07. Nota beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Haarweg 8 annoniem.pdf
Tekst van het document
Nota beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Haarweg 8, Woudenberg Het ontwerpbestemmingsplan Haarweg 8 heeft gedurende zes weken voor eenieder ter visie gelegen, van 9 juni 2021 tot en met 21 juli 2021. Gedurende de periode van ter inzagelegging zijn er drie zienswijzen ingediend. In deze Nota van beantwoording zienswijze ontwerpbestemmingsplan Haarweg 8 zijn de zienswijzen samengevat en voorzien van een antwoord. Omdat twee brieven qua inhoud en strekking vrijwel gelijk zijn (alleen verschil op onderdelen eigendom of bedrijfsvorm van beide indieners) hebben wij besloten deze gezamenlijk te behandelen. Initiatiefnemer heeft in het kader van de participatie zelf direct omwonenden betrokken en heeft het verslag hiervan toegevoegd aan de maatschappelijke paragraaf van het bestemmingsplan. Het participatie traject is uitgevoerd volgens de in Woudenberg gangbare werkwijze. Nr. 1.
Betreft Haarweg 6 en Haarweg 3.
Zienswijze 1 Omzetting bedrijfsbestemming naar woonbestemming zonder sloop van bebouwing. Voldoet niet aan de instructieregel 2.7 van de provinciale verordening. Geen sprake van een feitelijk bedrijf en daarmee verminderen milieuhinder. Niet terecht dat compensatie hier groter is dan voor een agrarisch ondernemer. Uitbreiden van woningbouw in het buitengebied niet wenselijk. 2 Gemeente Woudenberg heeft geen beleid over vrijkomende niet-agrarische bedrijven. Precedentwerking en onevenredigheid binnen Woudenberg voorkomen. 3 Landschappelijke inrichting is niet vastgelegd in voorwaardelijk verplichting en ook niet in het plangebied of de bijlage.
Antwoord Algemeen Reclamant spreekt bij het perceel van haar cliënte op Haarweg 6 over “het bedrijf van client” Op Haarweg 6 is evenwel geen agrarisch bedrijf gevestigd, maar is sprake van de bestemming Wonen, waarbij hobbymatig paarden worden gehouden. Van een agrarisch bedrijf is wel sprake bij Haarweg 3. Andersom wordt namens Haarweg 3 een stelling ingebracht uitgaande van eigendom van agrarische percelen naast Haarweg 8, terwijl daar geen sprake van is. 1 Verwezen wordt naar artikel 2.7 uit de interim omgevingsverordening provincie Utrecht. Deze verwijzing is niet juist. Aan de orde is artikel 9.7 “de Instructieregel bestaande stedelijke functies, anders dan wonen”. Deze geeft o.a. aan dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied bestemmingen en regels kan bevatten die toestaan dat percelen voor specifieke stedelijke functies bestemmingen een andere stedelijke functie krijgen. Hierbij is bepaald dat het dan niet mag gaan om permanente bewoning van een recreatiewoning of om kantoor of detailhandel. Basis uitgangspunt is dat bestaande cultuur-historische en landschappelijke
1
Nr.
Betreft
Zienswijze 4 Er is geen specifiek onderzoek uitgevoerd in verband met de spuitzones voor het telen van gras of andere akkerbouwgewassen en afstand van minimaal 5 meter leidt tot een beperking nu het aantal gehinderde door de nieuwe functie toeneemt. 5 Uit het geuronderzoek blijkt dat op de locatie straks sprake is van een matig woonklimaat. Gesteld wordt dat een dergelijke situatie op deze locatie acceptabel is, deze stelling wordt echter niet onderbouwd.
