CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

04f. Zegheweg 8a_Bijlagen toelichting_Bijlage 5 Archeologie.pdf

Raadscommissie 5 oktober 2021, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 12: Bestemmingsplan Zegheweg 8a5.173 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Woudenberg, Zegheweg 8a Gemeente Woudenberg (Ut.) Een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Verkennende Fase Definitief Steekproefrapport 2020-09/15

Woudenberg, Zegheweg 8a Gemeente Woudenberg (Ut.) Een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Verkennende Fase Definitief Steekproefrapport 2020-09/15

Woudenberg, Zegheweg 8a, Gemeente Woudenberg (Ut.). Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Verkennende Fase Een onderzoek in opdracht van Kubiek Ruimtelijke Plannen Steekproefrapport 2020-09/15 ISSN 1871-269X Status: definitief Auteur: drs. R. Exaltus (senior KNA archeoloog / senior KNA-prospector) Autorisatie: dr. J. Jelsma (senior KNA-archeoloog / senior KNA-prospector) Actorregistratienummers 92909010 en 35453178 Goedgekeurd namens de bevoegde overheid gemeente Woudenberg, dhr. G.J. van der Schans dd. 8 maart 2021. Archeologisch adviseur: L. Bruning / ODRU De Steekproef bv werkt volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1 / SIKB-BRL 4000, voor dit onderzoek protocol 4002 en 4003 Foto’s en tekeningen zijn gemaakt door De Steekproef, tenzij anders vermeld. © De Steekproef bv, maart 2021 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder bronvermelding. De Steekproef bv aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. De Steekproef bv Archeologisch Onderzoeks- en Adviesbureau, Hogeweg 3, 9801 TG Zuidhorn telefoon internet e-mail kvk

050 – 5779784 www.desteekproef.nl info@desteekproef.nl 02067214

Inhoud Samenvatting 1. Inleiding........................................................................................................................... 1 1.1 Aanleiding en doel................................................................................................. 1 1.2 Locatie................................................................................................................... 2 2. Bureauonderzoek............................................................................................................. 3 2.1 Bronnen................................................................................................................ 3 2.2 Fysische geografie..................................................................................................3 2.3 Archeologie........................................................................................................... 5 2.4 Historische geografie..............................................................................................7 2.5 Archeologisch verwachtingsmodel............................................................................9 3. Veldonderzoek................................................................................................................

10 3.1 Methoden en technieken.......................................................................................10 3.2 Resultaten veldwerk...............................................................................................11 4. Conclusies en Advies...................................................................................................... 13 Literatuur Lijst van Figuren en Tabellen Appendix I: Appendix II:

Archeologische periodes Boorbeschrijvingen

Samenvatting In opdracht van de Kubiek Ruimtelijke Plannen is door De Steekproef bv een archeologisch onderzoek uitgevoerd aan de Zegheweg 8a te Woudenberg in de gelijknamige gemeente, provincie Utrecht. De aanleiding voor het onderzoek is de geplande bouw van seniorenwoningen. Hiervoor zal een bestaande bebouwing worden gesloopt. Het voor de sloop en bouw benodigde graafwerk vormt een bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische waarden. Het doel van het onderzoek is om vast te stellen wat de kans is op dergelijke archeologische waarden in het plangebied. Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek. Voor het plangebied geldt een middelhoge verwachting voor resten van bewoning uit de steentijd. Dergelijke resten worden met name verwacht op dekzandkoppen. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn in het plangebied zeven boringen uitgevoerd met een zandguts waarvan er zes zijn nageboord met een megaboor. De boordichtheid bedraagt ruim vijftig boringen per hectare. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de bodem in het plangebied van nature slecht ontwaterd is. Hierdoor wordt de C-horizont gekenmerkt door gleyverschijnselen en lijkt oorspronkelijk in elk geval langs de oostrand van het plangebied veenvorming te zijn opgetreden. Resten hiervan zijn aangetroffen in de vorm van moerig zand.

Van nature lijkt het plangebied te slecht te zijn ontwaterd om een aantrekkelijk locatie voor bewoning te kunnen vormen. Het op alle boorpunten naboren met een megaboor en het zeven van het daarmee opgeboorde zand heeft geen relevante archeologische indicatoren opgeleverd. Selectieadvies door senior KNA archeoloog/prospector drs. R. Exaltus (KNA 4.1 VS07) In verband met het ontbreken van relevante archeologische indicatoren, alsmede in verband met de van nature slechte ontwatering die het plangebied in de steentijd ongeschikt maakte voor bewoning, geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding tot het adviseren van vervolgonderzoek. Als bij toekomstig graafwerk onverhoopt toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dan dient daarvan direct melding te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Woudenberg. Selectiebesluit gemeente Woudenberg Dit rapport is namens de gemeente Woudenberg getoetst door de ODRU, mevr. L. Bruning, op 8 maart 2021. De gemeente heeft het rapport goedgekeurd en volgt het hierboven omschreven selectieadvies op.

