CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

05a quick scan.pdf

Gemeenteraad 4 juli 2024, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 7: Wijzigen gebruik en verbouw woning Zeisterweg 10611.481 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

Postadres Gerrit Zegelaarstraat 1 6709 TA Wageningen T 085 7737676 Web info@regelink.nl | www.regelink.nl KvK 14081365 BTW NL822004379.B01 Triodosbank NL84TRIO 0390380458

Colofon Tekst, foto's en samenstelling

Wessel de Jong en Mandy Wierenga

In opdracht van

Staatsbosbeheer

Naam opdrachtgever

Michel van Driel

Rapportnummer

RA21133-02

Status rapport

Concept

Datum oplevering rapport

19 juni 2023

Collegiale toets

Eva Henrard

Aantal pagina's

46

Wijze van citeren

Wessel de Jong, 2023 Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz Rapport RA21133-02, Regelink Ecologie & Landschap, Wageningen.

Regelink Ecologie & Landschap Gerrit Zegelaarstraat 1 6709 TA Wageningen 085-7737676 info@regelink.nl www.regelink.nl Lid Netwerk Groene Bureaus

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

2

Inhoudsopgave 1

2 3

4

5

6

Aanleiding

5

1.1 1.2 1.3

5 5 6

Aanleiding Doel Natuurwet- en regelgeving

Werkwijze Plangebied en ingreep

8 10

3.1 3.2 3.3

10 10 12

Ligging plangebied Beschrijving plangebied Ingreep

Resultaten gebieden en houtopstanden

14

4.1

Natura 2000-gebieden

14

4.1.1 4.1.2

Ligging Natura 2000-gebieden Effectbeoordeling Natura 2000

14 14

4.2

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

15

4.2.1 4.2.2

Ligging van het NNN Effectbeoordeling NNN

15 15

4.3

Bescherming van houtopstanden

15

4.3.1

Situatie houtopstanden

15

Resultaten soorten

16

5.1

Vogels

16

5.1.1

Resultaten aanwezigheid

16

5.2 5.3

Planten Vleermuizen

16 17

5.3.1

Resultaten aanwezigheid

17

5.4 5.5 5.6 5.7

Knaagdieren Muizen (ware-, woel- en slaapmuizen) Marterachtigen Overige zoogdieren

19 19 20 22

5.7.1

Resultaten aanwezigheid

22

5.8 5.9 5.10 5.11 5.12

Reptielen Amfibieën Vissen Vlinders en libellen Overige ongewervelden

22 24 24 24 24

Effectbeoordeling en toetsing Wet natuurbescherming

25

6.1 6.2 6.3

25 25 26

Natura 2000 gebieden Natuur Netwerk Nederland Vogels

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

3

6.4 6.5 6.6 6.7 6.8 6.9

7

8

Vleermuizen Marterachtigen Eekhoorn Reptielen Vliegend hert Overige soortgroepen

26 29 30 30 30 31

Conclusies en vervolgstappen

32

7.1 7.2

33 33

Zorgplicht Kansen voor versterken biodiversiteit: natuurinclusief werken

Literatuur en bronnen

34

8.1

34

Soortengroepen

Bijlage 1.

Foto-impressie plangebied

36

Bijlage 2.

Jaarrond beschermde nesten

40

Bijlage 3.

Vrijgestelde soorten per provincie

44

Bijlage 4.

Stappenplan gebiedsbescherming

45

Bijlage 5.

Stappenplan soortenbescherming

46

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

4

1

Aanleiding

1.1 Aanleiding Staatsbosbeheer is in samenwerking met Kijk op Bouwen van plan om Het Witte Huis, Austerlitz Woudenberg (provincie Utrecht) te renoveren naar een vakantiewoning. Het is volgens de Wet Natuurbescherming en nationale en internationale regelgeving verplicht om voorafgaand aan een ruimtelijke ingreep onderzoek te doen naar de effecten op beschermde soorten en beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland (NNN)). In bepaalde gevallen is het ook verplicht om melding te doen van het kappen van houtopstanden. In §1.3 wordt de voor natuur relevante wetgeving kort toegelicht. Deze rapportage geeft een inschatting van het effect van de ingreep op beschermde gebieden en geeft aan welke beschermde soorten flora en fauna mogelijk voorkomen in het plangebied en wat de effecten van de ingreep hierop zijn en of deze effecten strijdig zijn met de Wet natuurbescherming. Indien blijkt dat er negatieve effecten op beschermde gebieden en/of (mogelijk) aanwezige beschermde soorten zijn of die effecten zijn niet op voorhand zijn uit te sluiten, dan is aanvullend onderzoek nodig of kan bekeken worden of er alternatieven zijn voor de ingreep of de werkwijze kan worden aangepast.

1.2 Doel Met deze quickscan worden de volgende vragen beantwoord: •

Wat is de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN)?

•

Heeft de ingreep (mogelijk) een negatief effect op beschermde gebieden?

•

Is er voor de effecten op beschermde gebieden een nadere toetsing nodig? (De verdere toetsing is geen onderdeel van deze quickscan.)

•

Heeft de ingreep betrekking op houtopstanden die onder de Wet natuurbescherming beschermd zijn?

•

Welke beschermde soorten flora en fauna zijn waargenomen of kunnen worden verwacht in het plangebied?

•

Heeft de ingreep (mogelijk) een effect op de potentieel aanwezige beschermde flora en fauna?

•

Naar welke soorten en voor deze soorten belangrijke functies is aanvullend onderzoek nodig?

•

Leidt het uitvoeren van de ingreep mogelijk tot een overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming?

•

Zijn er mitigerende maatregelen mogelijk om overtredingen van de verbodsbepalingen Wet natuurbescherming te voorkomen? (Het opstellen van een mitigatieplan maakt geen deel uit van de quickscan.)

•

Welke vervolgstappen zijn er nodig, zoals nader onderzoek, ecologische werkprotocol, mitigatieplan en/of ontheffingsaanvraag

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

5

1.3 Natuurwet- en regelgeving De Wet natuurbescherming bevat Europese en nationale natuurbeschermingsregels voor Natura 2000gebieden, planten- en diersoorten en houtopstanden. Hieronder staan kort de belangrijkste punten. Voor de volledige wettekst verwijzen we naar de officiële bronnen 1. Bescherming van gebieden (Wnb) Natura 2000-gebieden zijn aangewezen vanuit de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn. Voor ieder gebied zijn doelstellingen vastgesteld om habitats en/of soorten te beschermen. Ingrepen en activiteiten in en nabij deze gebieden moeten worden getoetst op hun effect op de beschermde natuurwaarden. De bescherming van Natura 2000-gebieden staat in paragraaf 2.2 van de Wnb. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn door de provincie aangewezen en vormen samen een ruimtelijk ecologisch netwerk. De gebieden zijn planologisch beschermd via de Provinciale Ruimtelijke Verordening, waarin de regels en de wezenlijke waarden en kenmerken van gebieden in het NNN zijn beschreven. Voor activiteiten in (en soms rond) het NNN moet worden getoetst of ze negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van het NNN. Bescherming van houtopstanden (Wnb) De Wet natuurbescherming beschermt bos en andere ‘houtopstanden’ zoals houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen of beplantingen van bosplantsoenen.

Voor het kappen van houtopstanden die onder de Wet natuurbescherming vallen moet een kapmelding bij het bevoegd gezag worden ingediend. De Wet natuurbescherming is van toepassing als: •

De houtopstand buiten de ‘bebouwde kom Wet natuurbescherming’ ligt;

•

De houtopstand groter is dan 10 are (1.000 m2) of het om bomen gaat in een rijbeplanting van meer dan twintig bomen (voor uitzonderingen zie art. 4.1 Wnb).

Bescherming van soorten (Wnb) De wet Natuurbescherming kent voor soorten drie beschermingsregimes: •

Beschermingsregime Vogelrichtlijn: Europees beschermde vogels (artikel 3.1);

•

Beschermingsregime Habitatrichtlijn: Europees beschermde flora en fauna behalve vogels (artikel 3.5);

•

Beschermingsregime Andere soorten: Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10).

