende achtergrondconcentraties. Teneinde na te gaan of er sprake kan zijn van een mogelijk effect is een aanvullende berekening uit gevoerd waarbij voor alle jaardagen is uitgegaan van een verhoogd aantal van 24 transporten, met bijbehorende laad- en losactiviteiten. De berekende immissieconcentraties zijn getoetst aan de grenswaarden als gegeven in Afdeling 2.2, artikel 2.4 en 2.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de ter plaatse van de omliggende woningen berekende jaargemiddelde bijdrage NO2 t.g.v. het pluimveebedrijf annex co-/mestvergistingsinstallatie ten hoogste 3,1 μg/m³ bedraagt, voor PM10 eveneens 2,3 μg/m³ en voor PM2,5 is de berekende jaargemiddelde bijdrage 0,4 μg/m³.
De conclusie is dat de in de directe omgeving van de inrichting berekende concentraties NO2, PM10, PM2,5 in de aan te vragen situatie (ruim) lager zijn dan de grenswaarden als gegeven in Afdeling 2.2, artikel 2.4 en 2.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de aan te vragen wijzigingen en uitbreiding van de vergistingscapaciteit.
10.6 Wet natuurbescherming
experts in biogas en droging
85
10.6.1 Gebruiksfase De Greef beschikt over een adequate Wnb-vergunning, op 2 november 2018 door provincie Utrecht aan het bedrijf verstrekt. Hierbij zijn zowel de stikstofemissies van het pluimveebedrijf als van de vergister meegenomen in de berekeningen. Met het nieuwe Aerius Calculator model 2025.0.1 is de depositie in beeld gebracht. Hierbij wordt verwezen naar de bijlage (bijgevoegd) AERIUS_projectberekening_20251030105505_RyGzsqdPdcHy_Aantevragensituatie (30 oktober 2025). De totale ammoniakemissie bedraagt in de beoogde situatie 2.973,5 kg NH3/jaar. De totale NOx-emissie bedraagt in de beoogde situatie 5.637,6 kg NOx/jaar. Ten opzichte van de referentiesituatie in 2018 betekent dit een afname voor de NH3-emissie van 32,7 % en voor de NOx-emissie van 16,7 %. De stikstofdepositie wordt berekend tot een afstand van 25 km van de bron. Omdat de geometrie van de bronnen in de referentiesituatie en de aan te vragen situatie niet één op één overeenkomt heeft dit als consequentie dat ter plaatse van de hexagonen die liggen op 25 km afstand randeffecten kunnen optreden, waarbij in de verschilberekening toe- of afnames worden berekend die er feitelijk niet zijn. Dit komt doordat op de maximale rekenafstand van 25 km van de bronnen uit de referentiesituatie geen (of gedeeltelijke) overlap optreedt met de maximale rekenafstand van 25 km van de bronnen in de beoogde situatie.
De conclusie is dat de emissie en depositie van stikstof in de beoogde situatie niet toeneemt ten opzichte van de vergunde situatie. Voor zover een toename van de depositie wordt berekend is dit het gevolg van een randeffect. Het overzicht met de berekende randeffecten en de extra beoordeling, bedoeld als hulpmiddel beoordeling hexagonen met een hersteldoel zijn in de bijlage met de Aerius berekening opgenomen. De uitgangspunten voor de Aerius berekeningen zijn toegelicht in de rapportage Stikstofdepositie onderzoek (kenmerk: Notitie 22310242n01d_251031 d.d. 31 oktober 2025). Dit rapport is eveneens als bijlage bij de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling gevoegd. Het bij De Greef operationele luchtwassysteem is geleverd door VP-HoBe Technology en betreft een chemisch luchtwasser BWL 2007.05.V6, type tegenstroom, van oktober 2017. De systeembeschrijving van deze luchtwasser is opgenomen (vanaf 1 januari 2024) in OW 2007.05.V1 van januari 2024 (in het dimensioneringsplan geheten BWL 2007.05.V6). Het dimensioneringsplan wordt als bijlage bij de aanvraag gevoegd. Een goede werking van de luchtwasser is reeds geborgd middels de voorschriften als verbonden aan de bestaande omgevingsvergunning (vergunning d.d. 26 november met kenmerk 2018/Z/18/632793697731) en de OW 2007.05.V1. De belangrijkste parameters waarop het luchtwassysteem wordt gestuurd zijn: • •
De zuurgraad van het waswater in de chemische wasser mag niet meer zijn dan pH = 3,0. De geleidbaarheid van het waswater in de chemische wasser is maximaal 250 mS/cm.
experts in biogas en droging
86
Het filterpakket wordt minimaal éénmaal per jaar gereinigd, conform de eisen. Met betrekking tot het onderhoud van het luchtwassysteem is in overeenstemming met het BAL een werkinstructie opgesteld. De ammoniakconcentratie in de afgezogen luchtstromen uit o.a. de opstelruimte van de schroefpersfilter (scheider) en de opslagruimte dikke digestaatfractie en de uitgaande luchtstroom uit de luchtwasser zal periodiek, bijv. 3-maandelijks worden gemeten met een multigasmeter (directe meting) die een voldoende nauwkeurig en betrouwbaar resultaat laten zien. Hiermee kan eveneens het zwavelwaterstof-gehalte op willekeurige plaatsen, o.a. gereinigde luchtstroom uit het biobedfilter in de gaten worden gehouden. Dergelijke portable gasanalyzers kunnen overal worden ingezet.
