07.k bijlage bestemmingsplan natuurtoets.pdf
Tekst van het document
Quickscan natuurtoets Dorpsstraat 13, Woudenberg Inventarisatie en effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming
Bunte Vastgoed BV
Concept
Colofon Quickscan natuurtoets Dorpsstraat 13, Woudenberg Inventarisatie en effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming
18-107
15 maart 2018
Concept
Sebastiaan Kraaijeveld
Sebastiaan Kraaijeveld
Mark Hoksberg
Bunte Vastgoed BV
©Ecogroen bv Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, mits onder vermelding van bron en status. Kraaijeveld, S.E. (2018). Quickscan natuurtoets Dorpsstraat 13, Woudenberg. Inventarisatie en effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming. Rapport 18-107. Ecogroen bv Zwolle.
Inhoud Samenvatting
4
1.
Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Plangebied en voorgenomen ontwikkeling 1.3 Opzet rapportage
6 6 6 7
2.
Kader en methode 2.1 Wettelijk kader 2.2 Onderzoeksmethode
8 8 9
3.
Soorten 3.1 Flora 3.2 Vleermuizen 3.2.1 Verblijfplaatsen 3.2.2 Vliegroutes en foerageergebieden 3.3 Grondgebonden zoogdieren 3.4 Broedvogels 3.4.1 Broedvogels met jaarrond beschermde nesten 3.4.2 Overige broedvogels 3.5 Amfibieën 3.6 Overige soorten
10 10 10 10 11 11 11 12 12 12 13
4.
Gebiedsbescherming 4.1 Ligging plangebied in relatie tot Natura 2000-gebied 4.2 Ligging plangebied in relatie tot NNN
14 14 15
Geraadpleegde bronnen
17
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsDorpsstraat Dorpsstraat13, 13,Woudenberg Woudenberg
Samenvatting Aanleiding en doel Bunte Vastgoed BV heeft het voornemen om bebouwing te slopen voor de realisatie van een supermarkt. Voor het voornemen is een bestemmingsplanprocedure noodzakelijk. De voorgenomen ontwikkelingen gaan mogelijk gepaard met effecten op beschermde natuurwaarden. Wet- en regelgeving voor bescherming van natuur verplichten vooraf te toetsen of activiteiten conflicteren met beschermde natuurwaarden. Bunte Vastgoed heeft Ecogroen gevraagd een quickscan op te stellen.
Soortbescherming •
•
•
•
In het plangebied zijn geen beschermde flora, vissen, reptielen, insecten of weekdieren aangetroffen of te verwachten. Ook vaste verblijfplaatsen van juridisch zwaarder beschermde grondgebonden zoogdieren zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht; In het woonhuis zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Geadviseerd wordt om conform het landelijk vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad, 2017) aanvullend onderzoek uit te laten voeren naar vleermuizen. Afhankelijk van de resultaten is ontheffing Wet natuurbescherming en het nemen van mitigerende maatregelen noodzakelijk; In het woonhuis zijn mogelijk nestplaatsen van Huismus aanwezig. Geadviseerd wordt om conform kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017) aanvullend onderzoek naar Huismus uit te laten voeren. Afhankelijk van de resultaten is het aanvragen van ontheffing Wet natuurbescherming en het nemen van mitigerende maatregelen noodzakelijk; In het plangebied is broedbiotoop aanwezig voor vogels. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rustplaatsen te beschadigen of nesten weg te nemen. Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt.
In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen half maart en eind juli worden aangehouden als broedseizoen.
Natura 2000 Gezien de afstand tot Natura 2000-gebied en de aard van de beoogde ontwikkeling zijn negatieve effecten -met uitzondering van het onderdeel stikstof- op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. Geadviseerd wordt om -zodra de exacte werkzaamheden bekend zijn- conform het Programma Aanpak Stikstof een AERIUS-modelberekening uit te voeren om mogelijk negatieve effecten door een verhoogde stikstofdepositie inzichtelijk te maken.
Quickscan natuurtoets Dorpsstraat 13, Woudenberg
Natuurnetwerk Nederland en overige natuurgebieden Het plangebied ligt op een afstand van circa 350 meter van Natuurnetwerk Nederland. De wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden gezien de afstand en de aard van de beoogde ontwikkelingen niet aangetast. Vervolgstappen ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland en stiltegebied zijn niet aan de orde.
