05. Versie 2 Algemene Plaatselijke Verodening 2023 - Omgevingswet zonder toelichting.pdf
Tekst van het document
Algemene Plaatselijke Verordenin g 2023
20-10-2022
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Artikel 1:1 Artikel 1:2 Artikel 1:4 Artikel 1:5 Artikel 1:6 Artikel 1:7 Artikel 1:8 Hoofdstuk 2
Algemene bepalingen Definities Beslistermijn Voorschriften en beperkingen Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Termijnen Weigeringsgronden Openbare orde
Afdeling 1 Artikel 2:1
Bestrijding van ongeregeldheden Samenscholing en ongeregeldheden
Afdeling 2 Artikel 2:3
Betoging Melding betogingen op openbare plaatsen
Afdeling 3
(gereserveerd)
Afdeling 4
(gereserveerd)
Afdeling 5 Artikel 2:10 Artikel 2:11 Artikel 2:12
Bruikbaarheid en aanzien van de weg Voorwerpen op of aan de weg (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Maken, veranderen van een uitweg
Afdeling 6
(gereserveerd)
Afdeling 7 Artikel 2:24 Artikel 2:25
Evenementen Definities Evenement
Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Definities Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting Artikel 2:29 Sluitingstijd Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting Artikel 2:31 Verboden gedragingen Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Afdeling 9
(gereserveerd)
Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:38 Definities Artikel 2:39 Speelgelegenheden Artikel 2:40 Kansspelautomaten Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal Artikel 2:42 Plakken en kladden
Algemene Plaatselijke Verordening
2
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen Artikel 2:45 Bescherming van groenvoorzieningen Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Artikel 2:48 Verboden drankgebruik Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Artikel 2:57 Aanlijnen van honden; verboden verblijfsgebied; identificatie Artikel 2:58 Verontreiniging door honden Artikel 2:59 Gevaarlijke honden Artikel 2:60 Gevaarlijke honden op eigen terrein Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 Definitie Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht Afdeling 13 Vuurwerk Artikel 2:71 Definitie Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Artikel 2:73a Verbod carbidschieten Afdeling 14 Drugsoverlast (gereserveerd) Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:75 Artikel 2:76
Bestuurlijke ophouding
Veiligheidsrisicogebieden Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet Artikel 2:80 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
Hoofdstuk 3 Regulering prostitutie, seksbranche en aanverwante onderwerpen Afdeling 1 Artikel 3:1 Artikel 3:2
Algemene bepalingen Afbakening Definities
Afdeling 2 Artikel 3:3 Artikel 3:4 Artikel 3:5 Artikel 3:6 Artikel 3:7 Artikel 3:8 Artikel 3:9 Artikel 3:10 Artikel 3:11
Vergunning seksbedrijf Vergunning Concentratie seksinrichtingen Gereserveerd Aanvraag Weigeringsgronden Eisen met betrekking tot de vergunning Intrekkingsgronden Melding gewijzigde omstandigheden Verlening vergunning
Afdeling 3 Artikel 3:12 Artikel 3:13 Artikel 3:14
Uitoefenen seksbedrijf Sluitingstijden seksinrichtingen; aanwezigheid; toegang Adverteren Leeftijd en verblijfstitel prostituees; verbod werken voor onvergund
Algemene Plaatselijke Verordening
3
Artikel 3:15 Artikel 3:16 Artikel 3:17 Artikel 3:18 Artikel 3:19 Artikel 3:20
prostitutiebedrijf Bedrijfsplan Gereserveerd Verdere verplichtingen van de exploitant en beheerder prostitutiebedrijf Raamprostitutie Straatprostitutie Handhaving straatprostitutie
Afdeling 4 Artikel 3:21 Artikel 3:22
Overige bepalingen Verbodsbepalingen klanten Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische ` goederen, afbeeldingen en dergelijke
Hoofdstuk 4
Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente
Afdeling 1 Geluidhinder en verlichting Artikel 4:1 Definities Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten Artikel 4:5 Onversterkte muziek Artikel 4:5b Geluidhinder in de openlucht Artikel 4:6 Overige geluidhinder Afdeling 2 Artikel 4:8 Artikel 4:9
Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Natuurlijke behoefte doen Verbod oplaten ballonnen
Afdeling 3
(gereserveerd)
Afdeling 4 Artikel 4:15
Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Verbod handelsreclame op of aan onroerende zaak
Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:17 Definitie Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen Hoofdstuk 5
Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Afdeling 1 Parkeerexcessen Artikel 5:2 Voertuigen van autobedrijf en dergelijke Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen Artikel 5:4 Defecte voertuigen Artikel 5:5 Voertuigwrakken Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen Artikel 5:7 Reclamevoertuigen Artikel 5:8 Grote voertuigen Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets Afdeling 2 Artikel 5:13
Collecteren Inzameling van geld of goederen
Afdeling 3 Artikel 5:14
Venten Venten e.d.