10.6.2 Bouwfase In het kader van de Wet natuurbescherming dient de stikstofdepositie vanwege de betreffende ontwikkelingen in de bouwfase op nabijgelegen Natura 2000-gebieden inzichtelijk te worden gemaakt. De berekeningen zijn uitgevoerd met behulp van het rekenprogramma Aerius Calculator 2025 (nieuwste versie per 5 oktober 2025). Tijdens de bouw van de 2 nieuwe silo’s (nl. 3e vergistersilo en opslagsilo dunne digestaatfractie), plaatsing van de 2e gasopwerkingsinstallatie en CO2-afvang-vervloeiingsinstallatie, de verlenging van de bestaande pluimveestal 6 en de herinrichting van het buitenterrein en bouw RENURE loods (in een vervolgfase) zullen er diverse stikstofemissiebronnen zijn. De volgende emissiebronnen zijn relevant: • • • • • • • •
verkeersbewegingen ten behoeve van bouwpersoneel en aannemer/opzichter; verkeersbewegingen ten behoeve van aanvoer van bouwmateriaal; verkeersbewegingen ten behoeve van de aan- en afvoer van mobiele werktuigen; verkeersbewegingen ten behoeve van truckmixers; graafmachine en shovel ten behoeve van het bouwrijp maken van het terrein; heistelling ten behoeve van de fundering; truckmixer en betonpomp ten behoeve van het storten van een vloer; kraan en hoogwerker ten behoeve van de constructie van de nieuwe bedrijfsonderdelen.
In het kader van berekening van de stikstofdepositie in de bouwfase zijn de uitgangspunten vastgelegd in een notitie, wat als bijlage bij de omgevingsvergunningsaanvraag wordt gevoegd, evenals de resultaten van de Aerius versie 2025.0.1 berekening. Uit de berekening volgt dat als gevolg van de beoogde ontwikkelingen in de bouwfase geen depositie op van meer dan 0,00 mol/ha/jaar optreedt. Hiermee is aangetoond dat er geen mogelijke significante effecten vanwege de stikstofemissies in de bouwfase op omliggende Natura 2000-gebieden zullen zijn.
10.7 Zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) Er zijn geen ZZS stoffen aanwezig die in de bedrijfsprocessen toegepast. In het document ‘Toetsing doelmatigheid toepassing afvalstoffen als co-substraat in het vergistingsproces’ is informatie over mogelijke (potentiële) ZZS in en m.b.t. de te verwerken co-producten opgenomen.
experts in biogas en droging
87
Wel worden in de inrichting stoffen gebruikt met het volgende CAS-nummer: •
• •
het toe te passen koudemiddel, R448a, een azeotroop koelmiddelmengsel, bestaande uit grotendeels R32 (difluoromethaan) en R125 (pentafluorethaan), of R 134A (= tetrafluormethaan) in de gasopwerkingsinstallatie; deze worden echter niet beschouwd als een ZZS en p-ZZS (zie RIVM lijst ZZS) (CAS nr. 75-10-5, resp. 811-97-2), tetrahydrothiofeen (THT) (CAS-nr. 109-99-9), als geurstof toegevoegd aan groen gas mengsel, wordt evenmin beschouwd als een (potentiële) ZZS (RIVM-lijst) en zwavelzuur, gew.37-56% (CAS-nr. 7664-93-9), gebruikt voor het binden van ammoniak uit de afgewerkte drooglucht, wordt evenmin beschouwd als een (potentiële) ZZS (RIVM-lijst).
Wel geldt voor het gebruik en opslag van 37-56 gew.% zwavelzuur een luchtemissiegrenswaarde van 3 mg/Nm3 volgens art. 5.30 van het BAL. Zwavelzuur gew.% 37-56 is ingedeeld als gA.2 klasse stof. Opgemerkt wordt dat de bovengenoemde componenten niet in de buitenlucht terecht komen. Deze stoffen worden gebruikt in gesloten systemen. De bovengenoemde stoffen komen bovendien niet voor op: • de prioritaire stoffenlijst Kader Richtlijn Water, • de prioritaire stoffenlijst OSPAR, • E-PRTR-lijst, • de kandidatenlijst, bedoeld in artikel 59 van EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen.
