CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

06.d De Steeg 7_Bijlagen bij toelichting_Bijlage 4 Nader onderzoek soortenbescherming.pdf

Raadscommissie 10 september 2024, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 15: Bestemmingsplan De Steeg 76.452 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

RAPPORTAGE NADER ONDERZOEK

Steenmarter, vleermuizen, huismus, steenuil, kerkuil en roodstaarten

De Steeg 7, Woudenberg

COLOFON

Rapportage nader onderzoek, De Steeg 7 te Woudenberg Opdrachtgever

Kubiek Ruimtelijke Plannen

Contactpersoon

Dhr. Corstian Hanse

Uitgevoerd door

Bureau Buitenwaard BV Bosweg 27 3922 GK Elst (Ut) t. 06 22089164 e. info@bureaubuitenwaard.nl w. www.buitenwaard-ecologie.nl

Kamer van Koophandel BTW nr IBAN Tekst en samenstelling Collegiale toets Status

77768116 NL861135404B01 NL51 KNAB 0737 2769 75 Dhr. D.J. Gijsbertsen MSc. Mvr. C.M. Koch-Jiménez MSc. Definitief

Datum

15 december 2022, geactualiseerd 17 mei 2023

INHOUDSOPGAVE 1.

2

3

4

5

6

INLEIDING................................................................................................................................ 3 1.1

Aanleiding.............................................................................................................................. 3

1.2

Vraagstelling .......................................................................................................................... 3

1.3

Leeswijzer .............................................................................................................................. 3

ONDERZOEKSGEBIED EN VOORNEMEN .................................................................................... 4 2.1

Gebiedsbeschrijving .............................................................................................................. 4

2.2

Voornemen ........................................................................................................................... 4

ONDERZOEKSMETHODE .......................................................................................................... 6 3.1

Algemeen .............................................................................................................................. 6

3.2

Onderzoeksmethode steenmarter ........................................................................................ 6

3.3

Onderzoeksmethode vleermuizen ........................................................................................ 7

3.4

Onderzoeksmethode huismus .............................................................................................. 8

3.5

Steenuil.................................................................................................................................. 9

3.6

Kerkuil ................................................................................................................................... 9

3.7

Onderzoeksmethode roodstaarten ....................................................................................... 9

3.8

Volledigheid inventarisatie .................................................................................................. 10

ONDERZOEKSRESULTATEN .................................................................................................... 11 4.1

Resultaten steenmarter ...................................................................................................... 11

4.2

Resultaten vleermuizen....................................................................................................... 11

4.3

Resultaten huismus ............................................................................................................. 12

4.4

Resultaten steenuil.............................................................................................................. 13

4.5

Resultaten kerkuil................................................................................................................ 13

4.6

Resultaten roodstaarten ..................................................................................................... 14

EFFECTENANALYSE EN TOETSING AAN DE WET NATUURBESCHERMING ................................ 15 5.1

Effectanalyse ....................................................................................................................... 15

5.2

Toetsing ............................................................................................................................... 17

CONCLUSIE EN MAATREGELEN .............................................................................................. 18 6.1

Algemeen ............................................................................................................................ 18

6.2

Onderzoeksresultaten ......................................................................................................... 18

6.3

Vervolgstappen ................................................................................................................... 18

6.4

Maatregelen ........................................................................................................................ 19

Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 1 van 24

6.5 7

Aanbevelingen ..................................................................................................................... 20

GERAADPLEEGDE BRONNEN .................................................................................................. 21 7.1

Literatuur............................................................................................................................. 21

7.2

Online bronnen ................................................................................................................... 21

BIJLAGE 1 - VERBODSBEPALINGEN WET NATUURBESCHERMING ................................................... 22

Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 2 van 24

1. INLEIDING 1.1

Aanleiding

In opdracht van Kubiek Ruimtelijke Plannen heeft Bureau Buitenwaard BV, een soortgericht onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van steenmarter, vleermuizen, huismus, steenuil, kerkuil en roodstaarten in het plangebied De Steeg 7 te Woudenberg (provincie Utrecht). De initiatiefnemer is voornemens een deel van de aanwezige bebouwing (schuren en opstallen) te slopen en op het perceel nieuwbouw van een bedrijfswoning en enkele bijbehorende gebouwen te verrichten. Ter voorbereiding hierop is in het kader van de Wet natuurbescherming een ecologische quickscan uitgevoerd (Ecologische quickscan De Steeg 7 te Woudenberg, Van Laar & Gijsbertsen, 2022). Tijdens deze quickscan is geconstateerd dat bij de ingreep mogelijk negatieve effecten op beschermde soorten optreden. Onderhavig nader onderzoek is utigevoerd om inzicht te krijgen in de aanwezige soorten en gebiedsfuncties. Voorliggend onderzoek is uitgevoerd in 2022. De resultaten zijn drie jaar geldig. Mochten de voorgenomen ontwikkelingen tussentijds wijzigen dan dient deze toetsing te worden geactualiseerd.

1.2

Vraagstelling

Met dit onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: 1. Zijn in het plangebied steenmarter, vleermuizen, huismus, steenuil, kerkuil en roodstaarten aanwezig? 2. Welke functie(s) heeft het plangebied voor deze soorten? 3. Leidt de ingreep tot overtreding van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming? 4. Zijn voorzorgsmaatregelen en/of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk?

1.3

Leeswijzer

Onderhavige rapportage beschrijft de bevindingen van dit nader onderzoek. In hoofdstuk 2 worden het onderzoeksgebied en de voorgenomen ontwikkeling beschreven. Hoofdstuk 3 beschrijft de onderzoeksmethode. In hoofdstuk 4 worden de onderzoeksresultaten beschreven. Hoofdstuk 5 bevat de effectanalyse en toetsing aan de Wet natuurbescherming. Het laatste hoofdstuk (6) sluit af met de conclusie en aanbevelingen.

Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 3 van 24

2 ONDERZOEKSGEBIED EN VOORNEMEN 2.1

Gebiedsbeschrijving

Het plangebied (fig. 2.1) ligt in het buitengebied van Woudenberg (provincie Utrecht) even ten zuiden van Scherpenzeel. Het plangebied wordt omringd door agrarisch landschap. Aan de oostzijde ligt het Valleikanaal met daarachter een bosperceel. Aan de westzijde ligt openbareweg De Steeg. In de huidige situatie zijn in het plangebied een woonhuis en met bijgebouwen aanwezig. Deze worden omringd door een erf en graslanden. Het woonhuis betreft een ouder pand met schuine kap. De bijgebouwen zijn opgetrokken uit hout. Binnen het plangebied is een oude eikenlaan aanwezig en opgaande begroeiing in de vorm van struiken en heesters. Bij dit onderzoek is het gehele plangebied (gebouwen en bos) integraal onderzocht op de aanwezigheid van beschermde soorten.

Figuur 2.1 | Het plangebied (rood omkaderd) in context van de omliggende ruimte. De rode punt in de uitsnede linksboven markeert de ligging van het plangebied in de ruimere context. (bron ondergrond: OpenTopo.nl)

2.2

Voornemen

De initiatiefnemer is voornemens het hoofdgebouw (nr. 1, fig. 2.2) uit te breiden door het voormalig bakhuis aan de achterzijde te herstellen, een vrijstaande bedrijfswoning te realiseren op het zuidelijk deel van het erf, het slopen van alle bijgebouwen met uitzondering van gebouw 5, 7 en 9 en het bouwen van enkele kleine gebouwen ten behoeve van een boerencamping. Bij realisatie van het voornemen worden mogelijk enkele bomen gerooid. Figuur 2.3 geeft een impressie van de toekomstige situatie. Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 4 van 24

Figuur 2.2 | Situatie voor functiewijziging, plangebied rood gemarkeerd, gebouwen grijs en groen gekleurd. (bron ondergrond: Document; verkenning uitbreidingsmogelijkheden Hofstede Hooybroeck, Fam. Van Ravenhorst).

Figuur 2.3 | Concept inrichtingsplan toekomstige situatie (bron: opdrachtgever)

Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 5 van 24

3 ONDERZOEKSMETHODE 3.1

Algemeen

Dit naderonderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van het bevoegd gezag (kennisdocumenten en soortinventarisatieprotocollen). Alle veldonderzoeken zijn uitgevoerd door ecologisch deskundigen1 van Bureau Buitenwaard. Zij hebben aantoonbaar ervaring met het inventariseren van de onderzochte soorten. De onderzoeksinspanning is afgestemd op de omvang en inrichting van het onderzoeksgebied. Waar mogelijk zijn onderzoeken gecombineerd uitgevoerd. Dit geldt bijvoorbeeld voor het onderzoek naar vleermuizen en kerkuil. Tijdens alle onderzoeken zijn ook relevante waarnemingen met betrekking tot andere beschermde soorten geregistreerd. Met uitzondering van het onderzoek naar de steenuil (2023) zijn alle onderzoeken uitgevoerd in 2022. De onderzoeksmomenten en omstandigheden zijn samengevat in tabel 3.1. Tabel 3.1 | Overzicht onderzoeken en omstandigheden

Datum

Soort(en)

Onderzoekers Tijdstip

Weersomstandigheden

28 april

Huismus, roodstaarten, sporen algemeen

Eén persoon

11:00 – 13:00

11 °C | Bft NO 2 | zonnig

13 mei

Huismus, roodstaarten

Eén persoon

09:00 – 11:00

15 °C | Bft ZW 3 | half bewolkt

N.v.t.

Steenmarter

N.v.t.

28 april – 10 juni

N.v.t.

17 mei

Vleermuizen, kerkuil

Twee personen

02:45 - 05:45

13 °C | Bft ZZO 2

6 juni

Vleermuizen, kerkuil

Twee personen

21:55 - 00:25

13 °C | Bft ZW 3

13 juli

Vleermuizen, kerkuil

Twee personen

21:55 - 00:55

19 °C | Bft NNW 2

19 aug.

Vleermuizen, kerkuil

Twee personen

22:00 – 00:00

20 °C | Bft W 2

9 sept.

Vleermuizen, kerkuil

Twee personen

22:00 – 00:00

16 °C | Bft ZZW 2

13 feb.

Steenuil

Eén persoon

18:30 - 20:30

7 °C | Bft ZO 1

13 mrt

Steenuil

Eén persoon

20:00 – 22:00

11 °C | Bft ZW 2

27 mrt

Steenuil

Eén persoon

21:30 – 23:30

4 °C | Bft NNW 2

In de volgende paragrafen wordt de onderzoeksopzet per soort(groep) beschreven.

3.2

Onderzoeksmethode steenmarter

Het onderzoek naar de aanwezigheid de steenmarter (Martes foina) is uitgevoerd met behulp van camera, struikrovers en een sporenonderzoek. In de aanpak is gebruik gemaakt van suggesties uit de Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortenbescherming, provincie Noord- Brabant (2017). Verspreid door het plangebied zijn vier cameravallen (Seissiger S308 (1x), Bushnell Throphy Cam HD (1x) en struikrovers uitgerust met de Browning BTC-5HDPX camera (2x)) geplaatst. Om steenmarters

1 Een ecologische deskundige is iemand die ecologisch advies geeft of werkzaamheden begeleidt op het gebied van habitats en soorten. Hij of zij heeft schriftelijk aantoonbare ervaring en specifieke ecologische kennis. De ecologische deskundige heeft voldoende kennis en jarenlange ervaring om ecologisch onderzoek te kunnen doen. Hij of zij:

-

(her)kent de functionaliteit van leefgebieden van beschermde soorten;

-

heeft kennis van de algemeen erkende onderzoeksmethoden;

-

kan ecologische werkprotocollen uitwerken;

-

kan specifieke maatregelen begeleiden.

Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 6 van 24

aan te trekken is voor de cameravallen aas in de vorm van een geperforeerd blikje sardines geplaatst. De ‘vangmiddelen’ zijn na plaatsing zes weken operationeel geweest. De cameravallen zijn geplaatst op 28 april en verwijderd op 10 juni. Tussentijds zijn de vallen 1x verplaatst om een optimale spreiding over het onderzoeksgebied te bereiken. De waarnemingen zijn geanallyseerd door ecoloog dhr. R.J.A. van Laar. In figuur (3.1) zijn de locaties van de cameravallen weergegeven. Tijdens een veldbezoek overdag op 13 mei is het gehele plangebied onderzocht op de aanwezigheid van sporen de steenmarter, kerkuil en steenuil. Hierbij is o.a. gezocht naar uitwerpselen, krabsporen, prenten, prooiresten en verblijfplaatsen.