Voor de beschermingsregimes zijn lijsten met soorten opgesteld. Per regime gelden een aantal verbodsbepalingen. In bepaalde situaties en onder bepaalde voorwaarden zijn soorten vrijgesteld of kan ontheffing aangevraagd worden. InTabel 1 zijn de verbodsbepalingen samengevat. Zorgplicht (Wnb) Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet wettelijk beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht (art 1.11). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, en voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat handelingen niet mogen worden uitgevoerd (of juist niet mogen worden nagelaten) als men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren. De zorgplicht geldt dus ook voor nationaal beschermde soorten die voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld.

1

https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-01-01

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

6

Tabel 1. Verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming voor de drie regimes soortenbescherming

Storen

Eieren

Vernielen nesten/ verblijfplaatsen

Doden/vangen

Soorten Vogelrichtlijn art. 3.1

Soorten Habitatrichtlijn art. 3.5

Art. 3.1.1 Het is verboden opzettelijk Art. 3.5.1 Het is verboden in het wild Art 3.10.1.a. Onverminderd van nature in Nederland in het wild levende dieren HR IV soorten artikel 3.5, 1 ste,4de en 5de lid, is het levende vogels van soorten als (Verdrag Bern en Bonn) in hun verboden in het wild levende bedoeld in artikel 1 van de natuurlijk verspreidingsgebied dieren, genoemd in de bijlage A, Vogelrichtlijn te doden of te vangen. opzettelijk te doden of te vangen. bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. Art. 3.1.2 Het is verboden opzettelijk Art. 3.5.4 Het is verboden de nesten, rustplaatsen en eieren van voortplantings- of rustplaatsen van vogels als bedoeld in het 1ste lid te dieren als bedoeld in het 1 ste lid te vernielen of te beschadigen, of beschadigen of te vernielen. nesten van vogels weg te nemen.

Art 3.10.1.b. Onverminderd artikel 3.5, 1 ste,4de en 5de lid, is het verboden de vaste voortplantings- of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Art. 3.1.3 Het is verboden eieren Art. 3.5 3 Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het 1 ste lid van dieren als bedoeld in het eerste te rapen en deze onder zich te lid in de natuur opzettelijk te hebben. vernielen of te rapen.

-

Art. 3.1.4 Het is verboden vogels als Art. 3.5.2 Het is verboden dieren als bedoeld in het 1ste lid opzettelijk te bedoeld in het 1ste lid opzettelijk te storen. verstoren.

Art. 3.1.5 Verbod onder 3.1.4 geldt niet als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Plukken

-

Belangen ontheffing

Andere soorten art. 3.10

Art. 3.3 Ontheffing voorwaarden conform belangen VR

-

-

-

Art. 3.5.5 Het is verboden planten HR (en Verdrag van Bern) in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art 3.10.1.c. Onverminderd artikel 3.5, 1 ste, 4de en 5de lid, is het verboden vaatplanten genoemd in de bijlage B in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Art. 3.8 Ontheffing voorwaarden conform belangen HR

Art. 3.11 vrijstelling/ ontheffing op basis van diverse belangen

Vrijstellingen (Wnb) en regionale lijsten De Wnb kent een landelijke lijst met soorten waarvoor een vrijstelling geldt van een aantal verbodsbepalingen bij ruimtelijke ingrepen. Per provincie kunnen andere soorten zijn vrijgesteld (zie Bijlage 3). Rode lijsten Voor diverse soortgroepen zijn Rode Lijsten van bedreigde soorten beschikbaar, deze hebben geen juridische status. Daarnaast hebben diverse provincies en steden een eigen lijst met soorten, die lokaal extra aandacht en prioriteit krijgen.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

7

2

Werkwijze

Bij het onderzoek is de volgende werkwijze gevolgd:

Beschrijving situatie Met informatie van de opdrachtgever is de ingreep en de planning van de werkzaamheden beschreven. Het plangebied is op kaart ingetekend en de ligging en kenmerken zijn beschreven.

Bureauonderzoek Het plangebied is de locatie waar de werkzaamheden plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is ruimer dan het plangebied en is het gebied in een straal van ongeveer 500 meter rondom het plangebied. Het onderzoeksgebied ligt vaak in de invloedsfeer van de werkzaamheden en geeft een beter beeld van mogelijk voorkomende soorten. Er is met bronnen en literatuur onderzocht welke beschermde soorten flora en fauna in de afgelopen tien jaar zijn waargenomen in het onderzoeksgebied. Hierbij zijn waarnemingen uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en gegevens uit recente verspreidingsatlassen en actuele websites gebruikt. Deze gegevens worden bij het hoofdstuk resultaten van de betreffende soortgroepen besproken. De gegevens in de NDFF geven slechts een indicatie van het voorkomen van soorten, aangezien het vaak toevallige waarnemingen betreft en geen systematisch onderzoek. Het ontbreken van waarnemingen in de NDFF sluit niet uit dat soorten voorkomen. Met provinciale kaarten is de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) bepaald.

Veldonderzoek Op 03 september 2021 heeft ecoloog Bas Kok het plangebied bezocht. Daarbij zijn de in het plangebied aanwezige ruimtelijke structuren en ecotopen geïnventariseerd waarbij verrekijker, zaklamp en fotocamera zijn gebruikt. Een veldbezoek voor een quickscan flora en fauna is nadrukkelijk geen volledige inventarisatie. Dat betekent dat op basis van het veldbezoek het voorkomen van soorten niet per definitie is uit te sluiten. Omdat in het plangebied een bekende kraamkolonie aanwezig is, is daarnaast op 6 juli 2022 een extra veldbezoek uitgevoerd. Dit veldbezoek had als doel te onderzoeken hoe groot de kraamkolonie is, welke vleermuissoort het betrof (gewone dwergvleermuis of gewone grootoorvleermuis) en waar deze zich exact bevindt. Dit veldbezoek is uitgevoerd onder gunstige omstandigheden, met behulp van een heterodyne batdetector met opname- en vertragingsfunctie (type: Pettersson D240x), zaklamp en fotocamera. Omdat die avond geen gewone grootoorvleermuizen zijn waargenomen, en de initiatiefnemer aangaf dat er in het verleden wel gewone grootoorvleermuizen waargenomen zijn in het plangebied, is vervolgens nog een extra ronde uitgevoerd. Deze rondes zijn niet bedoeld als volledig protocollair onderzoek, maar dienen als extra informatie voor deze quickscan. In Tabel 2 zijn de weerdata van de betreffende bezoeken opgenomen.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

8

Tabel 2; Data en weersomstandigheden van de uitgevoerde bezoeken Datum

Tijd

Onderzochte functies

Medewerker

Weerstomstandigheden

6-7-2022

21:50-00:32

Uittellen kraamverblijf

W. de Jong

18ºC, bewolkt, droog, 2 Bft

14-7-2022

21:50-01:00

Extra ronde voor

W. de Jong

19ºC, licht bewolkt, droog, 1 Bft

W. de Jong

16ºC, licht bewolkt, droog, 1 Bft

waarnemingen van grootoren 14-7-2022

03:00-05:30

Extra ronde voor waarnemingen van grootoren

In de winter van 2022 is tevens de zolder onderzocht. Er is via binnenuit een opening in het plafond gemaakt, om met behulp van een camera te onderzoeken of de zolder geschikt is als winterverblijf. Resultaten Op basis van de bevindingen uit het bureauonderzoek en het veldonderzoek is voor alle beschermde soorten bepaald of zij in het plangebied voor (kunnen) komen en welke mogelijke functie het plangebied voor deze soorten heeft. In het hoofdstuk resultaten staat per soortgroep welke soorten op voorhand met zekerheid zijn uit te sluiten op basis van specifieke habitateisen en/of de recente verspreidingsgegevens van soorten. Voor alle soorten die niet op voorhand kunnen worden uitgesloten is beargumenteerd waarom deze wel of niet kunnen voorkomen. Effectbeoordeling, toetsing en vervolgstappen Op basis van de verspreidingsgegevens en habitateisen van beschermde soorten en de biotoopkenmerken van het plangebied is ingeschat of beschermde soorten (potentieel) in het pl angebied voorkomen en welke mogelijke functies het plangebied heeft voor beschermde soorten. Op grond van de beschreven ingreep is bepaald: 1.

of negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand zijn uit te sluiten of dat hiervoor nog een aanvullende toetsing noodzakelijk is;

2.

of de bescherming van houtopstanden aan de orde is;

3.

of er negatieve effecten op de (potentieel) aanwezige beschermde soorten en essentiële functies te verwachten zijn;

4.

of en zo ja naar welke beschermde soorten nader onderzoek moet worden uitgevoerd;

5.

of met de ingreep mogelijk de Wet natuurbescherming wordt overtreden en zo ja welke stappen nodig zijn om de ingreep uit te kunnen voeren.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

9

3

Plangebied en ingreep

3.1 Ligging plangebied Het plangebied betreft een kavel met Het Witte Huis, een werkschuur en een hoenderhok gelegen in de gemeente Woudenberg, provincie Utrecht. Het plangebied wordt aan de zuidzijde en noordzijde begrensd door twee halfverharde paden, de Baggelweg en de Oude Woudenbergsezandweg. Het plangebied wordt verder omgeven door bosgebied de Utrechtse Heuvelrug. In Figuur 1 en op de titelpagina is de begrenzing van het plangebied met rood aangegeven.

Figuur 1. Ligging van het plangebied, met de begrenzing in rood aangegeven. © Dienst voor het kada ster en de openbare registers, Apeldoorn, 2020

3.2 Beschrijving plangebied Het plangebied bestaat uit twee met elkaar verbonden gebouwen zonder spouwmuur (het woonhuis en de schuur). In het woongedeelte/voorhuis zijn de gevels afgewerkt met kroonlijsten waar geen ruimte tussen zit. De kopgevels zijn afgewerkt met een metalen dakrand. Achter/onder deze dakrand zitten spleten. In deze kopgevels zijn grote ventilatieroosters aanwezig die verbonden zijn met een vliering. Deze vliering wordt van de rest van het huis gescheiden door een rieten onderplafond, en is niet toegankelijk. Zie Figuur 2 voor een lengtedoorsnede van de bestaande situatie.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

10

Figuur 2; lengtedoorsnede bestaande situatie. Bron: Staatsbosbeheer, 2022. Te zien is de vliering in het voorhuis, en de afscheiding daarvan met de rest van de verdieping.

De schuur bevat een pannendak. De kopgevel is afgewerkt met een windveer met makelaar. In de gevel zijn diverse luiken aanwezig als voormalig hooiopslag. Ten zuiden van het woonhuis en schuur staat een voormalig hoenderhok, welke geen functie meer heeft. Dit hok staat open en is vrij te betreden. Op het terrein binnen het plangebied is direct tegen het pand aan betegeling aanwezig, daar aangrenzend is verwilderd gras aanwezig. Aan de randen staan struiken en enkele bomen, waarachter de begroeiing van het bosgebied begint. Binnen het plangebied zijn de volgende ecotopen aanwezig (zie ook de foto’s van het plangebied in Bijlage 1): •

Een voorhuis met een afgeplat dak met afgewerkte kroonlijst en een metalen dakrand, met ventilatieroosters in de twee kopgevels en een bakstenen schoorsteen;

•

Een schuurgedeelte met een pannendak, luiken in de gevel en een bakstenenschoorsteen.

•

Een openstaand voormalig kippenhok;

•

Lage, opgaande grasbegroeiing.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

11

3.3 Ingreep De initiatiefnemer is van plan om het plangebied Het Witte Huis Austerlitz te renoveren. Ingrepen die daartoe in het plangebied plaatsvinden bestaan uit: •

•

Het volledige voorhuis van binnen strippen, wat o.a. inhoudt dat o

op de verdieping alle binnenwanden (lichte stenen muren) verwijderd worden

o

in een dragende muur een nieuwe doorbraak gerealiseerd wordt,

o

de volledige begane grondvloer verwijderd wordt

Het vervolgens weer opbouwen van de binnenzijde van het voorhuis, wat o.a. inhoudt dat er nieuwe binnen- en voorzetwanden geplaatst worden, de vloer op de begane grond opnieuw aangelegd wordt o

De voorzetwanden blijven los van de steens buitengevels en er hoeven ook geen installaties in de buitenmuren gefreesd worden

•

Het binnenpandig isoleren van de woning. o

Op de tweede verdieping wordt onder het al aanwezige rieten plafond een hoogwaardig geïsoleerd verlaagd plafond geplaatst. De vliering zelf wordt hierbij niet geroerd, en het bestaande aanwezige plafond blijft behouden. De isolatie komt daarmee onder het reeds aanwezige rieten plafond.

•

Het mogelijk plaatsen van een schuurtje aan het witte huis. Voor het plaatsen van deze schuur wordt de grond niet beroerd, er wordt minimale fundering aangelegd.

•

Het creëren van halfverharde parkeerplaatsen middels grind.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

12

Figuur 3. Locatie van de parkeerplaatsen en de mogelijke schuur ten opzichte van de woning.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

13

4

Resultaten gebieden en houtopstanden

4.1 Natura 2000-gebieden 4.1.1 Ligging Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Kolland & Overlangbroek’. Dit gebied ligt op een afstand van ongeveer 12 kilometer van het plangebied.

Figuur 4; ligging van het plangebied ten opzichte van N2000 gebieden. © Provinciale kaartenbank Utrecht (versie 16-6-2023)

4.1.2 Effectbeoordeling Natura 2000 Een ingreep kan in Natura 2000-gebieden zorgen voor verlies aan habitat, negatieve effecten op soorten en verstorende effecten. In de effectenindicator worden negentien verschillende storende factoren onderscheiden, waaronder effecten door geluid, trilling, visuele verstoring, verdroging en vermesting. De meeste storingsfactoren vinden plaats wanneer ingrepen daadwerkelijk in het gebied plaatsvinden. Dat is in deze situatie niet aan de orde, aangezien het plangebied geheel buiten de Natura 2000-gebieden ligt. Effecten van buitenaf noemen we verreikende effecten, zoals trilling, geluid of visuele verstoring en vermesting (zoals stikstofdepositie). De ingreep vindt plaats buiten de Natura 2000-gebieden, op een afstand van ten minste ongeveer 12 kilometer. Door de beperkte omvang en de aard van de ingreep in aanleg en gebruik zijn negatieve effecten door trilling, geluid of visuele verstoring uitgesloten.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

14

4.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) 4.2.1 Ligging van het NNN Het plangebied ligt binnen het NNN. Zie Figuur 5.

Figuur 5; Ligging van het plangebied (begrenzing in rood aangegeven) ten opzichte van het NNN (in groen aangegeven). © Provinciale kaartenbank (versie 16-6-2023)

4.2.2 Effectbeoordeling NNN Het plangebied liggen binnen het NNN. De ingreep betreft een verbouwing aan de binnenzijde van een pand, en het aanleggen van half verharde parkeerplaatsen. Het oppervlak van het NNN wordt niet significant kleiner en er verdwijnen geen leefgebieden. Ook wordt de samenhang tussen gebieden niet aangetast. Het is daardoor aannemelijk dat er geen negatieve effecten optreden op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN. Een Nee, tenzij toets is echter noodzakelijk.

4.3 Bescherming van houtopstanden 4.3.1 Situatie houtopstanden Binnen het plangebied worden geen bomen gekapt. Dit beschermingsregime is niet van toepassing op dit project.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

15

5

Resultaten soorten

5.1 Vogels Alle vogels zijn beschermd volgens het beschermingsregime Vogelrichtlijn. Daarnaast zijn de nest(plaats)en van vogelsoorten uit categorie 1-4 jaarrond beschermd. Voor soorten uit categorie 5 moet beoordeeld worden of voldoende alternatieve nest(plaats)en in de omgeving aanwezig zijn. De provincies Overijssel, Gelderland en Limburg hebben een eigen lijst met soorten en categorieën. In Bijlage 2 is dit toegelicht en zijn de lijsten met jaarrond beschermde nesten opgenomen.