Administratieve gegevens van het plangebied Soort Onderzoek

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Verkennende Fase

Provincie

Utrecht

Gemeente

Woudenberg

Plaats

Woudenberg

Toponiem

Zegheweg 8a

Planologische aanleiding

bouw seniorenwoningen

Coördinaten deelgebieden

454.782/158.526

Bevoegde overheid

Gemeente Woudenberg

Opdrachtgever

Kubiek Ruimtelijke Plannen, Ruimtelijke plannen Kerkewijk 117 3904 JB Veenendaal

OM-nummer

4891091100

ISSNnr.

1871 - 269X

Uitvoerder

De Steekproef bv

Steekproef projectcode

2020-09/15

Maximale diepte onderzoek

2 m -mv

Beheer en plaats documentatie

De Steekproef bv / Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) / DANS

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding en doel (KNA 4.1 LS01) In opdracht van de Kubiek, Ruimtelijke plannen is door De Steekproef bv een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend en veldonderzoek uitgevoerd aan de Zegheweg 8a te Woudenberg in de gelijknamige gemeente, provincie Utrecht (zie Figuur 1). De aanleiding voor het onderzoek is de geplande bouw van seniorenwoningen. Hiervoor zal een bestaande bebouwing worden gesloopt. Het voor de sloop en bouw benodigde graafwerk vormt een bedreiging voor eventueel aanwezige archeologische waarden. Het doel van het onderzoek is om vast te stellen wat de kans is op de aanwezigheid van dergelijke archeologische waarden. Het onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek. Bij het bureauonderzoek is een archeologisch verwachtingsmodel van het gebied gemaakt aan de hand van beschikbare fysisch-geografische, archeologische en historisch-geografische informatie. Tijdens het verkennend veldonderzoek is dit verwachtingsmodel getoetst. Daartoe is van de bodem bepaald wat de opbouw en gaafheid zijn en is gezocht naar archeologische indicatoren.

Figuur 1.

Woudenberg, Zegheweg 8a: Topografische kaart met het plangebied binnen het rode kader. Aan twee zijden van dit overzicht staan coördinaten in RD weergegeven. De kaart is naar het noorden gericht. Bron: Topografische Dienst Kadaster, Emmen [2015].

1

1.2

Locatie (KNA 4.1 LS01, LS02) Het onderzoeksgebied bestaat grotendeels uit een bebouwd erf aan de oostrand van Woudenberg en ten oosten van de Zegheweg. Op het plangebied staan een woonhuis met schuur. Het terrein is aan de noord- en de oostrand grotendeels verhard met straatklinkers (zie Figuur 2). De overige (niet bebouwde) delen zijn in gebruik als tuin. Volgens het Kabels en Leidingen InformatieCentrum (KLIC-melding 19G233789) liggen er leidingen vanaf de Zegheweg naar de bebouwing in het plangebied.

Figuur 2.

Woudenberg, Zegheweg 8a: Foto met daarop het plangebied, gezien vanuit het westen.

2

2.

Bureauonderzoek (KNA 4.1 LS06)

2.1

Bronnen Tijdens het bureauonderzoek is de bestaande relevante kennis van het plangebied verzameld. De gebruikte bronnen voor het bureauonderzoek zijn opgenomen in de literatuurlijst. De onderzoeksmethode is afgestemd op de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) 4.1 en het archeologisch beleid van de provincie Utrecht en de gemeente Woudenberg. Aan de hand van het bureauonderzoek is een archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Voor de paragraaf over de fysische geografie zijn kaarten van de bodem, de geologie, geomorfologie en de fysische geografie geraadpleegd, evenals het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Voor de paragraaf over archeologie is onder andere de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Woudenberg (Boshoven et al. 2010) en ARCHIS 3, het archeologisch registratie- en informatiesysteem van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), geraadpleegd. In ARCHIS 3 kunnen vondstmeldingen, archeologische terreinen en eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken worden ingezien. Deze databank is toegankelijk voor organisaties die werkzaam zijn in de archeologie. Het bevat een GIS-systeem waarin de archeologische kaart en aardkundige kaarten geraadpleegd kunnen worden. Van sommige onderzoeken kunnen via ARCHIS rapporten worden ingekeken.

Voor de paragraaf over de historische geografie is onder meer gebruik gemaakt van historische kaarten en diverse websites waaronder topotijdreis.nl.

