07 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19_REGELS.pdf
Tekst van het document
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19 Gemeente Woudenberg
TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19 Gemeente Woudenberg
PLANGEGEVENS IDN Projectnummer Titel Projectleider Auteur
DETAILS NL.IMRO.0351.TAMLambalgseweg19-ow01 K24408 TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19 C.J.M. Hanse MSc C.J.M. Hanse MSc
STATUS Concept Voorontwerp Ontwerp Vastgesteld
DATUM 14 april 2025 23 juni 2025
Inhoudsopgave
REGELS Hoofdstuk 1
3 Inleidende bepalingen
3
Toepassingsbereik Begripsbepalingen Aanvullende begripsbepalingen Meet- rekenbepalingen Algemeen gebruiksverbod Aanvraagvereisten
3 4 5 14 16 17
Functies en activiteiten
18
Agrarisch Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - Reliëf Verkeer Wonen Waarde - Archeologie - 2
18 20 22 23 25
Hoofdstuk 3
Algemene bepalingen
27
Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Parkeeractiviteiten
27 28 30 31
Hoofdstuk 4
Overgangsrecht
32
Artikel 16
Overgangsrecht
32
Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Hoofdstuk 2 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Bijlagen bij regels Bijlage 1
Beeldkwaliteitsplan Lambalgseweg 19 Woudenberg
Bijlage 2
Landschappelijk inpassingsplan Lambalgseweg 19 Woudenberg
2
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
REGELS Preambule Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie Lambalgseweg 19 en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22b) van het omgevingsplan van de gemeente Woudenberg. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22b van het omgevingsplan van de gemeente Woudenberg. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22b' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22b' gelezen worden.
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende bepalingen
Toepassingsbereik
1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Lambalgseweg 19, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0351.TAMLambalgseweg19-ow01zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
ruimte voor ontwikkeling
3
Artikel 2 2.1
Begripsbepalingen
Van toepassing verklaring
Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in Artikel 3 daarvan is afgeweken.
4
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
Artikel 3
Aanvullende begripsbepalingen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:
3.1
omgevingsplan
het omgevingsplan van de gemeente Woudenberg.
3.2
plan
het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19 met identificatienummer NL.IMRO.0351.TAMLambalgseweg19-ow01 van de gemeente Woudenberg.
3.3
TAM-omgevingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0351.TAMLambalgseweg19-ow01 met de bijbehorende regels.
3.4
de verbeelding
De verbeelding van het TAM-omgevingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19'.
3.5
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.
3.6
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.
3.7
aan- en uitbouw
een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van en ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.
3.8
aan-huis-gebonden beroep
het door de bewoner van de woning, in diens woning, uit te oefenen dienstverlenend beroep, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
3.9
agrarisch bedrijf
een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in: a.
b.
grondgebonden agrarisch bedrijf: 1. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit- en bollenteelt; 2. bollenteelt: de teelt van bloembollen al dan niet in samenhang met de teelt van bolbloemen; 3. fruitteelt: de teelt van fruit op open grond; 4. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond en waarbij de productie (nagenoeg) geheel afhankelijk is van de agrarische grond als productiemiddel; 5. paardenhouderij en paardenfokkerij; 6. sierteelt: de teelt van siergewassen op open grond; niet-grondgebonden agrarisch bedrijf:
ruimte voor ontwikkeling
5
c.
1. glastuinbouw: de teelt van gewassen (nagenoeg) geheel met behulp van kassen, permanente tunnels en plastic kassen daaronder begrepen; 2. intensieve kwekerij: de teelt van gewassen, paddenstoelen daaronder begrepen, in gebouwen; 3. intensieve veehouderij: een bedrijf met een in hoofdzaak niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering die is gericht op het houden van dieren, zoals rundveemesterij (exclusief vetweiderij), varkens-, vleeskalver-, pluimvee- of pelsdierhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen; overige teelten van gewassen of dieren, al dan niet in gebouwen.
3.10 agrarisch bedrijfsgebouw een (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf.
3.11 agrarisch deskundige een door burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige, of commissie van deskundigen, op het gebied van land- en tuinbouw.
3.12 agrarisch hobbybedrijf agrarische bedrijvigheid waarvan op basis van het aantal nge en de bedrijfsvoering ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan, geen vergroting van de bebouwingsoppervlakte wordt voorzien.
3.13 antenne-installatie installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbijbehorende bevestigingsconstructie.
3.14 archeologisch deskundige een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke en als zodanig geregistreerde deskundige op het gebied van archeologisch onderzoek, in het bezit van een opgravingsbevoegdheid.
3.15 archeologisch onderzoek onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt.
3.16 archeologische waarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit oude tijden.
3.17 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.18 bedrijf een onderneming gericht op het (bedrijfsmatig) produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen.
3.19 bedrijfsgebouw een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf.
