CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

04f. Klein Moorst 3 en 5 - Woudenberg_Toelichting_Bijlage 6 Quickscan Wet natuurbescherming.pdf

Gemeenteraad 22 september 2022, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 11: Vaststellen bestemmingsplan Klein Moorst 3-512.318 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

September 2021

Quickscan Wet natuurbescherming

Klein Moorst 3 Woudenberg

In opdracht van: Dhr Ruitenbeek Projectnummer: 2021-160

© 2021 Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, Culemborg Ecologisch Adviesbureau Viridis bv Randweg 30 4104 AC Culemborg T 0345 753 275 E info@bureau-viridis.nl W www.bureau-viridis.nl KvK 110 557 87

Btwnr

NL 820598215B01

IBAN

NL46 TRIO 0198 4486 00

Tekst: Veldonderzoek: Foto’s:

N. (Natasja) Groenink N. (Natasja) Groenink N. (Natasja) Groenink

Foto voorblad:

Schuur Klein Moorst 3

Projectnummer: Wijze van citeren:

2021-160 Groenink, N. 2021. Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 te Woudenberg. Ecologisch Adviesbureau Viridis, Culemborg, PRNR-2021-160.

In opdracht van: Contactpersoon:

Dhr. Gijs Ruitenbeek Dhr. Gijs Ruitenbeek

Datum: Ondertekening:

25-11-2021 S. (Susan) Zwerver

Paraaf: Dit rapport is vervaardigd op verzoek van de opdrachtgever zoals hierboven aangegeven en is zijn eigendom. Niets uit deze rapportage mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, druk, internet, fotokopie of andere wijze zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Ecologisch Adviesbureau Viridis bv, noch mag het zonder deze toestemming voor een ander doel gebruikt worden dan waarvoor het vervaardigd is. Ecologisch Adviesbureau Viridis is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van Ecologisch Adviesbureau Viridis. De opdrachtgever vrijwaart Ecologisch Adviesbureau Viridis voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Omdat ecologisch onderzoek een momentopname is, kan de aanwezigheid van beschermde soorten soms niet worden uitgesloten of bevestigd. Daarnaast is de natuurwetgeving aan verandering en jurisprudentie onderhevig. Ecologisch Adviesbureau Viridis is mede om die redenen lid van het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging van ecologische adviesbureaus. Hierdoor zijn wij zo goed mogelijk op de hoogte van de nieuwste ontwikkeling op het gebied van ecologie en wetgeving.

Door de inzet van conform de wet ecologisch deskundigen, waarborgen wij onze onderzoekskwaliteit. Wij zijn echter niet aansprakelijk voor de gevolgen van onverwacht verschijnende of verdwijnende flora of fauna, noch voor de gevolgen van veranderende wetgeving of jurisprudentie.

Inhoud

1.

2.

3.

4.

5.

Aanleiding ..................................................... 3

5.1. 6.

Conclusie houtopstanden ........................ 16

1.1.

Situatie ....................................................... 3

1.2.

Beschrijving van het plangebied ................ 3

6.1.

Zorgplicht................................................. 17

1.3.

Probleemstelling ........................................ 3

6.2.

Algemene broedvogels ............................ 17

1.4.

Geldigheid onderzoek ................................ 5

7.

Onderzoeksmethode ...................................... 8

Mitigatie soortbescherming .......................... 17

Conclusie en advies ...................................... 19 7.1.

Beantwoording onderzoeksvragen ......... 19

2.1.

Literatuuronderzoek .................................. 8

7.2.

Conclusie ................................................. 19

2.2.

Veldonderzoek ........................................... 8

7.3.

Kansen voor natuur ................................. 19

2.3.

Effectenanalyse .......................................... 8

Gebiedsbescherming ...................................... 9

8.

Literatuurlijst ............................................... 21 8.1.

Literatuur ................................................. 21

3.1.

Natura 2000 gebieden ............................... 9

8.2.

Websites .................................................. 22

3.2.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)............ 10

Bijlage A.

Wettelijk kader ................................. 23

Soortbescherming ........................................ 11

Wet Natuurbescherming...................................... 23

4.1.

Vaatplanten ............................................. 11

Zorgplicht ............................................................. 23

4.2.