10.8 Opslag gevaarlijke stoffen in tanks en emballage 10.8.1 Opslagtank CO2 De opslagtanks (moeten) voldoen aan de PGS 9. De CO2-tankinstallatie moet volgens de PGS 9 bij voorkeur in de open lucht worden opgesteld. Er wordt voldaan aan de afstanden, zoals vermeld in tabel C.4 uit bijlage C “Interne veiligheidsafstanden” van de PGS 9. De afstand van de dichtst bijgelegen vergistersilo / biogasopslagreservoir bedraagt meer dan 6 m. Bij reservoirs > 150 m3 dient rekening te worden gehouden met een minimale afstand van 15 m. volgens tabel C.4, uitgaande van een stralingsbelasting van 10 kW/m2. Bij dampvormig gas, waar bij De Greef sprake van is, geldt een afstand van 6 m (of 5 m). Voor uitleg wordt verwezen naar de volgende alinea’s. De opslag van vloeibare CO2 vindt plaats in 1 of in 2 afgesloten en vrijstaande gevacumeerde, dubbelwandige druktanks van resp. 80 m3 of 50 m3 (2 x) inhoud. Vooralsnog wordt rekening gehouden met één 80 m3 tank. Alleen bevoegd personeel heeft toegang tot deze tank(s). Er zijn onder normale omstandigheden geen effecten te verwachten voor wat betreft veiligheid. Voor de opslag van CO2 in een opslagtank gelden interne en externe veiligheidsafstanden. De opslag wordt geïnstalleerd en in gebruik genomen conform de eisen zoals opgenomen in de PSG 9
experts in biogas en droging
88
richtlijn voor cryogene gassen. Om een zo veilig mogelijke situatie te creëren en risico’s ten gevolge van calamiteiten zoals brand binnen de inrichting te minimaliseren, wordt de tank(s) op ruime afstand van de biogasreservoirs, geplaatst en op meer dan 40 meter van de bestaande gebouwen geplaatst. Volgens tabel 14 uit bijlage C.4 van de PGS 9 moet de afstand van een biogasreservoir met een inhoud van > 150 m3 tot een cryogene tank ten minste 6 (of 5) m. te bedragen. Voor cryogene gassen opgeslagen in gevacumeerde dubbelwandige druktanks met perliet als isolatiemateriaal, mag 35 kW/m2 in plaats van 10 kW/m2 als warmtestralingsnorm worden gehanteerd. Dit geldt niet voor enkelwandige tanks of tanks die met een ander materiaal dan perliet zijn geïsoleerd. Bij De Greef wordt een gevacumeerde dubbelwandige druktank met perliet geplaatst voor de opslag van vloeibaar CO2, dus geldt de afstand tussen haakjes. De afstand van de cryogene tank(s) tot het dichtst bijgelegen bouwwerk bedraagt ongeveer 6 m. (betreft het tussengebouw, waar de VDT-tank staat opgesteld en besturingsruimte). Op basis van tabel 11 van PGS 9 dient de afstand van een gevel met WBDBO < 60 min, geen gevelopeningen of gevelopening < 1 m2 ten minste 1 m. te bedragen. Hier wordt aan voldaan.
Voor wat betreft de externe veiligheidsafstanden (grens van de inrichting) geldt op basis van afbeelding 8 uit bijlage C.7 van de PGS 9 een afstand van ten minste 2 m., die in acht dient te worden genomen. De afstand tot de inrichtingsgrens met de vrije uitloopweiden voor de leghennen bedraagt circa 2,5 m. Aan de externe veiligheidsafstand wordt voldaan. De aanliggende percelen zijn bovendien eigendom van initiatiefnemer. Het bestemmingsplan laat ter plaatse ook geen bebouwing van derden toe. Volgens NEN 1059 moet de afstand van het gasdrukregelstation voor groengas (=aardgas) tot de grens van de inrichting ten minste 5 m te bedragen. Hier wordt aan voldaan. De afstand is > 10 m. Het laadstation staat ook in de buitenlucht opgesteld. Het laden vindt ook buiten plaats, de tankwagen behoeft geen gevaarlijke manoeuvres uit te halen. De wand van de vergistersilo 1 vormt een goede geluidafscherming.
10.8.2 Opslag ammoniak Het gaat ingeval van toepassing van ammoniak als koudemiddel in de CO2-liquefaction installatie om een opslaghoeveelheid van maximaal 150 liter NH3 in het gehele koelsysteem. De opslaghoeveelheid van ammoniak blijft in dat geval ruim beneden de grenswaarde van 1.500 kg uit het BEVI. Bovendien wordt bij toepassing van ammoniak als koelmiddel voldaan aan de voorschriften en bepalingen van de PGS 13, NEN-EN 378-1 en de Europese Richtlijn Drukapparatuur (PED).
10.8.3 Het spuiwater afkomstig van de luchtwasser. Het spuiwater (ammoniumsulfaatoplossing/-meststof) betreft een bodembedreigende, doch niet gevaarlijke vloeistof (meststof). Dit wordt opgeslagen in een 100 m3 silo die stevig verankerd is op de grondplaat. Voor deze tank gelden de eisen en richtlijnen zoals die zijn opgenomen in het Besluit
experts in biogas en droging
89
Activiteiten Leefomgeving. Het betreft een gesloten, versterkte polyestertank. Een afsluiter is aanwezig. Het laadpunt van spuiwater is voorzien van een aparte lekbak en een vloeistofkerende vloer. Deze tank wordt iedere 10 jaar volgende Kiwa-richtlijnen geïnspecteerd. Het personeel ontvangt een instructie welke maatregelen genomen moeten worden in het geval van lekkage, gericht op: • • • •
het vrijkomen van vloeibare meststoffen stoppen; afsluiters dichtzetten; alleen personeel inschakelen, dat bekend is met vloeibare meststoffen, het verontreinigende karakter van de meststoffen en het gebruik van hulpmiddelen; opruimen van het weggestroomde meststof houdende water na incident.