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsDorpsstraat Dorpsstraat13, 13,Woudenberg Woudenberg
1. Inleiding 1.1
Aanleiding en doel Bunte Vastgoed BV heeft het voornemen om bebouwing te slopen voor de realisatie van een supermarkt. Voor het voornemen is een bestemmingsplanprocedure noodzakelijk. De voorgenomen ontwikkelingen gaan mogelijk gepaard met effecten op beschermde natuurwaarden. Wet- en regelgeving voor bescherming van natuur verplichten vooraf te toetsen of activiteiten conflicteren met beschermde natuurwaarden. Bunte Vastgoed heeft Ecogroen gevraagd een quickscan op te stellen. De quickscan is bedoeld om inzicht te verkrijgen in aanwezige natuurwaarden en mogelijke effecten van het plan of voorgenomen activiteiten. Tijdens het onderzoek zijn te verwachten effecten van het plan getoetst aan de wettelijke bescherming van soorten en gebieden. Het uitgevoerde onderzoek en de resultaten zijn in voorliggende rapportage beschreven.
1.2
Plangebied en voorgenomen ontwikkeling Het plangebied betreft het perceel aan de Dorpsstraat 13 te Woudenberg (figuur 1.1). Het plangebied bestaat momenteel uit een woning, opslagschuur, werkschuur, tuin en bestrating. Beoogd wordt om de bestaande bebouwing te verwijderen om plaats te maken voor een supermarkt. De bestemming wordt gewijzigd van Bedrijf naar detailhandel.
Quickscan natuurtoets Dorpsstraat 13, Woudenberg
Figuur 1.1 situatie plangebied (rode contouren) en verwijzing voorgenomen werkzaamheden. Bron achtergrond PDOK.
1.3
Opzet rapportage De natuurtoets is gebaseerd op veldonderzoek, bekende verspreidingsgegevens (zie hoofdstuk 6 Geraadpleegde bronnen) en ecologische principes. In hoofdstuk 2 wordt de gehanteerde methodiek en het wettelijk kader behandeld. Op basis van de verzamelde informatie volgt een korte beschrijving van te verwachten effecten op beschermde soorten (hoofdstuk 3), Natura 2000-gebied en het Natuurnetwerk Nederland (hoofdstuk 4). Daarnaast is per onderdeel een doorkijk gegeven naar te verwachten vervolgstappen.
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsDorpsstraat Dorpsstraat13, 13,Woudenberg Woudenberg
2. Kader en methode 2.1
Wettelijk kader Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Staatsblad 2016) regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden. Voor de volledige wettekst van de Wet natuurbescherming verwijzen wij naar: http://wetten.overheid.nl/. In onderstaand kader 2.1 geven we een samenvatting van de relevante wetteksten. Zoals in hoofdstuk 1 is beschreven, gaan wij in op soort- en gebiedsbescherming. Kader 2.1 Wet natuurbescherming Gebiedsbescherming (Natura 2000) Artikelen 2.1 tot en met 2.12 van de Wet natuurbescherming regelen de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vogelen Habitatrichtlijngebieden). Voor Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor habitattypen, habitatsoorten, broedvogels en/ of niet-broedvogels. In artikel 2.7 verplicht de Wet natuurbescherming om vooraf te beoordelen of ingrepen/ activiteiten in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden significant negatieve effecten kunnen hebben op de voor deze gebieden aangewezen instandhoudingsdoelen. Mocht sprake zijn van (significant) negatieve effecten dan kan het aanvragen van vergunning bij bevoegd gezag (veelal de provincie waarbinnen de ingreep of activiteit plaatsvindt) aan de orde zijn. Soortbescherming Artikelen 3.1 tot en met 3.11 van de Wet natuurbescherming regelen de bescherming van soorten.