Antwoord waarden worden behouden en dat omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd. De eventuele toename van de invloed die de wijziging in stedelijke bestemmingen heeft op de omgeving moet, in het kader van een goede ruimtelijke ordening worden beoordeeld. Het resultaat van die brede beoordeling moet zijn dat de ruimtelijke impact op de omgeving vermindert of op zijn minst gelijk blijft. Tot de relevante aspecten worden in ieder geval gerekend: milieuhinder, onevenredige verkeerstoename en verstoring van het landschap. De onderhavige functieverandering van Bedrijf naar Wonen voldoet aan artikel 9.7 van deze verordening. De impact van een woning zal minder zijn dan die van een bedrijfsmatig gebruik van het pand. Voorts wordt gewezen op de regels voor functieverandering van Agrarisch naar Wonen, deze zijn hier niet aan de orde. Er gelden inderdaad andere regels voor functieverandering van agrarische bedrijven. Basis voor deze functieverandering is het feit dat het betreffende perceel en pand op basis van ligging en omvang niet passend en geschikt zijn voor een bedrijfsmatig gebruik. Ook in het verleden is dat al gebleken. In deze is dan ook sprake van maatwerk, het vinden van een passende functie voor een gebouw dat niet langer passend is voor de bestemming.
Van belang is ook dat er uitsluitend sprake is van een functieverandering van de bestaande bebouwing. Binnen de bestaande bebouwing vindt een inpandige verbouwing plaats waardoor een woning van ca. 800 m3 ontstaat samen met een inpandig bijgebouw van 80 m2 en een Bed en Breakfast van 50 m2. Buiten het bestaande gebouw zijn geen bijgebouwen toegestaan. In het onderhavige bestemmingsplan is deze maatwerk situatie ook vastgelegd. Gelijk aan andere situaties in het bestemmingsplan Buitengebied waar rechtsgeldig een bouwvolume groter is dan 600 m3 aanwezig was. In
2
Nr.
Betreft
Zienswijze
Antwoord deze is niet relevant of op dit moment nog wel of niet meer sprake is van een bedrijfsmatig gebruik van Haarweg 8. Er is sprake van een bedrijfsbestemming waarvan ook in het verleden al vaker geconstateerd is dat het pand en het perceel door omvang, indeling en ligging niet voldoen aan de eisen voor een bedrijf en daarmee bedrijfsmatig moeilijk te benutten zijn. Beleid van provincie en gemeente is ook om terughoudend te zijn wat betreft niet agrarische bedrijfsmatige activiteiten in het buitengebied. Beëindigen van deze bestemming past daarin. 2 Het gemeentelijke beleid ten aanzien van functieverandering van niet agrarische bedrijven is vastgelegd in het bestemmingsplan Buitengebied. De geringe omvang van deze bedrijfsbestemming maakte echter dat toepassing van artikel 7.6.1. Praktisch niet mogelijk is. Daarom is hier een maatwerk regeling toegepast waarvoor de provinciale verordening het kader biedt. Het aantal niet agrarische bedrijfsfuncties in het buitengebied van Woudenberg is beperkt en niet vergelijkbaar met de onderhavige. Van een precedentwerking zal dan ook geen sprake zijn. Het alternatief leegstand en daarmee verval of risico op ondermijnende activiteiten is zeker niet gewenst. De provincie Utrecht geeft aan in te stemmen met deze functieverandering en dat geen sprake is van strijd met provinciaal beleid.
3 De zekerheid dat de landschappelijke inpassing wordt uitgevoerd is geregeld in de anterieure overeenkomst. Maar terecht wordt erop gewezen dat dit ook via een verplichting in het bestemmingsplan zeker gesteld dient te worden. Wij nemen daartoe de onderstaande voorwaardelijke verplichting in de planregels op:
3
Nr.
