07 Schoolstraat 9_Bijlagen bij toelichting_Bijlage 1 Quick scan flora en fauna.pdf
Tekst van het document
Quickscan flora- en fauna Schoolstraat 9 & Middenstraat 2-4 te Woudenberg
Nijverdal, 17 augustus 2020 Projectnummer 20.114
Colofon Titel
Quickscan flora- fauna Schoolstraat 9a & Middenstraat 2-4 te Woudenberg
Uitvoering
Otte Groenadvies
Veldinventarisatie
T.M. Stam – Gecertificeerd Stadswerk Flora en Fauna controleur 2018
Gecontroleerd
Ing. P. Otte
Opdrachtgever
Projectnummer
Van Vugt Beheer BV t.a.v. dhr. J. van Vugt Jacobshoeve-erf 8 3931 RZ Woudenberg 06 51 06 24 30 jmvt@kpnmail.nl 20.114
Datum
17 augustus 2020
Vrijgegeven door
J. Van Vugt
Status
Definitief
Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Otte Groenadvies accepteert derhalve op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Otte Groenadvies uitgevoerde onderzoek neemt.
Brilsweg 1a 7441 BV te Nijverdal Tel: 06 - 511 77 946 mail: info@ottegroenadvies.nl
2
Inhoudsopgave 1. Inleiding ........................................................................................................................................................4
1.1. Aanleiding en doelstelling ...................................................................................................... 4 1.1.1 Uitgangspunten ................................................................................................................ 4 1.2. Methodiek .............................................................................................................................. 4 1.2.1. Wat is een quickscan ........................................................................................................ 4 1.2.2. Uitvoer onderzoek ........................................................................................................... 5 2. Wetgeving ....................................................................................................................................................6 3. Gebiedsomschrijving.....................................................................................................................................7
3.1. Huidig gebruik planlocatie en omgeving................................................................................. 7 3.2. Projectvoornemen.................................................................................................................. 8 3.3. Foto impressie planlocatie ..................................................................................................... 8 4. Gebiedsbescherming...................................................................................................................................11
4.1. Natura 2000.......................................................................................................................... 11 4.2. Natuur Netwerk Nederland (NNN) & de Groene Contour .................................................... 11 4.3. Weidevogelgebied................................................................................................................ 12 4.4. Lokaal ................................................................................................................................... 12 5. Beschermde flora en fauna .........................................................................................................................13
5.1. Flora ..................................................................................................................................... 13 5.2. Zoogdieren ........................................................................................................................... 14 5.3. Vleermuizen ......................................................................................................................... 14 5.4. Vogels ................................................................................................................................... 16 5.5. Overige soorten .................................................................................................................... 18 6. Conclusies ...................................................................................................................................................19
6.1. Overzicht van de bevindingen .............................................................................................. 19 6.2. Aanbevelingen...................................................................................................................... 20 7. Kwaliteitsborging- en geldigheid .................................................................................................................21 8. Bibliografie .................................................................................................................................................22 Bijlage.............................................................................................................................................................23
BIJLAGE 1: WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING – SOORTBESCHERMING ................. 23
3
1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doelstelling In de ruimtelijke plannen is in het kader van de uitvoerbaarheid inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Met andere woorden, in het ruimtelijke ordeningstraject dient te worden aangetoond dat het plan, amovatie van de bestaande bebouwing met uitzondering van de hoofdwoning (Schoolstraat 9), uitvoerbaar is. In dit kader dient een quickscan flora en fauna uitgevoerd te worden op de locatie Schoolstraat 9 & Middenstraat 2-4 te Woudenberg. 1.1.1 Uitgangspunten Uitgangspunt voor deze rapportage is de inkomende e-mail van de heer J. van Vugt op 23 juli 2020. Met als onderwerp Locatie Schoolstraat 9 en Middenstraat 2-4 te Woudenberg. Op 24 juli 2020 is door Otte Groenadvies een offerte met nr. 20.114 per mail verstuurd. Op 27 juli 2020 is de offerte per mail door de heer J. van Vugt geaccordeerd. 1.2. Methodiek Om optimaal om te gaan met het zorgvuldigheidsprincipe uit de Wet natuurbescherming heeft Van Vugt Beheer BV besloten om een onderzoek te laten doen, alvorens de werkzaamheden uit te voeren. Onder meer bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met beschermde soorten en gebieden. Wet- en regelgeving omtrent deze soorten en gebieden is vastgelegd in de Wet natuurbescherming.