10.8.4 Bovengrondse opslagtank dieselolie De levering van brandstof (dieselolie) gebeurt vanuit een bovengrondse tankinstallatie, die staat opgesteld in de bestaande loods (nr. 55 op de milieutekening) op een vloeistofkerende vloer. Het betreft een stalen tank met 2.500 liter inhoud, met een gesloten omhulling van PE inclusief opvangbak, dus in feite dubbelwandig. De tank is uitgevoerd met overvulbeveiliging en anti-hevelvoorziening. Het betreft een KIWA gekeurde tank. De certificaten en nadere info over de tank worden als bijlage bij de aanvraag omgevingsvergunning gevoegd. De jaarlijkse doorzet schommelt tussen de 12.000 – 14.000 liter. Het aftanken vindt conform de eisen eveneens plaats boven een vloeistofkerende verharding/betonvloer. Er hangt een brandblusser in de nabijheid van de aftankplaats.
10.8.5 Overige gevaarlijke stoffen In de reeds vergunde inrichtingsactiviteiten vinden activiteiten plaats waaraan veiligheidsaspecten kleven. Er worden gevaarlijke (afval)stoffen opgeslagen, waaronder een jerry-can motorbrandstof en een kleine hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen. Daarnaast is er opslag van biogas. Ten behoeve van de luchtwasser wordt zwavelzuur opgeslagen. Voor de opslag van het zuur t.b.v. de gaswasser zijn voorschriften in de vergunning van 2018 opgenomen. Wat betreft de opslag en handelingen met gevaarlijke (afval)stoffen zijn voorschriften in de vergunning van 2018 opgenomen. Het gaat hier om voor dit soort bedrijven gebruikelijke producten en stoffen. Van de verschillende toe te passen hulpstoffen worden Veiligheidsinformatiebladen toegevoegd aan de omgevingsvergunningsaanvraag.
experts in biogas en droging
90
10.9 Explosieveiligheid In overeenstemming met de NEN-EN-IEC 60079-10 is het verplicht om voor installaties waarin brandbare gassen voorkomen te toetsen of zonering van toepassing is. Uit de aanwijzingen van de NPR 7910-1, gebaseerd op de NEN-EN-IEC-60079-10, blijkt dat Ex-zonering van de compressor- en procescontainer noodzakelijk is. Praktisch betekent dit dat de ruimte binnen in het gehele biogas procesgebouw een Zone 2 is in de zin van de ATEX-richtlijn 1999/92/EG (ATEX 137). Dit gebouw wordt middels een gedwongen ventilatiesysteem beveiligd. Alle apparatuur die zich in deze container bevindt voldoet aan de ATEXrichtlijn 94/9/EG (ATEX 95). Bij een ATEX-zone 2 behoort een afstand van 3 meter rondom de gasopwerkingsinstallatie. Binnen deze contour mogen geen (mogelijke) ontstekingsbronnen aanwezig zijn. De afstand tot het dichtstbijzijnde biogasopslagreservoir bedraagt ongeveer 50 m. Uit de aanwijzingen van de NPR 7910-1, gebaseerd op de NEN-EN-IEC-60079-10, blijkt dat Exzonering van de CO2-terugwiningsunit niet noodzakelijk is. De ruimte in deze container is een “safe area” in de zin van de ATEX-richtlijn 1999/92/EG (ATEX 137), en de hierin opgestelde apparatuur voldoet in het algemeen dan ook niet aan de ATEX-richtlijn 94/9/EG (ATEX 95). Indien het biogas/ groen gas onverhoopt niet direct kan worden afgezet, wordt het gas afgefakkeld.
De positionering van de fakkel of afblaasinrichting voldoet aan de veiligheidseisen conform het gestelde in de Richtlijn NPR 7910-1:2012. De ruimtes die vanuit brandveiligheid speciale aandacht behoeven zijn gebouwd volgens de daarvoor geldende bouwregelgeving. De installatie als geheel is uitsluitend geschikt voor gebruik in een safe area in de zin van de ATEXrichtlijn 1999/92/EG (ATEX 137). Voor de compressor- en procesruimte wordt hierbij een ventilatievoud van >5 gehandhaafd, conform de ATEX richtlijn. Voor de elektrische container is de ventilatie uitsluitend bedoeld om de besturingskasten niet te warm te laten worden. Overige veiligheidsmaatregelen: • Pressostaat aan de biogas inlaat, die de compressor stopt bij te lage biogasdruk. Hierdoor wordt onderdruk, en daarmee het risico op aanzuigen van lucht in het biogas, vermeden. • Temperatuurmeting aan de perszijde van de compressor, die de compressor stopt bij te hoge gastemperatuur. • Pressostaat aan de perszijde van de compressor, die de compressor stopt bij te hoge druk. • Afblaasveiligheid aan de perszijde van de compressor, als extra veiligheid tegen overdruk. • Alle motoren worden aangestuurd met frequentie-omvormers, met geïntegreerde beveiliging tegen te hoge draaisnelheid. • De compressor- en procescontainer is uitgerust met gasdetectie (CH4 en CO2).
Bij gasalarm gaat een flitslicht bij de deuren aan, om aan te geven dat de ruimte niet
experts in biogas en droging
91
• • •
betreden mag worden. In de elektrische en in de besturingsruimte is de aanwezigheid van biogas onmogelijk. Het gebouw met de groengasinstallatie is uitgerust met brandmelders. Noodstop knoppen zijn aangebracht zowel binnenin als aan de buitenzijde van het gebouw. In geval van nood (brandalarm, gasalarm, noodstop), wordt alle equipment direct stilgezet en spanningsloos geschakeld, met uitzondering van de containerventilatie. Ook gaan in de gasleidingen van en naar de installatie inblok afsluiters dicht (fail closed), zodat er geen gas meer in of uit kan.