Afdeling 4
Standplaatsen
Algemene Plaatselijke Verordening
4
Artikel 5:17 Definities Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende Afdeling 5
(gereserveerd)
Afdeling 6
(gereserveerd)
Afdeling 7
Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Beperking verkeer in natuurgebieden
Artikel 5:33 Afdeling 8 Artikel 5:34
Verbod vuur te stoken Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken
Afdeling 9 Artikel 5:35 Artikel 5:36
Verstrooiing van as Definities Verbod asverstrooiing
Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6:1 Strafbepaling Artikel 6:2 Toezichthouders Artikel 6:3 Binnentreden woningen Artikel 6:4 Intrekking oude verordening Artikel 6:5 Overgangsbepaling Artikel 6:6 Inwerkingtreding Artikel 6:7 Citeertitel Artikel 6:8 Hardheidsclausule
Algemene Plaatselijke Verordening
5
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen1 Artikel 1:1 Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - Bebouwingscontour: Voorheen bebouwde kom, het gebied op door de gemeenteraad in 2022 vastgestelde bebouwingscontourenkaart. - beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; - bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; - bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994 - college: het college van burgemeester en wethouders; - gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage 1 bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; - handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; - kennisgeving: manier waarop de geadresseerde in kennis wordt gesteld van een document, zodat hij kennis kan nemen van de inhoud. - meldplicht: verplichting volgens wet- of regelgeving om een bepaalde gebeurtenis of overtreding van een regel of wet te melden aan een specifieke instantie.
- motorrijtuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder c van de Wegenverkeerswet 1994. - motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - natuurgebieden: de door Natuurnetwerk Nederland (NNN) aangewezen gebieden in Provincie Utrecht. - openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; - ontheffing: een besluit waarbij in een individueel concreet geval een uitzondering op een wettelijk verbod of gebod wordt gemaakt. - openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan; - parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; - rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht; - vergunning: een officiële (noodzakelijke) toestemming van de overheid om een bepaalde in principe verboden activiteit of handeling uit te voeren.
- voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens en kinderwagens en rolstoelen; - weg: als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen en als bedoeld in de Wegenwet artikel 1 en 4. 1
Artikel 1:3 is gereserveerd
Algemene Plaatselijke Verordening
6
Artikel 1:2 Beslistermijn 1. Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. 2. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verdagen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning. En een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, 2:11 en 2:12 Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 3. Dit artikel is niet van toepassing op een omgevingsvergunning Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als: a. ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt; b.
op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d. van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of e. de houder dit verzoekt. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning. Artikel 1:7 Termijnen 1. De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. 2. De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Artikel 1:8 Weigeringsgronden 1. De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van: a. de openbare orde; b. het voorkomen of beperken van overlast; c. de verkeersveiligheid; d.
de veiligheid van personen of goederen; e. de zedelijkheid of de gezondheid of volksgezondheid; f. de bescherming van het milieu. 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde Algemene Plaatselijke Verordening
7
3.