Het onderhavige rapport beschrijft de resultaten van een zogenaamde quickscan van beschermde natuurwaarden in en rond het plangebied. Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkelingen en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. De rapportage kan dienstdoen als onderbouwing bij bestemmingsplanwijzigingen en ontheffings- of vergunningaanvragen in het kader van de Wet natuurbescherming. In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd en getoetst aan de natuurwetgeving en –beleid. 1.2.1. Wat is een quickscan De quickscan flora en fauna is een oriënterend onderzoek. Hierin wordt de geplande ontwikkeling getoetst aan de natuurwetgeving. Door middel van een veldbezoek en bureauonderzoek wordt beoordeeld welke natuurwaarden verwacht worden in het plangebied en wordt gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten. Ook wordt gekeken of de plannen mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde Natuurmonumenten. Indien beschermde soorten voorkomen, kan een vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Eveneens dient te worden onderzocht of er gebruik kan worden gemaakt van gedragscodes en worden mogelijkheden tot ontheffing verkent.
Een quickscan is een momentopname en geen standaard veldinventarisatie waarbij meerdere veldrondes in een seizoen worden uitgevoerd. Een quickscan geeft daardoor een beperkter beeld dan een standaard veldinventarisatie. Omdat het onderzoek een momentopname betreft, kan geen rekening worden gehouden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en –beheer na afloop van het onderzoek.
4
1.2.2. Uitvoer onderzoek Op 4 augustus 2020 is een bezoek gebracht aan het plangebied en directe omgeving. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijk aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten en de indirecte aanwezigheid in de vorm van sporen (verblijfplaatsen, wissels, pootafdrukken en dergelijke). Er is gebruik gemaakt van een verrekijker, ladder, zaklamp en fotocamera. De weersomstandigheden waren helder, droog, 16°C. Tijdens het onderzoek waar dit rapport is voortgekomen is niet alleen gelet op flora en fauna binnen de contouren van het plangebied, maar ook op beschermde flora en fauna in de nabije omgeving. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten ervoor kunnen komen in het plangebied.
5
2. Wetgeving De Wnb regelt de bescherming van in het wild voorkomende planten en dieren (voorheen Flora- en faunawet) (naast de bescherming van gebieden). In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren (artikelen 3.1, 3.5 en 3.10). Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11). De verbodsbepalingen, die handelingen die het voortbestaan van planten en diersoorten in gevaar kunnen brengen verbieden, is een belangrijk onderdeel van de Wet natuurbescherming. Deze verboden zorgen ervoor dat in het wild levende soorten zoveel mogelijk met rust worden gelaten. Deze verschillen per beschermingsgroep. De Wet natuurbescherming kent drie verschillende beschermingsregimes: • Vogelrichtlijnsoorten • Habitatrichtlijnsoorten • Andere soorten De provincies hebben in haar verordeningen uit de lijst van ‘andere soorten’ diersoorten aangewezen waarvoor een vrijstelling geldt en dus geen ontheffing van verbodsbepalingen voor hoeft te worden aangevraagd. Deze lijst met vrijgestelde soorten is per provincie anders.
De zorgplicht is wel van toepassing. Bij ruimtelijke plannen, met mogelijke gevolgen voor beschermde planten en dieren, is het verplicht om vooraf te toetsen of deze kunnen leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, moet onderzocht worden of er maatregelen (mitigatie en/of compensatie) genomen kunnen worden om dit te voorkomen of om de gevolgen voor beschermde soorten te verminderen. Onder bepaalde voorwaarden geldt een vrijstelling of is het mogelijk van het bevoegd gezag ontheffing van de verbodsbepalingen te krijgen voor activiteiten op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Deze ontheffing wordt slechts verleend indien: • Er geen bevredigend alternatief is; • Er sprake is van een wettelijk belang; • Geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort. Zie Bijlage 1 voor het Wettelijk kader van de soortbescherming in de Wnb. De Wnb beschermt ook een aantal planten en vissen die onder de Flora- en faunawet niet beschermd waren. Hiermee is rekening gehouden in onderliggende natuurtoets, zie verder in paragraaf 4.1 aanwezigheid beschermde soorten. (Overheid, 2015)
6
3. Gebiedsomschrijving 3.1. Huidig gebruik planlocatie en omgeving De planlocatie ligt in de bebouwde kom van Woudenberg. Woudenberg was in de 18de eeuw bekend vanwege het grootschalig verbouwen van tabak, een straat die naar deze periode verwijst is Tabaksland. Tot het eind van de Tweede Wereldoorlog bleef het dorp ongeveer zoals het al honderden jaren was, met straten als Voorstraat, Middenstraat en Achterstraat (tegenwoordig Burgwal en Schoolstraat) (Gemeente Woudenberg, z.d.) Het plangebied betreft de percelen aan de Schoolstraat 9 en de Middenstraat 2-4. Aan de Schoolstraat staat een woonhuis, een schuur en een loods, het woonhuis blijft behouden. Op het perceel aan de Middenstraat 24 staan meerdere geschakelde gebouwen waaronder een winkelpand, een woning, een schuur en een overkapping. Het aanwezige groen op de percelen bestaat uit coniferen hagen, een klein deel gazon en enkele wilgen. De onderzoekslocatie is verhard met diverse verhardingssoorten, afgewisseld stenen en tegels.