2.2

Fysische geografie (KNA 4.1 LS04) De diepere ondergrond van het plangebied bestaat uit keileem dat ongeveer 150.000 jaar geleden is ontstaan tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saale-glaciaal. Tijdens dit glaciaal zijn pleistocene fluviatiele afzettingen door Scandinavisch landijs grotendeels vermalen en herafgezet als keileem. Woudenberg ligt in de Gelderse vallei die het lage gebied vormt tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. Deze vallei is een restant van een glaciaal bekken dat in het Saalien al grotendeels is opgevuld met sediment. Tijdens een groot deel van de laatste ijstijd (het Weichselien) heerste in Nederland een poolklimaat. Door het ontbreken van begroeiing had de wind vrij spel en kon vanuit het Noordzeebekken dekzand worden afgezet. Dit dekzand behoort tot het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Het keileem- en dekzandlandschap helt sterk af in noordelijke en westelijke richting. Door de lage ligging hiervan zijn de lagere delen van het dekzandlandschap overdekt geraakt met veen en klei. Deze afzettingen zijn ongeveer vanaf 11.800 jaar geleden gevormd nadat de laatste ijstijd overging in een relatief warme periode, het Holoceen. De temperatuurstijging had tot gevolg dat de aanwezige ijskappen begonnen te smelten waardoor de zeespiegel steeg.

Als gevolg van de snel stijgende zeespiegel en de slechte ontwatering van het landschap steeg de grondwaterspiegel en ontstonden grote moerassen. Hier trad op grote schaal veenvorming op. De veengebieden zijn vanaf de middeleeuwen op steeds grotere schaal ontgonnen. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een 'vlakte van ten dele verspoelde dekzanden' (code 2M53). Ongeveer honderdvijftig meter ten zuiden van het plangebied geeft de geomorfologische kaart de aanwezigheid aan van een dekzandrug (code 3B53). Deze dekzandrug heeft op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) duidelijk een hogere ligging (Figuur 3). Het plangebied lijkt op deze kaart een kleine kop te vormen dat ten oosten van het plangebied doorloopt. Het is niet duidelijk of het plangebied op een natuurlijke kop ligt of op een gebied dat voorafgaande aan de bouw van de huidige 3

bebouwing is opgehoogd. Op de drogere delen van het dekzandlandschap zijn vaak podzolgronden ontstaan. Deze worden gekenmerkt door een uitspoelingslaag (lichtgrijze E-horizont) en een inspoelingslaag (bruine B-horizont). De B-horizont gaat vaak via een geelbruine overgangslaag (de BC-horizont) over in het niet door bodemvorming beïnvloede gele zand (de C-horizont). Op de bodemkaart worden in het plangebied 'beekeerdgronden' aangegeven (code pZg21). Deze bodems zijn gevormd in zwak lemig zand en worden gekenmerkt door een donkere humusrijke bovengrond die direct op geelgrijs dekzand ligt.

Figuur 3.

Woudenberg, Zegheweg 8a: Uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Het plangebied is rood omlijnd.

4

2.3

Archeologie (KNA 4.1 LS04) Het plangebied ligt aan de westrand van een aanmerkelijk groter gebied, “Hoevelaar”, waarvoor in 2016 door Archeodienst Gelderland een bureauonderzoek is uitgevoerd (zaaknummer 3986102100; Van der Klooster 2016). Op basis van de resultaten hiervan is een verwachtingskaart gemaakt. Op deze kaart ligt het plangebied in een zone met een middelhoge verwachting waarbinnen rekening moet worden gehouden met bewoningsresten uit de steentijd op dekzandkoppen. Op basis van de hoogtegegevens op het AHN zou het kunnen dat het plangebied op een dergelijke kop ligt dat doorloopt ten oosten van het plangebied (Figuur 3). In 2017 heeft IDDS een verkennend booronderzoek uitgevoerd op de terreindelen die ten noorden en oosten aan het voorliggende plangebied grenzen (zaaknummer 4039635100; Bouter et al. 2017). Hierbij zijn ten noorden en ten oosten van het plangebied beekeerdgronden aangetroffen en verder naar het zuiden enkeerdgronden. De enk- en beekeerdgronden zijn in een groot deel van het plangebied, met uitzondering van enkele zones in met name het zuidelijke en noordoostelijke deel, als gedeeltelijk intact te beschouwen. Door BAAC zijn vervolgens in 2018 plaatselijk proefsleuven aangelegd (zaaknummer 4632303100) en is een opgraving uitgevoerd (zaaknummer 4754233100).

Hierbij is een erf aangetroffen uit de zestiende/zeventiende eeuw en enkele greppels die mogelijk tot de Duitse Pantherstelling behoren. Ten zuiden van het plangebied ligt, eveneens direct langs de Zegheweg, zaaknummer 4656167100. Hier is aan de hand van resultaten van door de gemeente Amersfoort uitgevoerd verkennend booronderzoek vastgesteld dat de bovenste 50 à 80 centimeter van het plangebied uit een bouwvoor bestaat die in de 20ste eeuw is geroerd. Direct hieronder is dekzand aangetroffen. In één van de vijf boringen is de overgang van de B-/C-horizont aangeboord. In de andere vier boringen bestond het dekzand uit een C-horizont. Het dekzand is als archeologisch kansrijke zone aangewezen. Op circa 50 à 80 centimeter onder het maaiveld kunnen archeologische sporen bewaard zijn gebleven in het dekzand. Om deze reden is geadviseerd om hier proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Inmiddels (maart 2021) is dit uitgevoerd maar nog niet gepubliceerd. Het proefsleuvenonderzoek heeft geen archeologische vindplaats opgeleverd (informatie L. Bruning, ODRU). Ongeveer honderd meter oostelijker ligt zaaknummer 2343243100. Hier is door Econsultancy BV een booronderzoek uitgevoerd.