3.20
bedrijfshoofd
degene die zijn hoofdberoep ter plaatse uitoefent en die een volledige of nagenoeg volledige dagtaak op het bedrijf heeft.
6
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
3.21 bedrijfs- of dienstwoning een woning, krachtens het plan toegestaan binnen een bouwvlak, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is.
3.22
bedrijfsvloeroppervlakte
de totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.
3.23 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk tot stand zijn gekomen of tot stand kunnen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet.
3.24
bestaand gebruik
gebruik zoals aanwezig op het tijdstip dat dit hoofdstuk in werking is getreden.
3.25 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak.
3.26
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming.
3.27 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.
3.28
bouwgrens
een op de verbeelding aangegeven lijn, die de grens vormt van een bouwvlak.
3.29
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
3.30 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel.
3.31 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.
3.32 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct, hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
ruimte voor ontwikkeling
7
3.33 bijgebouw een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
3.34 containerveld een (semi)-verhard terrein, waarop potplanten worden geteeld.
3.35 cultuurhistorische waarde de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en/of historische gaafheid.
3.36 dagrecreatie vormen van recreatie, die in principe plaatsvinden tussen zonsopgang en zonsondergang en niet gericht zijn op het verstrekken van nachtverblijf.
3.37 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en/of leveren van goederen aan diegenen die goederen kopen en huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
3.38 detailhandel in volumineuze goederen detailhandel in de volgende categorieën: a. b.
c. d. e.
detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen; detailhandel in grootschalige goederen, zoals auto's, keukens, badkamers, boten, motoren, caravans, landbouwwerktuigen en grove bouwmaterialen en daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen, zoals accessoires, onderhoudsmiddelen, onderdelen en materialen; tuincentra; grootschalige meubelbedrijven, al dan niet - in ondergeschikte mate - in combinatie met woninginrichting en stoffering; bouwmarkten.
3.39 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureau, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, internetwinkels en bankfilialen.
3.40
extensieve dagrecreatie
niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie.
3.41 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vorm.
3.42
hoofdgebouw
een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen en/of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.
8
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
3.43 horecabedrijf een bedrijf, gericht op het bedrijfsmatig verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken, het bedrijfsmatig exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bedrijfsmatig verstrekken van nachtverblijf.
3.44
hoveniersbedrijf
een bedrijf, gericht op de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen en groen, met gebruikmaking van de daarbij behorende materialen en gereedschappen, zonder dat detailhandel wordt uitgeoefend.
3.45 huishouden een samenwoning van een groep mensen in gezinsverband of daarmee vergelijkbare samenstelling, waarbij geen sprake is van een van tevoren vaststaande tijdelijkheid van de samenwoning;
3.46
kantoor
voorzieningen gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen.
3.47 kas een agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dak voornamelijk bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal en dienend tot kweken, trekken, vermeerderen, opkweken of verzorgen van vruchten, bloemen, groenten, planten of bomen, alsmede in voorkomende gevallen tot bescherming van de omgeving tegen milieubelastende stoffen.
3.48
kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten voor zover de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt en voor zover deze activiteiten een ruimtelijke uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is.
3.49
kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen
voorzieningen, zoals aanlegsteigers, picknickplaatsen, observatiepunten, informatieborden en banken, ten behoeve van activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie.
3.50 landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige een door burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen inzake landschaps- en / of natuurwaarden.
3.51 landschapswaarde de aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van de aardoppervlakte, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur.
3.52 landschapselement een kleinschalig beplantingselement, zoals een bossage, houtwal, houtsingel, steilrandbeplanting, of een waterpartij.
ruimte voor ontwikkeling
9
3.53 maatschappelijke voorzieningen (overheids)voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid, cultuur, religie, sport, onderwijs, openbare orde en veiligheid en daarmee gelijk te stellen sectoren.
3.54 mestbassin voorziening, niet zijnde een bouwwerk ten behoeve van de opslag van mest, zoals mestzakken, foliebassins en daarmee vergelijkbare vormen van mestopslag.
3.55 mestopslagruimte bouwwerk ten behoeve van de opslag van mest.
3.56 natuurwaarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de aanwezige flora en fauna.
3.57 nevenactiviteit niet-agrarische activiteiten die in ruimtelijk opzicht ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie op een agrarisch bouwvlak.
3.58 neventak een agrarische bedrijfstak op een agrarisch bedrijf, die wat productieomvang betreft ondergeschikt is aan de andere agrarische activiteiten.
3.59 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.
3.60
opslag
opslag van goederen die naar hun aard geen regelmatige verplaatsing behoeven, zonder dat deze een bewerking ondergaan en/of zonder dat deze verhandeld worden.
3.61 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport.
3.62
paardenhouderij
een agrarisch bedrijf, gericht op het africhten en trainen van paarden, het bieden van stalruimte voor paarden, het geven van instructie aan derden, het trainen van paarden en uitbrengen in de sport, verhuur van diensten met behulp van paarden en de in- en verkoop van paarden.
