07c. Zienswijze van prof. em. dr. A.W. Koers inzake NRD plan-mer windturbinebepalingen.pdf
Tekst van het document
NOTITIE REIKWIJDTE EN DETAILNIVEAU PLAN-MER WINDTURBINEBEPALINGEN Zienswijze van prof. em. dr. A.W. Koers, Bittenserpaed 6, 8744 ez Schettens Email: a.w.koers@gmail.com
1. SLOTCONCLUSIE OP BASIS VAN ALLE COMMENTAREN HIERNA In de paragrafen hierna geef ik aan wat mijn opmerkingen – lees: bedenkingen – zijn bij de “Notitie Reikwijdte en Detailniveau voor het planMER Windturbinebepalingen Leefomgeving” (hierna: de NRD) Die opmerkingen laten zich bundelen in één samenvattende conclusie. Een m.e.r. (de procedure en het onderzoek) en een MER (het eindrapport) op basis van de onderhavige NRD zal zodanige defecten en leemtes hebben dat het bevoegd gezag – in casu het Rijk – bij het nemen van besluiten over nieuwe windturbinebepalingen op basis van deze m.e.r. en MER handelt in strijd met het Unierecht, in het bijzonder de SMB-richtlijn uit 2001, en de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Zodat die besluiten in rechte aanvechtbaar zullen zijn op dezelfde of vergelijkbare gronden als de windturbinebepalingen uit 2010/2011 die nu buiten toepassing moeten blijven wegens strijd met het Unierecht en de Awb. Ik neem aan dat er op de ontvangen zienswijzen gereageerd zal worden in de vorm van een “reactienota” of vergelijkbaar document. Mocht in die reactienota bovenstaande conclusie bestreden worden, althans niet worden gedeeld, dan vertrouw ik er op dat de redenen voor dit afwijkende standpunt expliciet worden vermeld in de nota.
Uiteraard vertrouw ik er ook op dat alle opmerkingen en conclusies in de onderstaande paragrafen eveneens geadresseerd worden in die reactienota. 2. DE NRD GAAT VOORBIJ AAN HET FEIT DAT DEZE PLAN-MER EEN PRIMEUR IS Zoals de NRD expliciet vermeldt op p. 11 is dit is de eerste keer dat er in ons land een plan-mer uitgevoerd gaat worden in relatie tot een voorgenomen wettelijke regeling, in dit geval een AMvB. Tot nu toe gingen plan-mer’s over een plan van de overheid voor een infrastructureel werk van algemeen belang of over een beleidsvisie zoals de Structuurvisie Wind op Land uit 2014. Op de reden voor deze primeur behoef ik hier niet in te gaan omdat dit inmiddels als feit van algemene bekendheid kan worden aangemerkt, zeker bij degenen die deze zienswijze zullen lezen en beoordelen. Gegeven het feit dat het hier gaat om een primeur is het opmerkelijk dat de staatssecretaris van EZK reeds in haar brief van 6 juli 2021 aan de Tweede Kamer over de gevolgen van de 30 juni uitspraak van de Raad van State zonder enige reserve verklaart dat ze verwacht nieuwe windturbinebepalingen te kunnen vaststellen binnen 1 ½ tot 2 jaar – terwijl haar Vlaamse collegae geconfronteerd met hetzelfde probleem rekenen op minstens drie jaar.
Uiteraard moet er in die 1 ½ tot 2 jaar van de staatssecretaris ook een plan-mer worden uitgevoerd want het ontbreken van een plan-mer was immers juist de reden dat de oude windturbinebepalingen onderuit gingen. In de NRD staat een schema met de tijdslijnen (p.11) die inderdaad nieuwe bepalingen opleveren per medio 2023, maar nergens wordt onderbouwd dat die tijdslijnen haalbaar zijn: het lijkt eerder een weergave van een politiek wensbeeld, dan een op analyse en reflectie berustende planning.