Grondgebonden zoogdieren .................... 11

Natura 2000-gebieden ......................................... 23

4.3.

Vleermuizen ............................................. 12

Soortbescherming ................................................ 24

4.4.

Vogels....................................................... 13

Beschermde houtopstanden ................................ 26

4.5.

Vissen ....................................................... 14

Ontheffing, vergunning of vrijstelling .................. 27

4.6.

Amfibieën................................................. 15

Natuurnetwerk Nederland (NNN) ........................ 27

4.7.

Reptielen .................................................. 15

Bijlage B.

Overzicht algemene vrijstellingen ...... 31

4.8.

Ongewervelden........................................ 15

Bijlage C.

Nederlandse vleermuissoorten.......... 32

Houtopstanden ............................................ 16

Bijlage D.

Ecologisch deskundige ...................... 33

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 1

Samenvatting

Aan de Klein Moorst 3 te Woudenberg staan een tweetal gesloten schuren en open schuur welke momenteel een bedrijfsfunctie hebben. De bewoners van het perceel zijn voornemens dit terrein een woonbestemming te geven waardoor de opstallen gesloopt dienen te worden. De huidige functie van de opstallen betreft de opslag van auto’s en klein materieel, de open schuur dient als opslag voor werktuigen. Literatuur- en veldonderzoek heeft uitgewezen dat er géén verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten aanwezig zijn in de te slopen opstallen (Tabel 2). Er zijn enkele sporen van steenuil aangetroffen in de open schuur, echter zijn er geen nestlocaties aangetroffen. Het is niet aannemelijk dat de schuur een vaste rust of verblijfplaats is van een steenuil en wordt mogelijk enkel sporadisch gebruikt. De sloop van deze schuur zal geen negatieve effecten hebben op de gunstige staat van instandhouding van de steenuil. De opdrachtgever is tevens voornemens een ecologische plus toe te voegen bij de nieuwbouw in de vorm van vleermuis en steenuilenkasten. Tabel 1 | Samenvatting gebiedsbescherming met effecten en vervolgstappen Gebied

Bescherming

Afstand

Effecten?

Vervolgstappen?

Kolland en Overlangbroek

Natura 2000

12 Km

Nee

geen

Veluwe

Natura 2000

10 Km

Nee

geen

Moorsterbeek

NNN

80 m

Nee

geen

Tabel 2 | Samenvatting soortbescherming met aanwezigheid, effecten en vervolgstappen per soortgroep Soortgroep

Effecten

Vervolgstappen

Vaatplanten

Nee

Geen

Grondgebonden zoogdieren

Nee

Geen

Vleermuizen

Nee

Geen

Vogels met jaarrond beschermd nest

Nee

Geen

Algemene vogels

Mogelijk overtreding artikel 3.1

Werken buiten broedseizoen

Vissen

Nee

Geen

Amfibieën

Nee

Geen

Reptielen

Nee

Geen

Ongewervelden

Nee

Geen

Tabel 3 | Samenvatting beschermde houtopstanden met vervolgstappen Houtopstanden

Aanwezig?

Bescherming

Vervolgstappen?

Houtopstanden

Nee

APV / provinciaal

geen / kapmelding en herplantingsplicht

Tijdens werkzaamheden dient er rekening te worden gehouden met mitigerende maatregelen omtrent de algemene broedvogels. Daarnaast moet de zorgplicht in acht worden genomen en buiten het broedseizoen gewerkt te worden.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 2

1. Aanleiding

1.1.

Situatie

Dhr. Ruitenbeek is voornemens de bestemming van het betreffende perceel van bedrijfsmatig naar een woonbestemming te veranderen. Gezien de opstallen voorheen een agrarische bestemming en functie hadden, dienen de opstallen te worden gesloopt om te voorkomen dat deze in de toekomst weer dienst kunnen doen als veestallen. Dergelijke ingrepen kunnen negatieve effecten veroorzaken op ter plaatse voorkomende beschermde natuurwaarden1. Mogelijk worden daarbij verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. De Wet natuurbescherming heeft drie beschermingsregimes: • gebiedsbescherming; • soortenbescherming; • beschermde houtopstanden. In Bijlage A vindt u meer informatie over de Wet natuurbescherming en overige relevante wetgeving.