3.63 paardenpension een bedrijf, gericht op het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en/of pony's in pension te stallen en te weiden.
3.64 a.
10
peil voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg of de kruin van een dijk grenzen: de hoogte van die weg respectievelijk kruin van de dijk;
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
b. c.
voor bouwwerken binnen de bestemming Verkeer - Railverkeer: de bovenkant van de spoorstaaf; in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
3.65 perceelgrens een grenslijn tussen bouwpercelen onderling.
3.66
plaatsgebonden risico
risico op een plaats, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon, die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is.
3.67 praktijkruimte een gebouw of een gedeelte daarvan, dat dient voor het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, architectonisch, kunstzinnig, juridisch, medisch, paramedisch, therapeutisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied.
3.68
prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.
3.69
recreatiewoning
een gebouw, geen woonkeet en geen caravan of andere constructie op wielen zijnde, dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen, dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt.
3.70 ruimtelijke kwaliteitswinst ruimtelijke meerwaarde die bestaat uit de inrichting van het erf, landschaps- en/of natuurontwikkeling, herstel of herkenbaar maken van cultuurhistorische waarden en/of het vergroten van de toegankelijkheid van het agrarisch gebied ten behoeve van extensieve dagrecreatie.
3.71 seksinrichting de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar.
3.72 streekeigen producten al dan niet bewerkte agrarische producten, afkomstig van het eigen agrarische bedrijf of van andere agrarische bedrijven uit de streek.
3.73 teeltondersteunende voorzieningen bouwwerken, ten behoeve van de bescherming van teeltgewassen en/of de voorkweek van ten behoeve van het eigen bedrijf benodigd plantmateriaal en/of de voorkoming van de verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen, ten behoeve van grondgebonden agrarische teelten, zoals: a. b. c.
boog-, tunnel- en gaaskassen: al dan niet verplaatsbare gebouwen overtrokken met en omsloten door lichtdoorlatend materiaal anders dan glas; afdekfolie: folie die op de bodem wordt aangebracht; containervelden: al dan niet verharde of met worteldoek afgedekte percelen ten behoeve van de
ruimte voor ontwikkeling
11
d. e. f.
teelt van planten in potten; overkappingconstructies: bouwwerken zonder wanden, geen gebouwen zijnde, overtrokken met lichtdoorlatend materiaal anders dan glas; stellingen: bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waarop planten worden geteeld; tijdelijke kassen: kassen, die gedurende een beperkte periode, die afhankelijk is van de teelt, maar die maximaal 8 aaneengesloten maanden per jaar bedraagt, worden opgericht en eenvoudig te monteren en te demonteren zijn.
3.74 verblijfsrecreatie vormen van recreatie die mede of uitsluitend gericht zijn op het verstrekken van nachtverblijf.
3.75 voorgevellijn de lijn gelegen: a. b.
evenwijdig aan de weg en in het verlengde van de dichtst bij de weg gelegen gevel van een gebouw; dan wel (indien deze gevel niet evenwijdig is aan de weg): evenwijdig aan de weg door het dichtst bij de weg gelegen hoekpunt van gevels van een gebouw.
3.76 voorzieningen voor opslag op agrarisch bedrijf voorzieningen voor de opslag van onder andere voer, (kunst)mest, water, warmte, CO2 of daarmee vergelijkbare stoffen, nader te onderscheiden in: a. b.
voorzieningen die aan te merken zijn als bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals mestsilo's, voerdersilo's, sleufsilo's, watertanks en CO2-opslagtanks; voorzieningen die gelet op de bouwkundige kenmerken aan te merken zijn als geen bouwwerken zijnde, zoals mestzakken, drijvende afdekkingen of foliebassins.
3.77 waterbassins voorzieningen, niet zijnde bouwwerken, ten behoeve van de opslag van water, zoals foliebassins en daarmee vergelijkbare vormen van wateropslag.
3.78 wonen het gehuisvest zijn in een woning.
3.79 woning een complex van ruimten krachtens aard en indeling geschikt of bestemd voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
3.80
zorgboerderij
een locatie waar zorg wordt geboden aan ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak – waaronder begrepen reïntegratie- en waarbij de situering in het buitengebied en de relatie met de natuur, landbouw, grond en dieren een onderdeel uitmaakt van het zorgconcept.
3.81 normaal agrarisch gebruik onder normaal agrarisch gebruik wordt onder andere verstaan: a. b. c. d. e. f.
12
ploegen (niet diepploegen); woelen (verwijderen van verstoorde lagen); zaaiklaar maken; oogsten en rooien; stoppel bewerkingen; grasland woelen;
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
g.
planten en poten van gewassen (niet van bomen en struiken).
ruimte voor ontwikkeling
13
Artikel 4
Meet- rekenbepalingen
De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in 4.1tot en met 4.10.