1
Commentaar 1 Ik geef de nu verantwoordelijke bewindspersonen in overweging om zo spoedig mogelijk een analyse te maken van de stappen die nodig zijn om te komen tot nieuwe windturbinebepalingen en om per stap zoveel tijd de nemen als nodig is voor een inhoudelijk degelijke en procedureel zorgvuldige gang van zaken. Dit lijkt uitgesloten als de planning van de NRD wordt aangehouden. Ik heb de indruk dat bij een dergelijke analyse de Wet Milieubeheer en dan met name de paragrafen 7.2 en 7.3 weliswaar een algemeen kader vormen, maar dat die bepalingen niet veel steun bieden omdat ze toch vooral gericht lijken te zijn op een plan-mer dat betrekking heeft op een infrastructureel initiatief en niet op voorgenomen wetgeving. Voor de opzet en inhoud van een inhoudelijk degelijke en procedureel zorgvuldige plan-mer is meer houvast te vinden in de SMB-richtlijn van de EU uit 2001: die bevat tal van aanwijzingen – soms zelfs: bindende instructies - die aangeven welke eisen het Unierecht stelt aan een m.e.r. (de procedure) en de MER (het eindrapport). Het komt mij voor dat het zaak is die eisen serieus te nemen, nu immers de oorsprong van de huidige problemen juist ligt in het niet in acht nemen van het Unierecht bij het vaststellen in 2010 van de nu gewraakte windturbinebepalingen.
Commentaar 2 Ik geef de nu verantwoordelijke bewindspersonen in overweging om zo spoedig mogelijk een analyse te maken van de eisen die het Unierecht – en dan met name de SMB-richtlijn – stelt aan een plan-mer voor een wettelijke regeling. Dit mede om te voorkomen dat in de toekomst ook de nieuwe windturbinebepalingen niet blijken te voldoen aan die eisen. Analyses als zojuist voorgesteld zullen eveneens duidelijk maken wat wel en wat niet thuis hoort in een plan-mer voor een wettelijke regeling. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat er in de NRD veel passages voorkomen waarbij de vraag gesteld kan worden waarom die zijn opgenomen – wat ze toevoegen aan het doel van een NRD: aangeven wat er onderzocht moet worden in een m.e.r. en hoe dat gedaan moet worden. Wat mij betreft gaat het daarbij met name om hoofdstuk 4 over de referentiesituatie. Allemaal informatie – zelfs een kaartje waar Nederlanders wonen (p. 20)! – zonder dat dit leidt tot enigerlei conclusie met betrekking tot opzet en inhoud van de m.e.r. De andere kant van de medaille is dat er in de NRD ook heel wat informatie ontbreekt die nu juist essentieel lijkt te zijn voor de opzet en inhoud van het onderzoek van de plan-mer. Ik kom daar later in paragraaf 5 op terug.
En dan is er ook nog een soort tussenvorm: de NRD bevat tal van discussies over aspecten die van belang lijken te zijn in het kader van een plan-mer voor een wettelijke regeling – zie bijvoorbeeld paragraaf 5.1 – maar die discussies leiden niet tot enigerlei conclusie met betrekking tot opzet en inhoud van de m.e.r. en hun betekenis blijft dus in de lucht hangen. Ook hier kom ik later op terug, met name in relatie tot het ontbreken van onderzoek naar alternatieven. Commentaar 3 Een NRD moet aangeven wat er in een m.e.r. onderzocht moet worden en hoe dat gedaan moet worden. In dat perspectief bevat de NRD tal van overbodige en nutteloze passages; leiden wel relevante passages niet tot concrete conclusies over opzet en inhoud van de m.e.r.; en ontbreekt er essentiële informatie met betrekking tot opzet en inhoud van het uit te voeren onderzoek. Weliswaar erkent de NRD dat de plan-mer betrekking heeft op nieuw en onbekend terrein, maar dit neemt niet weg dat toch geprobeerd wordt alles zoveel mogelijk bij het oude te laten. Vandaar al die 2
in mijn ogen overbodige passages en vandaar aanzetten tot een andere aanpak die niet concreet worden gemaakt. Ik heb de stellige indruk dat tijdsdruk hiervan de oorzaak is: “snel een NRD opstellen, snel een zo traditioneel mogelijke plan-mer want anders halen we die termijn van 1 ½ jaar van de staatsecretaris niet”. Tussenconclusie 1 De NRD laat op tal van manieren zien dat het haastwerk is geweest: overbodige informatie, zaken die niet worden uitgewerkte en veel onduidelijkheid over opzet en inhoud van het uit te voeren onderzoek. Vanwege die haast ook geen grondige analyse van wettelijke kaders en een planning die berust op politiek wensdenken. Kortom: een mindset en aanpak die al te veel lijkt op de gang van zaken in 2010. En hoe dat afliep, weten we. 3. DE NRD LEIDT NIET TOT ONDERZOEK DAT ONAFHANKELIJK EN OBJECTIEF IS Als een m.e.r. en een MER aan één eis moeten voldoen, dan is het wel: onafhankelijkheid en objectiviteit. Essentieel is dan een transparante en duidelijke rolverdeling tussen de partijen die betrokken zijn bij het uitvoeren van de m.e.r. en het opstellen van de MER. Kern daarvan is dat na het vaststellen van de NRD de onderzoekers in alle vrijheid hun gang kunnen gaan om te onderzoeken wat onderzocht moet worden en dat zowel belanghebbende partijen als overheden lopende het onderzoek op “arm’s length” blijven. Dit principe wordt in de NRD met voeten getreden.