Figuur 3.1 | Plangebied (rode begrenzing) met locaties van de cameravallen (blauwe punten = 1e positie, oranje punten = 2e positie). (Bron ondergrond: OpenTopo)

3.3

Onderzoeksmethode vleermuizen

Het onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen is uitgevoerd conform de richtlijnen uit het door het bevoegd gezag goedgekeurde Vleermuisprotocol (2021). Dit protocol is ontwikkeld door de Zoogdiervereniging en het Netwerk Groene Bureaus in samenwerking met de Dienst Landelijk gebied en de Gegevensautoriteit Natuur. De veldbezoeken zijn uitgevoerd onder voor vleermuizen gunstige omstandigheden: niet te harde wind, milde temperaturen en weinig tot geen neerslag. Tijdens de veldbezoeken werd op grond van geluid en zicht geïnventariseerd. Met behulp van een heterodyne batdetector met opname- en vertragingsfunctie (Pettersson D240x) is de echolocatie die vleermuizen uitzenden hoorbaar gemaakt voor mensen. Wanneer een soort op grond van frequentie, klank en ritme niet met zekerheid kon worden gedetermineerd, is een opname gemaakt met een extern opnameapparaat (Roland Edirol R-05). Met behulp van computersoftware zijn deze opnamen geanalyseerd om een soort op naam te brengen. Door tijdens een onderzoek zoveel Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 7 van 24

mogelijk visueel waar te nemen is de determinatie geverifieerd en het gedrag vastgesteld. Voor visuele waarneming is gebruik gemaakt van een krachtige zaklamp (1000+ lumen) en warmtebeeldcamera (AGM Fuzion TM25-384). In dit naderonderzoek is naar aanleiding van de bevindingen uit het verkennend onderzoek (Van Laar & Gijsbertsen, 2022) specifiek gelet op de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de onderstaande vleermuissoorten (tabel 3.2). De aanwezigheid van massawinterverblijfplaatsen is in het verkennend onderzoek uitgesloten. Tabel 3.2 | Overzicht van onderzochte vleermuissoorten en typen verblijfplaatsen

Soort

Zomer

Kraam

Paar

Winter*

Gewone dwergvleermuis (Pipistrelus pipistrelus)

Ja

Ja

Ja

Ja

Ruige dwergvleermuis (Pipustrelus Nathusii)

Ja

n.v.t.

Ja

n.v.t.

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Ja

n.v.t.

Ja

n.v.t.

Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

Ja

Ja

Ja

Ja

* Alleen solitaire winterverblijfplaatsen

Onderzoek zomer- en kraamverblijfplaatsen Het onderzoek naar de aanwezigheid van zomer- en kraamverblijfplaatsen bestond uit twee avondbezoeken en één ochtendbezoek in de periode tussen 15 mei en 15 juli. Beide avondbezoeken zijn gestart bij zonsondergang, het ochtendbezoek eindigde bij zonsopgang. De avond onderzoeken duurden twee en een half uur, het ochtend onderzoek duurde drie uur. De onderzoeken zijn uitgevoerd met een interval van minimaal 20 dagen tussen beide avondbezoeken en minimaal 20 dagen tussen één van beide avond bezoeken en het ochtendbezoek. Onderzoek paar- en (solitaire)winterverblijfplaatsen De aanwezigheid van paarverblijfplaatsen is onderzocht tijdens twee veldbezoeken in de periode tussen 15 augustus en 30 september. De onderzoeken duurden elk twee uur, zijn uitgevoerd rond middernacht en met minimaal 20 dagen tussentijd. Onderzoek overige gebiedsfuncties Het onderzoek naar de aanwezigheid van andere voor vleermuizen belangrijke gebiedsfuncties zoals winterverblijfplaatsen (zie tabel 3.2), vliegroutes en foerageergebied vormde geen onderdeel van dit onderzoek. Bij de veldbezoeken zijn eventuele waarnemingen met betrekking tot deze functies integraal meegenomen in het onderzoek naar verblijfplaatsen.

3.4

Onderzoeksmethode huismus

Gedurende het huismusonderzoek is een gebied onderzocht dat groter was dan het plangebied. Voor het onderzoek is de aandacht hoofdzakelijk uitgegaan naar het plangebied en hierbinnen specifiek de te slopen of aan te passen bebouwing. De totale populatie huismussen rondom het plangebied viel buiten de scope van dit onderzoek en is derhalve niet onderzocht. Bij het onderzoek naar vaste rust- en verblijfplaatsen (nesten) en de aanwezigheid van essentieel functioneel leefgebied van de huismus (Passer domesticus) zijn de richtlijnen van het bevoegd gezag zoals deze zijn opgenomen in het nieuwe Kennisdocument huismus (BIJ12, 2022) en de Inventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2017) gehanteerd. Hierin worden twee veldbezoeken in de periode tussen 1 april en 20 juni voorgeschreven. De veldbezoeken zijn Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 8 van 24

uitgevoerd onder gunstige omstandigheden en met een tussenperiode van minimaal 10 dagen. Aanvullend op deze onderzoeksinspanning zijn relevante waarnemingen met betrekking tot huismussen tijdens andere veldbezoeken (tab. 3.1) geregistreerd in het kader van dit onderzoek. Tijdens de veldbezoeken is specifiek gelet op: •

Nest indicerend gedrag zoals nestbouw, transport van voedsel en bedelende jongen,

•

Territorium indicerend gedrag zoals zingend mannetje, paarvorming bij een nestplaats, paring of ander sociaal gedrag.

•

Aanwezigheid en gedrag van huismussen in relatie tot elementen die onderdeel kunnen zijn van het essentieel functionele leefomgeving van de soort.

Het onderzoek naar de huismus is uitgevoerd op zicht en geluid, bij het veldwerk is gebruik gemaakt van een lichtsterke verrekijker (Swarovski EL 10x42). De geluidswaarnemingen werden met het blote oor gedaan. De veldbezoeken zijn uitgevoerd onder voor huismussen gunstige omstandigheden: droog, weinig wind en milde temperaturen.