5.1.1 Resultaten aanwezigheid Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1-4) In het plangebied zijn gebouwen aanwezig met een pannendak en de ruimte onder de pannen is mogelijk bereikbaar via de dakgoot. Zodoende kan huismus (Passer domesticus) in het plangebied op basis van habitat niet uitgesloten worden. Er zijn geen waarnemingen bekend in de NDFF van huismus in de wijde omgeving van het plangebied. Ook is tijdens geen van de veldbezoeken huismus aangetroffen in het plangebied. Huismus kan daarmee uitgesloten worden. In het plangebied zijn enkele grotere bomen aanwezig. In deze bomen zijn geen oude kraaiennesten of horsten aanwezig, waardoor in het plangebied nesten van buizerd en boomvalk niet verwacht worden. Vogelsoorten met beschermde nesten (categorie 5) In het plangebied zijn enkele open gebouwen aanwezig. Het plangebied is omgeven met struiken en bomen, waardoor broedvogels zoals koolmees (Parus major), pimpelmees (Cyanistes caeruleus) en boomkruiper (Certhia brachydactyla) uit categorie 5 kunnen worden verwacht. Overige vogelsoorten In het plangebied zijn enkele gebouwen open. Daarnaast is het plangebied omgeven met bomen en struiken waardoor algemeen broedende vogels niet kunnen worden uitgesloten.

5.2 Planten De aanwezigheid van beschermde plantensoorten kan door het ontbreken van geschikt leefgebied en de verspreiding redelijkerwijs worden uitgesloten.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

16

5.3 Vleermuizen 5.3.1 Resultaten aanwezigheid Het functioneel leefgebied van vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. Gedurende het jaar hebben verblijfplaatsen verschillende functies2. We kunnen onderscheiden: winter-, zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen. Vleermuizen zijn globaal in te delen naar het type verblijfplaatsen dat ze gebruiken: gebouwbewonende soorten en boombewonende soorten. Er zijn ook soorten de in beide biotopen verblijven. Veel vleermuissoorten komen in heel Nederland voor. Enkele soorten kennen een beperkt verspreidingsgebied. In Tabel 3 zijn globaal de habitatvoorkeuren aangegeven.

In het plangebied zijn bomen en lijnvormige elementen aanwezig die geschikt kunnen zijn als vliegroute. Het grasland kan ook dienen als foerageergebied. Ook kunnen er verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten aanwezig zijn. De bomen bevatten geen holtes, waardoor verblijfplaatsen van boombewonende soorten in het plangebied niet te verwachten zijn. Het plangebied bestaat uit een gebouw met een pannendak. De ruimte onder het pannendak is mogelijk bereikbaar via enkele kieren. Tevens is het ventilatieluik op de kopgevel van het woonhuis kromgetrokken, waardoor mogelijk vleermuizen hier achter kunnen kruipen. Het woonhuis is daarnaast bereikbaar via spleten tussen het dak en de gevels. Bij de initiatiefnemer is bekend dat het woonhuis gebruikt wordt als kraamverblijfplaats door gewone dwergvleermuis en/of gewone grootoorvleermuis. De veldbezoeken hebben aangetoond dat de kraamkolonie een kolonie gewone dwergvleermuizen betreft, niet gewone grootoorvleermuis. In totaal werden gedurende het onderzoek 46 gewone dwergvleermuizen waargenomen. Aan de achterzijde van het woongedeelte werden 32 uitvliegende gewone dwergvleermuizen waargenomen (figuur 5), en bij het schuurgedeelte tussen de gevel en de dakgoot 14 werden gewone dwergvleermuizen waargenomen. Deze laatste konden met een zaklamp voor het uitvliegen geteld worden (figuur 6).

De locaties van de kraamverblijven zijn in Figuur 6 tot en met Figuur 8 weergegeven.

2

https://regelink.nl/kenniscentrum/definities-vleermuizenonderzoek/

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

17

Figuur 6. Via het lood aan de zijkant van de kopgevel aan de achterzijde van het huis werden minstens 32 uitvliegende gewone dwergvleermuizen geteld. De ruimte die hier aanwezig is leidt naar een afgesloten zolder.

Figuur 7. Tussen de gevel en de dakgoot werden 14 gewone dwergvleermuizen waargenomen. Op de foto zijn tussen de dakgoot en de gevel de vleermuizen te zien.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

Figuur 8; Waarnemingen rondom het plangebied. Rode rondjes: Foeragerende gewone dwergvleermuis, huisje: kraamverblijfplaats gewone dwergvleermuis, rood vierkant: foeragerende laatvlieger, oranje lijn: vliegroute laatvlieger.

RA21133-02

18

In Tabel 3 (zie 5.3) staat welke soorten en welke functies van deze soorten mogelijk voorkomen. In deze tabel zijn eveneens de te verwachten effecten opgenomen.

5.4 Knaagdieren Bever Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van bever (Castor fiber). De bever komt voor in de overgangszones tussen land en water van rivieren, meren en broekbossen. Bomen op de oever en voldoende rustplekken zijn vereisten voor de aanwezigheid van bever. Het verspreidingsgebied heeft zich in de afgelopen decennia uitgebreid. In het plangebied en de directe omgeving is geen open water aanwezig. De aanwezigheid van bever kan redelijkerwijs worden uitgesloten. Hamster Het verspreidingsgebied van de hamster (Cricetus cricetus) is beperkt tot Zuid-Limburg. De soort komt daarom niet in het plangebied voor. Eekhoorn Het plangebied ligt binnen het verspreidingsgebied van de eekhoorn (Sciurus vulgaris). In de omgeving van het plangebied zijn wel waarnemingen gedaan van eekhoorn. Er is geschikt biotoop voor eekhoorn in de directe omgeving van het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn zowel binnen als direct buiten het plangebied, geen nesten van de eekhoorn of knaagsporen aangetroffen. De aanwezigheid van de eekhoorn in het plangebied is daarmee niet uitgesloten.

5.5 Muizen (ware-, woel- en slaapmuizen) Grote bosmuis Het verspreidingsgebied van grote bosmuis (Apodemus flavicollis) beperkt zich tot de oostgrens van Nederland en ligt dus buiten het plangebied. De aanwezigheid van deze soort in het plangebied is dan ook redelijkerwijs uit te sluiten. Noordse woelmuis De verspreiding van de noordse woelmuis (Microtus oeconomus) is beperkt tot vijf gebieden in Nederland met natte biotopen: het Friese merengebied, Texel, Noord-Holland zuid, het Utrechts/ZuidHollands veenweidegebied en het deltagebied. De soort komt voornamelijk voor in zeer natte, kruidenrijke vegetatie, rietland, moeras, zeer extensief gebruikt nat weiland en periodiek overstroomde terreinen. Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van de noordse woelmuis. Er is geen geschikt habitat in het plangebied voor de soort aanwezig doordat het plangebied midden in het bos ligt. De aanwezigheid van deze soort in het plangebied is dan ook uit te sluiten. Hazelmuis Het verspreidingsgebied van hazelmuis (Muscardinus avellanarius) is beperkt tot Zuid-Limburg. De aanwezigheid van deze soort in het plangebied is dan ook redelijkerwijs uit te sluiten.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

19

Molmuis De verspreiding van de molmuis (Arvicola scherman) is beperkt tot Limburg. De aanwezigheid van deze soort in het plangebied is dan ook redelijkerwijs uit te sluiten. Waterspitsmuis De waterspitsmuis (Neomys fodiens) komt in het grootste deel van Nederland voor, maar met het zwaartepunt in waterrijke gebieden van Friesland, Overijssel en Noord-Holland. Deze soort is gebonden aan schone wateren met een ontwikkelde watervegetatie en een rijke oevervegetatie. Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van de waterspitsmuis. In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. De aanwezigheid van deze soort in het plangebied is dan ook redelijkerwijs uit te sluiten. Veldspitsmuis Het verspreidingsgebied van de veldspitsmuis (Crocidura leucodon) omvat Twente en ZeeuwsVlaanderen. Het plangebied ligt niet in het verspreidingsgebied waarmee de aanwezigheid van deze soort dan ook redelijkerwijs is uit te sluiten. Eikelmuis Het verspreidingsgebied van de eikelmuis (Eliomys quercinus) beperkt zich tot specifieke gebieden in Zuid-Limburg. De soort kan voor het plangebied worden uitgesloten.