Op meerdere plaatsen – zie met name p. 11 – wordt aangegeven dat het uitvoeren van de plan-mer gelijk op zal gaan met het ontwikkelen van de nieuwe windturbinebepalingen. Er zal voortdurend overleg zijn tussen het team dat de m.e.r. uitvoert en het team dat de nieuwe wettelijke regeling gaat opstellen. Die gang van zaken lijkt manifest in strijd met de essentie van het hele m.e.r.-systeem date immers gebaseerd is op één cruciaal uitgangspunt: eerst informeren en dan pas beslissen. Dat is ook wat artikel 3:2 Awb eist, wat de Wet Milieubeheer eist en wat – last but not least – de SMB richtlijn eist. Commentaar 4 De NRD schendt een essentieel uitgangspunt van het gehele m.e.r.-systeem: dat de onderzoekers bij het uitvoeren van het onderzoek als voorzien in de NRD in onafhankelijkheid en objectiviteit hun werk kunnen doen. De NRD voegt het uitvoeren van de m.e.r. en het ontwikkelen van nieuwe wettelijke bepalingen samen in één interactief proces. Dit is manifest in strijd met bovenstaand uitgangspunt. In deze aanpak kunnen het onderzoek van de plan-mer en de uitkomsten daarvan nooit aanspraak maken op onafhankelijkheid en objectiviteit. Dit probleem wordt nog verergerd door het feit dat de NRD op meerdere plaatsen stelt dat in de m.e.r.
niet alleen naar milieueffecten moet worden gekeken, maar dat ook al direct rekening moet worden gehouden met beleidsdoelen zoals het realiseren van meer windparken op land. Zie o.a. pp. 8, 23, 31 en 37. Ook dit is een directe aantasting van de onafhankelijkheid en objectiviteit van de m.e.r. en de MER. Een m.e.r. moet het beleid informeren en niet het beleid de m.e.r. Commentaar 5 Vanuit de eis van onafhankelijkheid en objectiviteit is het principieel niet aanvaardbaar dat de NRD voorschrijft dat er in het plan-mer onderzoek en in de op te stellen MER al direct rekening wordt gehouden met beleidsdoelen zoals ruimte vinden voor meer windparken op land. Een m.e.r en een MER informeren en pas daarna beslissen de beleidsmakers. Zie artikel 3:2 Awb.
3
Tussenconclusie 2 Een m.e.r. en een MER zijn alleen van waarde als het onderzoek – binnen de kaders van de NRD – in onafhankelijkheid en objectiviteit wordt uitgevoerd. Niet alleen voorziet de NRD niet in waarborgen voor onafhankelijkheid en objectiviteit, maar de aanpak die de NRD voorstelt, is op meerdere punten manifest in strijd met de eis van onafhankelijkheid en objectiviteit. Is de reden ook hier weer haastwerk? Die 1 ½ jaar van de staatssecretaris? 4. DE NRD LEIDT NIET TOT EEN M.E.R. MET VOLDOENDE WETENSCHAPPELIJKE KWALITEIT In hoofdstuk 5 en dan met name in paragraaf 5.1 van de NRD komt de vraag zijdelings aan de orde: is het überhaupt mogelijk om op landelijk niveau op een wetenschappelijk verantwoorde manier onderzoek te doen naar de milieueffecten van windturbinebepalingen voor geluid, slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheid? Of zijn die milieueffecten altijd zodanig locatie-specifiek dat wetenschappelijk verantwoorde conclusies op landelijk niveau eigenlijk niet mogelijk zijn? Het is daarom een gemiste kans dat de an sich waardevolle beschouwingen over de typologie van mogelijke windturbinebepalingen in paragraaf 5.1 niet uitmonden in het definiëren van enkele in de m.e.r. te onderzoeken alternatieven.