Uit de resultaten hiervan blijkt dat de aangetroffen bodemopbouw bestaat uit dekzandafzettingen waarin zich oorspronkelijk een veldpodzolprofiel heeft gevormd en in een latere fase afgedekt/deels vermengd is tijdens het opbrengen van een plaggendek. Deze bodemopbouw is in het zuidelijke en uiterst noordwestelijke deel van dat plangebied nog enigszins intact, in het centraal-noordelijke deel dieper verstoord. De diepe verstoringen binnen de terreindelen direct nabij en tussen de twee varkensschuren zullen het gevolg zijn van de eerdere bouwwerkzaamheden. Verstoringen die op enige afstand van de twee varkensschuren zijn waargenomen kunnen echter ook het gevolg zijn van militaire stellingen uit de (beginfase van de) Tweede Wereldoorlog. Onder het plaggendek zijn twee fragmenten middeleeuws aardewerk en een (sub)recente ijzeren kram gevonden, echter wel in het enigszins geroerde deel van het onderliggende podzolprofiel, en daardoor mogelijk niet in situ liggend. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek is door Econsultancy geadviseerd om, bij handhaving van de nieuwbouwlocatie binnen het huidig bebouwde oppervlak van de varkensschuren en het tussengelegen terrein, geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Ter plaatse worden archeologische waarden niet meer verwacht.

Pal ten noorden van het plangebied is in 2019 door De Steekproef een booronderzoek verricht (zaaknummer 4699884100). Hierbij is een van nature slecht 5

ontwaterde bodem aangetroffen die wordt gekenmerkt door gley-verschijnselen. Tevens lijkt oorspronkelijk veenvorming te hebben plaatsgevonden. De top van de C-horizont loopt in het plangebied op in oostelijke richting en daarmee richting een dekzandkop dat ten oosten van het plangebied ligt. Mogelijk betekent dit dat het plangebied voorafgaande aan de ingebruikname als bebouwd erf rond 1930, is opgehoogd door de oostelijker gelegen kop als het ware tot aan de Zegheweg door te trekken. Voor het plangebied is geen vervolgonderzoek geadviseerd.

Figuur 4.

Woudenberg, Zegheweg 8a: Uitsnede van Archis; het plangebied is roodomlijnd en wordt gevormd door zaaknummer 4891091100.

6

2.4

Historische geografie (KNA 4.1 LS03) In 1133 verkocht de bisschop van Utrecht aan de Sint Laurensabdij te Oostbroek, en aan drie particulieren circa vijfhonderd hectare moerassig land ten oosten van Henschoten, in het Westerwoud. In het centrum van dit gebied is na 1240 de dorpskern van Woudenberg ontstaan. Rond 1280 was het gebied ontsloten, opgedeeld en grotendeels in leen uitgegeven. Halverwege de veertiende eeuw kwam het gebied in handen van Gijsbert van Abcoude. Het gebied ten oosten van de lijn Zegheweg-Rumelaarseweg, waarbinnen ook het plangebied ligt, viel oorspronkelijk onder Amerongen en was al in het bezit van Gijsbert van Abcoude. Dit resulteerde al voor 1375 in een bestuurlijke samenvoeging van beide gebieden onder de schepenen van Woudenberg. Figuur 5 toont uitsneden van de topografische kaarten uit achtereenvolgens (van links naar rechts en van boven naar beneden) 1872, 1932, 1952 en 2007. Hierop is te zien dat het plangebied in 1872 nog onbebouwd was en deel uitmaakte van een door houtwallen omgeven akker. Op de kaart uit 1932 is bebouwing aanwezig ten noorden van het plangebied en vormt het plangebied zelf een deel van een tot deze bebouwing behorende boomgaard. Pas op de kaart uit 1952 wordt bebouwing aangegeven in het plangebied. Deze bebouwing komt waarschijnlijk nog overeen met de huidige bebouwing die bestaat uit een woning met een schuur.

7

Figuur 5:

Woudenberg, Zegheweg 8a. Uitsneden van topografische kaarten uit achtereenvolgens (van links naar rechts en van boven naar beneden) 1872, 1932, 1952 en 2007 (Bron: Topotijdreis).

