CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Onderbouwing plaatsen boerderijmolen.pdf

Gemeenteraad 29 januari 2026, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 8: Plaatsen van een boerderijmolen aan de Heuvelsesteeg 32 (adviesrecht raad)9.931 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bodemkwaliteit

5.8.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de drie basisvormen landbouw/natuur, wonen en industrie. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgden van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: - De bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen; - Functies evenwichtig toe te delen aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; - Resterende historische verontreinigingen en – aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren. Als bodemgevoelige locaties (artikel 5.89h Bkl) worden in ieder geval beschouwd: a. De locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; b. Een onmiddellijk aan een gebouw als bedoeld onder a grenzende aaneengesloten tuin of een daaraan grenzend aaneengesloten terrein; of c.

Een onmiddellijk aan een op grond van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit toegelaten woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein.

28

5.8.2 Toetsing Er wordt geen gevoelig object opgericht. Een onderzoek naar eventuele bodemverontreinigingen hoeft derhalve niet te worden uitgevoerd. 5.8.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 5.9

Verkeer en parkeren

5.9.1 Verkeer Het aantal verkeersbewegingen zal in de gewenste situatie niet toenemen. Immers betreft het energievoorziening ten behoeve van de bestaande bedrijfsvoering. 5.9.2 Parkeren Voor onderhavig plan zijn geen extra parkeerplaatsen noodzakelijk. 5.9.3 Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 5.10 Omgevingsveiligheid 5.10.1 Inleiding De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: 1. Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven 2. Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor) 3. Buisleidingen met gevaarlijke stoffen 4. Windturbines Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Het externe veiligheidsbeleid is gericht op de beperking en/of beheersing van de risico’s voor de omgeving vanwege gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Het uitgangspunt van het beleid is dat burgers voor de veiligheid van hun omgeving mogen rekenen op een minimum beschermingsniveau (plaatsgebonden risico). Daarnaast moet in relevante situaties de kans op een groot ongeluk met meerdere slachtoffers (het groepsrisico) worden afgewogen en verantwoord binnen het aandachtsgebied. Voor windturbines is enkel het plaatsgebonden risico van toepassing.

29

5.10.2 Toetsing Ten gevolge van een incident kunnen zich onderdelen verspreiden in de omgeving van de windturbine. De verspreiding in de omgeving wordt aangegeven in kansafstanden (de plaatsgebonden risicocontouren: PR) en effectafstanden (de werpafstanden). Voor de beoogde windturbine zijn daarom de PR 10-5, PR 10-6 en werpafstanden bepaald aan de hand van de ashoogte en rotordiameter, zie bijlage 7 ‘risicoberekening windturbines BW45 en BW80’. Voor een windturbine met een rotordiameter van 15,85 gelden voor een ashoogte variërend van 15 tot 30 meter de volgende contouren en werpafstanden: Ashoogte 15 m 20 m 25 m 30 m 35 m 40 m

PR 10-5 contour

PR 10-6 contour

6 6 5 5 5 5

23 28 29 31 36 41

Maximale werpafstand 58 61 65 68 71 74

Maximale werpafstand bij overtoeren 192 197 201 206 210 214

De beoogde windturbine heeft een ashoogte van 30 meter. Derhalve geldt een PR 10-6 contour van 31 meter. Binnen deze afstand zijn geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig. De maximale werpafstand bedraagt 68 meter. Ook deze afstand wordt behaald. Binnen de maximale werpafstand zijn enkel dierverblijven aanwezig. In de windturbine is een beveiliging geïnstalleerd ter voorkoming van overtoeren. De maximale werpafstand bij overtoeren zal in de praktijk derhalve niet voorkomen. Op de locatie is geen sprake van de aanwezigheid van bovengrondse propaan opslagvoorzieningen en buiten opgestelde energieopslagsystemen (EOS). Er is derhalve geen sprake van een domino-effect. Het plaatsgebonden risico vormt hierdoor geen belemmering voor het realiseren van de kleine windturbine.

Figuur 9: Maximale werpafstand vanaf windturbine.

30

5.10.3 Conclusie Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.11 Natuur 5.11.1 Wettelijk kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 5.11.2 Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen circa 6,6 kilometer ten zuidoosten van het plangebied en betreft het Binnenveld.