4.1
afstand
de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn.
4.2
bouwhoogte van een antenne-installatie a. b.
4.3
ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie; ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie.
bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
4.4
breedte, lengte en diepte van een bouwwerk
tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.
4.5
goothoogte van een bouwwerk
tussen het peil en de horizontale snijlijn van elk dakvlak met de daaronder gelegen buitenzijden van de gevels en/of het hart van gemeenschappelijke scheidsmuren.
4.6
inhoud van een gebouw of bouwwerk
tussen het peil, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
4.7
inhoud van een bouwwerk voor mestopslag, mest(na)vergisting of kadaveropslag
tussen de bovenkant van de onderste vloer en de binnenzijde van de gevels en de onderkant van de bovenste vloer /het dak.
4.8
oppervlakte van een bouwwerk
tussen (de buitenste verticale projecties van) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.
4.9
ondergeschikte bouwonderdelen
bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, stofkappen en andere onderdelen van technische installaties, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.
14
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
4.10
vloeroppervlakte
de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580.
ruimte voor ontwikkeling
15
Artikel 5
Algemeen gebruiksverbod
Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies en activiteiten.
16
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
Artikel 6
Aanvraagvereisten
De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
ruimte voor ontwikkeling
17
Hoofdstuk 2 Artikel 7 7.1
Functies en activiteiten
Agrarisch
Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Agrarisch.
7.2
Functieomschrijving
Een als Agrarisch aangewezen locatie heeft de volgende functies: a.
grondgebonden agrarische bedrijven met uitzondering van fruitteelt, sierteelt, bollenteelt en paardenhouderijen; b. het behoud, herstel en de ontwikkeling van het waterhuishoudkundig systeem; c. het behoud, herstel en de ontwikkeling van de landschapsstructuur; alsmede: d. e.
f.
7.3
aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen; de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals, wegen en paden, tuinen, erven, groenelementen, (natuurvriendelijke) oevers, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, laaden losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen; beweiding door paarden waaronder recreatie en hobby paarden.
Beoordelingsregels bouwen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels: a.
7.4
er mogen uitsluitend erf- en terreinafscheidingen en bouwwerken, geen gebouwen, teeltondersteunende voorzieningen en overkappingen zijnde, ten behoeve van het agrarisch bedrijf en ten behoeve van extensieve dagrecreatie zoals zitbanken en routeborden, worden gebouwd met een maximale hoogte van 2 meter;
Specifieke functieregels
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. b. c. d. e. f. g. h. i.
j.
18
detailhandel is niet toegestaan; niet-agrarische bedrijfsmatige nevenactiviteiten zijn niet toegestaan; intensieve veehouderijen zijn niet toegestaan; de opslag van goederen en materialen is uitsluitend toegestaan ten behoeve van het eigen bedrijf binnen het bouwvlak en achter de voorgevellijn van de bedrijfsgebouwen; het gebruik van afdekfolie is niet toegestaan; containervelden zijn niet toegestaan; waterbassins zijn niet toegestaan; mestbassins, niet zijnde bouwwerken, zijn niet toegestaan; het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
7.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden 7.5.1
Vergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Het is verboden op of in de gronden als bedoeld in lid 7.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, voor zover geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. 7.5.2
het aanleggen, vergraven, verruimen, uitdiepen of dempen van sloten, greppels, vijvers en andere wateren; het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting. Beoordelingsregels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.5.1 kan worden verleend, indien daardoor de in lid 7.2 onder b en c genoemde waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. 7.5.3 Advisering over een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in lid 7.5.1 winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van de waterbeheerder, omtrent de voorwaarde zoals genoemd in lid 7.5.2. 7.5.4
Uitzonderingen
Het verbod van lid 7.5.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden die: a. b. c. d. 7.5.5
behoren tot normaal onderhoud en beheer waaronder begrepen worden de normale agrarische exploitatie ten dienste van de bestemming; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning; binnen bouwvlakken worden uitgevoerd. Strafbepaling
Overtreding van het bepaalde in lid 7.5.1 is een strafbaar feit, zoals bedoeld in artikel 1a van de Wet op de economische delicten.
ruimte voor ontwikkeling
19
Artikel 8 8.1
Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - Reliëf
Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Agrarisch met waarden Landschapswaarden - Reliëf.
8.2
Functieomschrijving
Een als Agrarisch met waarden - Landschapswaarden - Reliëf aangewezen locatie heeft de volgende functies: a.
grondgebonden agrarische bedrijven met uitzondering van fruitteelt, sierteelt, bollenteelt en paardenhouderijen; b. het behoud, herstel en de ontwikkeling van het waterhuishoudkundig systeem; c. het behoud, herstel en de ontwikkeling van de landschapsstructuur; d. het behoud, herstel, en ontwikkeling van groot- en kleinschalig reliëf; alsmede: e. f.
g.