Afbeelding 1. Locatie plangebied (rood) (Google, z.d.) (Pdok, z.d.)
7
Afbeelding 2. Locatie plangebied (rood). 1. Te behouden woning. 2. Schuur. 3. Loods. 4. Overkapping. 5. Werkschuur. 6. Te amoveren woning. 7. Winkelpand. (Google, z.d.) (Pdok, z.d.) 3.2. Projectvoornemen Met de voorgenomen ontwikkelingen wordt de bestaande bebouwing met uitzondering van de hoofdwoning (Schoolstraat 9) geamoveerd en wordt op dezelfde locatie 24 microwoningen geplaatst. Ten behoeve van de reconstructie verdwijnt plaatselijk begroeiing. Overigens blijft dit beperkt tot de coniferenhaag. De werkzaamheden zijn gepland na het verkrijgen van benodigde vergunningen. 3.3. Foto impressie planlocatie
Nr. 1. Te behouden woning Schoolstraat nr. 9
8
Nr. 2: Te amoveren schuur
Nr. 3: Te amoveren loods
Nr. 4: Te amoveren overkapping
Nr. 5: Te amoveren werkschuur
9
Nr. 6: Te amoveren woning
Nr. 7: Te amoveren winkelpand
10
4. Gebiedsbescherming 4.1. Natura 2000 Onderstaande informatie in paragraaf 4.1 is gebaseerd op de volgende informatiebronnen: (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, z.d.) & (Rijksoverheid, 2019). De Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden wordt de flora en fauna in combinatie met hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit in stand te houden of te verbeteren. Om te voorkomen dat de natuur in Europa zijn biodiversiteit verliest zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn opgericht. Deze richtlijnen bestaan uit twee delen, namelijk de soorten- en gebiedsbescherming Er liggen geen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. Dichtbij zijnde gebied is Rijntakken (gebiedsnummer 38) op circa 10 kilometer ten zuiden van de planlocatie. Gezien de aard en schaal van de ingreep zijn effecten op doelstellingen van Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten. Nader onderzoek naar effecten op doelstellingen van Natura 2000-gebieden is niet nodig. 4.2. Natuur Netwerk Nederland (NNN) & de Groene Contour Het Natuurnetwerk Nederland is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en de omringende agrarische gebieden verbinden. Door de natuurgebieden samen te brengen wordt er voor een groot samenhangend netwerk gezorgd.
Grotere natuurgebieden zijn beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. De gebieden zijn gevarieerder en er kunnen meerdere planten en dieren leven, daarnaast wordt de verspreiding hierdoor makkelijker (Rijksoverheid, z.d.). Provincie Utrecht wil met de Groene Contour landbouwgronden omvormen tot natuurgebieden om daarmee het NNN te versterken. Het gaat om een totale omvang van 3000 hectare. Na realisatie wordt de nieuwe natuur opgenomen in het NNN (Provincie Utrecht, z.d.). De planlocatie ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour. De dichtstbijzijnde gebieden liggen op 300-600 meter ten noorden van de planlocatie. De ingrepen vinden plaats buiten deze provinciaal beschermde gebieden en hebben geen effect op de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen. Nader onderzoek naar externe effecten is niet nodig (Provincie Utrecht, z.d.).
11
Afbeelding 3. Locatie plangebied (rood) NNN (groen) (Kadviewer, z.d.) (Provincie Utrecht, z.d.). 4.3. Weidevogelgebied Met betrekking tot het weidevogelgebied en beschermde landschapselementen geldt dat de planlocatie niet ligt binnen het beschermde gebied. Negatieve effecten zijn niet te verwachten naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling (Provincie Utrecht, z.d.). 4.4. Lokaal In de aanlegfase kunnen werkzaamheden met machines leiden tot een tijdelijke geluids- en optische verstoring. Dit kan leiden tot enige tijdelijke negatieve effecten op aanwezige fauna. De tijdelijke verstoring in de aanlegfase is van korte duur en zal naar alle verwachting niet leiden tot negatieve effecten, daar de soorten voldoende alternatieven hebben om te foerageren in de omgeving. Significante negatieve effecten zijn daarmee op voorhand uit te sluiten.