activiteit is ingediend en daarvoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. Het bevoegde bestuursorgaan of het bevoegd gezag kan, onverminderd het elders in deze verordening bepaalde, een vergunning of ontheffing weigeren, indien de aanvrager voorschriften, verbonden aan een eerdere vergunning of ontheffing voor een soortgelijke activiteit of beperkingen waaronder zo’n vergunning of ontheffing is verleend, niet heeft nageleefd en het vermoeden gerechtvaardigd is dat indien de gevraagde vergunning of ontheffing wordt verleend, hij ook daaraan verbonden voorschriften of beperkingen waaronder zij zou worden verleend, niet zal naleven.
Algemene Plaatselijke Verordening
8
Hoofdstuk 2 Openbare orde2 Afdeling 1
Bestrijding van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden II 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. 2. Degene die op een openbare plaats: • aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; • aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of • zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing; is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie of ambtenaren die door college belast zijn met het toezicht hierop zijn weg te vervolgen of zich i n de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 5. Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Afdeling 2
Betoging
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen II 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. 2. De kennisgeving bevat: a. naam en adres van degene die de betoging houdt; b. het doel van de betoging; c. de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; d. de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; e. voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en f. maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een ordelijk verloop te bevorderen. 3. Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. 4. Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de melding gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat vóór 12.00 uur. 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn. 2
De artikelen 2:2, 2:4, 2:5, 2:7 t/m 2:9, 2:13 t/m 2:23, 2:26, 2:34 t/m 2:37, 2:43, 2:46, 2:51 t/m 2:56, 2:61 t/m 2:65, 2:69,2:70 en 2:74 zijn gereserveerd.
Algemene Plaatselijke Verordening
9
Afdeling 3
Verspreiden van gedrukte stukken
Afdeling 4
Vertoningen e.d. op de weg
Afdeling 5
Bruikbaarheid en aanzien van de weg
[gereserveerd]
[gereserveerd]
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg II 1. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het bevoegd orgaan een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Het is verboden een voorwerp of beplanting aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: • evenementen als bedoeld in artikel 2:24; • standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; • overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 4. Het verbod in het eerste lid geldt tevens niet van toepassing op de volgende voorwerpen mits wordt voldaan aan de nadere regels uit hoofde van het vierde lid: • terrassen als bedoeld in artikel 2:27 lid 1 sub b; • uitstallingen; • bouwmateriaal en -materieel; • plantenbakken en/of gevelbakken; • tekstkarren; • nader door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen. 5. Het college stelt nadere regels voor de categorieën genoemd in lid 3. 6. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatwerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.
7. In dit artikel wordt verstaan onder bevoegde bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. 8. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is para4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen, opbreken en veranderen van een weg II 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. De vergunning wordt verleend: a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een omgevingsplan; of b. door het college in de overige gevallen. 3. Het verbod is niet van toepassing indien in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 4.
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatwerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of 10 Algemene Plaatselijke Verordening
5.
waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg II 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 lid b van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat. 3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van: • de bruikbaarheid van de weg; • het veilig en doelmatig gebruik van de weg; • de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; • de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. 4. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatwerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. 5. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het maken, veranderen van een uitweg.
Afdeling 6
Veiligheid op de weg
Afdeling 7
Evenementen
[gereserveerd]
Artikel 2:24 Definities 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: a. bioscoop- en theatervoorstellingen; b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet; c. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; d. het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen; e. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; f. activiteiten als bedoeld in artikel 2:39. g. sportwedstrijden en – toernooien georganiseerd onder auspiciën van een bij de NOC*NSF aangesloten sportbond, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder g. 2. Onder evenement wordt mede verstaan: a. een herdenkingsplechtigheid; b. een braderie; c. snuffelmarkt; d. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; e. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; f. een straatfeest of buurtbarbecue; g. een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of gala’s. 3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij: 1. het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 150 personen; 2.
