08.a Voskuilerdijk 26_Toelichting.pdf
Tekst van het document
4.2
Archeologie, cultuurhistorie en monumenten
Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De uitgangspunten van het Verdrag van Malta vormen de basis voor de omgang met archeologie in deze wet. Naast archeologie op het land en onder water heeft de Erfgoedwet betrekking op museale objecten, musea en monumenten. Samen met de in 2022 in te voeren Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van het Nederlandse cultureel erfgoed mogelijk. In de Omgevingswet worden alle onderdelen rond de omgang met cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving samengebracht. Tot de invoering van deze wet zullen alle over te nemen delen van de Monumentenwet uit 1988 van kracht blijven. Ze zijn opgenomen in het overgangsrecht in de Erfgoedwet. Op grond van de Monumentenwet is de raad verplicht bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Op 20 juli 2021 is het gemeentelijke archeologiebeleid geactualiseerd. Op de archeologische waarden- en verwachtingskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting.
Uitsnede archeologische beleidskaart Planspecifiek De nieuwe na-opslag en vergister liggen in het gebied met een lage verwachting. Hier geldt als ondergrens voor archeologisch onderzoek een oppervlakte van 10.000 m2 én een diepte van 0,3 m -mv. Die ondergrens wordt niet overschreden. 23
De uitbreiding van de pluimveestal is gelegen in de gebieden met een hoge en middelhoge verwachting. Daar geldt als ondergrens voor archeologisch onderzoek een oppervlakte van 100 m2 bij een hoge verwachting en 1.000 m2 bij een middelhoge verwachting én een diepte van 0,3 m -mv. Ondanks dat die oppervlaktes overschreden worden, wordt de ondergrens van niet dieper dan 0,3 m onder het maaiveld niet overschreden op basis van de bouwplannen zoals ze nu bekend zijn. Archeologisch onderzoek is daarom nu niet noodzakelijk. De archeologische waarden blijven beschermd met archeologische dubbelbestemmingen. In het plangebied zelf zijn geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig. Wel is het plangebied gelegen in het cultuurhistorisch waardevolle Grebbelinielandschap. Met dit bestemmingsplan worden geen nieuwe bouwmogelijkheden gerealiseerd. Enkel krijgt het plangebied een andere landschappelijke inpassing, waar de huidige gebouwen blijven staan. Hiermee worden de cultuurhistorische waarden van de Grebbelinie niet negatief beïnvloed. Monumenten zijn niet aanwezig in het plangebied.
4.3
Ecologie
Per 1 januari 2017 zijn de Flora- en faunawet, de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een afwijkingsplicht. Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000- gebieden en het Natuurnetwerk Nederland en de Groene contour. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Planspecifiek Voor dit plan is door adviesbureau Groenewold een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd.
Deze quickscan is opgenomen als Bijlage 9 bij deze toelichting. Hierna worden de uitkomsten kort besproken. Soortenbescherming Er zijn geen beschermde soorten gevonden of te verwachten, behoudens enkele broedende vogels tijdens het broedseizoen en nesten van de boerenzwaluw aan de oostgevel van de pluimveestal. Specifiek is gezocht naar aanwijzingen voor nesten van uilen en mogelijk verblijfplaatsen van beschermde zoogdieren. Deze zijn niet aangetroffen of te verwachten. Vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen, uilen of marters zijn uit te sluiten. Nesten van de boerenzwaluw zijn alleen beschermd als er geen andere opties in de omgeving zijn. Die zijn er wel en na realisatie van de uitbreiding kunnen de oostgevels van de stallen weer worden gebruikt als nestplaats. Advies is om een aantal kunstnesten te plaatsen, om de vogels sneller te verleiden daar weer te gaan broeden. De huidige kwaliteit van het gebied als foerageergebied voor vogels en vleermuizen is matig tot redelijk. Realisatie van het plan heeft naar verwachting verder geen negatieve gevolgen voor de foerageermogelijkheden. Er geldt een vrijstelling voor de algemeen beschermde soorten. Overigens blijft de algemene zorgplicht altijd van kracht. Er vindt door realisatie van het plan/uitvoering van de activiteiten dan geen overtreding plaats van de verbodsbepalingen van art. 3.5 en 3.10 Wet natuurbescherming.
Het aanvragen van een Wnb ontheffing soorten is daarmee niet nodig. Gebiedsbescherming Op basis van de ligging en aard van de ruimtelijke ingrepen is de conclusie dat deze ingreep geen negatieve invloed heeft op de specifieke natuurwaarden. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn de Veluwe, Rijntakken en Binnenveld, alle op ca. 11 km afstand. Er zijn geen gevolgen te verwachten op daarin beschermde soorten of habitats. Vooralsnog is aanvragen van een Wnb vergunning gebieden niet nodig. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour. Hiervoor geldt geen externe werking. Nader onderzoek is niet nodig. 24
Voor dit plan is een stikstofonderzoek uitgevoerd door adviesbureau Noorman, opgenomen als Bijlage 10. Daaruit blijkt dat op voorhand significante effecten niet zijn uit te sluiten. Er is sprake van vergunningplicht. Het project dient passend te worden beoordeeld. In dat kader mag intern worden gesaldeerd met de reeds vergunde emissies en depositiebijdrages. Het is aannemelijk dat een natuurvergunning verkregen kan worden voor de beoogde situatie.