Voor de vergunde co-/mestvergistingsinstallatie en bijbehorende voorzieningen en maatregelen zijn de mogelijke externe risico’s en gevaren eerder in kaart gebracht.
10.10 Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën De risico’s van ongevallen zullen in een bedrijfsnoodplan worden verwerkt en zullen worden gecommuniceerd met de brandweer en de Veiligheidsregio. Dit zal het geval zijn op het moment dat de biogasopwerkingsinstallatie t.b.v. productie groengas operationeel is. Er wordt conform een brandpreventieplan gewerkt waarin de aanwezige voorzieningen en procedures inzake preventie, detectie en bestrijding van brand worden beschreven. Dit plan wordt in overleg met lokale en regionale brandweer afgestemd. Voorts dient de opslag van de potentieel risicovolle chemicaliën aan de eisen van de laatste versie van de PGS 15 voldoen, hetgeen als BBT is te beschouwen. Tenslotte is het co-vergisten van mest al een bewezen techniek, en dus als BBT te beschouwen.
10.11 Best beschikbare technieken In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende BBT worden toegepast. Vanaf januari 2013 moet bij het bepalen van (BBT) rekening worden gehouden met BBT-conclusies en bij ministeriele regeling aangewezen informatiedocumenten over BBT. BBT-conclusies is een document met de conclusies over BBT, vastgesteld overeenkomstig artikel 13, vijfde en zevende lid van de Richtlijn industriële emissies (RIE). Het vijfde lid verwijst naar BBTconclusies vastgesteld na 6 januari 2011 onder het regime van de RIE. Het zevende lid verwijst naar de bestaande BREF’s. Het hoofdstuk uit deze BREF's waarin de BBT-maatregelen (BAT hoofdstuk) zijn opgenomen, geldt als BBT-conclusies, totdat nieuwe BBT-conclusies zijn vastgesteld.
experts in biogas en droging
92
BBT-conclusies worden door de Europese commissie vastgesteld en bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (een uitvoeringsbesluit van de Europese commissie dat gericht is tot de lidstaten). Zij worden daarom niet meer apart worden aangewezen in de Regeling omgevingsrecht. Voor de BBT toetsing is het relevant of de aangevraagde activiteiten als een IPPC installatie zijn aan te merken. Een IPPC-installatie is een installatie waarin een of meer van de activiteiten uit bijlage I van de Richtlijn industriële emissies (RIE) plaatsvinden. In bijlage 1 van de Richtlijn industriële emissies (2010/75/EU) staan drempelwaarden. Deze drempelwaarden hebben in het algemeen betrekking op de productiecapaciteit of op het vermogen. Wanneer een exploitant in dezelfde installatie of op dezelfde plaats verscheidene activiteiten van dezelfde categorie verricht, worden de capaciteiten van de activiteiten bij elkaar opgeteld. De voorgenomen activiteiten van De Greef m.b.t. de verwerking van afvalstoffen vallen onder categorie 5.3, lid b, onder i, van bijlage 1 van de RIE en wel om de volgende reden: Het betreft de nuttige toepassing van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 ton per dag.
De voor De Greef van toepassing zijnde BREF’s en referentiedocumenten betreffen: • BREF Afvalbehandeling; • BREF Koelsystemen; • BREF Op- en overslag bulkgoederen; • BREF Energie-efficiëntie; • REF Economic and cross media issues; • REF Monitoring. Een overzicht van de belangrijkste BBT-conclusies, de van belang zijnde BREF’s en de REF’s worden als bijlage bij de omgevingsvergunningsaanvraag gevoegd. In een apart hoofdstuk van het BBT document worden de BBT conclusies van het pluimveebedrijf opgenomen en getoetst. Medio 2018 is de Handreiking (co-)vergisting van mest geactualiseerd. De handreiking is per 1 juli 2019 niet meer aangewezen als beste beschikbare technieken (BBT)-document. De geactualiseerde handreiking bevat vooral uitleg van de (afvalstoffen)wetgeving in relatie tot co-vergisting. Daarnaast vallen grote pluimveebedrijven met meer dan 40.000 stuks pluimvee onder cat. 6.6 van de Richtlijn industriële emissies (RIE). De Europese Commissie heeft de Beste Beschikbare Techniekenconclusies van de intensieve pluimvee- en varkenshouderij gepubliceerd op 21 februari 2017 in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze BBT-conclusies gaan vooral over de volgende processen en activiteiten: • beheer van voeding voor het pluimvee; • bereiding van voeder (malen, mengen en opslag);
experts in biogas en droging
93
• • • • •
pluimveehouderij (huisvesting); verzameling en opslag van mest; verwerking van mest; uitrijden van mest; opslag van dode dieren.
Uit de toetsing blijkt dat De Greef voldoet aan de BBT-conclusies, aan de BREF’s en de REF’s.