De bescherming is opgedeeld in drie categorieën: • Vogels zoals genoemd in de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wet natuurbescherming), in de praktijk onderverdeeld in: – Vogels met jaarrond beschermde nesten zoals Huismus, Gierzwaluw en Buizerd, en – Overige vogels wier nesten alleen tijdens het broedseizoen (periode van nestbouw, eileg, broeden en voeren van de jongen op het nest) zijn beschermd; • Soorten van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I) zoals bedoeld in artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming; • Overige nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming), onderverdeeld in: – Soorten waarvoor provinciaal geen vrijstelling geldt, en
– Soorten waarvoor provinciaal wel vrijstelling geldt. Soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, kunnen ingedeeld worden in twee categorieën. Provincies mogen besluiten om bepaalde soorten vrij te stellen van bescherming in het kader van ruimtelijke ingrepen, beheer en onderhoud. In de meeste provincies geldt - onder andere voor ruimtelijke ontwikkelingen - een vrijstelling voor een selectie van zoogdieren en amfibieën. Voor de overige soorten gelden vergelijkbare verboden (zie artikel 3.10) als voor soorten van de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn. Voor het overtreden van verbodsartikelen bij ruimtelijke ingrepen is het noodzakelijk om ontheffing aan te vragen bij bevoegd gezag (veelal de provincie waarbinnen de ingreep plaatsvindt). Voor het verkrijgen van een ontheffing dient een
Quickscan natuurtoets Dorpsstraat 13, Woudenberg
verdiepende rapportage opgesteld te worden waarin o.a. wordt aangegeven hoe gezorgd wordt dat schade tot een minimum beperkt blijft en of compenserende maatregelen aan de orde zijn.
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige EHS) is verankerd in de Wet natuurbescherming (artikel 1.12) maar in detail geregeld in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro: Stb 2016 nr. 351) en uitgewerkt in provinciale verordeningen en bestemmingsplannen. In het Barro staat dat bij provinciale verordening gebieden moeten worden aangewezen die het Natuurnetwerk Nederland vormen. De ligging van die gebieden wordt geometrisch vastgelegd. Bij provinciale verordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen het NNN, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan, geldt een ‘nee, tenzij’-afweging. Dit houdt kortweg in dat significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet toegestaan is. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in provinciale verordeningen.
2.2
Onderzoeksmethode De voorgenomen activiteiten zijn mogelijk in strijd met de Wet natuurbescherming en het beleid ten aanzien van het NNN. Daarom is onderzoek uitgevoerd naar aanwezige of te verwachten beschermde waarden binnen de invloedssfeer van de voorgenomen activiteiten. Literatuuronderzoek Het onderzoek is gestart met een literatuuronderzoek. Hiervoor zijn bestaande onderzoeken, NDFF en verspreidingsatlassen geraadpleegd. Naar aanleiding van deze informatie is bepaald welke soorten gedurende het veldbezoek extra aandacht hebben gekregen. Ook is de digitale atlas van Utrecht geraadpleegd om beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) in kaart te brengen. Veldonderzoek De verzamelde informatie uit het literatuuronderzoek vormt de basis voor het veldbezoek dat op 6 maart 2018 door één ecoloog is uitgevoerd. Het gehele plangebied is onderzocht. Gedurende het veldbezoek is aandacht besteed aan alle beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming. Tijdens het veldonderzoek is in kaart gebracht of (mogelijke) nesten van jaarrond beschermde broedvogels (zoals Huismus en Gierzwaluw) aanwezig zijn. Daarnaast is de bebouwing gecontroleerd op hun geschiktheid als vaste verblijfplaats voor vleermuizen. Tenslotte zijn biotoopinschattingen voor de alle soortgroepen (zoogdieren, vissen, reptielen, amfibieën en ongewervelden) gedaan.
Op basis van het uitgevoerde literatuuronderzoek en het veldbezoek is beoordeeld welke soorten (mogelijk) aanwezig zijn en is bepaald of het plangebied gelegen is binnen de begrenzing van beschermde gebieden. Vervolgens is op basis van de geplande ingrepen bepaald welke effecten kunnen optreden op beschermde soorten en gebieden. Indien sprake is van verwachte negatieve effecten is advies gegeven over te nemen vervolgstappen.