8.3
aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen; de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals, wegen en paden, tuinen, erven, groenelementen, (natuurvriendelijke) oevers, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, laaden losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen; beweiding door paarden waaronder recreatie en hobby paarden.
Beoordelingsregels bouwen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels: a.
8.4
er mogen uitsluitend erf- en terreinafscheidingen en bouwwerken, geen gebouwen, teeltondersteunende voorzieningen en overkappingen zijnde, ten behoeve van extensieve dagrecreatie zoals zitbanken en routeborden, worden gebouwd met een maximale hoogte van 2 meter.
Specifieke functieregels
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.
k.
20
detailhandel is niet toegestaan; niet-agrarische bedrijfsmatige nevenactiviteiten zijn niet toegestaan; intensieve veehouderijen zijn niet toegestaan; de opslag van goederen en materialen is uitsluitend toegestaan ten behoeve van het eigen bedrijf binnen het bouwvlak en achter de voorgevellijn van de bedrijfsgebouwen; teeltondersteunende voorzieningen zijn uitsluitend gedurende de periode van maart tot en met september toegestaan; het gebruik van afdekfolie is niet toegestaan; containervelden zijn niet toegestaan; waterbassins zijn niet toegestaan: mestbassins, niet zijnde bouwwerken, zijn niet toegestaan; het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden 8.5.1
Vergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
Het is verboden op of in de gronden als bedoeld in lid 8.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d. 8.5.2
het aanleggen, vergraven, verruimen, uitdiepen of dempen van sloten, greppels, vijvers en andere wateren; het planten, verwijderen, kappen of rooien van bomen of andere opgaande beplanting; het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 40 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; het aanleggen van boven- of ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur. Beoordelingsregels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.5.1 kan worden verleend, indien daardoor de in lid 8.2 onder b, c en d genoemde waarden van de gronden of de aanwezige landschapselementen niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het herstel van de waarden niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind. 8.5.3 Advisering over een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Alvorens te beslissen omtrent een aanlegvergunning als bedoeld in lid 8.5.1 winnen burgemeester en wethouders schriftelijk advies in van de waterbeheerder, omtrent de voorwaarde zoals genoemd in lid 8.5.2 8.5.4
Uitzonderingen
Het verbod van lid 8.5.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden die: a. b. c. d. 8.5.5
behoren tot normaal onderhoud en beheer waaronder begrepen worden de normale agrarische exploitatie ten dienste van de bestemming; reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; reeds mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning; binnen bouwvlakken worden uitgevoerd. Strafbepaling
Overtreding van het bepaalde in lid 8.5.1 is een strafbaar feit, zoals bedoeld in artikel 1a van de Wet op de economische delicten.
ruimte voor ontwikkeling
21
Artikel 9 9.1
Verkeer
Toepassingsbereik
De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Verkeer.
9.2
Functieomschrijving
Een als Verkeer aangewezen locatie heeft de volgende functies: a. wegen met ten hoogste 2 x 1 doorgaande rijstrook; b. voet- en fietspaden; alsmede: c.
9.3
bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals parkeervoorzieningen, groenvoorzieningenwaaronder bermen en beplanting-, straatmeubilair, nutsvoorzieningen, kunstwerken en geluidwerende voorzieningen, waterlopen, waterpartijen en oeververbindingen (bruggen).
Beoordelingsregels bouwen
In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels. 9.3.1
Beoordelingsregels gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende beoordelingsregels: a. b. c. 9.3.2
op deze gronden mogen uitsluitend ten behoeve van nutsvoorzieningen gebouwen worden gebouwd; de bouwhoogte van gebouwen bedraagt maximaal 4 meter; de oppervlakte per gebouw bedraagt maximaal 10 m². Beoordelingsregels bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels: a. b.
9.4
de maximale hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt 9 meter met uitzondering van verlichtingsarmaturen en bewegwijzering; de maximale hoogte van verlichtingsarmaturen en bewegwijzering bedraagt 10 meter.
Specifieke functieregels
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a.
b.
22
het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
Artikel 10 Wonen 10.1 Toepassingsbereik a. b.
10.2
de regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Wonen. in afwijking van het bepaalde in artikel 1, onder 2, is het bepaalde in artikel 22.36, onder a en b in paragraaf 22.2.7.3 van het omgevingsplan niet van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Wonen;
Functieomschrijving
Een als Wonen aangewezen locatie heeft de volgende functies: a.
wonen, daaronder begrepen de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; b. de instandhouding van de aanwezige dan wel daaraan verbonden landschappelijke en cultuurhistorische waarden ter plaatse van de aanduiding 'landschapswaarden'; alsmede: c.
de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, paden, parkeervoorzieningen en groenelementen.
10.3 Beoordelingsregels bouwen In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels. 10.3.1 Beoordelingsregels gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende beoordelingsregels: a. b. c. d.
e. f. g. h. i. j.