een golfplaten dak en houten gordingen. De schuur ten noordwesten van het plangebied bevat nog een open deel aan de achterzijde van de schuur welke ook een golfplaten dak heeft en houten gordingen. De oude houten open schuur ten zuiden van het plangebied heeft dezelfde structureren, golfplaten dakbedekking met houten gordingen en bakstenen zijwanden. Alle overige opstallen op het perceel (woonhuis en schuur) worden niet gesloopt en vallen ook niet onder de wijziging van het bestemmingsplan en maken geen onderdeel uit van deze rapportage. De omgeving van het plangebied is landelijk met weilanden en agrarisch gebied. Ten noorden van het plangebied zijn een aantal houtopstanden aanwezig. In Figuur 1.1 en Afbeelding 1.1 t/m 1.10 is een impressie van het plangebied en de directe omgeving te zien.

1.3. Voorafgaande aan de uitvoering van de werkzaamheden is een onderzoek uitgevoerd naar het mogelijke voorkomen van beschermde natuurwaarden middels een verkennend natuurwaardenonderzoek (Quickscan). Het doel van dit onderzoek is om te onderzoeken of er door het uitvoeren van de werkzaamheden een overtreding van de Wet natuurbescherming of andere wet- en regelgeving (NNN) is te verwachten. En zo ja, wat zijn de benodigde vervolgstappen om de werkzaamheden in overeenstemming met de vigerende wet- en regelgeving uit te voeren? In onderhavig rapport worden de kaders, uitvoering, resultaten en effectbeoordeling van deze toetsing beschreven.

1.2.

Beschrijving van het plangebied

Het plangebied bestaat uit 2 grote dichte schuren en één open schuur. De dichte schuren zijn momenteel in gebruik als opslag voor auto’s en klein materieel. De schuren zijn opgebouwd uit enkelsteens baksteen met

Probleemstelling

Om goed voorbereid te zijn op eventueel noodzakelijke maatregelen of een vergunning of ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming geeft een Quickscan Wet natuurbescherming antwoord op de volgende onderzoeksvragen: Gebiedsbescherming • Zijn negatieve effecten op Natura 2000 gebieden te verwachten en is een Voortoets noodzakelijk? • Zijn significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland te verwachten en is een ‘Nee tenzij’ toets noodzakelijk? Soortbescherming • Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? • Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden?

1

Beschermde soorten: alle onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten in de provincie Utrecht.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 3

• •

Is het mogelijk om optredende negatieve effecten op beschermde soorten te mitigeren? Zo ja, op welke wijze dient dit te geschieden? Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren?

Houtopstanden • Worden er houtopstanden geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn en is daardoor een meldings- en herplantingsplicht van toepassing? Voorliggend rapport geeft advies met betrekking tot de mogelijkheden om de geplande ruimtelijke ontwikkeling in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren. Uiteindelijk wordt daarmee de vraag beantwoord: • Wat zijn de benodigde vervolgstappen om de werkzaamheden in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren?

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 4

1.4.

Geldigheid onderzoek

Deze Quickscan is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. De bevoegde gezagen (provincies) hanteren de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal drie jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve

veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn”. Dit rapport gaat in op de effecten van de ontwikkeling zoals beschreven in paragraaf 1.1. Wijzigingen of aanpassingen in de ontwikkeling kunnen leiden tot andere conclusies ten aanzien van de effecten op beschermde soorten en gebieden.

Figuur 1.1 | Overzichtskaart Klein Moorst 3 te Woudenberg. Schuur 1 t/m 3 zullen worden gesloopt.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 5

Afbeelding 1.1 | Voorzijde van schuur 2

Afbeelding 1.2 | binnenkant schuur 2

Afbeelding 1.3 | Voorzijde schuur 1

Afbeelding 1.4 | Binnenzijde schuur 1

Afbeelding 1.5 | Overkapping naast schuur 1

Afbeelding 1.6 | Open schuur 3

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 6

Afbeelding 1.7 | Oude braakbal en veer van steenuil in schuur Afbeelding 1.8 | Open schuur 3 aan binnenzijde 3.