Bijvoorbeeld: helemaal geen landelijk regels, dus alles lokaal; lokaal maatwerk op basis van landelijke instructieregels en andere algemene kaders; of nog weer wat anders. Het ontbreken van alternatieven – en dus van onderzoek naar alternatieven – betekent dat er vanuit wetenschappelijk perspectief een essentiële stap wordt gemist. Commentaar 6 De NRD voorziet er dus niet in dat in het plan-mer onderzoek de wellicht meest cruciale wetenschappelijke vraag – kunnen de milieueffecten van algemene landelijke regels überhaupt wel worden onderzocht? – aan bod komt. Daarnaast leidt dit er toe dat er geen in de plan-mer te onderzoeken alternatieven worden gedefinieerd, terwijl dit wel een essentiële bouwsteen is in de gehele m.e.r. systematiek. Vanuit de optiek van wetenschappelijke kwaliteit is er meer aan de hand. Zo erkent de NRD een enkele keer dat voor bepaalde aspecten de bestaande kennis onvoldoende kan zijn, maar wordt daar niet de voor de hand liggende conclusie getrokken dat er dus nieuw onderzoek nodig is. Is dit al onbegrijpelijk, des te onbegrijpelijker is het dat er met betrekking tot enkele reeds lopende onderzoeken wordt gezegd dat de uitkomsten meegenomen zullen worden “als er tijd” is. Zie pp. 8, 11, 29 en 34.
En dit terwijl de SMB-richtlijn, maar ook de Wet Milieubeheer eisen dat in een MER leemtes in kennis expliciet worden vermeld opdat daarmee rekening kan worden gehouden bij het nemen van besluiten. Commentaar 7 Gegeven het feit dat de NRD erkent dat er zich leemtes qua kennis voordoen, is het niet aanvaardbaar dat de NRD stelt dat de uitkomsten van een aantal reeds nu lopende onderzoeken slechts worden meegenomen “als er tijd is”. Het motto is kennelijk: “Gewoon doorgaan ook al weten we niet wat er aan de hand is want we moeten die termijn van 1 ½ jaar van de staatssecretaris halen!” En dan zijn er de nodige methodologische kwesties die niet geadresseerd worden, laat staan opgelost. Eén zo’n methodologische kwestie werd al genoemd: of de milieueffecten van nieuwe bepalingen überhaupt wel op landelijk niveau onderzoekbaar zijn. Een andere betreft een welhaast Gordiaanse 4
knoop: hoe kan de “referentiesituatie” – huidige situatie plus autonome ontwikkelingen – gedefinieerd en beschreven worden? Neem de “huidige situatie”: die is wèl het gevolg van het meer dan 10 jaar lang hanteren van wettelijke normen die niet gehanteerd hadden mogen worden en dus zou gesteld kunnen worden dat die “huidige situatie” nu juist niet als vertrekpunt mag dienen. En dan die “autonome ontwikkelingen”: hoe kan er juist in de huidige situatie van onduidelijkheid op een wetenschappelijk verantwoorde manier iets worden gezegd over de toekomst van wind op land zonder nieuwe wettelijke regelingen? Ik erken dat het niet gemakkelijk is dit soort methodologische vragen te beantwoorden, maar er geheel aan voorbij gaan zonder ze zelfs te noemen, is wel het andere uiterste. En ook dit maakt de wetenschappelijke kwaliteit van het plan-mer onderzoek dubieus is. Commentaar 8 Als de NRD opgevat wordt als een instructie voor het in de plan-mer uit te voeren onderzoek, dan schiet de NRD tekort doordat essentiële methodologische vragen niet aan de orde worden gesteld, laat staan geadresseerd op een manier die de wetenschappelijke kwaliteit van het onderzoek ten goede zou komen. Tenslotte: gegeven bovenstaande bedenkingen bij de wetenschappelijke kwaliteit wekt het des te meer verbazing dat de NRD zonder blikken of blozen aangeeft dat de m.e.r.