Verderop bevinden zich o.a. de Natura 2000-gebieden Veluwe en Rijntakken. Er dient te worden aangetoond dat het plan geen significante negatieve effecten heeft op deze Natura 2000-gebieden. In onderhavige situatie is er sprake van een bouwfase (bouw van een windturbine). De gebruiksfase blijft ongewijzigd. Er is een AERIUS-berekening uitgevoerd aangaande de bouwfase van het project (zie bijlagen 5 & 6). Uit de resultaten blijkt dat het plan geen significante negatieve effecten heeft op Natura 2000 gebieden. Het plangebied is tevens niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland of de Groene Ontwikkelingszone. 5.11.3 Soortenbescherming In verband met de Omgevingswet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving (waaronder het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving) is het noodzakelijk om voorafgaand aan ruimtelijke ingrepen en inrichting te toetsen of de geplande activiteiten geen negatieve effecten hebben op beschermde plant- en diersoorten of hun leefgebieden, waaronder Natura 2000gebieden. Ten behoeve van het plan worden geen bomen gekapt of gebouwen gesloopt. De gronden zijn daarnaast in de huidige situatie in gebruik als agrarische grond en worden met regelmaat bemest en gemaaid. Ter

31

ondersteuning is op de locatie een quick scan flora en fauna uitgevoerd door Natuurbank Overijssel, d .d. 5 februari 2024. Het rapport met de resultaten is opgenomen als bijlage 4. Uit de resultaten blijkt dat het plan op het gebied van soortenbescherming uitvoerbaar is. 5.11.4 Conclusie Uit voorgaande toetsing blijkt dat er vanuit het aspect natuur sprake is van een evenwichtige toedeling van functies. 5.12 Cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw 5.12.1 Wettelijk kader De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Onder cultureel erfgoed vallen de momenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en ander cultureel erfgoed. 5.12.2 Archeologie Begin 1992 ondertekende Nederland het Verdrag van Malta. Daarmee werd op Europees niveau besloten het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, de archeologische waarden, beter te beschermen. Het Verdrag van Malta werd op 1 september 2007 geïmplementeerd met de inwerkingtreding van de Wet op de archeologische monumentenzorg, een wijziging van de Monumentenwet 1988. Met deze wetswijziging heeft de zorg voor het archeologisch erfgoed een prominentere plaats gekregen in het proces van de ruimtelijke planvorming.

Gemeenten zijn wettelijk verplicht bij vaststelling van een omgevingsplan en bij het bestemmen de in dat plan begrepen grond rekening te houden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De drie belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta zijn het vroegtijdig betrekken van archeologische belangen in de planvorming (a), het behoud van archeologische waarden in situ (ter plaatse) (b) en de introductie van het zogenaamde 'veroorzakerprincipe' (c). Dit principe houdt in dat degene die de ingreep pleegt, financieel verantwoordelijk is voor behoudsmaatregelen of een behoorlijk onderzoek naar eventueel aanwezige archeologische waarden. Archeologische verwachting projectgebied In de gemeente kunnen volgens de gemeentelijke archeologische beleidskaart 2021 vier archeologische verwachtingszones worden onderscheiden: - Hoge archeologische verwachting - Middelhoge archeologische verwachting - Lage archeologische verwachting - Onbekende archeologische verwachting (stuifzand)

32

De waardes en zones hebben verschillende vrijstellingen van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen. Deze zijn beschreven in het archeologisch beleidsdocument van de gemeente en vertaald in de verschillende dubbelbestemmingen in het tijdelijk deel omgevingsplan De windturbine wordt geplaatst op gronden waar geen archeologische verwachting op zit. Vanuit de beleidskaart blijkt dat op de locatie een middelhoge agrarische verwachting van toepassing is. Als ondergrens geldt hier een oppervlakte van 1.000 m2. Het aspect archeologie vormt derhalve geen belemmering voor het plan. In alle gevallen blijft onverminderd van kracht dat indien bij toekomstig graafwerk archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, hiervan direct melding dient te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 & 5.11. 5.12.3 Cultuurlandschap Een cultuurlandschap is een landschap waar mensen in wonen en werken, ontspannen en genieten, maar tegelijkertijd ingevuld met waardevolle landschapselementen, een hoge biodiversiteit en een rijke cultuurhistorie. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen invloed hebben op de karakteristieken binnen een landschapstype. De kleine windturbine wordt compact bij bestaande bebouwing gerealiseerd en derhalve niet midden in het landschap te staan.

Dit maakt dat er geen aantasting optreedt van de beleving van het landschap. 5.12.4 Stedenbouw In het kader van stedenbouw dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van monumenten en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Voor monumenten geldt een formele vergunningplicht. Voor cultuurhistorisch waardevolle bebouwing kan een instructieregel opgenomen worden in het Omgevingsplan. Over het algemeen geldt dat hierbij goed moet worden gekeken naar de waarde en de mogelijkheid tot hergebruik / renovatie. In onderhavige situatie is er geen sprake van de aanwezigheid van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. 5.12.5 Conclusie Vanuit het aspect cultureel erfgoed, landschap en stedenbouw is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 5.13 Milieueffectrapportage 5.13.1 Wettelijk kader Bij een aanvraag dient ook altijd te worden getoetst aan de regels over een milieueffectrapportage. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die mer-plichtig zijn of mer-beoordelingsplichtig zijn. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het