de activiteiten niet plaatsvinden op maandag tot en met zondag tussen 23:00 en 9:00 of op zondag voor 13:00 of op 4 mei of 1e Kerstdag; Algemene Plaatselijke Verordening
11
3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur; er geen samenloop is met een ander evenementen in de wijk, of wegopbrekingen en/of de hoofdroutes van de hulpverleningsdiensten; het evenement geen onevenredige belemmering vormen voor het verkeer en de hulpdiensten; en slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 25m2 vierkante meter per object; geen gebruik wordt gemaakt van een springkussen; geen alcoholhoudende drank tegen betaling wordt geschonken of etenswaren of anderen goederen tegen betaling te koop worden aangeboden; het evenement geen commercieel karakter heeft.
Artikel 2:25 Evenementenvergunning II 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. 2. Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. 3. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien wordt door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. 4. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste vier weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. 5. Het vierde lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s. 6. De burgemeester kan binnen 14 dagen na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, verkeersveiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. 7.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 8. Bij de toepassing van de in artikel 1:8 genoemde weigeringsgronden kan de burgemeester in aanmerking nemen: a. de mate waarin door het evenement beslag gelegd wordt op ruimte, tijd en hulpdiensten; b. het aantal bezoekers dat verwacht wordt, inclusief de piekbelasting; c. of de aard van het evenement zich verdraagt met het karakter van de gevraagde locatie; d. of gevaar bestaat voor wanordelijkheden; e. of gevaar bestaat voor ernstige belemmeringen voor het verkeer; f. of gevaar bestaat voor onaanvaardbare belasting voor de omgeving als gevolg van het plaatsvinden van het evenement. 9. Het is verboden bij een evenement de openbare orde te verstoren. 10. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 8
Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27 Definitie 1. In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden 12 Algemene Plaatselijke Verordening
2.
3.
geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte. Verder wordt in deze afdeling verstaan onder: a. Vergunninghouder: de ondernemer - rechtspersoon of natuurlijke persoon – zoals ingeschreven bij de Kamer van Koophandel voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd. b. Leidinggevende: (1) de (rechts)persoon voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt geëxploiteerd. (2) de natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding geeft aan een openbare inrichting.
Artikel 2:28 exploitatie openbare inrichting II 1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester a. een openbare inrichting te exploiteren; b. één of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen te exploiteren, voor zover deze onder de uitzonderingscategorie van artikel 2:28, vierde lid van deze verordening vallen. 2. De burgemeester weigert de vergunning indien de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het geldend omgevingsplan, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit en geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend. 3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:5 kan de burgemeester de vergunning weigeren indien: a. naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; b. de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag met betrekking tot de leidinggevende van de inrichting overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven; c. niet voldaan is aan de ingevolge deze afdeling voor de leidinggevenden en vergunninghouder geldende eisen; d. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn. 4.
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; of d. een bedrijfskantine of bedrijfsrestaurant. 6. Openbare inrichtingen die voor 23-12-2013 beschikten over een Drank- en horecavergunning zijn uitgezonderd van de exploitatievergunningplicht.
Artikel 2:28a Inhoud exploitatievergunning en aanhangsel vergunning 1. De burgemeester vermeldt in een vergunning: a. de vergunninghouder; b. tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt; c. de plaats waar de openbare inrichting zich bevindt; d. de situering en de oppervlakte van het (de) terras(sen) van de openbare inrichting; e. de voorschriften en/of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden. 2. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden. Algemene Plaatselijke Verordening
13
3.
De vergunning en het daarvan deel uitmakende aanhangsel, of afschriften daarvan, en in voorkomende gevallen een afschrift van de aanvraag, als bedoeld in artikel 2:28c, eerste lid, van deze verordening, en de ontvangstbevestiging, als bedoeld in artikel 2:28c, derde lid, van deze verordening of een afschrift daarvan, zijn in de openbare inrichting aanwezig.