Afbeelding 1.9 | Omgeving naast het plangebied

Afbeelding 1.10 | Omgeving van het plangebied

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 7

2. Onderzoeksmethode

Om antwoord te kunnen geven op de onderzoeksvragen is een toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Hiermee is de ecologische waarde van het plangebied onderzocht door middel van een literatuuronderzoek en een veldinventarisatie. Op deze manier wordt het voorkomen bepaald van beschermde soorten binnen de Wet natuurbescherming en wordt gekeken of de voorgenomen ingrepen effecten hebben op beschermde natuurgebieden of beschermde houtopstanden. De gebruikte onderzoeksmethoden worden hieronder beschreven.

2.1.

literatuuronderzoek naar houtopstanden is gebruik gemaakt van bestaande digitale kaarten van de bebouwde kom voor de betreffende gemeente.

2.2.

Veldonderzoek

Bureau Viridis heeft op 20 augustus 2021 een veldbezoek uitgevoerd. Bij het veldbezoek is op basis van geografische ligging, terreingesteldheid en expert judgement beoordeeld of in en rond het plangebied beschermde natuurwaarden kunnen voorkomen of dat er voor beschermde soorten geschikt leefgebied aanwezig is.

Literatuuronderzoek

Voor het literatuuronderzoek naar beschermde gebieden, soorten en houtopstanden is o.a. gebruik gemaakt van informatiebronnen beschikbaar gesteld door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Provinciale Structuurvisie van de betreffende provincie. Daarnaast zijn verspreidingsgegevens uit het archief van Bureau Viridis, de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), verspreidingsatlassen en vrij beschikbare verspreidingsgegevens van soortenorganisaties gebruikt. De gebruikte bronnen staan vermeld in hoofdstuk 8. De resultaten van het literatuuronderzoek hebben uitgewezen welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied verwacht kunnen worden. Tijdens het veldbezoek is speciale aandacht besteed aan het mogelijke voorkomen van deze soorten. Voor

2.3.

Effectenanalyse

De uit het literatuuronderzoek en veldonderzoek verkregen gegevens van beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden zijn geanalyseerd om na te gaan of er bij de uitvoering van de werkzaamheden mogelijk verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Als blijkt dat er beschermde natuurwaarden zijn die mogelijk negatieve effecten kunnen ondervinden van de plannen is dit beschreven in onderhavige rapportage. Wanneer mogelijk worden alternatieven of mitigerende maatregelen voorgesteld om negatieve effecten te voorkomen of te verzachten. Indien de aanwezigheid van de soorten en/of de negatieve effecten nader onderzoek behoeft wordt dit aangeven in de toetsing.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 8

3. Gebiedsbescherming

De wetgeving met betrekking tot beschermde gebieden betreft Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Bescherming van Natura 2000 gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Vanuit de Provinciale Structuurvisie zijn een aantal gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) en daarmee provinciaal beschermd. Naast de gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden geldt ook een algemene zorgverplichting (artikel 1.11) voor álle gebieden, zowel beschermde als niet-beschermd. Deze verplichting beoogt het voorkomen of beperken van de schade aan in het wild levende soorten en gebieden. Bij elke project dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht, zie ook Bijlage A.

3.1.

Natura 2000 gebieden

Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Hierbij zijn er specifieke instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd per gebied. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kunnen mogelijk leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Wanneer het mogelijk is dat er effecten kunnen zijn dan dient er door middel van een Voortoets op voorhand getoetst te worden wat de effecten van een project tijdens de uitvoerfase en gebruiksfase zijn op de ter plaatse aangewezen habitattypen en -soorten. Indien het niet mogelijk is om significante negatieve effecten op voorhand uit te sluiten is er sprake van een