8

2.5

Archeologisch verwachtingsmodel (KNA 4.1 LS05) Indien het plangebied op een van nature goed ontwaterde dekzandkop ligt, is de verwachting voor resten van bewoning tenminste middelhoog. In dat geval kunnen in de top van het in de ondergrond van het plangebied aanwezige dekzand, bewoningssporen uit het laat-paleolithicum, het mesolithicum en het neolithicum aanwezig zijn. Nederzettingsresten uit deze perioden hoeven niet groter te zijn dan enkele tientallen vierkante meters. Sporen uit deze perioden zullen bestaan uit opgevulde kuilen en strooiingen van bewerkt vuursteen e.d. Deze kunnen voorkomen in de top van het dekzand. Voor resten uit latere perioden (tot en met de vroege middeleeuwen) is de verwachting laag in verband met de ligging in onontgonnen gebied tot in de late middeleeuwen. Resten uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd kunnen wel aanwezig zijn omdat vanaf de late middeleeuwen de ontginning van het gebied plaatsvond. Het zal hierbij, gezien de gegevens op historische kaarten hoogstwaarschijnlijk niet gaan om resten van bewoning maar om resten van verkavelingsgrenzen e.d. De ontginning van het gebied, maar met name de bouw van de huidige bebouwing, betekent dat de bodem tenminste deels verstoord zal zijn.

Indien op het zuidelijke deel van het plangebied enkeerdgronden aanwezig zijn, kunnen onder het aanwezige akkerdek archeologische sporen goed geconserveerd zijn.

Figuur 6:

Woudenberg, Zegheweg 8a. Booronderzoek ter plaatse van boorpunt 2.

9

3.

Veldonderzoek (KNA 4.1 VS05)

3.1

Methoden en technieken (KNA 4.1 VS01) Rekening houdend met de bestaande bebouwing zijn zo gelijkmatig mogelijk over het plangebied zeven boorpunten verdeeld. Hierdoor is binnen het minder dan 0,12 hectare grote plangebied een boordichtheid ontstaan van ruim vijftig boringen per hectare. De ligging van de boorpunten is afgebeeld in Figuur 7. De boringen zijn in eerste instantie geplaatst met een zandguts. Dit is gedaan om de bodemopbouw zo nauwkeurig mogelijk te kunnen bestuderen. De boringen zijn beschreven volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (Appendix II). Vervolgens is overal waar de resultaten hier aanleiding toe gaven, nageboord met een edelmanboor met een diameter van vijftien centimeter waarbij het opgeboorde zand is gezeefd op een zeef met een maaswijdte van vier millimeter. Alle boringen zijn doorgezet tot een diepte van tenminste enkele decimeters in de schone, niet door bodemvorming beïnvloede pleistocene ondergrond. Van alle boorpunten is de NAP-hoogte bepaald aan de hand van het Actueel Hoogtebestand Nederland.

Figuur 7:

3.2

Woudenberg, Zegheweg 8a. Boorpuntenkaart. De genummerde gele cirkels geven de ligging van de boorpunten weer. Bron: Klic.

Resultaten veldwerk (KNA 4.1 VS02, VS03) Bovenin de boringen 2 en 3 ligt een dertig centimeter dik pakket bestratingszand. Bovenin de overige boringen is een pakket zand aangetroffen dat bestaat uit brokken zand van 10

uiteenlopend humusgehalte. Onder deze tuinlaag en op de boorpunten 2 en 3 onder het bestratingszand, is een pakket sterk vergraven zand aanwezig (zie Figuur 8). Dit pakket vergraven bestaat overwegend uit schoon geel zand met daarin brokken zand van uiteenlopend humusgehalte. De dikte van dit pakket loopt uiteen van twintig à dertig centimeter in de boringen 1, 4 en 5 tot 1,3 meter in boring 6. De diepe bodemverstoring is op deze locatie is waarschijnlijk het gevolg van het ingraven en ruimen van de olietank die hier in het verleden gelegen heeft (mededeling grondeigenaar).

Figuur 8:

Woudenberg, Zegheweg 8a: Foto van de sterk vergraven C-horizont zoals deze bijna overal in het plangebied is aangetroffen (in dit geval op boorpunt 2).

Boring 7 is op de rand van het plangebied met het naastgelegen weiland gezet. Hier is onder de ruim een halve meter dikke humusrijke toplaag een pakket moerig zand aangetroffen van ruim twintig centimeter dikte. Dit pakket is waarschijnlijk ontstaan tijdens de ontginning van het gebied, door de opname van veen(resten) in het zand. Hieruit valt af te leiden dat het plangebied op de rand ligt van een van nature slecht ontwaterd gebied, waarin hier veenvorming is opgetreden. Dat de bodem ook in het plangebied van nature slecht ontwaterd is, blijkt uit de aanwezigheid onderin alle boringen van een door sterke oxidatievlekken gekenmerkte C-horizont (zie Figuur 9). Deze uit lemig fijn zand bestaande Chorizont is door sterke wisselingen in de grondwaterstand een gley-horizont geworden.

Figuur 9:

Woudenberg, Zegheweg 8a: Foto van de oxidatie-vlekken waardoor de C-horizont in het plangebied wordt gekenmerkt (in dit geval op boorpunt 5).