Artikel 2:28b Eisen aan leidinggevenden en vergunninghouder II 1. De leidinggevenden en vergunninghouder voldoen aan de volgende eisen: • zij hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt; • zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; • zij staan niet onder curatele. 2 Het is verboden een openbare inrichting voor het publiek geopend te houden indien in de openbare inrichting niet aanwezig is: a. een op de vergunning of het aanhangsel vermelde leidinggevende, of indien de openbare inrichting wordt geëxploiteerd door een paracommerciële rechtspersoon - een barvrijwilliger; b. een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 2:28c, eerste lid, van deze verordening is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist. 3. Het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op exploitatievergunningen, als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, aanhef en onder b., van deze verordening, die louter betrekking hebben op de exploitatie van een terras. Artikel 2:28c Wijziging aanhangsel exploitatievergunning 1. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester zijn wens om een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven; 2. Deze melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel. 3. De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag. 4.
De burgemeester weigert de wijziging van het aanhangsel indien de persoon bedoeld in artikel 28c, eerste lid, van deze verordening niet voldoet aan de in artikel 2:28b van deze verordening gestelde eisen. Artikel 2:28d Wijziging exploitatievergunning openbare inrichting Indien een openbare inrichting een zodanige verandering ondergaat dat zij niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning gegeven omschrijving, is de vergunninghouder verplicht bedoelde wijziging binnen één maand bij de burgemeester te melden. De burgemeester verstrekt, indien aan de ten aanzien van de openbare inrichting gestelde eisen wordt voldaan, een gewijzigde vergunning, waarin de ingevolge artikel 2:28a van deze verordening vereiste omschrijving is aangepast aan de nieuwe situatie. Artikel 2:28e Intrekkings-, wijzigings- en schorsingsgronden II In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning intrekken, wijzigen of schorsen indien: a. de vergunninghouder en/of leidinggevenden de bepalingen in deze afdeling overtreden; b.
aannemelijk is dat de vergunninghouder en/of leidinggevenden betrokken zijn, of hun ernstige nalatigheid kan worden verweten, bij activiteiten in of vanuit de inrichting die een gevaar opleveren voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting; c. de vergunninghouder en/of leidinggevenden toestaan of gedogen dat in de openbare inrichting strafbare feiten worden gepleegd; d. de vergunninghouder en/of leidinggevenden zich schuldig maken aan discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of welke grond dan ook; e. zich in of vanuit de inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen dat het (ongewijzigd) geopend blijven van de openbare inrichting gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting. Algemene Plaatselijke Verordening
14
f.
een vergunninghouder in een periode van twee jaar ten minste driemaal op grond van artikel 2:28c, eerste lid van deze verordening om bijschrijving van een persoon op het aanhangsel bij de vergunning heeft verzocht en de burgemeester die wijziging van het aanhangsel ten minste driemaal heeft geweigerd op grond van artikel 2:28c, vierde lid van deze verordening.
Artikel 2:29 Sluitingstijd II 1. Openbare inrichtingen zijn dagelijks gesloten tussen 01:00 en 06:00 (sluitingstijd). 2. Het in het eerste lid van deze verordening bepaalde is niet van toepassing tijdens de nacht van 31 december op 1 januari, onder de voorwaarde dat iedere vergunninghouder van een openbare inrichting dient te zorgen dat geen verstoring plaatsvindt van de openbare orde en veiligheid in relatie tot het woon- en leefklimaat. 3. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven gedurende de sluitingstijd 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. 5. De burgemeester kan nadere regels stellen ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid en daarbij bepalen dat andere sluitingstijden gelden. 6. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid onder a., gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. 7. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing op situaties waarin is voorzien bij of krachtens de Omgevingswet. 8. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting II 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:31 Verboden gedragingen II Het is verboden in een openbare inrichting: a. de orde te verstoren; b. zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid; c. op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van de zitplaatsen die aanwezig zijn op het terras; d. minderjarigen toe te laten tot activiteiten met een erotisch karakter. Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan II Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Afdeling 9 [gereserveerd]
Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Algemene Plaatselijke Verordening
15
Afdeling 10
Toezicht op speelgelegenheden
Artikel 2:38 Definities 1. In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2. In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben dezelfde betekenis als in die wet. Artikel 2:39 Speelgelegenheden II 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. 2. Voor het verkrijgen van een vergunning moeten leidinggevenden aan de volgende eisen voldoen: a. zij mogen niet onder curatele staan dan wel uit de ouderlijke macht of voogdijontzet zijn; b. zij mogen niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; c. zij moeten de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt. 3. De burgemeester weigert de vergunning: a. indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b. indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met het omgevingsplan. 4. Het verbod is niet van toepassing op: a.
speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is verleend; b. speelgelegenheden waarvoor de raad van bestuur van de kansspelautoriteit bevoegd is vergunning te verlenen; en c. speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als in artikel 1, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. 5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:40 Kansspelautomaten 1. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten toegestaan. 2. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan.
Afdeling 11
Maatregelen tegen overlast en baldadigheid
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal II 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet een gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel 2:42 Plakken en kladden I 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak Algemene Plaatselijke Verordening
16
2.
3. 4. 5. 6. 7.
dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: a. een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b. met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht deze aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen II 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Artikel 2:45 Bescherming van groenvoorzieningen II 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of berm of glooiing of wandelpaden of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan. En hierdoor schade toe te brengen. 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op en schade toe te brengen aan bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden. Een tijdelijke betreding hiervan is alleen toegestaan om afval en de uitwerpselen van een hond te verwijderen. 3. 4.
5.
Het college kan van het verbod, gesteld in het hierboven genoemde lid 1 en 2, ontheffing verlenen. De verboden genoemd onder lid 1 en 2 zijn niet van toepassing: a. op de weg; b. op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; en c. op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. d. Op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regel zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen I 1. Het is verboden op een openbare plaats: a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd Algemene Plaatselijke Verordening
17
straatmeubilair; zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. b.
2.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik II 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Op het gehele openbare grondgebied van de gemeente Woudenberg is het verboden op de weg of publiek terrein alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 3. Het verbod is niet van toepassing op: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; en b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen II 1. Het is verboden zonder redelijk doel: a. zich in een portiek of poort op te houden; b. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten II Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 2:57 Loslopende honden I 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; b. binnen de bebouwingscontour op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd; c. buiten de bebouwingscontour op natuurterreinen en op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd; d. op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3.
Het eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. 4. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van loslopende honden. Artikel 2:58 Verontreiniging door honden I 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft binnen de bebouwingscontour, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. Algemene Plaatselijke Verordening
18
2. De eigenaar of houder van een hond is verplicht bij het uitlaten van die hond binnen de bebouwingscontour een deugdelijk hulpmiddel bestemd voor het verwijderen van de uitwerpselen bij zich te dragen en dit op eerste vordering te tonen aan de ambtenaar die belast is met de zorg voor de naleving van de bepalingen van deze verordening. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 5. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de verontreiniging door honden. Artikel 2:59 Gevaarlijke honden I 1. Als de burgmeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. 4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:60 Gevaarlijke honden op eigen terrein 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid of heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht. 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: • op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; • het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en • het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Afdeling 12
Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66 Definities In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister II 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen: • het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; Algemene Plaatselijke Verordening
19
de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; • de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed. • de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. •
2. 3.
•
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht II De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a. de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk kennis te geven: (1) dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; (2) van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen; (3) dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; (4) dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste zeven dagen in bewaring te houden
Afdeling 13
Vuurwerk
Artikel 2:71 Definitie In deze afdeling wordt verstaan onder: - consumentenvuurwerk: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. - bus: een deugdelijke bus, container, opslagvat of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp. - carbidschieten: het in een bus -op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen. Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen II 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college. 2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling II 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3.