12
5. Beschermde flora en fauna 5.1. Flora Op de planlocatie, aan de zijde van de Schoolstraat is ter plaatse van de te behouden woning een kleine siertuin aanwezig. Langs de schuren staan enkele coniferen hagen. Aan de zijde van de Middenstraat staan enkele wilgen in een groep bij elkaar. Verdere stuik- en kruidlaag is niet aanwezig op de planlocatie. Beschermde houtopstanden Gemeente Woudenberg heeft in combinatie met het Groenbeleidsplan een bomenkaart opgesteld waarop waardevolle bomen staan vernoemd. Bomen, lanen en singels die belangrijk zijn voor het groene karakter van Woudenberg staan vermeld op deze bomenkaart en hebben daarom een beschermde status. Wanneer een boom hierop vermeld staat, dient er een omgevingsvergunning aangevraagd te worden (Gemeente Woudenberg, 2017) (Gemeente Woudenberg & BTL Advies, z.d.). Uit deze bomenkaart is gebleken dat er een waardevolle boom op en nabij de planlocatie en de directe omgeving aanwezig zijn. Tijdens de ruimtelijke ontwikkeling blijven de bomen behouden en wordt er op de planlocatie nieuwbouw gerealiseerd. Tijdens de ruimtelijke ontwikkeling wordt er gewerkt met prefab woningen. Hierbij wordt de grond slechts uitgevlakt en is er geen sprake van een gegraven fundering, daarnaast blijft de huidige parkeerplaats rondom de bomen ongeroerd.
Doordat er geen diepere grondbewerking plaats vindt zal de rijbewegingen niet toenemen, de worteldruk niet verhogen en zal er geen wisseling van het grondwaterstand zijn. Negatieve effecten op de waardevolle bomen zijn hierdoor uitgesloten. Wanneer er tijdens de ruimtelijke ontwikkeling toch wordt besloten om gebruik te maken van diepere grondbewerking zal er een bomen effecten analyse uitgevoerd moeten worden om negatieve effecten te voorkomen. Hieruit zal dan blijken of de aanleg van de woningen en de daarmee eventuele wijziging van het grondwaterstand negatieve effecten met zich meebrengt voor de waardevolle bomen.
Afbeelding 4. Locatie plangebied (rood) waardevolle bomen (groene cirkel) (Gemeente Woudenberg, 2017) 13
Effectenbeoordeling Waardevolle bomen Er dient een bomen effectenanalyse uitgevoerd te worden om op de aanwezige waardevolle bomen in beeld te brengen. Overige Binnen het onderzoeksgebied zijn geen beschermde planten aangetroffen. Recente waarnemingen van beschermde plantensoorten ontbreken eveneens. In combinatie met de voedselrijke omstandigheden in de omgeving, het agrarische gebruik en het ontbreken van zeer specifieke biotopen waar beschermde planten worden aangetroffen, is aanwezigheid van beschermde vaatplanten uit te sluiten. Nader onderzoek naar vaatplanten is niet nodig. 5.2. Zoogdieren Onder zoogdieren worden hier bedoeld alle grond- en boomgebonden zoogdieren met uitzondering van vleermuizen. Steenmarter De steenmarter heeft een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen De steenmarter komt voor in een parklandschap, bosloze gebieden, steengroeven en gebouwen. Deze soort is een echte cultuurvolger en hij is vooral te vinden in de nabijheid van dorpen, boerderijen en grote steden. De aanwezigheid van groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen zijn van belang, hier zoekt de steenmater zijn voedsel. (Zoogdiervereniging, z.d.) In de te amoveren bebouwing zijn geen openingen en kieren aangetroffen die als toegang kunnen dienen voor de steenmarter.
Sporen van vaste verblijfplaatsen zijn buiten de bebouwing niet aangetroffen en ontbreken in het plangebied. Daarnaast ontbreekt er voldoende dekking op het perceel. Het is niet te verwachten dat de toekomstige ontwikkeling een negatief effect heeft op het (potentieel) leefgebied van de steenmarter. Algemeen voorkomende zoogdierensoorten zoals huismuis, huisspitsmuis en egel komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Utrecht. Effectenbeoordeling Op de projectlocatie worden voornamelijk, algemene zoogdiersoorten verwacht. De werkzaamheden kunnen tot negatieve effecten op deze soorten leiden, bijvoorbeeld door de aantasting van holen en gangenstelsels. Omdat een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt, moet alleen rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht die voor alle planten en dieren geldt. Aantasting van vaste verblijfplaatsen van zwaarder beschermde soorten is niet aan de orde, daar het plangebied niet beschikt over een geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Significante verslechtering van (potentieel) leefgebied is geen sprake. Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet aan de orde. 5.3. Vleermuizen Een vleermuisonderzoek valt buiten het kader van een quickscan.