11

Behalve op de tot grote diepte verstoorde bodem op boorpunt 7 is op alle boorpunten nageboord met een megaboor. Tijdens het zeven van het hiermee opgeboorde zand zijn geen relevante archeologische indicatoren gevonden. Het zeefresidu bestond naast een enkele grindkorrel, slechts uit moderne resten die afkomstig zijn uit het pakket vergraven zand.

Figuur 10: Woudenberg, Zegheweg 8a: De resultaten van het booronderzoek weergegeven als boorstaten.

12

4.

Conclusies en Advies (KNA 4.1 VS07) In september 2020 is door De Steekproef ter plaatse van de Zegheweg 8a in Woudenberg, gemeente Woudenberg, provincie Utrecht, een archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd. De aanleiding tot het onderzoek vormde de geplande sloop van de huidige bebouwing en vervanging daarvan door nieuwbouw. Voor het plangebied geldt een middelhoge verwachting voor resten van bewoning uit de steentijd. Dergelijke resten worden in het plangebied met name verwacht op dekzandkoppen. Om het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel te toetsen zijn in het plangebied zeven boringen uitgevoerd met een zandguts waarvan er zes zijn nageboord met een megaboor. De boordichtheid bedraagt ruim vijftig boringen per hectare. Uit de resultaten van het booronderzoek blijkt dat de bodem in het plangebied van nature slecht ontwaterd is. Hierdoor wordt de C-horizont gekenmerkt door gleyverschijnselen en lijkt oorspronkelijk in elk geval langs de oostrand van het plangebied veenvorming te zijn opgetreden. Resten hiervan zijn aangetroffen in de vorm van moerig zand. Van nature lijkt het plangebied te slecht te zijn ontwaterd om een aantrekkelijk locatie voor bewoning te kunnen vormen. Het op alle boorpunten naboren met een megaboor en het zeven van het daarmee opgeboorde zand heeft geen relevante archeologische indicatoren opgeleverd.

Selectieadvies door senior KNA archeoloog/prospector drs. R. Exaltus (KNA 4.1 VS07) In verband met het ontbreken van relevante archeologische indicatoren, alsmede in verband met de van nature slechte ontwatering die het plangebied in de steentijd ongeschikt maakte voor bewoning, geven de resultaten van het onderzoek geen aanleiding tot het adviseren van vervolgonderzoek. Als bij toekomstig graafwerk onverhoopt toch archeologische vondsten worden gedaan of archeologische grondsporen worden aangetroffen, dan dient daarvan direct melding te worden gemaakt bij de minister conform de Erfgoedwet 2015, artikel 5.10 & 5.11. Wij adviseren dit te doen bij de gemeente Woudenberg. Selectiebesluit gemeente Woudenberg Dit rapport is namens de gemeente Woudenberg getoetst door de ODRU, mevr. L. Bruning, op 8 maart 2021. De gemeente heeft het rapport goedgekeurd en volgt het hierboven omschreven selectieadvies op.

13

Literatuur Boshoven, E.H., G.H. de Boer & D. Bekius. 2010. Gemeenten Renswoude en Woudenberg; een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart. Raap-rapport 2117. Weesp: RAAP BV. Bouter, H.E., Y. van Amerongen & A.W.E. Wilbers. 2017. Inventariserend Veldonderzoek, Verkennende Fase, Hoevelaar fase 1, Woudenberg, Gemeente Woudenberg. IDDS Archeologie Rapport 1995. Noordwijk: IDDS Archeologie. Exaltus, R. 2019. Woudenberg, Zegheweg 8, Gemeente Woudenberg (Ut.). Een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Verkennende Fase. Zuidhorn: De Steekproef. Klooster, E. van der. 2016. Bureauonderzoek Masterplan Hoevelaar te Woudenberg. Archeodienst Rapport 815. Zevenaar: Archeodienst BV. Sterk, G., A.M.H.C. Koekkelkoren & A.W.E. Wilbers. 2018. Archeologisch Bureauonderzoek & Inventariserend Veldonderzoek, Verkennende Fase, Zegheweg 6, Woudenberg, Gemeente Woudenberg. IDDS Archeologie Rapport 2120. Noordwijk: IDDS Archeologie. Internet: http://www.sikb.nl/archeologie/richtlijnen/brl-4000 https://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten https://archis.cultureelerfgoed.nl/#/login https://zoeken.cultureelerfgoed.nl https://easy.dans.knaw.nl/ https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens-betaversie http://rijksmonumenten.nl/monumenten/ http://www.grebbelinie.nl/ https://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/gemeentelijke-kaarten

Lijst van Figuren en Tabellen

Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10.