33

Omgevingsbesluit. Of een project mer-plichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. 5.13.2 Toetsing Onderdeel J bevat de activiteiten aangaande de infrastructuur en ruimte. Onder 11 wordt de term ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ beschreven, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Voor dit onderdeel geldt geen mer-plicht. Bij aanleg, wijziging of uitbreiding is wel een mer-beoordeling nodig. De windturbine betreft een voorziening ten behoeve van het agrarisch bedrijf ter plaatse. De windturbine wordt hierdoor niet aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject. Er geldt derhalve geen mer-plicht. 5.13.3 Conclusie Het project geeft geen aanleiding tot het opstellen van een mer-rapportage en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

34

6

Uitvoerbaarheid

Dit hoofdstuk beschrijft de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van deze buitenplanse afwijking. 6.1

Economische uitvoerbaarheid

6.1.1 Financieel economische haalbaarheid In dit kader dient te worden beoordeeld of een ontwikkeling binnen een redelijke termijn uitvoerbaar is, gelet op de aard en omvang van de voorziene ontwikkeling en het gebied waar deze ontwikkeling is voorzien. Daarnaast moet worden beoordeeld of de ontwikkeling binnen die redelijke termijn financieel haalbaar is. De ontwikkeling vindt in dit geval plaats op eigen gronden met eigen financiële middelen. Door de kleine schaal van het project kan het plan na verlening van de definitieve omgevingsvergunning op korte termijn worden uitgevoerd. 6.1.2 Kostenverhaal Om de gemeentelijke kosten die gemaakt worden bij uitvoering van voorgestane ontwikkeling te verhalen, zal een overeenkomst worden gesloten met de initiatiefnemer. In deze anterieure overeenkomst wordt vastgelegd dat de realisatie van de ontwikkeling voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen oplevert. Voorts zal separaat een overeenkomst afgesloten worden inzake het verhaal van eventuele planschade. 6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Participatie De gemeente Utrechtse Heuvelrug heeft een participatiebeleid opgesteld. Bij een initiatief van een inwoner is participatie altijd gewenst, maar niet altijd verplicht. In dit geval is zijn omwonenden geïnformeerd over de plannen. Initiatiefnemer heeft de omwonenden op de hoogte gesteld van de plannen en een participatieverslag opgesteld. Dit verslag is opgenomen als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing. 6.2.2 Advies en instemming De gemeenteraad heeft een lijst opgesteld waarin de gevallen zijn aangegeven waarvoor (bindend) advies/ instemming moet worden gevraagd. In onderhavig geval wordt dit advies / instemming niet gevraagd.

35

7

Belangenafweging en conclusie

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten nader onderzocht en afgewogen. Uit de toetsing van de relevante aspecten blijkt dat er met het toestaan van het project geen negatieve effecten op de fysieke leefomgeving zijn te verwachten. Tevens is de ontwikkeling goed inpasbaar binnen het vigerende beleid. Er wordt voorzien in stikstofreductie en in de behoefte aan verduurzaming van het agrarisch bedrijf ter plaatse. Alles overwegende is de ontwikkeling gezien de evenwichtige toedeling van de situering van de kleine windturbine ten opzichte van andere fysieke aspecten binnen en in de omgeving van het projectgebied aanvaardbaar op de locatie. 7.1.1 Vaststellingsprocedure Op onderhavige aanvraag is conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Hierbij is de reguliere procedure van toepassing.

36

8

Consolidatie omgevingsplan

Voorliggend document is onderdeel van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het tijdelijk deel omgevingsplan (BOPA). Artikel 4.17 van de Omgevingswet bepaalt dat de gemeente een voortdurende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) verwerkt in het omgevingsplan. Dit gebeurt binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van de BOPA. De verplichting uit artikel 4.17 Omgevingswet geldt vanaf 1 januari 2032. Omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten die voor of op 1 januari 2027 onherroepelijk zijn geworden, moeten op 1 januari 2032 in het omgevingsplan zijn verwerkt. Voor onderhavig plan betekent dit concreet dat de plankaart in het omgevingsplan zodanig moet worden gewijzigd dat het omgevingsplan een kleine windturbine mogelijk maakt door middel van het opnemen van een aanduiding op de locatie van de kleine windturbine, in combinatie met het stellen van regels aangaande de hoogte ervan (30 meter).

37

Bijlagen 1. Bouwplan en situatietekening windturbine, VanWestreenen, d.d. 6 maart 2023 2. Akoestisch onderzoek, TecMap, d.d. 1 september 2025 3. Slagschaduwrapport windturbine, Rengineers, d.d. 27 augustus 2025 4. Quick scan flora en fauna, Natuurbank Overijssel, d.d. 5 februari 2024 5. Toelichting op AERIUSberekeningen, VanWestreenen, d.d. 22 november 2023 6. AERIUSberekening bouwfase, Van Westreenen, d.d. 22 november 2023 7. Risicoberekening windturbine, Anteagroup, d.d. 18 april 2023 8. Participatieverslag

38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/4256/documents/72119