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsDorpsstraat Dorpsstraat13, 13,Woudenberg Woudenberg
3. Soorten 3.1
Flora Tijdens het veldbezoek zijn geen in de Wet natuurbescherming beschermde plantensoorten of plantensoorten van de Rode Lijst aangetroffen. Op basis van de terreingesteldheid en bekende verspreidingsgegevens (NDFF 2018) worden deze soorten ook niet verwacht. Het nemen van vervolgstappen ten aanzien van de soortgroep flora is in het kader van de Wet natuurbescherming niet aan de orde.
3.2
Vleermuizen Het leefgebied van de in artikel 3.5 (Habitatrichtlijn bijlage IV) beschermde vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie ook kader 3.1). Hieronder worden deze onderdelen nader beschreven.
Kader 3.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bomen, huizen, kelders et cetera en kunnen aanwezig zijn in de vorm van kraamverblijven/ zomerverblijven, baltslocaties/ paarverblijven en winterverblijven. Verstoring, beschadiging, vernietiging of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Voor oriëntatie tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden gebruiken vleermuizen veelal jarenlang dezelfde structuren. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Wanneer alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘onmisbaar’ en zodoende beschermd. Foerageergebied Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen. Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Wet natuurbescherming echter geen juridische bescherming, tenzij het onmisbaar is voor het voortbestaan van een populatie.
3.2.1
Verblijfplaatsen Tijdens het veldbezoek zijn potentieel geschikte verblijfplaatsen aangetroffen in het woonhuis. Het betreft hier verblijfplaatsen in de vorm van toegankelijke spouwmuren bij loodflappen en open stootvoegen en ruimtes on-
Quickscan natuurtoets Dorpsstraat 13, Woudenberg
der (gevel)dakpannen. Dergelijke ruimtes worden door soorten als Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger gebruikt als zomer-, kraam- en paarverblijfplaats. Overige bebouwing (schuren) in het plangebied is vanwege bouwkundige constructies (ontbreken van openstootvoegen en overige openingen naar de spouw, ontbreken van dakbeschot met dakpannen) ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Als gevolg van de beoogde sloop van de woning is vooralsnog niet uit te sluiten dat verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetast. Om aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen en negatief effect uit te kunnen sluiten is aanvullend vleermuisonderzoek noodzakelijk. Dit houdt in dat conform vleermuisprotocol in de periode mei tot en met september aanvullend vleermuisonderzoek moet worden uitgevoerd (Vleermuisvakberaad, 2017). Afhankelijk van de resultaten is het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Het bevoegd gezag (provincie Utrecht) heeft in de regel maximaal vijf maanden de tijd om deze ontheffingsaanvraag te beoordelen. 3.2.2
Vliegroutes en foerageergebieden Het plangebied biedt -door aanwezigheid van tuin en dierhouderij- geschikt foerageergebied voor vleermuissoorten als Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger (NDFF 2018). Dit foerageergebied gaat door de beoogde ontwikkelingen verloren. In de directe omgeving van het plangebied blijft echter voldoende alternatief voorhanden. Door het ontbreken van opgaande lijnvormige structuren zijn in het plangebied geen vliegroutes voor vleermuizen aanwezig. Vervolgstappen ten aanzien van vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen zijn niet aan de orde.
3.3
Grondgebonden zoogdieren Bij overige zoogdieren wordt onderscheid gemaakt in drie categorieën met een verschillend beschermingsregime (zie kader 2.1). Vaste verblijfplaatsen van zoogdieren die zijn opgenomen op Habitatrichtlijn, de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde soorten zoals Steenmarter en Eekhoorn (zonder provinciale vrijstelling) worden op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en bekende verspreidingsgegevens (NDFF 2018) uitgesloten. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde. Binnen de invloedsfeer van de plannen zijn wel vaste verblijfplaatsen van grondgebonden zoogdiersoorten met een provinciale vrijstelling aangetroffen en/of te verwachten. Dit zijn onder andere Egel, Mol en Huisspitsmuis. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren van deze grondgebonden zoogdieren geschaad worden. In voorliggende situatie geldt in de provincie Utrecht automatisch vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze zoogdieren niet aan de orde is.
3.4
Broedvogels Bij broedvogels wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën met een verschillend beschermingsregiem (zie kader 2.1).