Overige muizen Voor aardmuis (Microtus agrestis), bosmuis (Apodemus sylvaticus), dwergmuis (Micromys minutus), dwergspitsmuis (Sorex minutus), gewone bosspitsmuis (Sorex araneus), huisspitsmuis (Crocidura russula), ondergrondse woelmuis (Microtus subterraneus), rosse woelmuis (Myodes glareolus), tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus), veldmuis (Microtus arvalis) en woelrat (Arvicola amphibius) geldt dat zij door de Provincie Utrecht voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming.

5.6 Marterachtigen Otter De otter is de enige marterachtige in Nederland in het beschermingsregime Habitatrichtlijn. Het plangebied ligt buiten het bekende verspreidingsgebied van otter (Lutra lutra). In het plangebied zijn ook geen sporen van otter aangetroffen. De aanwezigheid van deze soort kan hiermee redelijkerwijs worden uitgesloten. Bunzing, wezel, hermelijn Het verspreidingsgebied van bunzing (Mustela putorius), wezel (Mustela nivalis) en hermelijn (Mustela erminea) beslaat vrijwel geheel Nederland. Alle drie soorten hebben een voorkeur voor halfopen, structuurrijke gebieden, en zijn daarbij afhankelijk van voldoende dekking. De kleine marterachtigen hebben hun verblijf in holen, zoals oude holen van konijnen, dassen en vossen (bunzing) en oude mollenen muizenholletjes (wezel, hermelijn), maar verblijven overdag ook wel in rustige, begroeide delen. Van deze soorten zijn geen waarnemingen bekend in de wijde omgeving van het plangebied.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

20

In het plangebied zijn geen sporen van hermelijn, wezel en/of marter gedaan, zoals uitwerpselen, wissels, prooiresten en krabsporen. Tijdens het veldbezoek zijn geen (aanwijzingen voor) holen van das, konijn en vos aangetroffen, maar muizenholletjes kunnen niet worden uitgesloten in het plangebied. De ruigte delen van het plangebied zijn geschikt als rust- en foerageergebied voor bunzing, hermelijn en wezel vanwege de dekking en het verwachte aanbod aan voedsel (met name muizen). Voor wezel en hermelijn kunnen verblijven in het plangebied niet worden uitgesloten. De aanwezigheid van bunzing, wezel en hermelijn is niet uit te sluiten. Wezel, hermelijn en bunzing zijn door de provincie Utrecht bij ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Steenmarter Het plangebied ligt binnen het bekende verspreidingsgebied van steenmarter (Martes foina). Steenmarters hebben een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefbosjes. In gebouwen dienen beschutte plekken als zolders, kruipruimtes, spouwmuren en ruimten onder dakpannen en schuren als verblijven. Binnen het territorium gebruiken ze echter ook tientallen schuilplekken in boomholtes, takkenhopen en struweel om te rusten of tijdelijk te verblijven. De omgeving van het plangebied is geschikt voor de steenmarter door de aanwezigheid van geriefbosjes, struweel en houtwallen.

Uit de omgeving zijn geen waarnemingen bekend van steenmarter. Het plangebied vormt geschikt foerageergebied voor de steenmarter. In het plangebied zijn geen sporen van steenmarter gevonden, zoals vraatsporen, uitwerpselen, wissels en krabsporen. Door het ontbreken van beschutte plekken als zolders en toegankelijke gebouwen in combinatie met het ontbreken van sporen is de aanwezigheid van voortplantingsplaatsen van steenmarter niet aannemelijk. Het is redelijkerwijs niet uit te sluiten dat steenmarter het plangebied gebruikt als foerageergebied en als tijdelijke rustplek. Boommarter Het plangebied ligt binnen het bekende verspreidingsgebied van boommarter (Martes martes). Boommarters zijn echte bosbewoners die voorkomen in allerlei typen en leeftijden bos. Ze verblijven in allerlei holten, zoals boomholten, konijnen-, vossen- en dassenholen, maar het verblijf waar de jongen opgroeien is bijna altijd een boomholte. In de aanwezige bomen zijn geen holtes aanwezig die gebruikt kunnen worden door boommarter. Daarmee is de aanwezigheid van boommarter uit te sluiten. Das Het plangebied ligt binnen het bekende verspreidingsgebied van das (Meles meles). Uit de omgeving zijn geen waarnemingen bekend. In het plangebied is geen burcht aanwezig en er zijn geen sporen van das aangetroffen, zoals wissels, loopsporen, uitwerpselen of krabsporen.

Door het ontbreken van sporen is het redelijkerwijs niet de verwachting dat het plangebied dienstdoet als voortplantingsgebied, maar het kan gebruikt worden als foerageergebied en doorgangsgebied.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

21

5.7 Overige zoogdieren 5.7.1 Resultaten aanwezigheid Wilde kat, lynx en wolf Roofdieren die onder de Habitatrichtlijn vallen betreffen slechts zelden in Limburgse bossen waargenomen soorten zoals wilde kat (Felis silvestris) en lynx (Lynx lynx). Het verspreidingsgebied van wolf (Canis lupus) beperkt zich tot een vestiging op de Veluwe en wordt verder in Nederland slechts incidenteel zwervend aangetroffen. Daarom kan worden gesteld dat binnen het plangebied deze soorten niet voorkomen. Zeezoogdieren Er zijn 21 soorten walvisachtigen beschermd binnen de habitatrichtlijn. Dit zijn zeezoogdieren die logischerwijs niet in het plangebied voorkomen. Vos Vos (Vulpes vulpes) is door de provincie Utrecht voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Haas, konijn en egel Haas (Lepus europaeus), konijn (Oryctolagus cuniculus) en egel (Erinaceus europaeus) zijn door de provincie Utrecht voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Grote hoefdieren Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van wild zwijn (Sus scrofa), damhert (Dama dama) en edelhert (Cervus elaphus). Deze soorten worden ook zwervend en/of niet-wild aangetroffen in o.a. NoordBrabant. Voor edelhert geldt een nul-stand-beheer; dieren buiten de aangewezen gebieden Veluwe, Oostvaardersplassen en Weerterbos worden niet geduld en afgeschoten.

Het plangebied en de omgeving zijn wel geschikt voor wild zwijn vanwege de aanwezigheid van grote opstanden eiken- en beukenbos. Gezien het ontbreken van waarnemingen in de directe omgeving, wordt de aanwezigheid van wild zwijn en damhert niet verwacht Door de aanwezigheid van grasland en bosranden kan ree (Capreolus capreolus) in het plangebied voorkomen. Deze soort is door de provincie Utrecht voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Wet natuurbescherming.

5.8 Reptielen In Nederland zijn drie soorten reptielen beschermd binnen het beschermingsregime Habitatrichtlijn, dat zijn de gladde slang, muurhagedis en zandhagedis. De overige reptielen vallen binnen het beschermingsregime ‘Andere soorten’. Gladde slang Het plangebied ligt niet binnen het bekende verspreidingsgebied van gladde slang (Coronella austriaca),

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

22

Muurhagedis De muurhagedis (Podarcis muralis) komt van nature uitsluitend in Maastricht voor. Er zijn populaties op de oude stadsmuren en langs een spoorlijn. Het plangebied ligt buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van deze soort, waardoor de aanwezigheid kan worden uitgesloten Zandhagedis De zandhagedis (Lacerta agilis) is een soort van droge warme gebieden in de duinen en de zandgronden. De soort vereist een afwisseling van structuurrijke vegetatie, afgewisseld met zandige plekken voor de eiafzet. In het plangebied is geschikt habitat voor deze soort aanwezig. Zandhagedis is gedurende het veldbezoek in het plangebied waargenomen. Dit betekent dat in het plangebied geschikt leefgebied is voor zandhagedis. Adder De adder (Vipera berus) is een soort van de pleistocene zandgronden en heeft een voorkeur voor natte heide en hoogveen. Binnen het verspreidingsgebied wordt de soort ook in open bossen aangetroffen. Het plangebied ligt buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van deze soort, waardoor de aanwezigheid van deze soort kan worden uitgesloten. Hazelworm De hazelworm (Anguis fragilis) leeft voornamelijk in vochtige bos en heidegebieden met een dichte vegetatiestructuur. Daarnaast komt de soort ook voor langs houtwallen, struweel en diverse stenige, ruderale habitats. Gedurende het veldbezoek werd hazelworm dood aangetroffen. Dit betrof een wildaanrijding.