10.12
Afvalwater
Er wordt onderscheid gemaakt in hemelwater en afvalwater van sanitaire voorzieningen en bedrijfsprocessen. Binnen de inrichting is sprake van de volgende waterstromen: • hemelwater; • perssappen opslag vaste mest en co-producten; • (licht) verontreinigd terreinwater; • huishoudelijk afvalwater; • lekken van aansluitkoppelingen silo’s vloeibare mest en co-substraten; • condenswater uit de gasleidingen (condensputten); • condenswater gaskoeling; • spuiwaterstroom chemische luchtwasser; • spuiwater groen gas installatie; • afvalwater biobedfilter. Met betrekking tot de 2e bullet wordt het volgende opgemerkt: De perssappen / percolaat uit de opslag vaste mest en co-producten en het hemelwater wat terecht komt op het vuile terreingedeelte en sleufsilo’s wordt door middel van gescheiden terreinkolken, uitmondend in een verzamelleiding naar een vuilwaterput (8 m3 inhoud) afgevoerd. Het vervuilde hemelwater bestaat uit mestresten en overige organische substraatstoffen en komt vrij bij het in- en uitrijden van de sleufsilo’s door de shovel/verreiker, het manoeuvreren van tankwagens en het inbrengen van vaste co-substraten in de invoerbak van het schroefvijzel invoersysteem. Het vervuilde terreinwater wordt met behulp van een dompelpomp teruggepompt in de vergister. Dit om het verlies van voedingsmateriaal van het vergistingsproces zoveel mogelijk te voorkomen.
De sleufsilo’s hebben een totale oppervlakte van 1.060 m2. De sleufsilo’s zijn op afschot gelegd naar de straatkolken en vervolgens de perssappen-/percolaatput. Volgens de KNMI is er sprake van een hoosbui als er sprake is van een plaatselijke neerslag van meer dan 25 millimeter in één uur. Er wordt rekening gehouden met 2.906 m2 afstromend oppervlak, waar sprake kan zijn van vervuild terreinwater (worst case situatie). Het hemelwater stroom onder afschot naar een 4-tal terreinkolken die zijn aangesloten op de opvangput. Dit betekent dat er in één uur sprake is van: • •
2.906 m2 x 0,025 m = 72,6 m3/uur; het afstromend oppervlak ligt op een gemiddeld afschot van circa 1,5-2,5 mm/m;
experts in biogas en droging
94
• •
de perssappen-/percolaatput heeft een inhoud van 8 m3; de dompelpomp in de opvangput heeft een capaciteit van 15 m3/uur.
Dit betekent dat in dit soort extreme situaties, dus als ook nog de sleufsilo’s (nagenoeg) leeg zijn, de perssappen-/percolaatput kan overstromen. In geval de dompelpomp de hoeveelheid niet aan kan en het waterniveau tot de onderkant van de put stijgt, krijgt initiatiefnemer i.c. de bedrijfsleider een signaal. In dat geval wordt de VacuümDrukTank (VDT) aangestuurd (klep wordt open gezet) om de put gedoseerd leeg te zuigen. De centrale VDT regelt (pompt en zuigt) alle vloeistofstromen die bij de vergister aan de orde zijn. De VDT heeft een veel grotere capaciteit (ten minste 100 m3/uur voor waterige stromen). De VDT is middels een aparte zuigleiding op de perssappenput aangesloten. Het inschakelen van de VDT is in de afgelopen 5 jaar enkele malen noodzakelijk gebleken. Uit het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het eventueel overstromen van de opvangput verwaarloosbaar is en dat vervuild hemelwater in ieder geval niet in het oppervlaktewater terechtkomt noch op de bodem. Bovendien heeft de biomassa in de sleufsilo’s (vaste co-producten) een vochtopnamevermogen van ten minste 15% (conservatieve aanname). Dat betekent dat normaliter ook na een hoosbui het water opgenomen wordt door de grondstoffen en het weer uittredende water weer redelijk regelmatig afstroomt.
Daarnaast zijn de sleufsilo’s aan 3 zijden omsloten door hoge keerwanden, waardoor ook in de sleufsilo’s zelf nog wateropslagcapaciteit beschikbaar is, toch zeker nog wel 15 à 20 m3. Bij de aanvraag wordt als bijlage de notitie ‘Afvalwaterstromen Mts. De Greef Agro Energy BV.’ opgenomen, waarin alle afvalwaterstromen worden toegelicht. Hieruit volgt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu in zoverre kunnen worden uitgesloten.