Betreft
Zienswijze
Antwoord Teneinde te komen tot een zorgvuldige landschappelijke inpassing dient, binnen één jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden het onderhavig bestemmingsplan, de gronden te zijn ingericht en ingericht te blijven overeenkomstig de inrichtingsprincipes op bladzijde 8 van het erfinrichtingsplan zoals opgenomen in het "Erfinrichtingsplan Haarweg 8" dat als Bijlage 1 bij deze regels is gevoegd. 4 Ten aanzien van de spuitzones merken wij op dat de jurisprudentie van de Raad van State met name gericht is op de fruitteelt en sierteelt en in veel mindere mate op akker- of vollegrondstuinbouw of de grondgebonden veehouderij. De uitspraak waar reclamanten aan refereren handelde over een spuitzone van een fruitbedrijf ten opzichte van woningbouw. Fruitteelt, sierteelt, bollenteelt en paardenhouderijen zijn in het vigerende bestemmingsplan, voor de omliggende percelen, reeds uitgesloten. Feitelijk zijn de gronden bij haarweg 6 gebruik als rijbak voor paarden en als weiland voor het hobbymatig weiden van de paarden en niets wijst erop dat men voornemens is gewassen te gaan telen met een spuitzone. Gelet op het vigerende bestemmingsplan is dit bovendien niet toegestaan. In dat verband is de uitspraak van de Raad van state van 20 december 2017 ECLI:NL:RVS:2017:3524 van belang.
Uit deze uitspraak blijkt, zoals in onderhavig geval bij Haarweg 6, dat er geen plannen kenbaar zijn gemaakt om de bedrijfsvoering te wijzigen en over te gaan tot een gewas daarbij een spuitzone van toepassing is, de raad daar ook geen rekening mee hoeft te houden. Daarnaast is zoals gezegd op Haarweg 6 geen sprake van een bedrijfsmatige agrarische exploitatie van het perceel en de bijbehorende gronden. Dat is op grond van de vigerende bestemming Wonen ook niet toegestaan,
4
Nr.
Betreft
Zienswijze
Antwoord daarmee nog minder waarschijnlijk dat het gebruik zal veranderen. Het zal het incidenteel voor kunnen komen dat er een keer met gifstoffen gespoten dient te worden. Dat is evenwel inherent aan het wonen en werken in het buitengebied waar bedrijfswoningen bij agrarische bedrijven en burger woonbestemmingen naast elkaar zijn gelegen en het af en toe onvermijdelijk is dat er een keer overlast wordt ervaren van het spuiten, net zoals dat ook wordt ervaren bij het uitrijden van drijfmest. Daarmee is er evenwel geen sprake van zeer frequent en op grotere hoogte spuiten van fruitbomen en sierteeltbomen, waar soms tientallen keren gespoten wordt. Ook binnen de bestemming bedrijven zouden diverse mensen actief kunnen zijn in het pand Haarweg 8. Waarschijnlijk in grotere getale dan dat er een gezin komt te wonen en er mensen van en naar de B&B komen en gaan. Niet valt in te zien dat het nu voorgestane gebruik voor wonen een meer negatief effect kan hebben op het gebruik van de gronden op Haarweg 6 dan bij maximale planologische invulling van de vigerende bestemming het geval zou kunnen zijn. In ieder geval wordt zulks op geen enkele wijze onderbouwd. 5 Ten aanzien van het woonklimaat merken wij op dat aan het wettelijke afstandscriterium wordt voldaan. Wat betreft de voorgrondbelasting op het plangebied is de veehouderij aan de Haarweg 3 maatgevend.
De geurconcentratie die veroorzaakt wordt door deze veehouderij voldoet op alle zijden van de bouwkavel aan de wettelijke norm. Om die reden schaadt de realisatie van de geplande woning de veehouderij aan de Haarweg 3 niet in haar belangen. Dat de heersende voorgrondbelasting maatgevend is voor de te verwachten geurhinder en het te verwachten
5
Nr.
3
Betreft
Haarweg 2 en 6
Zienswijze
1. Momenteel geen bedrijf ingeschreven en verleden pand al wel als woning gebruikt. Daarmee twijfels over de intenties. 2. Gesteld wordt dat de bomen omgewaaid zijn, maar buurt heeft gezien dat deze mechanische verwijderd zijn. 3. Waarom wordt het agrarisch perceel dat kruidenrijk grasland wordt niet meegenomen in bestemmingsplan en daarmee de ontwikkeling zeker gesteld. 4. Het bodemonderzoek is te summier en dient ook het agrarisch gebied te betrekken en meer plekken rond de woning, gelet op de bedrijfshistorie van het perceel.