3.5

Steenuil

Het onderzoek naar de steenuil word uitgevoerd conform de kaders uit het Kennisdocument Steenuil (BIJ12, 2017), tijdens drie gerichte veldbezoeken in de avondschemer in de periode tussen 1 februari en 30 april 2023. Bij het veldwerk zal gebruik gemaakt worden van een verrekijker (Swarovski EL 10x42) en krachtige zaklamp (1000+ lumen). Om de eventuele aanwezigheid van steenuilen te controleren wordt tijdens het onderzoek de roep van de vogel afgespeeld. Omdat dit onderzoek nog moet plaatsvinden zullen de resultaten hiervan later toegevoegd worden aan deze rapportage. Bij de veldbezoeken wordt specifiek gelet op: •

Nest indicerend gedrag zoals nestbouw, transport van voedsel en bedelende jongen,

•

Territorium indicerend gedrag zoals roepende mannetje of ander sociaal gedrag.

Het sporenonderzoek, waarbij gezocht is naar uitwerpselen, braakballen, prooiresten of andere sporen is al wel uitgevoerd op 13 mei 2022.

3.6

Kerkuil

Het onderzoek naar de kerkuil (Tyto alba) is uitgevoerd tijdens drie gerichte veldbezoeken in de avondschemer in de periode tussen 1 februari en 15 oktober. Het sporenonderzoek, waarbij gezocht is naar uitwerpselen, braakballen, prooiresten of andere sporen is uitgevoerd op 13 mei. Bij de veldbezoeken is specifiek gelet op: •

Nest indicerend gedrag zoals nestbouw, transport van voedsel en bedelende jongen,

•

Territorium indicerend gedrag zoals roepende mannetje of ander sociaal gedrag.

Het onderzoek naar de kerkuil is uitgevoerd op zicht en geluid. Bij het veldwerk is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski EL 10x42), krachtige zaklamp (1000+ lumen) en warmtebeeldcamera (AGM Fuzion TM25-384).

3.7

Onderzoeksmethode roodstaarten

De gekraagde roodstaart (Phoenicurus phoenicurus) en zwarte roodstaart (Phoenicurus ochruros) behoren tot de algemene broedvogels. Bij het onderzoek naar deze soorten is geen protocol van toepassing. Het onderzoek is uitgevoerd tijdens het broedseizoen tussen half april en half juli. De Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 9 van 24

aanwezigheid van territoria van de roodstaarten is onderzocht tijdens twee gerichte veldbezoeken in de broedperiode. Bij het veldwerk is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski EL 10x42).

3.8

Volledigheid inventarisatie

Dit onderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen van het bevoegd gezag. Zo is voldaan aan de onderzoeksinspanning die vereist is om een eventuele ontheffing op de Wet natuurbescherming te kunnen verkrijgen, of is in afdoende mate aangetoond dat de onderzochte soorten en gebiedsfuncties niet binnen het onderzochte gebied aanwezig zijn. Een inventarisatie is een steekproef gebaseerd op momentopnames. Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat soorten en functies die niet waargenomen zijn op een ander tijdstip wel aanwezig zijn. Dit is acceptabel omdat de Wet natuurbescherming een initiatiefnemer vraagt te doen wat redelijkerwijs verwacht kan worden. Met de gekozen onderzoeksmethode en inspanning is voldoende invulling gegeven aan artikel 1.11 (zorgplicht) van de Wet natuurbescherming. Met het onderhavige onderzoek heeft de initiatiefnemer gedaan wat redelijkerwijs verwacht kan worden.

Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 10 van 24

4 ONDERZOEKSRESULTATEN 4.1

Resultaten steenmarter

Tijdens het steenmarter onderzoek zijn geen sporen aangetroffen die duiden op aanwezigheid van de soort in en om het plangebied. Tijdens het cameravallen onderzoek zijn geen steenmarters (of andere strikt beschermde soorten vastgelegd. De aanwezigheid van steenmarters in het plangebied wordt op grond hiervan uitgesloten.

4.2

Resultaten vleermuizen

Tijdens de veldbezoeken zijn in en om het plangebied de volgende soorten vleermuizen waargenomen: ●

Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)

●

Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)

●

Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus)

●

Laatvlieger (Eptesicus serotinus )

●

Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)

Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is tijdens alle veldbezoeken waargenomen. De aantallen varieerden tussen één en drie dieren. In de zomerperiode (15 mei – 15 juli) zijn de grootste aantallen dieren in en om het plangebied geteld. De dieren zijn foeragerend rond het erf, de bomenlaan langs de oprit en de verspreid staande bosschages rondom het terrein waargenomen. Tijdens het foerageren bezochten de dieren het plangebied integraal met de omliggende ruimte. Eén gewone dwergvleermuis is veelvludig in (de nabijheid van) het plangebied waargenomen. Van dit dier is een verblijfplaats ontdekt aan de noordwestzijde (voorgevel) van het woonhuis. Het dier heeft hier toegang tot de spouw of anderszinds vrije ruimte in de muur via een opening naast het balk-anker (foto 4.1, fig. 4.1). Rondom deze verblijfplaats is zowel tijdens het zomer- als het najaarsonderzoek activiteit waargenomen. Tijdens het onderzoek in augustus en september werd regelmatig baltsgedrag vastgesteld. Op basis hiervan kan het verblijf als gecombineerd zomer- en paarverblijf aangemerkt worden. Ruige dwergvleermuis De ruige dwergvleermuis is alleen tijdens het onderzoek op 19 augustus waargenomen. De waarneming betrof dier dat enige tijd vanuit een (vogel)nestkast langs de oprijlaan riep (foto 4.2, fig. 4.1).

Dit gebruik van deze paarverblijfplaats lijkt incidenteel; tijdens de verdere onderzoeken zijn geen ruige dwergvleermuizen waargenomen. Gewone grootoorvleermuis Op 6 juni werd een gewone grootoorvleermuis waargenomen. Het dier foerageerde korte tijd in de zomereiken langs de oprijlaan. Er is geen associatie met het plangebied waargenomen. Laatvlieger Tijdens drie veldbezoeken (6 juni, 13 juli en 19 aug.) werdt een passerende laatvlieger waargenomen. In alle gevallen betrof het één dier dat niet langer dan enkele minuten in het plangebied verbleef. Enige associatie met het plangebied is uitgesloten.

Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 11 van 24

Rosse vleermuis Op 19 augustus werd een overvliegende rosse vleermuis gehoord. Dit dier vertoonde geen binding met het plangebied. Functioneel leefgebied Tijdens dit onderzoek is de omgeving van het plangebied integraal beoordeeld op de aanwezigheid van voor vleermuizen essentieel functioneel leefgebied zoals vliegroutes of foerageergebied. De tuin rondom de woning en bijgebouwen en de bomen langs de oprijlaan worden incidenteel bezocht door foeragerende vleermuizen. Het gebruik van deze ruimte is hierbij integraal met het omliggend terrein. Uitzondering hierop vormt de binnen het plangebied verblijvende gewone dwergvleermuis. Dit dier foerageert regelmatig in en om het plangebied. Het plangebied heeft echter geen speciaal te onderscheiden functie als foerageergebied voor vleermuizen. Ook vliegroutes zijn ondanks de aanwezige lijnstructuren niet aangetroffen. Opvallend was de beperkte activiteit van vleermuizen rondom het Valleikanaal direct ten oosten van het plangebied. Hier zijn tijdens dit onderzoek verrassend weinig vleermuizen waargenomen.

Foto 4.1 en 4.2 | L) zomer- en paarverblijfplaats gewone dwergvleermuis aan de voorzijde van het woonhuis R) paarverblijfplaats ruige dwergvleermuis in nestkast aan zuidzijde van de oprijlaan.

4.3

Resultaten huismus

Vaste rust- en verblijfplaatsen Tijdens het huismussenonderzoek zijn in het plangebied 20 (28 april) en 24 (13 mei) huismussen geteld. De dieren zijn foeragerend op het erf, kwetterend in het struweel rondom het erf en zingend nabij nestplaatsen waargenomen. Gelet op de geisoleerde ligging van het plangebied kan worden aangenomen dat de vogels verblijven in de gebouwen binnen het plangebied. Bij een aantal gebouwen zijn nesten (zichtbaar nestmateriaal en uitwerpselen) aangetroffen (fig. 4.1). De nesten bevinden zich verspreid over de gebouwen in besloten ruimten onder het dak (woonhuis) en de kap en balkenconstructies (bijgebouwen). In de overige gebouwen moet met de aanwezigheid van losse (tijdelijke) hooinesten van de huismus rekening gehouden worden. Op basis van het aantal getelde volwassen huismussen zijn naar schatting 12 nesten aanwezig. Onderzoek functioneel leefgebied De vogels maken gebruik van een ruim leefgebied in en om het plangebied. Hierbij worden ook de rondom het plangebied gelegen boerenbedrijven (respectievelijk op 400, 500 en 500 meter afstand) bezocht. Als gevolg van de huidige inrichting en het gebruik van het plangebied als paardenhouderij/boerenerf is het gehele plangebied onderdeel van het funcitioneel leefgebied van de Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 12 van 24

huismus. Hierbij zijn geen specifieke locaties met een bijzondere functie te onderscheiden. Het gehele erf inclusief omliggende ruimte (buiten het plangebied) vormen onderdeel van het functioneel leefgebied van de binnen het plangebied verblijvende huismussen. Onderstaande afbeeldingen (4.2 en 4.2) geven een impressie van het plangebied.

Foto 4.3 en 4.4 | L) impressie van het achtererf met rechtsvoor de mesthoop, verspreid groeiende onkruiden en links de bijgebouwen waarin huismussen nestelen R) impressie van de omgeving van het plangebied in beeld de Grebbedijk aan de zuidoostzijde van het plangebied.

4.4

Resultaten steenuil

Tijdens het steenuilen sporenonderzoek (2022) zijn in het plangebied geen sporen van de steenuil aangetroffen. Tijdens de overige onderzoeken (naar andere soorten/soortgroepen) zijn geen individuen van de soort waargenomen. Bij het soortgerichte nader onderzoek in 2023 zijn tijdens alle veldbezoeken steenuilen waargenomen. Dit betrof maximaal twee roepende vogels. De uilen zijn roepend vastgesteld in de bomenrij langs De Steeg, bij woning nummer 4 ten noordwesten van het plangebied en eenmaal (13 feb.) op het dak van het woonhuis binnen het plangebied. De activiteit en aanwezigheid van de vogels concentreerde zich rondom nummer 4 en de bomenrij langs De Steeg. Binnen het plangebied is geen verblijfplaats indiceren gedrag zoals langdurige aanwezigheid al dan niet in een gebouw of territoriale roep waargenomen. Ook zijn bij (in 2023) herhaald sporen onderzoek in en om de bebouwing geen sporen in de vorm van braakballen, prooiresten of bijvoorbeeld veren aangetroffen. Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat het plangebied onderdeel vormt van het leefgebied van een steenuilenpaar dat elder (vermoedelijk bij De Steeg 4) verblijft.

4.5

Resultaten kerkuil

Tijdens de onderzoeken naar kerkuilen zijn meermaals volwassen vogels in het plangebied gezien. Twee vogels zijn meermaals rustend in de open kapschuur en uitvliegend vanuit de in deze kapschuur aanwezige kerkuilennestkast waargenomen (fig. 4.1). Er zijn geen vogels waargenomen met voedsel of ander nestindicerend gedrag. In broedseizoen 2022 lijkt niet te zijn gebroed of is een mogelijk broedsel vroegtijdig afgebroken. Onderstaande afbeeldingen (4.5 en 4.6) geven een impressie van de aangetroffen sporen en nestlocatie. Onderzoek functioneel leefgebied Het landschap rondom het plangebied vormt leef- en foerageergebied voor het kerkuilen paar. Er is geen specifieke foerageeractiviteit binnen het plangebied waargenomen. Wel worden de hier aanwezige gebouwen zo nu en dan gebruikt om te rusten. Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 13 van 24

Op grond van de waarnemingen in dit onderzoek wordt geconcludeerd dat in het plangebied een vaste rust- en verblijfplaats (nest) van de kerkuil aanwezig is.