Dit houdt in dat het plangebied wel geschikt is voor hazelworm. Levendbarende hagedis De levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) heeft een breed spectrum aan geschikt leefgebied. De soort komt voornamelijk voor in heide en hoogveen, maar ook in open bos, langs wegbermen en andere zonnige plekken. Het plangebied heeft geschikt habitat, waardoor aanwezigheid van levendbarende hagedis niet is uitgesloten. Ringslang De ringslang (Natrix natrix) komt voor in waterrijke gebieden op zandgronden of op overgangen van zandgronden naar veen- en kleigebieden, waarbij droge habitats voor overwintering en beschutting en natte habitats voor de voortplanting en voedsel op korten afstand van elkaar beschikbaar moeten zijn. Het plangebied ligt buiten het bekende verspreidingsgebied van de ringslang (Natrix natrix) en vanwege het ontbreken van geschikt habitat in het plangebied kan de aanwezigheid van deze soort worden uitgesloten.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

23

5.9 Amfibieën In Nederland zijn de volgende amfibieën soorten beschermd binnen het beschermingsregime Habitatrichtlijn: Knoflookpad, boomkikker, rugstreeppad, poelkikker, heikikker, geelbuikvuurpad, vroedmeesterpad en de kamsalamander. De overige amfibieën vallen binnen het beschermingsregime ‘Andere soorten’. In het plangebied is geen open water aanwezig. Het plangebied is dan ook niet geschikt voor de voortplanting van amfibieën. Ook in de directe omgeving is geen geschikt voortplantingswater voor amfibieën aanwezig. De aanwezigheid van overwinterende amfibieën kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten.

5.10 Vissen In het plangebied is geen open water aanwezig. De aanwezigheid van beschermde vissen is dan ook uitgesloten.

5.11 Vlinders en libellen Onder het Beschermingsregime Habitatrichtlijn komen vlinder- en libellensoorten voor die zeer specifieke habitats vereisen. Het leefgebied van deze soorten betreft voedselarme wateren of vegetaties. In het plangebied ontbreken de omstandigheden die geschikt zijn als leefgebied voor strikt beschermde libellen en dagvlinders of het plangebied ligt ver buiten het bekende verspreidingsgebied van deze soorten. De aanwezigheid van onder dit beschermingsregime vallende libellen en vlinders kan daarom redelijkerwijs worden uitgesloten.

5.12 Overige ongewervelden Van de overige ongewervelden vallen zeven soorten binnen het beschermingsregime Habitatrichtlijn en twee binnen het beschermingsregime Andere soorten. Deze beschermde soorten ongewervelden komen op het vliegend hert na niet voor in het plangebied, omdat de specifieke biotopen in de omgeving van het plangebied ontbreken of het plangebied ver buiten het bekende verspreidingsgebied van deze soorten ligt. Het vliegend hert (Lucanus cervus) valt binnen het regime ‘Andere Soorten’ is afhankelijk van rottend eikenhout dat in Nederland vooral voorkomt in oude eikenbossen, hakhout, houtwallen, lanen en parken met oude eikenbomen. De aanwezigheid van het vliegend hert is beperkt tot de Veluwe, Midden - en ZuidLimburg, de stuwwal bij Nijmegen, de Utrechtse Heuvelrug en Twente. Het plangebied ligt aan de rand van het verspreidingsgebied van vliegend hert. Uit het bronnenonderzoek blijkt dat de soort mogelijk in de omgeving voorkomt. In het plangebied zijn enkele oudere eiken aanwezig, waardoor de aanwezigheid van deze soort rondom het plangebied niet kan worden uitgesloten.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

24

6

Effectbeoordeling en toetsing Wet natuurbescherming

Op grond van de resultaten van het veldbezoek en het literatuuronderzoek wordt in dit hoofdstuk beoordeeld wat de verwachtte effecten van de ingreep zijn op beschermde gebieden, houtopstanden en soorten. Negatieve effecten worden vervolgens getoetst aan de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming. Afrondend geeft de toetsing aan of een aangepaste werkwijze, aanvullend onderzoek dan wel een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is vereist.

6.1 Natura 2000 gebieden Effecten op Natura 2000-gebieden bestaan uit verlies aan habitat, negatieve effecten op soorten en verstorende effecten. In de effectenindicator (https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12) worden 19 verschillende storende factoren onderscheiden, waaronder effecten door geluid, trilling, visuele verstoring, verdroging en vermesting. Onder vermesting valt ook stikstofdepositie. De ingreep vindt plaats op een afstand van 12 km van Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek. Door de afstand, de bebouwing en drukke wegen tussen het plangebied en de beschermde gebieden en de aard van de werkzaamheden worden negatieve effecten door geluidsverstoring of visuele verstoring uitgesloten. De voorgenomen werkzaamheden hebben ook geen effecten als verdroging, vernatting etc. tot gevolg. Het gebruik van eventuele werktuigen, aan-en afvoer van materiaal en werkverkeer vindt in de aanlegfase stikstofuitstoot plaats. Op 1 juli is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw- sloop en eenmalige aanlegactiviteiten, in het kort de bouwvrijstelling. Dit betekent in het vergunningstraject dat voor het aspect stikstof alleen nog de neerslag (depositie) in de gebruiksfase een rol speelt (www.rijksoverheid.nl, 2021).

Aangezien na afronding van de werkzaamheden het woonhuis gebruikt zal worden als vakantiewoning is het aannemelijker dat er minder vervoer van en naar het huis is. In wezenlijke zal de stikstofdepositie na afronding van de werkzaamheden minder worden dan het voorheen is. Naar aanleiding hiervan is er geen nadere toetsing aan de regels omtrent stikstof noodzakelijk.

6.2 Natuur Netwerk Nederland Het plangebied ligt binnen het NNN. Een gedeelte van het plangebied heeft als bestemming wonen en een gedeelte van het plangebied heeft als bestemming bos. Het is aan te raden om in overleg met de Gemeente Woudenberg na te gaan of de werkzaamheden binnen het bestemmingsplan kunnen plaatsvinden. Indien dit niet kan, is een ‘nee, tenzij’- toets noodzakelijk. Mits er gedurende de werkzaamheden geen licht beschenen wordt op de omgeving is een effect op het NNN niet te verwachten.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

25

6.3 Vogels Beschermingsregime Vogelrichtlijn: vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 5) Voor te verwachten soorten uit categorie 5 zijn in de directe nabijheid van het plangebied voldoende alternatieve nestmogelijkheden voorhanden. In de omgeving zijn voldoende holtes in bomen, waardoor deze vogels niet enkel afhankelijk zijn van de gebouwen. De ingreep leidt voor deze soorten niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd tijdens het broedseizoen kan dit leiden tot het verl aten van nesten met eieren of jongen en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar en zijn een overtreding van artikel 3.1 lid 1 en 2 Wet Natuurbescherming. Door de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren wordt verstoring van broedvogels voorkomen. Beschermingsregime Vogelrichtlijn: overige vogels In het plangebied broeden mogelijk merel en/of winterkoning. Wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd tijdens het broedseizoen kan dit leiden tot het verlaten van nesten met eieren of jongen en brengen de functionaliteit van de nesten in gevaar en zijn een overtreding van artikel 3.1 lid 1 en 2 Wet natuurbescherming. Werken buiten het broedseizoen voorkomt overtreding. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 augustus, afhankelijk van weersomstandigheden en de soorten.