10.13
Energie en CO2
Er vindt een zeer beperkte verwarming plaats in de bedrijfsloods en kantoor/kantine. Het aardgasverbruik is te vergelijken met een huishoudelijk verbruik. Wel wordt er proceswarmte opgewekt door de verbranding van biogas. Het totaal elektriciteitsverbruik van de huidige in werking zijnde installaties en de nieuwe installaties bij de aangevraagde hoeveelheid te verwerken hoeveelheid mest en co-producten (60.000 ton per jaar) wordt geschat op bijna 5 miljoen kWh. Op basis van een voorbeeld menu en bij een inputcapaciteit van 60.000 ton mest en co-producten per jaar produceert de vergistingsinstallatie ongeveer 14,5 miljoen m3 biogas. Het doel is om alle geproduceerde biogas op te werken naar aardgaskwaliteit (zie ook tabel 3). Bij een productie van gemiddeld 850 m3 groengas per uur levert dit op 850 x 8.000 uur = 6,8 miljoen m3
experts in biogas en droging
95
groengas = aardgas per jaar, wat kan worden ingevoed in het 8 bar openbare aardgasnet van Liander. Ruim 4.500 huishoudens kunnen hiermee van groengas worden voorzien.1 Met de resterende hoeveelheid van 3,5 miljoen m3 biogas kan de WKK full time op vollast blijven draaien om te zorgen voor voldoende hoogwaardige warmte. Dit levert bij een verwachte groene stroomproductie van 1.000 kWh jaarlijks op 1.000 x 5.7402 = 5,7 miljoen kWh voor invoeding op het openbare elektriciteitsnet. Hiermee kunnen ongeveer 1.640 huishoudens kunnen van groene stroom worden voorzien. De warmte die vrijkomt bij verbranding van het biogas in de WKK wordt grotendeels gebruikt voor het drogen van alle dikke digestaatfractie en het op temperatuur houden van de navergister/validatiesilo. De resterende warmte voor het drogen wordt verkregen door de warmteterugwinning vanwege de oliekoeling van de compressoren groengas comprimeren en de CO2 liquefaction. De geproduceerde laagwaardige warmte dient om het te vergisten substraat op te warmen en om de vergisters op temperatuur te houden. De installatie zal op het punt van het energiegebruik en -verbruik aan de best beschikbaar technieken moeten voldoen). Er wordt binnen de inrichting groene stroom opgewekt, die ook aangewend kan worden voor de stroomlevering aan de groengas opwerkingsinstallatie en de CO2-liquefaction installatie.
De bij de compressie vrijkomende warmte gaat weer nuttig gebruikt worden voor de verwarming van de vergistersilo’s en voor het hygiëniseren van het digestaat in de validatiesilo. Bij de verbranding van biogas komt CO2 vrij, maar dit CO2 is slechts korte tijd daarvoor door de planten (tijdelijk) opgenomen uit de atmosfeer, waardoor de netto CO2-emissie nul bedraagt. Het proces levert dus geen bijdrage aan het broeikaseffect en levert een aanzienlijk aandeel in de productie van duurzame energie. De 1.000 kWe WKK levert een te verwachten reductie op van 3.760 ton CO2 per jaar in vergelijking met de verbranding van vergelijkbare hoeveelheid fossiel aardgas. De beoogde CO2-afvanginstallatie als onderdeel van de groengas productie (en dus aardgasbesparing) levert een CO2 vermijding op van 8.480 ton per jaar, wat anders zou zijn veroorzaakt door de inzet van fossiel aardgas3.
10.14 Conclusie en samenvatting Op basis van voorgaande informatie stelt Mts. De Greef Agro Energy BV. dat het opstellen van een milieueffectrapportage voor de voorgenomen activiteiten niet nodig is. De effecten voor het milieu zijn in deze aanmeldingsnotitie inzichtelijk gemaakt en worden in de aanvraag voor de omgevingsvergunning verder toegelicht. 1
850 m3 groen gas per uur x 8.000 uur = 6,8 miljoen m3 groengas per jaar ÷ 1.200 m3 gemiddeld verbruik per jaar per huishouden = 5.667 + 1.000 kWh stroomproductie per uur x 5.740 uur = 5,74 miljoen kWh per jaar ÷ 3.500 kWh gemiddeld verbruik per jaar per huishouden = 1.640 huishoudens. 2 De in 2018 door Rvo afgegeven SDE beschikking geldt voor maximaal 5.740 uur op jaarbasis en geldt voor de duur van 12 jaar. 3 Bij een CO2-emissiefactor van 56,4 kg/GJ conform publicatie van de Nederlandse emissieautoriteit en een calorische waarde van 31,65 MJ/Nm3 voor aardgas en een emissiefactor van 0 voor groen gas (pure biomassa).
experts in biogas en droging
96
De hier beschreven milieuaspecten van de beoogde aanpassing hebben geen negatieve gevolgen voor het milieu, sterker nog hoofdzakelijk positieve gevolgen. In onderstaande tabel zijn de behandelde milieuaspecten opgenomen met daarin aangegeven of de voorgenomen activiteit wel of geen significant negatief effect heeft op deze milieuaspecten. Tabel 4: Overzicht behandelde milieuaspecten Milieuaspect Geur
Significant effect? nee
Lucht
nee
Geluid
nee
Bodem(kwaliteit)
nee
Afvalstoffen
nee
(Afval)water
nee
Energie
nee
Verkeer en vervoer
nee
Veiligheid
nee
Opmerkingen Er zijn / worden technische maatregelen getroffen om eventuele geuroverlast te voorkomen, te weten plaatsing van twee chemische luchtwassers, lavareactoren en biobedfilter. Als emissiebeperkende voorzieningen voor stof wordt de luchtwasser geplaatst. Voor stikstof neemt de depositie niet significant toe. Er worden diverse geluid reducerende maatregelen uitgevoerd. Activiteiten vinden grotendeels binnen plaats en geluiduitstraling wordt – waar mogelijk - afgeschermd. Waar nodig worden onder de opslagen van bodembedreigende stoffen lekbakken/ opvangbakken geplaatst. Er wordt voldaan aan een verwaarloosbaar bodemrisico. Binnen het bedrijf ontstaan relatief weinig afvalstoffen. De uitbreiding van de inputcapaciteit brengt wel een hogere bio grondstoffen afzet met zich mee in de regio. De hoeveelheid afvalwater is beperkt. Het merendeel van het gebruikte water wordt voor luchtreiniging gebruikt. Het bedrijf pompt het vervuilde terreinwater terug in de vergister. Het energieverbruik hangt rechtstreeks samen met de aanwezige motoren, pompen en compressoren. Door technische maatregelen en good housekeeping wordt getracht het energieverbruik zoveel mogelijk te beperken. Het minimaliseren van het aantal transportkilometers voor eigen vervoer maakt deel uit van de standaard bedrijfsvoering, aangezien transportkilometers een kostenpost zijn voor het bedrijf.