Quickscan natuurtoets Dorpsstraat 13, Woudenberg
3.4.1
Broedvogels met jaarrond beschermde nesten Huismus In het woonhuis zijn geschikte nestplaatsen voor Huismus aangetroffen. Deze locaties bevinden zich in het dakbeschot vlak boven de dakgoot. De schuren in het plangebied zijn -gezien het ontbreken van dakbeschot- niet geschikt als nestplaats voor Huismus. Als gevolg van de geplande werkzaamheden aan het woonhuis gaan mogelijk nestlocaties van Huismus verloren. Er is nader onderzoek conform de richtlijnen in het kennisdocument van Huismus noodzakelijk naar aanwezigheid van nestplaatsen van Huismus (BIJ12, 2017). Afhankelijk van de resultaten is het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk. Het bevoegd gezag (provincie Utrecht) heeft in de regel maximaal 5 maanden de tijd om deze ontheffingsaanvraag te beoordelen. Overige jaarrond beschermde nesten Op basis van het uitgevoerde veldbezoek, de terreinkenmerken en habitateisen worden geen overige jaarrond beschermde nesten van broedvogels (zie kader 3.2) in of in de directe nabijheid van het plangebied verwacht. Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming voor jaarrond beschermde nesten is niet aan de orde.
Kader 3.2 Broedvogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Onder jaarrond beschermde nesten van broedvogels wordt verstaan: in functie zijnde nesten van de Ooievaar, Boomvalk, Buizerd, Havik, Ransuil, Roek, Wespendief, Zwarte wouw, Slechtvalk, Sperwer, Steenuil, Kerkuil, Oehoe, Gierzwaluw, Grote gele kwikstaart en Huismus. Voor sommige andere soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
3.4.2
Overige broedvogels Door de aanwezigheid van tuinen in en rondom het plangebied is broedbiotoop aanwezig voor algemene vogelsoorten zoals Roodborst, Merel, Vink, Houtduif en Ekster. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen half maart en eind juli worden aangehouden als broedseizoen. Wanneer er binnen het broedseizoen wordt gewerkt, is het van belang om voorafgaand aan het broedseizoen maatregelen te nemen om vestiging van broedvogels te voorkomen, bijvoorbeeld middels het plaatsen van stokken met linten. Tijdens het broedseizoen is ook van belang dat periodiek wordt gecontroleerd of zich onverwacht toch broedvogels hebben gevestigd in het werkgebied.
Wanneer broedende vogels aanwezig zijn, moeten de werkzaamheden worden uitgesteld tot de jongen zijn uitgevlogen of moet voldoende afstand gehouden worden (soortafhankelijk).
3.5
Amfibieën Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken, habitatseisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF 2018) worden geen strikt beschermde amfibieën verwacht in het plangebied. Wel zijn algemene amfibieënsoorten te verwachten (Bastaardkikker en Gewone pad) waarvoor een vrijstelling geldt binnen de Wet natuurbescherming.
Quickscan natuurtoets Dorpsstraat 13, Woudenberg
Bij de werkzaamheden kunnen exemplaren van vrijgestelde beschermde amfibieën geschaad worden. In voorliggende situatie geldt automatisch vrijstelling (conform provinciale verordening) van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze amfibieën niet aan de orde is.
3.6
Overige soorten Overige beschermde soorten (reptielen, ongewervelden, vissen) in de Wet natuurbescherming zijn gezien het biotoop en de bekende verspreidingsgegevens niet aangetroffen of te verwachten in het onderzoeksgebied. Negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden zijn dan ook niet aan de orde.
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsDorpsstraat Dorpsstraat13, 13,Woudenberg Woudenberg
4. Gebiedsbescherming 4.1
Ligging plangebied in relatie tot Natura 2000-gebied Het plangebied ligt op een afstand van circa 9,5 kilometer van Natura 2000-gebied Rijntakken (figuur 4.1). Gezien de afstand tot Natura 2000-gebied en de aard van de beoogde ontwikkeling zijn negatieve effecten -met uitzondering van het onderdeel stikstof- op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten.
Figuur 4.1 ligging plangebied (rode contouren) ten opzichte van Natura 2000-gebied (groene vlakken). Bron achtergrond: PDOK.