6.4 Vleermuizen Vliegroute/foerageergebied Het plangebied wordt mogelijk gebruikt als foerageergebied en vliegroute door vleermuizen. Er wordt geen verlichting aangebracht, en er wordt geen groen verwijderd. Negatieve effecten op foerageergebied en vliegroutes worden dan ook niet verwacht. Verblijfplaatsfunctie: zomer-, winter-, paarverblijf Er worden geen bomen gekapt zodat er geen potentiële verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen worden vernietigd of aangetast. Tijdens de onderzoeksrondes zijn geen zomerverblijfplaatsen aangetroffen in de bebouwing. In het voorhuis en in de schuur kunnen mogelijk zomer-, winter en paarverblijven aanwezig zijn, van verschillende gebouwbewonende vleermuissoorten (zie Tabel 3). Deze verblijven kunnen mogelijk aanwezig zijn in het pannendak van de schuur, of onder de metalen dakranden en kieren ach ter de dakgoten van het voorhuis. Het pand heeft geen spouwmuur. Er vinden geen werkzaamheden plaats aan de buitenzijde van het pand, anders dan het aanleggen van een aantal parkeerplaatsen. De daken blijven onaangeroerd, evenals de binnenzijde van de vliering van het voorhuis. Alle locaties waar mogelijk een zomer-, winter- en/of paarverblijfplaats aanwezig zijn blijven onaangetast. Negatieve effecten van de ingreep op zomer- en/of paarverblijfplaatsen zijn niet te verwachten.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

26

De sloop van tussenmuren en de plaatsing van het verlaagde plafond kunnen voor trillingen zorgen die in het winterseizoen kunnen leiden tot wezenlijke verstoring. De winterperiode is een van de meest kwetsbare periodes voor een vleermuis waardoor trillingen sneller voor verstoring zorgen dan in de actieve periode. Werken buiten buitende de kwetsbare winterperiode voorkomt verstoring van eventueel aanwezige winterverblijfplaatsen. De winterperiode loopt globaal van 1 november tot 1 april, afhankelijk van weersomstandigheden.

Verblijfplaatsfunctie: kraamverblijf In de vliering van het voorhuis bevindt zich een kraamkolonie gewone dwergvleermuizen. Tevens bevindt zich een deel van de kraamkolonie in de kieren achter de dakgoot van het voorhuis. Gedurende de twee onderzoeksrondes zijn geen andere uitvliegende vleermuissoorten aangetroffen. Het komt maar zelden voor dat een kraamverblijfplaats door meerdere soorten gebruikt wordt. Het is daarom ook zeer aannemelijk dat er geen kraamverblijfplaats van een andere soort aanwezig is binnen het plangebied. Echter, omdat er geen protocollair onderzoek is uitgevoerd kan niet met 100% zekerheid gezegd worden dat de kraamverblijfplaats niet ook door een andere vleermuissoort wordt gebruikt. De soorten waarvan het theoretisch mogelijk zou zijn dat er een kraamverblijfplaats aanwezig is, staan vermeld in Tabel 3. De ingreep bestaat uit het verwijderen en herplaatsen van inpandige muren, en het plaatsen van isolatie aan de binnenzijde van het huis, aan de onderzijde van het reeds aanwezige plafond. Dit houdt in dat de onderkant van het kraamverblijf aan de buitenzijde (gezien vanuit het kraamverblijf) wordt geïsoleerd. De klimatologische omstandigheden zullen daardoor met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid minimaal tot niet veranderen.

De sloop van tussenmuren en de plaatsing van het verlaagde plafond kunnen voor trillingen zorgen die in het kraamseizoen kunnen leiden tot verstoring. De kraamperiode is een van de meest kwetsbare periodes voor een vleermuis waardoor trillingen sneller voor verstoring zorgen dan buiten deze periode. De verblijfplaats an sich blijft in zijn volledigheid onaangetast. Werken buiten buitende de kwetsbare kraamperiode voorkomt verstoring van de kraamverblijfplaats. De kraamperiode loopt globaal van 15 mei tot 15 juli, afhankelijk van weersomstandigheden. Verblijfplaatsfunctie: massawinterverblijf In de vliering van het voorhuis bevindt zich een kraamkolonie gewone dwergvleermuizen. De vliering heeft daarmee mogelijk potentie als massawinterverblijfplaats. Uit een zolderinspectie is echter gebleken dat er erg veel tocht op de vliering is, door twee tochtroosters in beide kopgevels (zie foto’s in Bijlage 1). De vliering is daarmee ongeschikt als massawinterverblijfplaats. Negatieve effecten van de ingreep zijn dan ook uit te sluiten. Zie voor een samenvatting Tabel 3.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

27

Alle in Nederland voorkomende soorten vleermuizen zijn beschermd volgend het regime Habitatrichtlijn. Vernietigen van verblijfplaatsen is een overtreding van artikel 3.5, lid 4 van de Wet natuurbescherming. De aantasting van essentiële foerageergebieden en -vliegroutes leidt indirect tot een afname van de functionaliteit van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van vleermuizen en zijn daarmee ook een overtreding van artikel 3.5, lid 4 van de Wet natuurbescherming. Overtredingen zijn mogelijk te voorkomen met een aangepaste werkwijze en/of mitigerende maatregelen. Omdat negatieve effecten niet zijn uit te sluiten kan de ingreep leiden tot een overtreding van de Wnb.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

28

Tabel 3. De potentieel aanwezige soorten vleermuizen en functies (aangegeven met X). Daarnaast is aangegeven welke soorten voor het plangebied met zekerheid kunnen worden uitgesloten: op basis van ontbreken geschikt habitat (H) en/of ligging buiten verspreidingsgebied (V). Groen X = geen effect te verwachten. Rood X = negatief effect niet uitgesloten. - = functie niet verwacht. Soort

Habitat Uit te (verblijfplaats) sluiten

Verblijfplaatsfunctie Zomer Kraam Paar

Andere functie Winter Vliegroute

Foerageergebied

Gewone dwergvleermuis (Pipistrelllus pipistrellus)

Gebouwen

Nee

X

X

X

X

X

X

Ruige dwergvleermuis (Pipistrelllus nathusii)

Gebouwen, bomen

Nee

X

-

X

X

X

X

Kleine dwergvleermuis (Pipistrellus pygmaeus)

Gebouwen

Nee

X

X

X

X

X

X

Rosse vleermuis (Nyctalus noctula)

Bomen

Nee

-

-

-

-

X

X

Bosvleermuis (Nyctalus leisleri)

Bomen, gebouwen

Nee

X

X

X

-

X

X

Laatvlieger (Eptesicus serotinus)

Gebouwen

Nee

X

X

-

X

X

X

Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus)

Gebouwen

Nee

X

X

-

-

X

X

Gewone grootoorvleermuis (Plecotus austriacus)

Gebouwen, bomen

Nee

X

X

X

X

X

X

Grijze grootoorvleermuis (Plecotus austriacus)

Gebouwen

Ja: V

-

-

-

-

-

-

Watervleermuis (Myotis daubentoni)

Bomen

Ja: H

-

-

-

-

-

-

Meervleermuis (Myotis dasycneme)

Gebouwen

Ja: H

-

-

-

-

-

-

Franjestaart (Myotis nattereri)

Bomen

Nee

-

-

-

-

X

X

Ingekorven vleermuis (Myotis emarginatus)

Gebouwen

Ja: V

-

-

-

-

-

-

Vale vleermuis (Myotis myotis)

Kerkzolders, groeven

Ja: V

-

-

-

-

-

-

Bechsteins vleermuis (Myotis bechsteinii)

Gebouwen, bomen

Ja: V

-

-

-

-

-

-

Baardvleermuis (Myotis mystacinus)

Gebouwen, bomen

Nee

X

X

-

-

X

X

Brandt’s vleermuis (Myotis brandtii)

Gebouwen

Ja: V

-

-

-

-

-

-

6.5 Marterachtigen In het plangebied kunnen steenmarter, boommarter en das niet worden uitgesloten. Aangezien bomen en bosschages niet verwijderd worden is het niet te verwachten dat er negatieve effecten zijn op het leefgebied of essentiële functies van boommarter, steenmarter en das. Een overtreding van de Wet natuurbescherming kan dan ook redelijkerwijs worden uitgesloten.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

29

6.6 Eekhoorn In het plangebied is het mogelijk dat eekhoorn voor komt. Aangezien bomen niet verwijderd worden is een negatief effect op eekhoorn uitgesloten.