De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht. Algemene Plaatselijke Verordening
20
Artikel 2:73A Verbod carbidschieten II 1. Het is verboden met carbid te schieten. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet indien wordt voldaan aan de volgende voorschriften: a. het carbidschieten vindt plaats op 31 december tussen 10.00 uur en 31 december 18.00 uur; b. bij het carbidschieten wordt gebruikgemaakt van bussen met een maximale inhoud van 30 liter, die niet worden afgesloten met harde voorwerpen zoals metalen, houten en andere vergelijkbare materialen (in ieder geval zijn toegestaan lederen en plastic ballen). c. het carbidschieten vindt plaats buiten de bebouwingscontour op een afstand van ten minste: (1) 50 meter van openbare paden en/of wegen; (2) 75 meter van woonbebouwing; (3) 100 meter van natuurgebieden; (4) 150 meter inrichtingen van intramurale zorg; (5) 300 meter van gebouwen of andere voorzieningen waarin dieren verblijven. d. het schootsveld bedraagt tenminste 75 meter en binnen dit schootsveld bevindt zich geen publiek of andere personen en zijn geen openbare wegen of paden gelegen; e. degene die met carbid schiet is niet onder invloed van alcohol en drugs en neemt alle redelijkerwijs mogelijke maatregelen om elk gevaar voor mens en dier te voorkomen. f. indien sprake is van carbid schieten door een persoon die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt is een toezichthouder aanwezig.
Onder toezichthouder wordt verstaan: een persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt, niet onder invloed van alcohol en drugs is, en die te allen tijde in staat is om aanwijzingen te geven ten aanzien van de handelingen van de carbidschieter en diens handelingen te allen tijde kan verhinderen. g. van het carbid schieten 5 werkdagen van tevoren schriftelijk of digitaal melding is gedaan bij het college. 3. Aan de afstandsnormen genoemd in het derde lid onder c mag worden afgeweken als de bewoner van dit gebouw of de eigenaar van de dieren zijn/haar goedkeuring heeft verleend voor een kortere afstand. 4. Het college kan ontheffing van het verbod in het eerste lid verlenen. 5. Het college kan bij nadere regels voorschriften en beperkingen verbinden aan het in lid 2 genoemde carbidschieten. 6. Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie of het Wetboek van Strafrecht.
Afdeling 14
Drugsoverlast
Afdeling 15
Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen
(Gereserveerd)
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding II De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats als deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:25, 2:45, 2:48, 2:73, 2:73A of 5:34 van de Algemene Plaatselijke Verordening groepsgewijs niet naleven. Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. 21 Algemene Plaatselijke Verordening
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen: a. door de gemeenteraad aan te wijzen plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn. Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht] een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 2. Bij overtredingen als bedoeld in het eerste lid kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste 8 weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3.
Een bevel als bedoeld in het tweede lid kan slechts worden gegeven als de overtreding, het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen 6 maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de krachtens het eerste of tweede lid gegeven bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel. Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of na te laten om verdere schending te voorkomen. Artikel 2:80 Sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen 1.
De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of de daarbij behorende erven, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten. 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt de mededeling van het sluitingsbevel tevens aangebracht op of nabij de toegang(en) van het gebouw of erf. 3. Een sluiting kan op aanvraag van belanghebbenden door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf verboden om, nadat het Algemene Plaatselijke Verordening
22
5. 6.
bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het onderwerp van de regeling van het eerste lid elders wordt voorzien in deze verordening of in artikel 13b van de Opiumwet.
2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat II 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de exploitant en iedere andere natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding geeft aan de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw of een daarbij behorend perceel, niet zijnde: (1) een seksinrichting of escortbedrijf waarvoor een vergunningplicht op grond van deze verordening geldt; (2) een horecabedrijf waarvoor een vergunningplicht op grond van de Alcoholwet of de geldende Alcoholverordening geldt; (3) een coffeeshop of (4) een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw, dan wel in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat of ernstige vrees hiertoe bestaat.