Wel is de potentie onderzocht van het plangebied voor vleermuizen en is gelet op sporen. Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich in holten van bomen en besloten of donkere ruimten van kunstwerken, zoals gebouwen. Er is onderzocht welke soorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn aan de hand van het landschap, de omgeving en gekend verspreidingsbeeld. Daarna is onderzocht welke functies voor vleermuizen mogelijk 14
voorkomen. Als richtlijn is hiervoor de checklist van het huidig geldende vleermuisprotocol (2017) aangehouden. Het gaat om voor vleermuis van belang zijnde objecten die door de beoogde activiteit of plan, in relevante mate worden aangetast. Foerageergebied en vliegroutes zijn alleen beschermd als ze essentieel zijn voor het goede voortbestaan van de soort ter plaatse (Netwerk Groene Bureaus, 2017) (Vleermuizen- Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika, 2011) Verblijfplaatsen De voorgenomen ingreep heeft betrekking op voor vleermuizen geschikte bebouwing. Soorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger kunnen in bebouwing voorkomen.
Het plangebied is op te delen in zes delen, namelijk: -
De schuur (nr. 2)
-
De loods (nr. 3)
-
De overkapping (nr. 4)
-
De werkschuur (nr. 5)
-
De woning (nr. 6)
-
Het winkelpand (nr. 7)
De schuur De schuur is opgebouwd uit een steensmuur, afgewerkt met houten kozijnen en boeien, het dak is voorzien van dakpannen en een dakgoot. De loods De loods is opgebouwd uit een stalen constructie in combinatie met geïsoleerde sandwichpanelen (geschikt voor koelcellen) met een damwandprofiel aan de buitenzijde, op het dak liggen ook sandwichpanelen. De overkapping De overkapping is opgebouwd uit een steensmuur aan de zijkanten en damwandplaten aan de achterzijde, voorzien van een plat dak voorzien van dakleer en afgewerkt met metalen randen. De werkschuur De werkschuur is opgebouwd uit een spouwmuur en voorzien van een dakpannen dak met dakgoot, de randen aan de bovenzijde van het dak zijn met metaal afgewerkt. De spouwmuur is voorzien rockwool normplaten (steenwol). De woning De woning is opgebouwd uit een steensmuur en voorzien van een dakpannen dak met dakgoot, de randen langs het dak zijn afgewerkt met metalen randen. Het winkelpand Het winkelpand is opgebouwd uit een steensmuur en voorzien van deels een plat dak met dakleer en deels dakpannen. De randen van het dak zijn afgewerkt met houten boeien.
15
In de schuur, werkschuur, woning en het winkelpand zijn diverse naden en kieren die geschikt zijn als zomer-, kraam- en/of paarverblijfplaats voor vleermuizen. Door het ontbreken van een spouwmuur in de schuur, woning, overkapping en winkelpand en de aanwezige irriterende steenwol in de werkschuur zorgt ervoor dat de aanwezige bebouwing niet geschikt is als winterverblijfplaats voor vleermuizen. Door de strakke afwerking en dus het ontbreken van naden en kieren, het aanwezige dakbeschot en de gladde materialen waar de loods en de overkapping uit bestaan, zorgt ervoor dat de loods en de overkapping niet geschikt zijn voor vleermuizen.
Potentiele verblijfplaats werkschuur
Potentiele verblijfplaats schuur
Foerageergebied en vlieg- en mitigatieroutes Boven het plangebied wordt mogelijk gefoerageerd door vleermuizen. Hier is echter geen sprake van een foerageergebied dat van essentieel belang is voor vleermuizen. In de directe omgeving zijn vele vergelijkbare en meer geschikte locaties aanwezig. Daarnaast blijft tijdens- en na de ruimtelijke ontwikkeling het plangebied geschikt als foerageergebied. Het plangebied vormt geen schakel als vlieg- en mitigatieroute. Licht Met de nieuwe inrichting moet rekening worden gehouden met kunstmatige lichtbronnen om lichtverstoring te voorkomen. Dit betekent dat de plaatsing, de intensiviteit en de stralingsrichting van buitenlampen zodanig moet zijn dat er geen verstoring van strooilicht plaatsvindt. Werk met vleermuisvriendelijke verlichting en maak de verlichting dynamisch. Te allen tijde moet de verlichting naar beneden gericht zijn om verstoring door middel van strooilicht te voorkomen. Effectenbeoordeling Wat betreft vaste verblijfplaatsen van vleermuizen is nader onderzoek noodzakelijk op de schuur, werkschuur, woning en het winkelpand (nr. 2, 5, 6 & 7). De loods en de overkapping zijn in potentie niet geschikt en hebben geen nader onderzocht nodig.