Antwoord geurhinderpercentage bij de geplande nieuwe woning tot een matig woonklimaat leidt, doet niet af aan het feit dat de woning wel voldoet aan de wettelijk eisen. De ligging van het pand maakt dat sprake is van een acceptabele en niet van een optimaal woonklimaat. De genoemde punten zijn echter ook van toepassing op personeel dat langdurig in de bedrijfsbestemming verblijft en geeft daarom geen aanleiding om de bestemming niet aan te passen. Conclusie: Deze zienswijzen geven aanleiding om het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen en een voorwaardelijke verplichting op te nemen voor het uitvoeren van het landschapsplan. De zienswijzen dienen voor het overige ongegrond te worden verklaard. 1 Het feit dat er momenteel geen bedrijf op dit perceel ingeschreven is bij de Kamer van Koophandel maakt niet dat het perceel niet conform de bedrijfsbestemming gebruikt kan worden. Binnen de huidige bestemming mag het pand niet bewoond worden. De twijfel over de intenties delen wij niet, geeft vooral aan dat functiewijziging passend en noodzakelijk is. 2 Feit is dat de bomen gekapt zijn en dat via het inrichtingsplan de natuurwaarde hersteld worden. 3 Het agrarisch perceel maakt geen deel uit van het bestemmingsplan omdat de functie van dat gebied niet veranderd. Via de voorwaardelijke verplichting die n.a.v.
zienswijze 1 en 2 wordt toegevoegd en de afspraken in de anterieure overeenkomst wordt uitvoering zeker gesteld. 4 Voor het wijzigen van de bestemming is van belang dat aangetoond wordt dat de kwaliteit van de bodem geschikt is voor een woongebruik. In deze is sprake van een wijziging van het gebruik van een bestaand pand en leidt het bestemmingsplan dan ook niet tot roering van
6
Nr.
Betreft
Zienswijze 5. Het terrein en de opslag is nu een doorn in het oog en dat uiterlijk past niet in de omgeving. 6. Verwacht dat gemeente de bedrijfsbestemming behoud, dus dit bestemmingsplan niet vaststelt tot: - Alle opslag van het perceel verwijderd is en het perceel opgeruimd is. - Nader bodemonderzoek gedaan is en eventuele sanering binnen 2 jaar uitgevoerd is. - Een deel van het inrichtingsplan uitgevoerd is. Pas daarna als gemeente de woonbestemming opnemen.
Antwoord de bodem. Daarmee volstaat een beperkt bodemonderzoek. Eventuele andere inzichten op basis van aanvullend onderzoek kunnen van belang zijn voor het feitelijk gebruik van (delen van) het perceel maar zullen geen aanleiding geven om de bestemming niet te wijzigen. In het kader van de omgevingsvergunning voor de verbouw van het pand zal ook bodemonderzoek moeten worden gedaan, deze zienswijze geven aanleiding aan de eigenaar om nader te bezien of sprake is van een onverdachte locatie. Hij/zij kan deze punten mee te nemen en daarmee voor zichzelf en die vergunning aan te tonen dat gebruik van de grond als tuin mogelijk is. 5 Bij een bedrijfsbestemming hoort ook opslag, feit dat het niet past in deze omgeving is mede de aanleiding voor de herziening. 6 De wensen en verwachtingen van deze buren kunnen met de herziening van de bestemming naar Wonen beter ingevuld worden, dan wanneer de bedrijfsbestemming nog op het pand blijft rusten. Zonder bedrijfsbestemming is bedrijfsmatige opslag niet meer toegestaan en voorwaarde voor de herziening is uitvoering van het inrichtingsplan. Deze uitvoering kan worden afgedwongen/ gestimuleerd met de regels van het bestemmingsplan en de boeteclausules van de anterieure overeenkomst.
Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de intenties van deze planherziening, mochten sprake zijn van verkeerde intenties dan biedt deze herziening meer basis voor handhaving dan het niet herzien van de bestemming. Deze zienswijzen geven geen aanleiding voor een verdere aanpassing van het bestemmingsplan.
7