10.4
per bouwvlak mag één woning worden gebouwd, waarbij aan- en uitbouwen niet zijn toegestaan; de inhoud van de woning bedraagt maximaal 800 m3; de goothoogte van woningen bedraagt maximaal 4,5 meter en de bouwhoogte maximaal 10 meter; in afwijking van het bepaalde onder a mogen bijgebouwen, overkappingen, erf - en terreinafscheidingen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tevens buiten het bouwvlak worden gebouwd, met dien verstande dat: 1. ter plaatse van de aanduiding 'landschapswaarden' het bouwen van bijgebouwen en overkappingen niet is toegestaan; de maximale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen bedraagt 70 m2 per woning; bijgebouwen zijn uitsluitend achter de voorgevellijn van de woning toegestaan; de goothoogte van bijgebouwen en overkappingen bedraagt maximaal 3 meter en de bouwhoogte maximaal 6 meter; de maximale hoogte van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt 3 meter; de maximale hoogte van erf- of terreinafscheidingen voor de voorgevellijn van de woning bedraagt 1 meter; de maximale hoogte van erf- of terreinafscheidingen achter de voorgevellijn van de woning bedraagt 2 meter dan wel 1 meter voor zover de gronden zijn voorzien van de aanduiding 'landschapswaarden'.
Specifieke functieregels
10.4.1 Algemeen Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a.
de oppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep of
ruimte voor ontwikkeling
23
b. c. d. e. f. g. h. i.
j.
kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt maximaal 50 m2 van het vloeroppervlak van de betrokken woning inclusief de bijgebouwen; de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is uitsluitend toegestaan indien deze activiteit wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner; uitsluitend ten behoeve van de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is beperkte verkoop van artikelen toegestaan; het aanbieden van meer dan 3 kamers ten behoeve van bed & breakfast per woning is niet toegestaan; bed & breakfast is niet toegestaan in een bijgebouw; opslag van goederen en materialen voor de voorgevellijn is niet toegestaan; permanente of tijdelijke bewoning van bijgebouwen is niet toegestaan; bewoning anders dan door één afzonderlijk huishouden is niet toegestaan; het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond.
10.4.2 Voorwaardelijke verplichting sloop a.
tot een gebruik strijdig met de toegedeelde functies wordt in ieder geval gerekend het gebruik van en het in gebruik nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de toegedeelde functies als bedoeld in lid 10.2 zonder de sanering van de bestaande bedrijfsbebouwing met een totale oppervlakte van 3.147,15 m2 .
10.4.3 Voorwaardeljke verplichting landschappelijke inpassing a.
b.
24
tot een gebruik strijdig met de toegedeelde functies wordt in ieder geval gerekend het gebruik van en het in gebruik nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de toegedeelde functies als bedoeld in lid 10.2 zonder de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals verbeeld en beschreven in Bijlage 2 van deze regels; in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de toegedeelde functies als bedoeld in lid 10.2 worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen twee jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19 uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals verbeeld en beschreven in Bijlage 2 van deze regels.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
Artikel 11 Waarde - Archeologie - 2 11.1 Toepassingsbereik De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde - Archeologie - 2.
11.2 Functieomschrijving Een als Waarde - Archeologie - 2 aangewezen locatie heeft, naast de andere daar voorkomende functies, mede de volgende functie: a.
het beschermen en veilig stellen van de op en/of in deze gronden te verwachten archeologische waarden.
11.3 Beoordelingsregels bouwen In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels: a. b. c.
op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 11.2 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m; ten behoeve van de andere, voor deze gronden toegestane functies mag niet worden gebouwd; het bepaalde in dit lid onder b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 100 m²; 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm kan worden geplaatst; 4. een bouwwerk dat zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
11.4 Vergunningplicht bouwactiviteiten 11.4.1 Vergunningplicht bouwen ten behoeve van andere toegestane functies Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het bepaalde in lid 11.3 onder b te bouwen ten behoeve van de andere, voor deze gronden toegestane functies. 11.4.2 Beoordelingsregels bouwen ten behoeve van andere toegestane functies De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 11.4.1 kan - met inachtneming van de voor de betrokken functie(s) geldende (beoordelings)regels - worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a.
b.
c.
burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van de archeologische deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is; niet is voldaan aan het bepaalde onder a: de aanvrager van de bouwvergunning een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder b genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de bouwvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologische deskundige.
ruimte voor ontwikkeling
25
11.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden 11.5.1 Vergunningplicht voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden op of in de gronden als bedoeld in lid 11.1 zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a.
b. c. d. e. f.
het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte of hoogte dan 40 cm, waartoe worden gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage; het vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers of andere wateren; het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op een of ander wijze indrijven van voorwerpen; het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
11.5.2 Beoordelingsregels voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 11.5.1 kan worden verleend, indien de aanvrager van de omgevingsvergunning aan de hand van nader archeologisch onderzoek kan aantonen dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn. Voorts kan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 11.5.1 worden verleend, indien: a.
b.
de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld; de betrokken archeologische waarden, gelet op dit rapport, door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade wordt voorkomen door aan de aanlegvergunning regels te verbinden, gericht op: 1. het behoud van archeologische resten in de bodem; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de activiteiten door de archeologisch deskundige.