Er zijn diverse maatregelen getroffen om het goederenvervoer zoveel mogelijk te beperken De wijzigingen leiden niet tot opslagen van gevaarlijke stoffen die een effect hebben buiten de inrichtingsgrens. Binnen de inrichting zijn diverse maatregelen getroffen om de kans op brand en explosie te minimaliseren.
experts in biogas en droging
97
Flora en Fauna
nee
Landschap
nee
Archeologie
nee
Het terrein is al ingericht voor het gebruik als vergistingsinstallatie en in het plangebied zijn geen waarnemingen gedaan van beschermde soorten. De landschappelijke waarden in het gebied worden niet aangetast en de bebouwing sluit aan bij omliggende gebouwen. Volgens de gemeentelijke kaart liggen de nieuwe na-opslag en vergister in het gebied met een lage verwachting.
In het onderhavige geval is naar opvatting van de initiatiefnemer geen sprake van bijzondere omstandigheden. De voorgenomen activiteit heeft door het treffen van maatregelen geen belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu.
experts in biogas en droging
98
11 Overige aandachtspunten •
•
•
•
• •
Vanwege de onzekerheid over toekomstige regelingen en de al eerder opgetreden vertragingen is Mts. de Greef Agro Energy BV. enorm bij gebaat om in de loop van 2026 een SDE-beschikking aan te vragen voor de groengas invoeding in het openbare net. In dat geval is er een goede kans dat het bedrijf de beschikking in het najaar 2026 krijgt toegewezen. Anders wordt het al gauw meer dan een jaar later en dat is in niemands belang. Na een uitgebreide marktanalyse en gesprekken met betrokken partijen is gebleken dat op dit moment een investering in het afvangen van CO2 en het niet in de buitenlucht af te voeren rendabel is, vanwege de nieuwe SDE-regeling. En ook de verplichte bijmengregeling van groengas in het aardgas zit er op korte termijn aan te komen, evenals de Europese goedkeuring van RENURE als kunstmestvervanger. Belangrijk om nog te vermelden is dat op de locatie al meer dan 5 jaar een biovergister is gevestigd met bestaande vergister- en mestopslagsilo’s en gebouwen. Het is natuurlijk niet voor de hand liggend om afscheid te nemen van deze locatie en elders een nieuwe biovergister te gaan bouwen, waar dezelfde randvoorwaarden gelden. Dat zou bovendien een grote kapitaalvernietiging met zich meebrengen en daar zit niemand op te wachten. Voor zover bekend heeft de biogasinstallatie bij Mts.
de Greef Agro Energy, ondanks dat deze nu al ruim 5 jaar in bedrijf is, nog nooit voor problemen gezorgd in de omgeving. Behoudens één klacht, direct na de opstartfase van de vergister, over stank, waarop direct door het bedrijf is geacteerd, zijn er geen klachten meer geventileerd. Door productie van groen gas wordt een bijdrage geleverd aan het verminderen van het verbruik van fossiel aardgas en wordt er door de korte CO2-cyclus een bijdrage geleverd aan vermindering van CO2-uitstoot. Door de CO2-geconcentreerde luchtstroom op te werken naar ongeveer 100% zuivere CO2 en vervolgens te vervloeien en nuttig te gaan toepassen, wordt een extra positieve bijdrage geleverd aan vermindering van de klimaatopwarming. Door mest te vergisten en het biogas nuttig in te zetten wordt een bijdrage geleverd aan substantiële beperking van de methaanemissie en zelfs N2O (= lachgas) emissie. Belangrijk is nog te vermelden dat de gewenste verdubbeling van de inputcapaciteit qua opslagbehoefte, voorbewerking van de grondstoffen, verwerking van de tussenproducten en nabehandeling van de afgezogen geurhoudende lucht binnen de bestaande en vergunde installatie onderdelen kan worden gerealiseerd.
experts in biogas en droging
99
12 Bijlagen 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Milieutekening 2708 - 22-10-2025_concept, incl. renvooilijst 1094_v4 Overzicht transportbewegingen DGAE 2025 60.000 tpj_v3 Geuronderzoek Olfasense HARO25A1 (DEF) Akoestisch onderzoek Noorman Bouw- en milieuadvies_22310242r03a_251031 Onderzoek luchtkwaliteit Noorman Bouw- en milieuadvies 22310242n02c_251121 Onderzoek stikstofdepositie Noorman Bouw- en milieuadvies 22310242n01d_251031 AERIUS_projectberekening_20251030105505_RyGzsqdPdcHy_Aantevragensituatie incl. randeffecten en extra beoordeling 8. Toelichting geur pluimveebedrijf en V-Stacks berekeningen vergunde en beoogde situatie_v320251119
experts in biogas en droging
100