Topografische kaart Foto van het plangebied, gezien vanuit het westen Uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland Uitsnede van de Archis-kaart Uitsneden van topografische kaarten uit 1872, 1932, 1952 en 2007 Foto van het booronderzoek met de guts Boorpuntenkaart Foto van de sterk vergraven C-horizont Foto van de oxidatie-vlekken waardoor de C-horizont wordt gekenmerkt De resultaten van het booronderzoek weergegeven als boorstaten

Appendix I: Archeologische periodes paleolithicum: paleolithicum vroeg: paleolithicum midden: paleolithicum laat: paleolithicum laat A: paleolithicum laat B:

ijzertijd: tot 300.000 BP 300.000 - 35.000 BP 35.000 BP - 8.800 vC 35.000 - 18.000 BP 18.000 BP - 8.800 vC

mesolithicum: mesolithicum vroeg: mesolithicum midden: mesolithicum laat:

8.800 - 7.100 vC 7.100 - 6.450 vC 6.450 - 4.900 vC

neolithicum: neolithicum vroeg: neolithicum vroeg A: neolithicum vroeg B: neolithicum midden: neolithicum midden A: neolithicum midden B: neolithicum laat: neolithicum laat A: neolithicum laat B:

5.300 - 4.200 vC 5.300 - 4.900 vC 4.900 - 4.200 vC 4.200 - 2.850 vC 4.200 - 3.400 vC 3.400 - 2.850 vC 2.850 - 2.000 vC 2.850 - 2.450 vC 2.450 - 2.000 vC

bronstijd: bronstijd vroeg: bronstijd midden: bronstijd midden A: bronstijd midden B: bronstijd laat:

2.000 - 1.800 vC 1.800 - 1.100 vC 1.800 - 1.500 vC 1.500 - 1.100 vC 1.100 - 800 vC

pleistoceen: elsterien saalien weichselien holoceen:

2,5 miljoen - 10.000 BP 475.000 - 410.000 BP 200.000 - 130.000 BP 116.000 - 10.000 BP 10.000 - heden

vC nC BP

= = =

voor Christus na Christus before present; present = 1950

ijzertijd vroeg: ijzertijd midden: ijzertijd laat:

800 - 500 vC 500 - 250 vC 250 - 12 vC

romeinse tijd: romeinse tijd vroeg: romeinse tijd vroeg A: romeinse tijd vroeg B: romeinse tijd midden: romeinse tijd midden A: romeinse tijd midden B: romeinse tijd laat: romeinse tijd laat A: romeinse tijd laat B:

12 vC - 70 nC 12 vC - 25 nC 25 - 70 nC 70 - 270 nC 70 - 150 nC 150 - 270 nC 270 - 450 nC 270 - 350 nC 350 - 450 nC

middeleeuwen: middeleeuwen vroeg: middeleeuwen vroeg A: middeleeuwen vroeg B: middeleeuwen vroeg C: middeleeuwen vroeg D: middeleeuwen laat: middeleeuwen laat A: middeleeuwen laat B:

450 - 1.050 nC 450 - 525 nC 525 - 725 nC 725 - 900 nC 900 - 1.050 nC 1.050 - 1.500 nC 1.050 - 1.250 nC 1.250 - 1.500 nC

nieuwe tijd: nieuwe tijd vroeg: nieuwe tijd midden: nieuwe tijd laat:

1.500 - 1.650 nC 1.650 - 1.850 nC 1.850 – heden

Algemeen

Steentijd (tot 2000 vC) De steentijd is opgedeeld in het paleolithicum, mesolithicum en neolithicum. Het paleolithicum (oude steentijd) wordt vooral gekenmerkt door de ijstijden. Na het laatpaleolithicum verbetert het klimaat. Vindplaatsen uit het late paleolithicum zijn vooral te herkennen aan concentraties vondstmateriaal (bewerkt en/of verbrand vuursteen, houtskool) met weinig en moeilijk te herkennen grondsporen zoals kuilen, paalgaten en houtskoolconcentraties die mogelijk wijzen op haardplaatsen. Vondsten uit het mesolithicum of midden steentijd, gekenmerkt door sporen en vondsten van rondtrekkende jagers en verzamelaars, bestaan voornamelijk uit bewerkt vuursteen, verbrande hazelnootdoppen en houtskoolfragmenten. Mesolithische grondsporen zijn vooral oppervlakte-haarden en haardkuilen. In een natte omgeving kunnen ook werktuigen van gewei of hout bewaard zijn gebleven. Voorbeelden hiervan zijn geweibijlen, bogen, visfuiken, etc. In het neolithicum (nieuwe steentijd) werden dieren gehouden en in het neolithicum werd eveneens akkerbouw bedreven. Grondsporen uit deze periode kunnen bestaan uit paalgaten van bijvoorbeeld boerderijen, resten van beschoeiingen, greppels, (afval)kuilen en haardplaatsen. Aardewerk komt in deze tijd voor, evenals bewerkt (vuur)steen en geslepen bijlen.