6.7 Reptielen Zandhagedis en hazelworm Deze soorten zijn in het plangebied waargenomen gedurende de ecologische quickscan. Het schuurtje wordt, zoals vermeld in Hoofdstuk 2, gebouwd op de locatie waar nu een tuin aanwezig is. Hier is al activiteit van mensen (en een hond), waardoor er geen extra verstoring aanwezig is ten gevolge van de werkzaamheden. Een klein gedeelte van het aanwezige groen bestaande uit voornamelijk gras verdwijnt, daar waar parkeerplaatsen aangelegd worden. Hoewel een deel van het grasveld verdwijnt, blijft het overgrote deel van het grasveld geschikt voor zandhagedis en hazelworm. Tevens is aan de overzijde van het woonhuis een groot veld aanwezig, waar soortgelijke omstandigheden voor zandhagedis en hazelworm aanwezig zijn. Deze soorten overwinteren in schuilplaatsen in bosranden, onder dood hout, in (zoogdier)holletjes onder de grond. Deze omstandigheden zijn niet aanwezig direct tegen het huis aan (waar de parkeerplaatsen aangelegd worden). Bovendien betreffen werkzaamheden geen grondberoering: er wordt niet afgegraven of geplagd. De parkeerplaatsen bestaan uit halfverharding (grind), welke bovenop de huidige toplaag wordt aangebracht. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd buiten de actieve periode van deze soorten, en wordt gewerkt met een aangepaste werkwijze, zijn negatieve effecten van de ingreep op deze soorten redelijkerwijs uit te sluiten.

Levendbarende hagedis Deze soort kan niet worden uitgesloten in het plangebied. In de actieve periode zijn geen negatieve effecten te verwachten op deze soort, gezien deze erg mobiel is. De winterverblijven van deze soort bevinden zich boven het grondwaterniveau in grote gras en zeggepollen, zandholen in de grond en onder boomstronken e.d. en in veengebieden ook in holletjes in kaden en dijken. Deze omstandigheden zijn niet aanwezig in de tuin, welke voornamelijk uit gras bestaat. Daarnaast bestaan de werkzaamheden niet uit grondberoering: er wordt niet afgegraven of geplagd. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd in de actieve periode van deze soort, of wordt gewerkt met een aangepaste werkwijze, zijn negatieve effecten van de ingreep op deze soort redelijkerwijs uit te sluiten.

6.8 Vliegend hert Het vliegend hert is op basis van de verspreiding gegevens niet uit te sluiten in het plangebied. Daar deze soort vooral afhankelijk is van grote eikenbomen en deze in en om het plangebied niet verwij derd worden is een negatief effect op het vliegend hert uitgesloten.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

30

6.9 Overige soortgroepen Uit de resultaten blijkt dat de aanwezigheid van de overige beschermde soorten uit de soortgroepen planten, reptielen, amfibieën, vissen, dagvlinders, libellen en overige ongewervelden redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Daarmee is ook een negatief effect op deze soorten redelijkerwijs uit te sluiten. De ingreep leidt derhalve niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soorten.

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

31

7

Conclusies en vervolgstappen

Uit de resultaten, de effectbeoordeling en toetsing aan de Wnb volgt dat door de ingreep een overtreding Wnb niet kan worden uitgesloten voor broedvogels van categorie 5, algemene broedvogels en gewone dwergvleermuis. Onderstaande tabellen geven een samenvatting van de effectbeoordeling, de toetsing aan de Wnb en de eventuele vervolgstappen voor gebiedsbescherming en per soort(groep). Tabel 4 Samenvatting effectbeoordeling gebiedsbescherming en houtopstanden Gebiedsbescherming

Effecten tgv ingreep

Overtreding Wnb

Vervolgstappen

Natura 2000

Nee

Nee

Geen

Natuurnetwerk Nederland

Mogelijk

Mogelijk

‘Nee, tenzij’ toets

Houtopstanden

Nee

Nee

Geen

Tabel 5 Samenvatting effectbeoordeling (inclusief aangepaste werkwijze) en overtreding van Wet natuurbescherming (Wnb). VR= Vogelrichtlijn, HR= Habitatrichtlijn, AS= Andere Soorten. Soort/ soortgroep

Functie (mogelijk)

Effecten tgv ingreep Overtreding Wnb

Vervolgstappen

Vogels Categorie 5

Leefgebied, nesten

Mogelijk

Art. 3.1 lid 1 en 2

Werken buiten broedseizoen

Algemene broedvogels

Leefgebied, nesten

Mogelijk

Art. 3.1 lid 1 en 2

Werken buiten broedseizoen

Gewone dwergvleermuis

kraamverblijf

Mogelijk

Art. 3.5, lid 4

Werken buiten kraam- en winterseizoen en voorkomen van lichtstraling naar de omgeving.

Eekhoorn

Leefgebied

Nee

AS

-

Steenmarter

Leefgebied

Nee

AS

-

Boommarter

Leefgebied

Nee

AS

-

Das

Leefgebied

Nee

AS

-

Zandhagedis

Leefgebied, voortplantingsgebied

Nee

HR

Werken buiten actieve periode, aangepaste werkwijze

Hazelworm

Leefgebied, voortplantingsgebied

Nee

AS

Werken buiten actieve periode, aangepaste werkwijze

Levendbarende hagedis

Leefgebied, voorplantingsgebied

Nee

AS

Indien gewerkt wordt buiten actieve periode: aangepaste werkwijze

Vliegend hert

Leefgebied

Nee

AS

-

Ecologische quickscan Het Witte Huis, Austerlitz

RA21133-02

32

7.1 Zorgplicht Om invulling te geven aan de zorgplicht kunnen enkele algemeen geldende maatregelen worden genomen: •

Werkzaamheden waarbij vegetatie wordt verwijderd rustig en vanuit één zijde aanvangen.

•

De werkzaamheden altijd naar een open einde uitvoeren, zodat dieren kunnen vluchten (dus niet in een brede baan richting het water;

•

Dieren de ruimte en de tijd geven om zelfstandig te vluchten voor het werk.

•

Voorafgaand aan het winterseizoen de plekken waar amfibieën typisch overwinteren verwijderen uit het deel van het plangebied dat wordt afgegraven (takkenhopen, houtwallen, dood hout etc);

•

Bij voorkeur dieren niet oppakken. Indien dit nodig is, dieren op een geschikte plek buiten het werkgebied uitzetten.

7.2 Kansen voor versterken biodiversiteit: natuurinclusief werken Bij veel projecten bieden de ingrepen of werkzaamheden kansen om betrekkelijk eenvoudig een bijdrage te leveren om biodiversiteit te versterken. De maatregelen zijn niet wettelijk verplicht, ze komen niet voort uit overtredingen van de Wet natuurbescherming. Regelink Ecologie & Landschap ziet dat er veel kansen zijn voor biodiversiteit die onbenut blijven. We bieden daarom graag enkele handvatten om te laten zien hoe vaak eenvoudig een bijdrage geleverd kan worden. Algemeen •

Maak gebruik van gevarieerde inheemse planten en bomensoorten: goed voor insecten, vogels;

•

Voer ecologische beheer, bijvoorbeeld gefaseerd maaien, bloemrijke bermen;

•

Creëer overhoekjes en zandige plekken;

•

Maak insectenvoorzieningen;

•

Realiseer kleine groene verbindingen (bijv. hagen, takkenrillen) voor insecten, egels, kleine soorten;

•

Leg faunavoorzieningen aan bij nieuwbouw, renovatie of verduurzaming (bijv. gierzwaluw- en mussenkasten, vleermuisvoorzieningen).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/2593/documents/53822