weliswaar het jaar 2030 als tijdshorizon zal hanteren, maar dat er ook een “kwalitatieve” doorkijk naar 2050 zal worden uitgevoerd. Is dat niet eerder science fiction dan wetenschap? En wat levert het op anders dan schijnbare synchroniteit met andere beleidslijnen die ook werken met doelstellingen voor 2050? Is het niet belangrijker alle energie te richten op het onderzoeken, zo goed als maar mogelijk is, van de milieueffecten van nieuwe wettelijke regelingen in de komende 10 jaar? Commentaar 9 Die plan-mer en het daarvoor noodzakelijke onderzoek is al ingewikkeld genoeg. Zet alles op alles om dat onderzoek zo goed mogelijk te doen en hanteer daarbij een tijdshorizon van maximaal tien jaar. Een “kwalitatieve doorkijk” naar 2050 is politiek wensdenken en wetenschappelijk totaal ongeloofwaardig. Tussenconclusie 3 De NRD faalt als die NRD beoordeeld wordt op de vraag of de wetenschappelijke kwaliteit van het onderzoek wordt gegarandeerd. Integendeel, de NRD gaat voorbij aan aspecten die juist vanuit die vraag en dat perspectief aan de orde hadden moeten komen. 5. DE NRD LEIDT TOT EEN M.E.R. WAARIN ESSENTIËLE ONDERWERPEN ONTBREKEN Naast bovenstaande, meer algemene aspecten van de NRD – of, exacter, van het onderzoek dat in de NRD wordt voorgesteld – zijn er meerdere onderwerpen die ontbreken in de NRD, dan wel daarin onvolledig of gebrekkig aan de orde worden gesteld.
En die dus ook in het plan-mer onderzoek niet of niet goed aan de orde zullen komen.
5
Het meest belangrijke – om niet te zeggen: meest cruciale – onderwerp dat ontbreekt is gezondheid. En om mijn opvatting op dit punt maar direct op tafel te leggen: het doodzwijgen in de NRD – en dus in de plan-mer - van eigenstandig onderzoek naar mogelijke gezondheidseffecten is wat mij betreft juridisch onaanvaardbaar en moreel verwerpelijk. Gezien dit oordeel neem ik hierna wat meer ruimte voor dit onderwerp. Artikel 22, lid a van de Grondwet zegt: De overheid treft maatregelen ter bevordering van de gezondheid. Artikel 168 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zegt: Bij de bepaling en de uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Unie wordt een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid verzekerd. Artikel 12, ld 1 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten zegt: De Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen het recht van een ieder op een zo goed mogelijke lichamelijke en geestelijke gezondheid. Doelstelling van het Verdrag van Aarhus is bij te dragen aan het recht van elk mens om te leven in een milieu dat passend is voor zijn of haar gezondheid en welzijn (artikel 1). Het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens erkent dat de overheid mag ingrijpen in het privé leven als dat nodig is ter bescherming van de gezondheid.
En, last but not least, zowel de SMB-richtlijn als de Project-richtlijn eisen dat er in een m.e.r. onderzoek wordt gedaan naar de gezondheidsaspecten van een plan of programma. En – gegeven al deze ook voor Nederland geldende juridische verplichtingen - wat zegt de NRD? Ik citeer: “Gezondheid wordt in het planMER meegenomen in de vorm van de geluidsbeoordeling” (p. 41). Er volgen dan wat vrome woorden over het meenemen van nieuwe inzichten, maar feit is dat – ondanks de Grondwet en ondanks al die internationale verplichtingen - er in de plan-mer geen eigenstandig onderzoek zal worden gedaan naar de gezondheidseffecten van de nieuw vast te stellen wettelijke regelingen! En als er in de m.er. geen onderzoek wordt gedaan naar gezondheidseffecten als zodanig, dan zal de MER daar ook niks over zeggen en zal er dus door het Rijk over de nieuwe wettelijke regels en normen worden besloten zonder informatie over mogelijke gezondheidseffecten! Dat ene zinnetje van bovenstaand citaat staat niet op zichzelf, maar is tekenend voor de NRD als geheel. In de NRD word het gezondheidsaspect en de mogelijke gezondheidseffecten niet benoemd of – beter gezegd – systematisch doodgezwegen. Zie de diverse lijstjes met te onderzoeken aspecten en zie andere teksten onder andere op de pp. 8, 23, 25, 28, 29 en 30. Nergens wordt gezondheid opgevoerd als een zelfstandig aspect dat in de m.e.r.