Metaaltijden (2000-12 vC) In de bronstijd en ijzertijd kwam bemesting en wisselbouw binnen de akkerbouw voor. Sporen uit de bronstijd en ijzertijd kunnen bestaan uit kuilen, paalgaten van boerderijplattegronden, bijgebouwen of spiekers, waterkuilen of -putten, erf- ofakkerafscheidingen en sporen van akkerbewerking zoals de kruiselings getrokken voren van een eergetouw. Houtskool kan duiden op de aanwezigheid van haarden voor voedselbereiding of het bakken van aardewerk. Ook kunnen er restanten gevonden worden die duiden op metaalbewerking, zoals stukken ovenwand, brons- of ijzerslakken, sintels, mallen, smeltkroezen, metaal bedoeld voor omsmelten, etc. Vondsten kunnen verder bestaan uit bijvoorbeeld metalen voorwerpen of voorwerpen van aardewerk zoals vaatwerk, maar ook slingerkogels, rammelaars, spinklosjes en weefgewichten. Romeinse tijd (12 vC-450 nC) In de romeinse tijd vormde de Rijn de noordelijke grens van het romeinse rijk. Langs deze grens, de limes, werden grensposten, nederzettingen en wegen gebouwd. In het noorden van Nederland zijn ook romeinse vondsten gedaan, maar dit zijn voornamelijk losse vondsten als romeinse munten, mantelspelden en scherven romeins aardewerk. Middeleeuwen en nieuwe tijd (450 nC-heden) Na een afname in de bevolkingsdichtheid aan het einde van de romeinse tijd en de periode erna, steeg deze weer in het begin van de middeleeuwen.

Vondsten uit de middeleeuwen en later bestaan voornamelijk uit scherven aardewerk, waaronder importaardewerk, munten en metalen voorwerpen (zoals mantelspelden, spijkers), resten van aardewerkproductie, metaalbewerking, wolbewerking etc. Belangrijke gebouwen (bijvoorbeeld kerken en borgen) werden van baksteen / kloostermoppen gebouwd.

Appendix II Boorbeschrijvingen Boorbeschrijving volgens ASB 5.2 Boor Coördinaten LDO Lithologie Nr GD B B K V 1

2

3

4

5

6

7

158.505 454.766 158.523 454.760 158.541 454.750 158.493 454.755 158.513 454.751 158.527 454.745 158.548 454.739

30 53 100 30 71 100 32 68 100 28 52 100 27 53 100 17 153 100 54 77 100

Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z Z

BZ

BS B H 2 1 1 1 1 1 1 2 1 1 2 1 1 2 1 1 2 3 1

Kleur HK TK BR GE GR GE GE GR GE GE GR BR GE GR BR GE GR BR GE GR BR BR GR

LI

Overige kenmerken VLK CO PLH VS S S T GR BR OR

LI

BR OR

Bhac BHC

BR OR GR BR OR GR BR OR GR BR

Bhac BHC

IK

GR

LI GR LI GR LI GR

Bhac BHC

Bhac BHC Bhac BHC Bhac BHC

LI GR ZW

AIS BHN

GR OR

TL VRG OPG VRG OPG VRG TL VRG TL VRG TL VRG TL VRG

2 LI

BI

BHC

GI

DEZ DEZ DEZ DEZ DEZ DEZ DEZ DEZ DEZ DEZ DEZ DEZ DEZ DEZ

Betekenis van de afkortingen: LDO – Onderzijde boortraject Lithologie: GD – Onverharde sedimenten: G = grind, K = klei, L = leem, V = veen en Z = zand Bijmengsels: BK = bijmengsel klei, BS = bijmengsel silt, BZ =bijmengsel zand, BV= bijmengsel veen, BH = bijmengsel humus. Betekenis toegevoegde cijfers: 1 = zwak, 2 = matig, 3 = sterk en 4 = uiterst. Kleur: HK = hoofdkleur, BL = blauw, BR = bruin, GE = geel, GN = groen, GR = grijs, OL = olijf, OR =oranje, PA = paars, RO = rood, RZ = roze, WI = wit, ZW = zwart. TK = Tweede kleur (kleurafkortingen als boven). IK = Intensiteit kleur: LI = licht en DO = donker VLK = Vlekken (V): 2e en 3e letter is kleurafkorting als boven, 1 = weinig, 2 = matig , 3= veel Overige kenmerken: CO = Consistentie (C ): ZSL-zeer slap, SLA-slap, MSL-matig slap, MST-matig stevig, STV-stevig PLH = plantenresten (PL0 = geen, PL1 = spoor, PL2 = weinig, PL3 = veel); VB= veenbrokken VS = veensoorten SST = Sedimentaire structuren; ZL = zandlaagjes, KL = kleilaagjes BHN = Bodemhorizont; BHC = C-horizont, Bhac = AC=horizont BI = Bodemkundige interpretaties; OPG = opgebracht, TL = tuinlaag, VRG = vergraven GI = Geologische interpretaties; DEZ = dekzand AIS = Archeologische indicatoren;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/1224/documents/32969