Foto 4.5 en 4.6 | L) kerkuilennestkast in openkapschuur R) uitwerpselen en braakballen van kerkuil in de kapschuur.

4.6

Resultaten roodstaarten

Tijdens dit nader onderzoek zijn geen gekraagde- of zwarte roodstaart aangetroffen in het plangebied. De aanwezigheid van roodstaarten in het plangebied wordt daarom uitgesloten.

Figuur 4.1 | Plangebied (rode lijn) met aangetroffen functies: zomer- en paarverblijf gewone dwergvleermuis (1x rode ster), paarverblijf ruige dwergvleermuis (1x, blauwe ster), huismusnesten (12x, indicatief op locaties/in gebouwen met gele lijnen) en bewoonde kerkuilennestkast (1x, oranje driehoek). (bron ondergrond: OpenTopo).

Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 14 van 24

5 EFFECTENANALYSE EN TOETSING AAN DE WET NATUURBESCHERMING Onderstaande effectenanalyse betreft de beschermde soorten en gebiedsfuncties waarvan aanwezigheid in het plangebied tijdens dit nader onderzoek is vastgesteld. De soorten steenmarter, zwarte roodstaart en gekraagde roodstaart zijn niet aanwezig in het plangebied en worden daarom niet besproken in deze analyse.

5.1

Effectanalyse

5.1.1 Vleermuizen In het plangebied zijn twee vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. In het woonhuis bevindt zich een gecombineerd zomer- en paarverblijf van de gewone dwergvleermuis. De voorgenomen ontwikkeling is mogelijk van invloed op deze verblijfplaats. Directe effecten kunnen optreden wanneer werkzaamheden aan de voorgevel en muur ter plaatse van de verblijfplaats worden uitgevoerd. Indirecte effecten kunnen optreden door bijvoorbeeld trillingen en geluid wanneer in de nabijheid van de verblijfplaats werkzaamheden worden uitgevoerd. In een nestkast langs de oprijlaan is een paarverblijfplaats van de ruige dwergvleermuis aangetroffen. Het verblijf lijkt incidenteel te worden bewoond, doordat slechts tijdens één veldbezoek activiteit bij de verblijfplaats is waargenomen. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling worden geen wijzigingen aan de oprijlaan uitgevoerd. Negatieve effecten op de verblijfplaats en het hier verblijvende dier zijn daarom niet van toepassing. In het plangebied zijn geen anderen voor vleermuizen essentiele gebiedsfuncties zoals foerageergebied of vliegroutes vastgesteld. Negatieve effecten op deze voor vleermuizen belangrijke gebiedsfuncties kunnen daarom redelijkerwijs worden uitgesloten. 5.1.2 Huismus In het plangebied zijn twaalf (12) vaste rust- en verblijfplaatsen (nesten) van de huismus aangetroffen.

Een deel van deze verblijfplaatsen gaat bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling verloren. Dit betreft de nesten in de bijgebouwen 2 en 4 (fig. 2.2.) en mogelijk nesten onder de dakrand van het hoofdgebouw op de locatie waar het bakhuis teruggebouwd wordt (oostgevel). In totaal betreft dit naar schatting vijf (5) huismussennesten. Negatieve effecten op het functionele leefgebied van de huismus zijn niet van toepassing doordat structureel voldoende leefgebied voor de soort in en om het plangebied beschikbaar blijft. 5.1.3 Steenuil In het nader onderzoek is vastgesteld dat het plangebied onderdeel is van het territorium van de steenuil. Als zodanig vormt het onderdeel van het functioneel leefgebied van de soort. De steenuil broedt of verblijft (roestplaats) niet binnen het plangebied. Negatieve effecten op het functionele leefgebied van de steenuil zijn niet van toepassing doordat bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling voor de steenuil belangrijke elementen zoals bomen, struweel en grasland behouden en verder ontwikkeld worden.

Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 15 van 24

5.1.4 Kerkuil In het plangebied verblijft een kerkuilenpaar. De kapschuur met nestkast (gebouw nr. 5, fig. 2.2) bijft bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling behouden. Negatieve effecten op de vaste rust- en verblijfplaats van de kerkuil kunnen daarom redelijkerwijs uitgesloten worden. Significant negatieve effecten op het functioneel leefgebied van de kerkuil worden, gelet op de beperkte omvang van het plangebied en de toekomstige inrichting hiervan op voorhand uitgesloten.

Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 16 van 24

5.2

Toetsing

5.2.1 Vleermuizen Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling kan overtreding van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming plaatsvinden doordat gewone dwergvleermuizen gedood (lid 1), verstoord (lid 2) of een vaste rust- en verblijfplaats beschadigd of vernietigd (lid 4) kan worden. Om schade aan de verblijfplaats en het hier verblijvende dier te voorkomen dienen voorzorgsmaatregelen te worden getroffen. Met het toepasen van deze maatregelen kunnen negatieve effecten redelijkerwijs uitgesloten worden. Deze voorzorgsmaatregelen zijn nader uitgewerkt in hoofdstuk 6. 5.2.2 Huismus Uit de effectanalyse blijkt dat bij uitvoering van het voornemen minimaal vijf (5) vaste rust- en verblijfplaatsen (nesten) van de huismus verloren gaan. Uitvoering van het voornemen leidt daarom tot overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming doordat huismussen (mogelijk) gedood (lid 1) kunnen worden en (zeker) verstoord (lid 4 en 5) en als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling vijf vaste rust- en verblijfplaatsen (nesten) verdwijnen (lid 2). Voor het uitvoeren van de voorgenomen ontwikkeling zijn voorzorgsmaatregelen en een ontheffing het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. 5.2.3 Steenuil Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling treden geen negatieve effecten op het leefgebied van de steenuil op.

Vervolgstappen in het kader van de wet natuurbescherming ten aanzien van de steenuil zijn niet van toepassing. 5.2.4 Kerkuil Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling treden geen negatieve effecten op de aanwezige vaste rust- en verblijfplaats (nest) van de kerkuil op. Door het treffen van (verplichte) voorzorgsmaatregelen kan eventuele verstoring van het uilenpaar worden voorkomen. Vervolgstappen in het kader van de wet natuurbescherming ten aanzien van de kerkuil zijn niet van toepassing. 5.2.5 Algemene zorgplicht Op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel (Wnb, artikel 1.11) worden in het volgende hoofdstuk enkele algemene voorzorgsmaatregelen beschreven. Deze aanbevelingen betreffen een vrijblijvend advies waarvoor geen ontheffing nodig is.

Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 17 van 24

6 CONCLUSIE EN MAATREGELEN 6.1

Algemeen

Dit naderonderzoek naar de aanwezigheid van steenmarter, vleermuizen, huismus, steenuil, kerkuil en roodstaarten in het plangebied De Steeg 7 te Woudenberg heeft plaatsgevonden volgens de wettelijke goedgekeurde protocollen en richtlijnen voor het onderzoek naar deze soort(en)groepen. Er kan daarom worden vastgesteld dat het plangebied afdoende onderzocht is.

6.2

Onderzoeksresultaten

Bij het onderzoek is de aanwezigheid van de in tabel 6.1 weergegeven wettelijk beschermde soorten en gebiedsfuncties vastgesteld. Tabel 6.1 | Aangetroffen soorten, functies en vervolgstappen

Soort

Functie plangebied

#

Negatief (mitigerende) effect maatregelen

Ontheffing

Gewone dwergvleermuis

Zomer- en paarverblijfplaats

1

Mogelijk

Ja

Nee*

Ruige dwergvleermuis

Paarverblijfplaats

1

Nee

N.v.t.

N.v.t.

Huismus

Nesten

12

Deels

Ja

Ja

Steenuil

Leefgebied

1

Nee

Nee

Nee

Kerkuil

Nestplaats

1

Mogelijk

Ja

Nee*

* Nee op voorwaarde van het effectief toepassen van mitigerende maatregelen (§6.4).

6.3

Vervolgstappen

Om de voorgenomen ontwikkeling te kunnen realiseren zijn vervolgstappen noodzakelijk. Onderstaand worden deze opvolgend weergegeven: Activiteiten- en mitigatieplan Ten behoeve van het onderbouwen van een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming dient een activiteiten- en mitigatieplan te worden opgesteld. In dit plan wordt beschreven welke werkzaamheden worden uitgevoerd, wat de planning van de werkzaamheden is, welke beschermde soorten aanwezig zijn, welke effecten optreden op de beschermde soorten, welke mitigerende maatregelen worden genomen ter bescherming van deze soorten en wordt een alternatievenafweging (voor het voornemen) gemaakt. Ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming Bij het treffen van afdoende mitigerende maatregelen (vastgelegd in het activiteiten- en mitigatieplan) kan een ontheffing worden verleend. Het laten goedkeuren van dit activiteiten- en mitigatieplan én het uitvoeren van de bijbehorende voorzorgsmaatregelen dient (deels) vóór aanvang van de werkzaamheden afgerond te zijn. Bij een ontheffingsaanvraag dient rekening te worden gehouden met een proceduretijd van 13 weken. Hierop is een aanvullende verlenging van maximaal 7 weken mogelijk. De ontheffingsaanvraag wordt schriftelijk ingediend bij het bevoegd gezag; provincie Utrecht.

Ecologisch werkprotocol (optioneel) Het bevoegd gezag kan in een ontheffing voorschrijven om een ecologisch werkprotocol op te stellen. Hierin worden de periode waarin en wijze waarop de mitigerende maatregelen uitgevoerd dienen te worden concreet uitgewerkt. Ook wordt hierin aangegeven op welke momenten in het werkproces Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 18 van 24

begeleiding door een deskundig ecoloog noodzakelijk is. In het werkprotocol worden eventueel aanvullende voorwaarden uit de ontheffing opgenomen. Door op deze wijze te handelen worden negatieve effecten op beschermde soorten, als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling, zo veel als mogelijk voorkomen. Ecologische begeleiding Een deel van de voorzorgs- en mitigerende maatregelen dient te worden uitgevoerd door of onder begeleiding van een ecologisch deskundige. Welke werkzaamheden dit betreft wordt uitgewerkt in het activiteiten- en mitigatieplan.

6.4

Maatregelen

Onderstaande maatregelen worden voorgeschreven ter voorkoming van schade aan soorten en gebiedsfuncties waarvoor geen ontheffing wordt aangevraagd. De maatregelen zijn bindend van toepassing bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. Het niet toepassen van deze maatregelen leidt mogelijk tot overtreding van de Wnb. Afwijken van onderstaande maatregelen kan alleen plaatsvinden na afstemming met een deskundig ecoloog. Maatregelen gewone dwergvleermuis a. De uitvlieg opening van de verblijfplaats (naast muuranker) dienen te allen tijde open/toegankelijk te blijven voor vleermuizen. Dit betekent dat er geen steigerwerk of andere constructies voor de gevel geplaatst mogen worden. Voor werken op hoogte kan bijvoorbeeld wel gebruik gemaakt worden van een hoogwerker of verplaatsbare (rol)steiger op voorwaarde dat de opening ’s nachts niet geblokeerd wordt. b. De binnenzijde van de spouw of anderszinds loze ruimte achter de muur waarin de vleermuis verblijft, dient open te blijven zodat de vleermuis hierin kan verblijven. Het (na)isoleren (opvullen) van de westgevel van het woonhuis is daarom niet toegestaan. c. Vleermuizen zijn gevoelig voor licht. Directe verlichting van de westgevel van het woonhuis, bijvoorbeeld voor bouwplaats beveiliging of uit esthetische overwegingen moet daarom worden voorkomen. d.