5.4. Vogels Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Huismus De habitat van de huismus moet voldoen aan een combinatie van een aantal elementen, die binnen een straal van enkele meters (dekking bij voedselbronnen) tot enkele honderden meters (nestplek en voedselbronnen) van elkaar moeten liggen. De habitat moet bestaan uit een combinatie van plekken voor nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en jongen), dekking zoals groenblijvende struiken en klimplanten, plekken voor stofbaden en drinkwater. (BIJ12, 2017)
16
De schuur, werkschuur en woning zijn voorzien van een dakpannen dak met een dakgoot. De dakgoten zijn volledig met ijzer afgewerkt en daardoor ontoegankelijk voor de huismus. Het dak van het winkelpand gaat van het dakpannen dak over in een plat dak. Deze is eveneens volledig afgewerkt met dakleer/metaal waardoor de toegang ontbreekt. De loods en de overkapping beschikken niet over een dakgoot of enige toegangsmogelijkheden voor de huismus. Dit maakt dat geen van de elementen op dit perceel geschikt is voor de huismus. Daarnaast voldoet het perceel door het ontbreken van stofplekken, voldoende beschutting en nestgelegenheid niet aan het habitat van de huismus waardoor negatieve effecten zijn uitgesloten.
Overgang dakpannen/plat dak winkelpand
Dakgoot werkschuur volledig afgewerkt
Gierzwaluw Het dak van de werkschuur is in potentie geschikt als nestplaats voor de gierzwaluw. De gierzwaluw is van oorsprong en rots bewoner die door de jaren heen ingeruild zijn voor huizen en andere gebouwen. Hij broedt in steden en dorpen, waar hij nestelt in donkere holtes onder dakpannen en kerktorens. De gierzwaluw heeft een vrije uitvliegroute van minimaal 3 meter onder de uitvliegopening van het nest en minimaal 1 meter breed nodig, omdat ze niet direct vanuit het nest kunnen opstijgen en zich daarom eerst naar beneden laten vallen. Daarnaast mogen er geen belemmerende elementen in de in- en uitvliegroute aanwezig zijn, zoals bomen, vlaggenmasten, steigers, etc. (BIJ12, 2017)
Potentiele verblijfplaats gierzwaluw Overige jaarrond beschermde nestplaatsen Tijdens het onderzoek zijn er geen horsten, roekenkolonie of geschikte (oude) kraaiennesten aangetroffen in het plangebied en nabije omgeving. Overige broedvogels De omgeving van het plangebied is geschikt voor algemene broedvogels. Het plangebied biedt mogelijkheden voor nestlocaties. Tijdens de inventarisatie zijn geen nesten, nestactiviteiten en/of nestrestanten in de coniferen aangetroffen.
17
Effectenbeoordeling Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Gierzwaluw Wat betreft de gierzwaluw moet nader onderzoek op aanwezigheid van nestplaatsen in de werkschuur worden uitgevoerd, mogelijk met een ontheffing als resultante; Overige broedvogels Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren is niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen* moeten plaatsvinden. *In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 15 maart tot 15 juli. 5.5. Overige soorten Het ontbreekt aan een geschikt leefgebied voor zwaarder beschermde soorten (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) en dergelijke soorten komen dan ook met zekerheid niet voor op de planlocatie. Algemeen kleine soorten komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied. Herkomst is terug te voeren op de eventueel aanwezige vijverpartijen. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Utrecht.
Effectenbeoordeling Het vóórkomen van beschermde soorten uit overige soortgroepen (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) is op voorhand uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Negatieve effecten op beschermde soorten uit overige soortgroepen zijn derhalve op voorhand uit te sluiten. Een ontheffing of nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.
18
6. Conclusies 6.1. Overzicht van de bevindingen Gebiedsbescherming
Aanwezigheid
Effecten
Aanbeveling
Natura 2000 - zuurgevoeligheid
n.v.t.
Overige onderdelen NNN
n.v.t.