op de eigen merites onderzocht moet worden. En dit terwijl er sowieso al helemaal geen onderzoek wordt gedaan naar de gezondheidseffecten van 1, 2 of 3 turbines want die vormen volgens het Besluit milieueffectrapportage geen windpark en dus geldt er geen mer-plicht. Jammer als je naast een solitaire turbine woont! Maar, zo zullen de opstellers van de NRD wellicht tegenwerpen: we nemen het gezondheidsaspect toch mee met het onderzoek naar geluid? Jazeker, dat staat er, maar dit is precies de manier waarop overheden zelfstandig onderzoek naar gezondheidseffecten jarenlang op een doodlopend zijspoor hebben gezet: door het te framen als een aspect van geluid - alsof alleen geluid gezondheidseffecten heeft. Ook de NRD doet volop mee aan dit frame – zie bijvoorbeeld pp. 7 en 36 – en ook de NRD zet met die benadering eigenstandig onderzoek naar mogelijke gezondheidseffecten op dat doodlopende zijspoor. Daarmee gaat de NRD al op voorhand en zonder enige onderbouwing, laat staan bewijs, voorbij aan het feit dat er in toenemende mate aanwijzingen – en wellicht zelfs bewijs – is dat windturbines ook geheel andere gezondheidseffecten hebben dan de effecten die samenhangen met geluid. Zie de discussies over het transport van fijnstof en zie onderzoek dat uitwijst dat de erosie van wieken het uitermate gevaarlijke bisphenol a in de atmosfeer brengt.
En daar geen onderzoek naar doen, terwijl het gaat om wettelijke regels die bedoeld zijn om vele jaren te gelden in het gehele land? En dan ook nog eens zonder enige discussie al die verdragen gewoon aan de laars lappen? Met oogkleppen op weg naar een tweede Urgenda zaak? 6
Commentaar 10 De conclusie ligt voor de hand: de NRD faalt – juridisch en moreel – in het kwadraat als het gaat om onderzoek in de plan-mer naar de gezondheidseffecten van windturbines en gaat gewoon door op de oude voet: het gaat alleen om geluid, RIVM literatuurstudies wijzen uit dat er geen bewijs is en “dus” gaan we dat ook niet onderzoeken. Never mind al die internationale verdragen, never mind dat er serieuze aanwijzingen zijn daar er meer aan de hand is dan geluid en never mind dat er wel (veld)onderzoek gedaan wordt naar het effect van windturbines op het welzijn van dieren. En dan wil de Rijksoverheid het vertrouwen van mensen herwinnen? Dit is niet het enige. De NRD laat ook steken vallen zelfs als het gaat over geluid en de milieueffecten van geluid. Op p. 32 maakt een “slip of the pen” duidelijk hoe de opstellers van de NRD denken over geluidsnormen: in de plan-mer zullen, zo wordt daar gezegd, geen varianten worden onderzocht met geluidsnormen die “soepeler” zijn dan de oude Lden 47 dB norm want er zijn geen aanwijzingen dat die norm “te streng” zou zijn. Normen zijn dus “te streng” als ze de bouw van windturbines beperken en die oude, nu gewraakte Lden 47 dB norm was dus voor dat doel soepel genoeg. Vanuit die mindset is ligt het voor de hand om in de NRD niets te zeggen over de vraag of de normsystematiek Lden wel passend is voor windturbines.
Die vraag zal dus ook het plan-mer onderzoek niet aan de orde komen, terwijl er sinds de introductie van Lden in 2010/2011 voortdurend discussie over is geweest. Kern van die discussie is dat Lden een jaargemiddelde norm is, dat een windpark na een periode van windstilte met weinig geluid weer volop mag draaien als het w eer waait, zelfs als het dan heel veel lawaai uitstort over de omgeving. Door dat jaargemiddeld karakter is de Lden norm ook niet of in elk geval lastig te handhaven. Commentaar 11 Bij geluid gaat de discussie niet alleen over de hoogte van de norm, maar ook over de normsystematiek. Die laatste discussie wordt in de NRD doodgezwegen, sterker de NRD doet alsof al vast staat dat de nieuwe normen ook in Lden zullen zijn. Dus wordt er op dit punt geen onderzoek gedaan in de plan-mer, dus zegt de MER daar niets over en dus zal het bestuur een norm vaststellen zonder zich geïnformeerd te hebben over de voor- en nadelen van de Lden systematiek. En dan is er nog slagschaduw – net als gezondheid en geluid ook een onderwerp dat omwonenden direct raakt. Ook op dit onderwerp laat de NRD steken vallen.