11.5.3 Uitzonderingen Het verbod van lid 11.5.1 geldt niet voor het uitvoeren van werken, of werkzaamheden die: a.
betrekking hebben op het uitvoeren van grondbewerkingen met een oppervlakte van ten hoogste 100 m² ; b. noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een bouwplan waarbij lid 11.3 en/of lid 11.4 in acht is genomen; c. behoren tot het normale onderhoud en beheer; d. mogen worden uitgevoerd krachtens een op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan reeds verleende omgevingsvergunning; e. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan; f. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; of indien: g.
burgemeester en wethouders beschikken over een verklaring van de archeologische deskundige dat ten behoeve van de werken en werkzaamheden geen omgevingsvergunning als bedoeld in lid 11.5.1 nodig is.
11.5.4 Strafbepaling Overtreding van het bepaalde in lid 11.5.1 is een strafbaar feit, zoals bedoeld in artikel 1a van de Wet op de economische delicten.
26
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
Hoofdstuk 3
Algemene bepalingen
Artikel 12 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
ruimte voor ontwikkeling
27
Artikel 13 Algemene bouwregels 13.1 Ondergronds bouwen 13.1.1 Bouwen ondergrondse werken Voor het bouwen van beneden het maaiveld gelegen bouwwerken gelden, met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 2, de volgende bepalingen: a. b. c. d.
het bouwen van bedoelde ruimten is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en onder een gebouw dat geheel boven het maaiveld is gelegen; het bouwen van bedoelde ruimten is uitsluitend toegestaan tot 1 bouwlaag, de bouwdiepte bedraagt maximaal 4 meter onder peil; externe toegangen zijn gesitueerd in de achtergevel van het gebouw; het bepaalde in dit lid is niet van toepassing voor mestkelders, mestbassins, silo's en vergelijkbare bouwwerken op de gronden met een functie zoals bedoeld in artikel 7 of 8.
13.1.2 Vergunningplicht ondergrondse bouwdiepte Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het bepaalde in lid 13.1.1 onder b ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van meer dan 4 meter onder peil te bouwen. 13.1.3 Beoordelingsregels ondergrondse bouwdiepte De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 13.1.2 kan worden verleend, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. b.
de ondergrondse bouwdiepte bedraagt maximaal 10 meter onder peil; de waterhuishouding wordt niet verstoord.
13.1.4 Vergunningplicht toegangen ondergrondse werken Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van het bepaalde in lid 13.1.1 onder c externe toegangen tot ondergrondse werken aan andere zijden van het gebouw toe te staan. 13.1.5 Beoordelingsregels toegangen ondergrondse werken De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 13.1.4 kan worden verleend, indien er geen onevenredige aantasting van de ruimtelijke karakteristiek plaatsvindt.
13.2 Bestaande afstanden en andere maten Met betrekking tot bestaande maten gelden de volgende regels: a.
b.
c. d.
28
indien afstanden, goot- of bouwhoogte, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; indien afstanden, goot- of bouwhoogte, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten als ten minste toelaatbaar worden gehouden; in het geval van heroprichting van gebouwen is het bepaalde in a en b uitsluitend van toepassing indien de heroprichting geschiedt op dezelfde plaats; op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in lid 16.1 niet van toepassing.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
13.3 Overschrijding bouwgrenzen De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen worden overschreden door: a.
b. c.
tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 meter bedraagt; tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 meter bedraagt; andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 meter bedraagt.
13.4 Beoordeling uiterlijk van bouwwerken (welstand) a.
b.
c.
d.
in aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29, lid 1, onder b, van de regels van het omgevingsplan (beoordelingsregels omgevingsplanactiviteit bouwwerken) wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 (omgevingsplanactiviteit bouwwerk) alleen verleend, als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van het Beeldkwaliteitsplan Lambalgseweg 19 zoals opgenomen in Bijlage 1 van deze regels. indien de criteria uit afbeeldingen bestaan, geldt dat de opgenomen afbeeldingen weergeven welke aspecten in een concreet ontwerp van belang zijn. De afgebeelde modellen zijn geen ontwerp en behoeven niet letterlijk overgenomen te worden. Bij de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken onder a gaat het zowel om het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan. De beoordeling van het uiterlijk of de plaatsing van bouwwerken onder a is niet vereist voor een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is.
ruimte voor ontwikkeling
29
Artikel 14 Algemene afwijkingsregels Tenzij elders in dit TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19 expliciet is voorzien in een andere regel, gelden de volgende regelingen:
14.1 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning: a. b. c. d. e.