Soortgroepen
Aanwezigheid
Effecten
Aanbevelingen
Flora – beschermde soorten
niet
geen
geen
Waardevolle bomen
aanwezig
mogelijk
geen, mits…1
Zoogdieren – gebouwbewonend
niet
geen
geen
Zoogdieren – grond-/boombewonend
mogelijk
geen
geen
Zoogdieren – vrijgestelde soorten
aanwezig
mogelijk
zorgplicht
Vleermuizen – verblijfplaatsen
mogelijk
mogelijk
naderonderzoek
Vleermuizen – vlieg/foerageerroute
mogelijk
geen
geen
Vogels – jaarrond beschermde nesten
mogelijk
mogelijk
nader onderzoek
Vogels – algemene broedvogels
mogelijk
beperkt
zorgplicht
Amfibieën/vissen – vrijgestelde soorten
niet
geen
geen
Amfibieën/vissen – beschermde soorten
niet
geen
geen
Reptielen/ongewervelden – vrijgest. soort mogelijk
beperkt
zorgplicht
Reptielen/ongewervelden – besch. soort
geen
geen
1
niet
= Mits er geen gebruik wordt gemaakt van diepere grondbewerking
19
6.2. Aanbevelingen Gebiedsbescherming • N2000 & NNN: De ingrepen behorend tot het project leiden niet tot effecten op beschermde natuurgebieden, zoals aantasting van kernkwaliteiten of doelstellingen van het Natuurnetwerk Nederland of externe effecten op Natura 2000-gebieden; Zorgplicht • Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden; Flora •
Fauna •
Waardevolle bomen: Wanneer er tijdens de ruimtelijke ontwikkeling gebruikt wordt gemaakt van diepere grondbewerking dient er een bomen effectenanalyse (BEA) uit gevoerd te worden om effecten op de aanwezige waardevolle bomen in beeld te brengen, onderzoek hoe deze effecten kunnen worden voorkomen, neem maatregelen.
Vleermuizen: Wat betreft vaste verblijfplaatsen van vleermuizen is nader onderzoek noodzakelijk. Onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen bestaat uit vijf bezoeken. De onderzoeken vinden plaats in de perioden 15 mei - 15 juli en 15 augustus - 30 september, waarna mogelijk een ontheffing bij de provincie Utrecht moet worden aangevraagd. (Netwerk Groene Bureaus, 2017)
•
Gierzwaluw: Voer drie gerichte veldbezoeken uit op de werkschuur in de periode van 15 mei tot 15 juli met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen, waarna mogelijk een ontheffing bij de provincie Utrecht moet worden aangevraagd. (BIJ12, 2017)
•
Effecten op beschermde soorten en soortgroepen waarvoor geen vrijstelling geldt, zijn uitgesloten omdat er geen aanwijzingen zijn dat dergelijke soorten binnen invloedssfeer van de werkzaamheden voorkomen;
•
Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels in de omgeving van het plangebied te verwachten. Bezette nesten mogen nooit vernield worden. Verstoring is alleen toegestaan wanneer deze geen invloed heeft op de overleving van ouders en jongen. De piek van het broedseizoen ligt in de periode half maart-half juli, maar eerdere en latere broedgevallen komen voor;
Overige • Wanneer tijdens werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen dienen werkzaamheden tijdelijk te worden stilgelegd en wordt contact opgenomen met een inzake deskundige. Overleg met de deskundige moet duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan; •
Goedgekeurde gedragscode, ruimtelijke ontwikkeling van de vereniging Stadswerk kan worden toegepast tijdens de werkzaamheden. Hierin wordt beschreven hoe om te gaan met o.a. de algemene zorgplicht. Wel moet er een kanttekening worden geplaatst, als basis van de gedragscode ligt de Floraen faunawet. De gedragscode is nog niet aangepast op de (per 1 januari 2017) geldende wet- en regelgeving, Wet natuurbescherming.
20
7. Kwaliteitsborging- en geldigheid Door de inzet van deskundigen op gebied van ecologie en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethoden is de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Otte Groenadvies hanteert de richtlijnen van het Netwerk Groene Bureaus en de richtlijnen uit de soorten- standaarden/kennisdocumenten van RVO/BIJ12. Toetsing van de aanpak en uitwisseling van ervaringen met gemeente/provincie en collega-onderzoekers vindt plaats op regelmatige basis. Garanties over aan-/afwezigheid van planten en dieren is niet te geven. Daarvoor is de aard en de opzet van een quickscan niet toereikend. Daarbij is het een eenmalige momentopname en houdt het geen rekening met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderingen in terreingebruik en beheer. De geldigheidsduur van de rapportage bedraagt voor de zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar.