Quickscan natuurtoets Dorpsstraat 13, Woudenberg
Effecten stikstofdepositie Door het toekomstig gebruik van het plangebied en de inzet van machines tijdens de (bouw- en sloop) werkzaamheden kan een tijdelijke toename van stikstofdepositie op hiervoor gevoelige habitattypen ontstaan. Negatief effect door een verhoogde stikstofdepositie is niet te verwachten maar is zonder berekening niet uit te sluiten. Geadviseerd wordt om -zodra de exacte werkzaamheden bekend zijn- conform het Programma Aanpak Stikstof (PAS; kader 4.1) een AERIUS-modelberekening uit te voeren om eventuele negatieve effecten door een verhoogde stikstofdepositie inzichtelijk te maken. Kader 4.1 Programma aanpak Stikstof (PAS) Sinds 1 juli 2015 is het Programma Aanpak Stikstof in werking getreden. Dit programma heeft als doel om effecten van stik-stofdepositie op beschermde waarden weg te nemen door: • de emissies van stikstof (ammoniak en stikstofoxiden) te verminderen (bronmaatregelen) en; • door (herstel)maatregelen te nemen in de Natura 2000-gebieden. Met het PAS is voor projecten ontwikkelingsruimte gecreëerd. Het model AERIUS is ontwikkeld om de emissie van stikstof van een project te berekenen en te bepalen of er (voldoende) ontwikkelruimte in het betreffende Natura 2000-gebied beschikbaar is. De PAS gaat uit van twee grenswaarden, te weten 0,05 mol/ha/jaar en 1 mol/ha/jaar.
Een depositie lager dan 0,05 mol/ha/jaar wordt als verwaarloosbaar gezien; een vergunning Wnb (voor het aspect stikstof) is niet nodig. In alle andere gevallen is ontwikkelruimte en dus melding of vergunning nodig voor een project: • Bijdrages van < 0,05 mol N/ha/jaar zijn vrijgesteld (geen melding of vergunning nodig). • Is de bijdrage =< 1 mol N/ha/jaar, dan is een melding nodig via AERIUS. • Bij een bijdrage van > 1 mol N/ha/jaar is een vergunning vereist. Er moet ontwikkelruimte worden geclaimd via een toestemmingsbesluit. In een aantal Natura 2000-gebieden (o.a. Veluwe) is de grenswaarde omlaaggehaald, omdat onvoldoende ontwikkelruimte beschikbaar is. Dit heeft als consequentie dat projecten met een bijdrage groter dan 0,05 mol N/ha/jaar ook een vergunning vereist is.
4.2
Ligging plangebied in relatie tot NNN Het plangebied ligt op een afstand van circa 350 meter van de NNN (figuur 5.1). Gezien de afstand, de tussenliggende bebouwing en infrastructuur en de aard van de werkzaamheden zijn negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkelingen niet aan de orde. Vervolgstappen ten aanzien van de NNN zijn niet aan de orde.
Quickscan natuurtoets Dorpsstraat 13, Woudenberg
Figuur 5.1 ligging plangebied (rode contouren) ten opzichte van NNN (groene vlakken). Bron achtergrond: PDOK.
Quickscan Quickscannatuurtoets natuurtoetsDorpsstraat Dorpsstraat13, 13,Woudenberg Woudenberg
Geraadpleegde bronnen Literatuur BIJ12 (2017). Juridisch Kader behorende bij Kennisdocumenten Soortenbescherming Versie 1.0, juli 2017. Provincie Utrecht (2013). Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013 - 2028 (PRS). Vastgesteld door PS op 4 februari 2013. Provincie Utrecht (2013a). Provinciale ruimtelijk verordening (PRV) Utrecht 2013. Vastgesteld door PS op 4 februari 2013.
Internet BIJ12: grenswaarden Natura 2000-gebieden (https://www.bij12.nl/onderwerpen/programma-aanpak-stikstof/vergunningen-en-meldingen/overzicht_grenswaarde-_verlagingen/) Gebiedendatabase Natura 2000 (http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000) Nationale Databank Flora en Fauna: NDFF (https://ndff-ecogrid.nl/). Voor het laatst geraadpleegd op 20-12-2017. Provincie Utrecht (2016) https://webkaart.provincie-utrecht.nl/ Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2017) Vleermuisprotocol 2017, maart 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl en www.zoogdiervereniging.nl