De NRD erkent dat er onduidelijkheid is over de regels, dat er geen goede meetmethodes zijn en dat een goede onderbouwing van de normen ontbreekt nu die normen gebaseerd zijn op één onderzoek uit 1999 in Duitsland – dus uit een tijd dat turbines een ashoogte hadden van circa 50 meter. Gelet op dit alles lijkt de conclusie dat nader onderzoek naar slagschaduw noodzakelijk is welhaast onvermijdelijk. Maar, nee, integendeel, het enige dat de NRD voorstelt is dat de plan-mer instructies zal geven “hoe om te gaan met deze norm” (p. 34). Maar of die norm deugt? Niet aan de orde – en dus geen onderzoek Commentaar 12 Ondanks een aantal kritische kanttekeningen stelt de NRD zich ten onrechte op het standpunt dat nader onderzoek naar de milieueffecten van slagschaduw niet nodig is. 7
Tussenconclusie 4 De wens om alles zoveel mogelijk bij het oude te laten, leidt er toe dat in het onderzoek van de plan-mer een aantal voor de omgeving belangrijke aspecten niet aan bod zal komen. Over deze aspecten zal dus in de MER niets gezegd kunnen worden met als gevolg dat de nieuwe windturbinebepalingen zullen worden vastgesteld zonder dat het bevoegde gezag – het Rijk – zich geïnformeerd heeft over deze, juist voor omwonenden zo cruciale onderwerpen. 5. TEN SLOTTE Ik heb de NRD tot in detail bestudeerd en dat heeft geleid tot 153 opmerkingen in de marge van het .pdf bestand van de NRD. De hoofdlijnen in die 153 opmerkingen laten zich als volgt samenvatten. Onbekend terrein: wordt erkend dat dit de eerste plan-mer is voor een wettelijke regeling? 1. Nee: de NRD bevat geen analyse van de eisen van SMB-richtlijn en Wet milieubeheer. 2. Nee: de NRD doet verwoede pogingen alles zoveel mogelijk bij het oude te laten. 3. Nee: de NRD gaat uit van één optie en voorziet niet in onderzoek van alternatieven. Onafhankelijk en objectief: garandeert de NRD een m.e.r die onafhankelijk en objectief is? 4. Nee: de NRD wil juist dat het m.e.r. team intensief samenwerkt met de beleidsmakers. 5. Nee: de NRD geeft meermalen aan dat de m.e.r. rekening moet houden met beleidsdoelen. 6. Nee: de NRD voldoet in deze niet aan eisen van de SMB-richtlijn en de Wet Milieubeheer.
Wetenschappelijke kwaliteit: garandeert de NRD de wetenschappelijke kwaliteit van de m.e.r.? 7. Nee: de NRD voorziet niet in onderzoek naar de vraag of landelijke regels wel mogelijk zijn. 8. Nee: de NRD voorziet niet in het helder duiden en aangeven van leemtes in kennis. 9. Nee: de NRD zegt vrijwel niets over onderzoekmethodes en methodologische vragen. 10. Nee: de pretentie een kwalitatieve doorkijk te doen tot 2050 is onwetenschappelijk. Wat ontbreekt er: garandeert de NRD dat alle relevante aspecten onderzocht worden? 11. Nee: de NRD voorziet niet in eigenstandig onderzoek naar mogelijke gezondheidseffecten 12. Nee: de NRD gaat voor geluid uit van de oude Lden norm en sluit nader onderzoek uit 13. Nee: slagschaduw normen zijn onduidelijk, maar de NRD voorziet niet in nader onderzoek. Uiteraard komen deze punten ook terug in deze zienswijze. Het overzicht maakt evenwel in één oogopslag duidelijk waarom mijn eindconclusie is dat: (1) de NRD onder de maat is; dat (2) – erger – dus ook de plan-mer en het plan-MER onder de maat zullen zijn; en dat (3) – nog erger – de nieuwe windturbinebepalingen zullen worden vastgesteld zonder dat voldaan is aan het Unierecht, de SMBrichtlijn in het bijzonder, en aan de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. De NRD laat zien dat haastige spoed zelden goed is.
De ware les van de 30 juni uitspraak (en andere uitspraken) is kennelijk nog steeds niet geland in Den Haag: neem het Unierecht en de Awb serieus en neem de tijd om het goed te doen. Ik zou zeggen: doe een nieuwe en betere poging en doe dat samen met de Commissie MER. Dat garandeert dat een “NRD Versie 2” niet opnieuw gedomineerd wordt door politiek wensdenken, maar gebaseerd is op alle diepe kennis en ervaring die dit instituut door de jaren heen heeft opgebouwd.
8