14.2 a. b. c.
d. e.
f.
30
de bouwgrenzen, mits geen bestemmingsgrenzen zijnde, te overschrijden; de aangegeven maten ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te overschrijden; de aangegeven maten (waaronder percentages) te overschrijden; de aangegeven maten ten aanzien van de maximale bouwhoogte van gebouwen te overschrijden; gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op kortere afstand van de weg te bouwen dan als minimale afstand is aangegeven.
Beoordelingsregels omgevingsvergunning De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.1 sub a kan worden verleend, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.1 sub b kan worden verleend, indien de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 10 meter. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.1 sub b kan worden verleend indien de bouwhoogte niet meer dan 40 meter bedraagt, het een zend-, ontvang- en/of sirenemast betreft, het niet mogelijk is gebruik te maken van een reeds bestaande mast en indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. losse masten met hekwerken, gebouwtjes e.d. zijn alleen toegestaan in landschappelijk minder gevoelige gebieden, langs grote verkeerswegen en dan bij voorkeur bij parkeerplaatsen, benzinestations, knooppunten, viaducten, bedrijventerreinen en horecagelegenheden; 2. installaties op of aan een gebouw zijn alleen toegestaan: op hoge gebouwen; bij voorkeur op een plat dak en zo ver mogelijk van een dakrand, met dien verstande dat bijzondere en waardevolle gebouwen in beginsel geheel dienen te worden ontzien, zo nodig in overleg met de monumentencommissie; tegen gevels aan; wanneer de invloed van die installaties geen afbreuk doen aan de aanwezige kwaliteiten; De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.1 sub c kan worden verleend indien de overschrijding maixmaal 10% bedraagt.
De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.1 sub d kan worden verleend indien het een plaatselijke verhoging betreft, anders dan de ondergeschikte bouwdelen als bedoel in lid 4.3 en indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. de maximale oppervlakte van de vergroting maximaal 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen; 2. de hoogte maximaal 1,25 maal de maximale bouwhoogte van het betreffende gebouw zal bedragen. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.1 sub e kan worden verleend indien dit geen problemen oplevert voor de verkeersveiligheid.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19
Artikel 15 Parkeeractiviteiten 15.1 Parkeren 15.1.1 Aantal autoparkeerplaatsen op eigen terrein Bij het bouwen van gebouwen of het veranderen van gebruik dient de inrichting van elk perceel zodanig te zijn dat voldoende ruimte aanwezig is om zowel het parkeren als het eventueel laden en lossen op eigen terrein te kunnen afwikkelen. Op eigen terrein dient voorzien te zijn in voldoende parkeeraccommodatie, inclusief parkeergelegenheid voor werknemers en bezoekers, conform de parkeernormen uit CROW-publicatie 317 (Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie) of de opvolger(s) daarvan. In afwijking van het voorgaande kan parkeren in het openbaar gebied worden opgelost indien dit aantoonbaar middels een parkeerdrukmeting geen onevenredige gevolgen voor de parkeerdruk tot gevolg heeft of indien er aantoonbaar sprake is van een vermindering van het benodigd aantal parkeerplaatsen ten opzichte van het bestaande gebruik. Afmetingen De bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's.
Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten voldoen aan de volgende bepalingen: haaks parkeren: ten minste 2,5 x 5,0 m; langsparkeren: ten minste 2,0 x 6,0 m; een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst: ten minste 3,5 m x 5,0 m.
15.2 Vergunningplicht parkeeractiviteiten 15.2.1 Vergunningplicht afwijken van het benodigd aantal parkeerplaatsen Het is verboden om zonder of afwijking van een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde onder 15.1.1. 15.2.2 Beoordelingsregels afwijken van het benodigd aantal parkeerplaatsen De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 15.2.1 kan worden verleend, indien anderszins in voldoende parkeergelegenheid is voorzien.
ruimte voor ontwikkeling
31
Hoofdstuk 4
Overgangsrecht
Artikel 16 Overgangsrecht 16.1 Overgangsrecht bouwwerken Voor bouwwerken luidt het overgangsrecht als volgt: a.
b.
c.
16.2
een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan; burgemeester en wethouders kunnen eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder lid a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%; het onder lid a bepaalde is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de regels die op grond van dit omgevingsplan golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de op dat moment geldende overgangsbepalingen.
Overgangsrecht gebruik
Voor gebruik luidt het overgangsrecht als volgt: a. b.
c.
d.
32
het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet; het is verboden het met dit hoofdstuk strijdige gebruik, bedoeld in dit lid onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind; indien het gebruik, bedoeld in dit lid onder a, na de inwerkingtreding van dit hoofdstuk voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten; dit lid onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met de regels die op grond van dit omgevingsplan golden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, daaronder begrepen de op dat moment geldende overgangsbepalingen.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Lambalgseweg 19