Trillingen, bijvoorbeeld als gevolg van boren of breken rondom de verblijfplaats (aan de binnen of buitenzijde van het gebouw), dienen zo veel mogelijk te worden voorkomen. Maatregelen kerkuil a. De aanwezige (bewoonde) kerkuilennestkast dient bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling te worden gehandhaafd. Tevens dient de functionaliteit (toegankelijkheid waarborgen, verstoring door verlichting en geluid voorkomen) van de kast gewaarborgd te zijn. b. De sloop van naastgelegen gebouwen kan het beste buiten de broedtijd van kerkuilen (circa februari – september) plaatsvinden. c. Bij nieuwbouwwerkzaamheden in de nabijheid van de nestplaats dient verstoring door bijvoorbeeld verlichting of geluid te worden voorkomen. Algemene broedvogels a. Om de vestiging van algemene broedvogels te voorkomen kunnen de werkzaamheden aan bomen en struiken (rooien of snoeien) en het slopen van gebouwen het beste worden uitgevoerd in de periode tussen half september en half maart. Op deze wijze wordt gewerkt Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 19 van 24

buiten het seizoen waarin de meeste vogels broeden. Wanneer rooi of sloop werkzaamheden plaatsvinden buiten de bovengenoemde ‘minst kwetsbareperiode’ dient het plangebied vooraf door een ecoloog te worden gecontroleerd op de aanwezigheid van algemene broedvogels. Algemene zorgplicht Bij uitvoering van werkzaamheden is te allen tijde en voor alle soortgroepen de algemene zorgplicht van toepassing (Wnb, artikel 1.11). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen van ruimtelijk inrichting en ontwikkeling (en bestendig beheer en onderhoud) voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden algemeen beschermde soorten als konijn, egel of gewone pad worden aangetroffen, zij de ruimte en tijd moeten krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren voorzichtig verplaatst worden naar een naastgelegen locatie waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden.

6.5

Aanbevelingen

Bij het uitvoeren van de werkzaamheden en de toekomstige inrichting van het plangebied wordt aanbevolen rekening te houden met flora en fauna. Dit vindt plaats op vrijwillige basis en draagt bij aan de bescherming en ontwikkeling van biodiversiteit (er geldt geen wettelijke plicht voor het toepassen van deze aanbevelingen). Wij adviseren voor dit project de volgende maatregelen: •

Bij toepassing van tijdelijke bouwplaats verlichting en permanent verlichting in de nieuwe situatie; gebruik maken van objectgerichte verlichting. Op deze wijze wordt uitstraling van licht naar de omgeving voorkomen en blijft het maximaal donker rondom het plangebied.

•

Waar mogelijk behouden of ontwikkelen van groenstructuren in en om het plangebied. Door in de toekomstige situatie te zorgen voor perken en andere onverharde delen van het terrein (gazons, borders etc.) en waar mogelijk bomen of struiken te sparen of aan te planten ontstaan kansen voor biodiversiteit. Dit creëert tevens aantrekkelijke omstandigheden voor foeragerende vleermuizen.

•

Het realiseren van in de nieuwbouw geïntegreerde broed- en verblijfplaatsen voor gebouwbewonende soorten zoals huismus, zwarte roodstaart, witte kwikstaart en vleermuizen. De positie van het plangebied en de voorgenomen ontwikkeling lenen zich uitstekend voor het aanbrengen van in de nieuwbouw geïntegreerde verblijfplaatsen voor bovengenoemde soorten die als gevolg van de hedendaagse efficiënte woningbouw moeilijk aan broed- en verblijfplaatsen kunnen komen. Op deze manier kan de lokale populatie op een duurzame manier worden ondersteund. Meer informatie is te vinden op de website: ‘checklist groen bouwen’2).

•

Het aanbieden van broedgelegenheid voor holenbroeders zoals steenuil, torenvalk en bonte vliegenvanger in en om het plangebied. Dit kan door het plaatsen van één of meerdere op de soort afgestemde nestkasten.

2 https://www.checklistgroenbouwen.nl

Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 20 van 24

7 GERAADPLEEGDE BRONNEN 7.1

Literatuur

Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) (2016). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur in Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum insecten en anderen ongewervelde. Leiden. Diepenbeek A. van (1999). Veldgids diersporen, vogels, zoogdieren en reptielen herkenning en determinatie voor West-Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist 5e druk 2015. Gijsbertsen D.J. & Van Laar R.J.A. (2022). Ecologische quickscan De Steeg 7 te Woudenberg. Bureau Buitenwaard, 12 maart 2022 Korsten, E., (2012). Vleermuiskasten. Overzicht van toepassing, gebruik en succesfactoren. Bureau Waardenburg-rapport met kenmerk: 12-156. Culemborg, november 2012. Limpens, H., Mosterd, K., & Bongers, B. (1997). Atlas van de Nederlandse vleermuizen, onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Ministerie van Economische Zaken (2016). Brochure: Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Netwerk Groene Bureaus (2021). Vleermuisprotocol 2021. Netwerk Groene Bureaus. (2017). Soorteninventarisatieprotocol in het kader van de Wet natuurbescherming. Odijk: Netwerk Groene Bureaus. Provincie Noord- Brabant (2017). Handreiking kleine marters in relatie tot soortenbescherming. Westra S.A. et all (2021). Op weg naar gestandaardiseerd onderzoek met wildcamera’s, Vakblad Natuur Bos en Landschap.

7.2

Online bronnen

-

Kennisdocumenten: www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumentensoorten-ontheffingen-wet-natuurbescherming/

-

Natuurinclusief bouwen (https://bouwnatuurinclusief.nl)

-

NDFF: NDFF-uitvoerportaal (Nationale Databank Flora en Fauna) – ndff.ecogrid.nl

-

RAVON: www.ravon.nl/soorten/soortinformatie

-

Rijksdienst voor Ondernemend Nederland: (www.rvo.nl/onderwerpen/ruimtelijkeingrepen/ontheffing-of-vrijstelling/ecologisch-deskundige#deskundigheidseisen)

-

Verspreidingsatlas: (www.verspreidingsatlas.nl)

-

Waarneming.nl: (www.waarneming.nl)

Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Pagina 21 van 24

BIJLAGE 1 - VERBODSBEPALINGEN WET NATUURBESCHERMING

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn § 3.1 Wn

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn § 3.2 Wn

Beschermingsregime andere soorten § 3.3 Wn

Art 3.1 lid 1

Art 3.5 lid 1

Art 3.10 lid 1a

Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.

Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.

Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Art 3.1 lid 3

Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen. Art 3.5 lid 3

Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Niet van toepassing.

Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben

Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.

Art 3.1 lid 4 en lid 5

Art 3.5 lid 2

Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort

Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.

Niet van toepassing

Art 3.5 lid 5

Art 3.10 lid 1c

Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Bureau Buitenwaard | Rapportage nader onderzoek soorten

Niet van toepassing.

Pagina 22 van 24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/2594/documents/55497