05e. Bijlage 3 Notitie Geur en dierenartspraktijk.pdf
Tekst van het document
Gemeente Woudenberg t.a.v. mevrouw I.K. Kuperus en M. Valé Postbus 16 3930 EA Woudenberg
Datum Uw kenmerk Ons kenmerk
: : :
donderdag 6 augustus 2020
E-mail Opgesteld door Bijlage(n)
: : :
bbakker@go-consult.nl dhr. B.P. Bakker 1
Onderwerp
:
Notitie geur en dierenartspraktijk
Notitie geur
Aanleiding GO-consult voert in opdracht van de gemeente Woudenberg opdracht uit naar de actuele geursituatie van veehouderijen die zijn gelegen in de gemeente Woudenberg en de nabijgelegen gemeenten. Dit in verband met de voorbereiding voor de omgevingsvisie die naar verwachting in 2012 zijn intrede zal doen als gevolg van de inwerkingtreding van de omgevingswet in 2022. De huidige geurgebiedsvisie is vastgesteld op 24 juni 2010. De ontwikkelingen in en voor de bedrijven in het buitengebied hebben na 2010 niet stil gestaan en als gevolg daarvan is het aantal agrarische bedrijven afgenomen en hebben de overgebleven en bestaande bedrijven zich op divers gebied ontwikkeld. Naast de ontwikkelingen in het buitengebied, hebben ook ontwikkelingen plaats gevonden als gevolg van woningbouw, de ontwikkeling van andere zijnde niet agrarische bedrijven en is met name de vraag naar woningen in Nederland fors toegenomen als gevolg van demografische ontwikkelingen. De gemeente Woudenberg is een praktizerende plattelandsgemeente die ontwikkelingen van zowel agrarische bedrijven als noodzakelijke uitbreidingen van woningen en niet agrarische bedrijvigheid in balans met elkaar mogelijk wil maken. Dat heeft tot nu toe succesvol plaats gevonden via de minnelijke weg.
Om bij een belangrijke wijziging als de inwerkingtreding van de omgevingswet een goede afweging te kunnen maken, dient een actueel beeld verkregen te worden van de geursituatie. Daarnaast spelen andere ontwikkelingen en afwegingen plaats om te voorkomen dat bij belangrijke planologische wijzigingen dermate complexe situaties ontstaan waardoor of plannen mogelijk niet
door kunnen gaan of bestaande bedrijven onevenredig worden geschaad met langdurige procedures tot gevolg. Een belangrijk voornemen van de gemeente Woudenberg is om ter plaatse van de voormalige manege De Valleiruiters aan de John F. Kennedylaan 2 in Woudenberg woningbouw mogelijk te maken. Hiervoor is inmiddels overeenstemming bereikt met de betreffende exploitant van de manege. Aan de John F. Kennedylaan 4 is het diergeneeskundig centrum De Vallei gevestigd. Het centrum werkt in verband met het herstel van paarden nauw samen met het facilitair paarden centrum De Hofstede in Leusden. Paarden die om welke reden dan ook moeten revalideren kunnen hier terecht waarbij de paarden die bij het diergeneeskundig centrum worden behandeld verder voor langere tijd na kunnen worden behandeld in Leusden. Vergunde/gemelde situatie diergeneeskundig centrum Op 31 juli 2001 is voor het diergeneeskundig centrum een vergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend.
Er is sprake van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer (artikel 1.1) waarbij onder een inrichting wordt verstaan: “elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.” De vergunning is afgegeven voor: “ het in werking zijn van een diergeneeskundig centrum voor het (tijdelijk) stallen van paarden die in behandeling zijn bij het diergeneeskundig centrum alsmede de opslag van mest in een container op het perceel” Op 15 april 2002 is een milieuneutrale wijziging (voormalige 8.19 procedure Wet milieubeheer) ingediend in verband met de aanleg van een sleufsilo voor de opslag van vaste mest. Hierbij is aangegeven dat het om een inrichting gaat met de aanwezigheid van 5 paardenboxen. Op de betreffende tekening is aangegeven dat er ruimte kan worden geboden voor het houden van 4 paarden in boxen omdat één van de betreffende ruimten is ingericht voor de opslag van hooi en stro:
Wettelijk kader De dierenartspraktijk voldoet zonder twijfel aan het begrip inrichting. In de praktijk worden naast de bekende kleine huisdieren als honden, katten, vogels, konijnen en knaagdieren ook paarden opgevangen voor behandelingen. Op grond van de huidige regelgeving betreft het een type B-bedrijf en is het bedrijf komen te vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer; het bedrijf is hiermee meldings-en niet vergunningplichtig. Van belang is of bij de dierenartspraktijk moet worden gesproken over het houden van landbouwhuisdieren. Onder landbouwhuisdier wordt verstaan: “landbouwhuisdieren worden gehouden voor de productie van bijvoorbeeld melk, vlees, wol, veren of eieren of voor het berijden van dieren. Landbouwhuisdieren zijn bijvoorbeeld paarden, rundvee, schapen, geiten, varkens, kippen, eenden, pelsdieren, konijnen, parelhoenders, paarden, struisvogels, waterbuffels, herten, lama’s en fazanten. Als ze voor productiedoeleinden worden gehouden.” Geen landbouwhuisdieren zijn siervogels, duiven, honden, katten en knaagdieren. Konijnen kunnen zowel als landbouwhuisdier worden gehouden (immers voor de productie van vlees) maar ook als huis-en knuffeldier en zijn dan niet te beschouwen als landbouwhuisdier.