4.4
Waterparagraaf
Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Planspecifiek Met dit plan neemt het bebouwd oppervlak op het plangebied toe met circa 1.880 m2. Voor deze toename wordt een waterberging met een capaciteit van 59,73 m3 gerealiseerd (zie inrichtingsplan in paragraaf 2.3). Voor dit plan is een notitie gemaakt waarin de waterhuishouding beschreven wordt, zie Bijlage 11. Het hemelwater dat op de nieuwe gebouwen valt zal, op dezelfde wijze als de woning en bijgebouwen, afgevoerd worden richting de omliggende weilanden en sloten. Door het plangebied loopt een C-watergang. Die watergang loopt door/onder een duiker. De uitbreiding van de stal komen over die duiker te liggen. Door dit bestemmingsplan worden geen nieuwe sloten of ander oppervlaktewater binnen het plangebied geïntroduceerd. Negatieve effecten op de waterhuishouding zijn niet aan de orde.
4.5
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 6.12, eerste lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen dat in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is aangewezen. Onderhavig wijzigingsplan voorziet niet een bouwplan in de zin van de Bro. Derhalve is het vaststellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk. Met de initiatiefnemer is een overeenkomst gesloten. Hierin is geregeld dat alle kosten die samenhangen met het onderhavige bestemmingsplan voor rekening komen van initiatiefnemer. Deze herziening heeft derhalve voor de gemeente geen financiële gevolgen.
25
Hoofdstuk 5
Juridische planopzet
In hoofdstuk 2 is de voorgestane invulling van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 4 toont aan dat deze invulling uitvoerbaar is. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die de invulling mogelijk maakt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. Voor de regels van dit plan zijn de regels uit het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2010, in combinatie met de reparatieherziening daarvan: bestemmingsplan Buitengebied 2013 (herziening), als basis gebruikt. Die regels zijn vervolgens ontdaan van overbodige elementen, geactualiseerd op gewijzigde wetgeving en op onderdelen aangepast in verband met de beoogde situatie in het plangebied. Het plangebied van dit bestemmingsplan omvat in ieder geval, en vervangt daarmee, het plangebied van het wijzigingsplan 'Voskuilerdijk 26'. De gegeven bestemmingen worden hierna kort besproken.
5.1
Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - Reliëf
Een gedeelte van het plangebied blijft de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - Reliëf' behouden. Met deze bestemming blijven de gronden in hoofdzaak bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met uitzondering van fruitteelt, sierteelt, bollenteelt en paardenhouderijen. Ook de aanduiding 'intensieve veehouderij' blijft behouden. De aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - mestvergistingsinstallatie' vervalt.
5.2
Bedrijf
Het deel van het plangebied waar de bebouwing aanwezig is en komt voor de mestvergistingsinstallatie krijgt de bestemming 'Bedrijf'. Verder krijgt deze bestemming de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf mestvergistingsinstallatie'. Bedrijfsbebouwing is toegestaan binnen het bouwvlak. Een bedrijfswoning is uitgesloten. Voor bedrijfsgebouwen geldt een maximale goot- en bouwhoogte van 6 en 11 meter. Voor mestvergisters- en opslagen geldt een maximale bouwhoogte van 13 meter.
5.3
Overige bestemmingen en aanduidingen
De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan. Naar verwachting aanwezige, archeologische waarden worden hiermee beschermd. Verder is gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied' overgenomen.
26
Hoofdstuk 6 6.1
Inspraak en overleg
Vooroverleg
Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1-1-2024 is voor dit plan afgezien van vooroverleg en wordt het plan in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening gelijktijdig met het ontwerp bestemmingsplan verzonden.
6.2
Voorontwerp
De ontwikkeling die dit plan mogelijk maakt, heeft een beperkte invloed op zijn omgeving. Andere, bebouwde percelen zijn op ruime afstand gelegen. Daarom heeft geen voorontwerp van dit plan voor inspraak ter inzage gelegen. Initiatiefnemer heeft een inloopavond georganiseerd waarin de planvoornemens gepresenteerd zijn aan de buurtbewoners. De bewoners van de Voskuilerdijk 13,15, 23, 20, 24, 28, 30, 36, 40 en de Kolfschoterdijk 24 waren hierbij aanwezig. De zorgen die geuit werden gaan over geuroverlast, verkeershinder, het nakomen van eventuele gemaakte afspraken en het borgen van goede communicatie in de toekomst. Geuroverlast wordt met dit bestemmingsplan juist aangepakt door het mestbassin te vervangen door een lucht-/gasdichte opslagsilo. Met de andere punten is de initiatiefnemer nog aan de slag. Hij zal daar op een later moment op terugkomen. Zo heeft hij voor verkeershinder in onderzoek of hij de routing voor de vrachtwagens zo kan laten lopen dat de gevolgen voor de omgeving door de uitbreiding tot een minimum beperkt worden.
6.3
Ontwerp
Het ontwerp van dit bestemmingsplan heeft van 29 december 2023 tot en met 8 februari 2024 ter inzage gelegen. Toen zijn [P.M.] zienswijzen ingediend.
27