21
8. Bibliografie BIJ12. (2017, Juli). Kennisdocument Gierzwaluw. Opgeroepen op 10 Augustus 2020, van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006-Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf BIJ12. (2017, Juli). Kennisdocument Huismus. Opgeroepen op 10 Augustus 2020, van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf Gemeente Woudenberg & BTL Advies. (z.d.). Groenbeleidsplan gemeente Woudenbergen. Opgeroepen op 10 Augustus 2020, van https://www.woudenberg.nl/fileadmin/user_upload/Woudenberg_Groenbeleidsplan.pdf Gemeente Woudenberg. (2017, Mei 2). Bomenkaart. Opgeroepen op 10 Augustus 2020, van https://www.woudenberg.nl/vergunningen-en-belastingen/boom-kappen Gemeente Woudenberg. (z.d.). Gemeente Woudenberg. Opgeroepen op 4 Augustus 2020, van https://www.woudenberg.nl/ Google. (z.d.). Google Maps. Opgeroepen op 11 Augustus 2020, van https://www.google.nl/maps Helversen, D. &. (2011). Vleermuizen- Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion Natuur. Kadviewer. (z.d.). Online kaarten. Opgeroepen op 11 Augustus 2020, van https://kadviewer.map5.nl Netwerk Groene Bureaus. (2017). Vleermuisprotocol 2017. Opgeroepen op 11 Augustus 11, 2020, van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/werken-aankwaliteit/vleermuisprotocol Overheid. (2015, December 16). Wet Natuurbescherming.
Opgeroepen op 11 Augustus 2020, van https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-10-01 Pdok. (z.d.). Online kaarten. Opgeroepen op 9 April 2020, van https://www.pdok.nl/viewer/ Provincie Utrecht. (z.d.). Natuurbeheerplan. Opgeroepen op 10 Augustus 2020, van https://webkaart.provincieutrecht.nl/viewer/app/Webkaart?bookmark=306d710255e14dcd8d5ecb612aca5211 Provincie Utrecht. (z.d.). Natuurnetwerk Nederland (NNN). Opgeroepen op 10 Augustus 2020, van https://www.provincie-utrecht.nl/onderwerpen/natuur/natuurnetwerk-nederlandnnn#groene_contour Provincie Utrecht. (z.d.). Utrechts Actieplan Weidevogels. Opgeroepen op 10 Augustus 2020, van https://www.provincie-utrecht.nl/sites/default/files/2020-03/utrechts_actieplan_weidevogels.pdf Rijksoverheid. (z.d.). Natuur Netwerk Nederland. Opgeroepen op 11 Augustus 2020, van https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit Zoogdiervereniging. (z.d.). Steenmarter. Opgeroepen op 11 Augustus 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/steenmarter
22
Bijlage BIJLAGE 1: WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING – SOORTBESCHERMING De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van het onderdeel soortbescherming gegeven, wat relevant is voor onderliggende toetsing. (Overheid, 2015) Categorieën De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • Vogelrichtlijnsoorten • Habitatrichtlijnsoorten • Andere soorten Vogelrichtlijnsoorten Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen.
Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1). Habitatrichtlijnsoorten In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; • bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5) De bijlagen zijn zeer uitgebreid en er staan ook veel soorten in genoemd die van nature niet in Nederland voorkomen. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als er geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c). Verbodsbepalingen Ten aanzien van vogels verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art.
3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt
23
niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de overige Europees beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de nationaal beschermde diersoorten geldt slechts een verbod op het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b). Ten aanzien van de nationaal beschermde plantensoorten geldt een verbod op het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c). Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van EZ vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1).
Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik; d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale staten en de minister van EZ kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2- 4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend op de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hieronder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van EZ en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van EZ het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie.
Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af van of men kan voldoen aan de voorwaarden. Deze voorwaarden verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent - ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht - wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er
24
geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden. Voor Vogelrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.3 lid 4): 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora en/of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor Habitatrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2.
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere soorten gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten, aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 6. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 7.
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 8. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 9. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 10. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 11. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 12. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of
25
13. in het algemeen belang.
Aanhaken bij de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) Er kan voor worden gekozen geen ontheffing Wnb aan te vragen, maar de toestemming aan te laten haken bij de Omgevingsvergunning. In dat geval dient het betreffende onderzoek bijgevoegd te worden bij de aanvraag Omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag voor de Omgevingsvergunning vraagt vervolgens een verklaring van geen bedenking (vvbg) aan bij het bevoegd gezag Wnb. De voorwaarden waaronder de vvgb wordt afgegeven maken vervolgens onderdeel uit van de Omgevingsvergunning. Wanneer ervoor wordt gekozen de toestemming Wnb niet aan te laten haken, moet de ontheffing Wnb zijn aangevraagd voordat de Omgevingsvergunning wordt aangevraagd. (Overheid, 2015)
26