Paarden die bedrijfsmatig worden gehouden vallen onder de noemer landbouwhuisdier maar wanneer een paard puur hobbymatig wordt gehouden uitsluitend voor het berijden van één persoon niet.
De dierenartspraktijk valt zoals hierboven aangegeven onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. In het activiteitenbesluit is in paragraaf 3.5.8 de activiteit “het houden van landbouwhuisdieren” opgenomen; de artikelen 3.115 t/m 3.119 stellen eisen met betrekking tot de emissie van geur. Wanneer paarden als landbouwhuisdier moeten worden aangemerkt, geldt in beginsel artikel 3.117: een afstandseis van 100 meter naar woningen die zijn gelegen in de bebouwde kom waarbij de bebouwde kom wordt bepaald door de dichtheid van woningen en niet door het bebouwde kom-bord. Niet in discussie is dat wanneer woningen gebouwd worden ter plaatse van de voormalige manege dit gezien moet worden als bebouwde kom. De hiervoor genoemde artikelen gelden op grond van artikel 3.111 punt 2 echter niet voor een inrichting waar minder dan 10 schapen, 5 paarden, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden. Typerend is hier dat expliciet ook het aantal van diersoorten wordt genoemd die vanuit de literatuur in beginsel als landbouwhuisdier worden aangemerkt. Wanneer minder dan 5 paarden worden gehouden binnen een inrichting betekent dit dat de normen van 50 meter buiten en 100 meter binnen de bebouwde kom dan niet bepalend zijn.
Uit de melding van 2002 en de beschikking uit 2001 blijkt dat deze betrekking had op de realisatie van 5 paardenboxen waarbij 1 van de boxen bestemd is voor opslag. Hieruit kan geconcludeerd worden dat te eniger tijd niet meer dan 4 paarden aanwezig zijn en ongeacht de vraag of een paard nu wel dan niet als landbouwhuisdier moet worden aangemerkt de geurregels uit het Activiteitenbesluit niet bepalend zijn en voor de dierenartspraktijk inderdaad artikel 3.111 punt 2 van toepassing is. In paragraaf 3.5.8 van het Activiteitenbesluit zijn nog aanvullende regels opgenomen voor het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren. Deze paragraaf geldt overigens ook uitsluitend wanneer in een inrichting meer dan 5 zoogdieren aanwezig zijn. Gelet op de aanvraag en melding en gelet op de aard en karakter van de inrichting lijkt het niet logisch dat meer dan 1 paard in een box wordt gehuisvest. Naast het bieden van huisvesting van enkele paarden, is sprake van de opslag van mest in een container. Geurhinder hiervan is niet uitgesloten op korte afstand. Naast geurhinder speelt ook ongedierte een rol: mest in welke vorm ook trekt vliegen aan. Het bevoegd gezag, de gemeente Woudenberg, kan desgewenst maatwerkvoorschriften opstellen als mogelijk sprake is van het voorkomen van geurhinder. Hiervoor zou gedacht kunnen worden aan:
Regelmatige lediging van de mestcontainer;
Verplicht afdekken van de mestcontainer.
Vaste mest valt onder de noemer agrarische bedrijfsstoffen. Wanneer meer dan 3 m3 vaste mest
wordt opgeslagen, zijn de regels uit het Activiteitenbesluit van toepassing. De melding uit 2002 geeft aan dat een mestsilo van 14 m 2 wordt aangelegd; dan is het reëel om te stellen dat meer dan 3 m3 wordt opgeslagen en is paragraaf 3.4.5 van het Activiteitenbesluit van toepassing. In beginsel geldt voor de opslag van agrarische bedrijfsstoffen de volgende afstandseis:
100 meter afstand tot een geurgevoelig object dat binnen de bebouwde kom is gelegen, of
50 meter afstand tot een geurgevoelig object dat buiten de bebouwde kom is gelegen.
Artikel 3.46, lid 4 geldt echter voor vaste dierlijke meststoffen die niet afkomstig zijn van landbouwhuisdieren. Hiervoor geldt dat de opslag van vaste mest plaatsvindt:
in een afgesloten voorziening voor een periode van ten hoogste twee weken, of
op ten minste 50 meter afstand tot een geurgevoelig object.
Het eerste voorschrift is feitelijk rechtstreeks geldend voor de opslag van de vaste mest bij de praktijk. Het tweede lid geeft expliciet een afstandseis weer. Tenslotte is het gelet op de gewenste planologische inrichting van het gebied van belang wat wordt verstaan onder een geurgevoelig object: hiervoor wordt verwezen naar de definiëring uit de Wet geurhinder en veehouderij. Hierbij wordt expliciet een gebouw aangehaald. Een tuin of overkapping betreft in deze geen gebouw. Een schuurtje wordt al een wat lastiger discussie. Conclusie Samenvattend kan worden gesteld dat de dierenartspraktijk met betrekking tot de activiteit “het houden van dieren” geen belemmerend object is voor de mogelijke ontwikkeling van woningen ter plaatse van de voormalige manege de Valleiruiters. Gelet op de verleende vergunning, geaccepteerde melding en de daarbij bijbehorende stukken waarbij ook de aard en het karakter van de inrichting een rol speelt, geldt geen afstandseis vanuit het Activiteitenbesluit. Met betrekking tot de opslag van de vaste mest geldt dit wel: dit is gemeld en ook aanwezig en naar redelijk-en billijkheid moet hier ook vanuit de omgekeerde werking van de Wet milieubeheer en vanuit de ruimtelijke ordening rekening mee worden gehouden. Gelet op artikel 3.46, lid 4 van het Activiteitenbesluit is een afstand tot aan een geurgevoelig object van 50 meter juridisch aanvaardbaar.