vergunningsplicht en moet een ‘Passende beoordeling’ uitgevoerd worden. Dit is afhankelijk van of de plannen significant negatieve invloed kunnen hebben of niet. In deze toetsing worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘de Veluwe’ en Kolland en Overlangbroek’ ligt op een afstand van ongeveer ’10 en 12 kilometer, respectievelijk. Effectbeoordeling Natura 2000 Het plangebied ligt niet binnen de grenzen van een Natura 2000 gebied. Van een directe aantasting en afname van areaal aan beschermd natuurgebied is geen sprake. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied liggen op voldoende ruime afstand dat geen negatieve invloed verwacht wordt van factoren die slechts een korte reikwijdte hebben, zoals bodemtrillingen, geluids- en lichtbelasting. De enige factor die op grotere afstand werkzaam is en op basis van zijn reikwijdte van invloed kan zijn, betreft stikstofdepositie. In de uitvoerende fase kan een tijdelijke verhoging van stikstofdepositie plaatsvinden ten gevolge van uitstoot van het bouwverkeer en machines die tijdens werkzaamheden gebruikt worden.

Echter, gelet op de kleine schaal van de werkzaamheden is het uitgesloten dat deze uitstoot enige significante bijdrage levert aan de bestaande achtergronddepositie en tijdelijk leidt tot een overschrijding van grenswaarden voor het Natura 2000-gebied. Conclusie Natura 2000 Het is niet noodzakelijk om een Voortoets in het kader van Natura 2000 uit te voeren.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 9

3.2.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het NNN vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de gebieden aangewezen voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Een ‘Nee, tenzij’-toets dient te worden uitgevoerd wanneer ruimtelijke ontwikkelingen geheel of gedeeltelijk binnen de begrenzing van het NNN plaatsvinden en negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden en/of een bestemmingsplanwijziging moet worden doorgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden als gevolg van de voorgenomen maatregelen.

Conclusie NNN Voor dit project is het uitvoeren van een ‘Nee, Tenzij’toets niet nodig omdat het plangebied buiten de begrenzing van het NNN ligt (Figuur 3.1).

Figuur 3.1 | Overzichtskaart met NNN gebieden.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 10

4. Soortbescherming

Dier- en plantensoorten zijn verdeeld in drie categorieën en worden in meer of mindere mate beschermd: • Vogelrichtlijnsoorten, hieronder vallen alle inheemse vogelsoorten (artikel 3.1); • Habitatrichtlijnsoorten (artikel 3.5); • Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10). Per wetsartikel gelden een aantal verbodsbepalingen die mogelijk overtreden worden bij de geplande ingreep. Bij ruimtelijke ingrepen houdt dit hoofdzakelijk verband met de bescherming van nesten, bescherming van verblijfplaatsen en voortplantingsbiotoop en verbod op het doden of verwonden van beschermde soorten. Op deze verbodsbepalingen gelden enkele uitzonderingen. Zo is provinciaal een vrijstellingslijst vastgesteld met daarop een aantal soorten waarvoor deze verbodsbepalingen niet gelden. Ook kan er in specifieke gevallen gewerkt worden volgens een ministerieel goedgekeurde gedragscode waarin voorschriften opgenomen zijn om de effecten te beperken. Naast de verbodsartikelen voor de soorten en gebieden geldt ook een algemene zorgverplichting (artikel 1.11) voor álle inheemse dier- en plantensoorten, inclusief de niet beschermde en vrijgestelde soorten. Deze verplichting beoogt het voorkomen of beperken van de schade aan in het wild levende soorten en gebieden. Deze zorgverplichting geldt voor alle hieronder beschreven soortgroepen en zal daarom niet nog eens per soortgroep worden beschreven.

In het volgende hoofdstuk worden algemene mitigerende maatregelen beschreven om aan de zorgplicht te voldoen. Hieronder worden de resultaten van het literatuuronderzoek en veldonderzoek per soortgroep besproken. Per soortgroep is een effectenbeoordeling opgenomen waarin helder beschreven wordt of er negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten zijn en, indien van toepassing, of er mitigerende maatregelen mogelijk zijn om deze effecten te voorkomen.

4.1.

Vaatplanten

Op basis van bekende verspreidingsgegevens van de NDFF en op basis van terreingesteldheid worden geen beschermde vaatplanten verwacht in het plangebied. Tevens zijn er tijdens het veldbezoek ook geen beschermde vaatplanten aangetroffen. Het plangebied is grotendeels bestraat. Langs het gebouw is een kleine strook met struikgewas en enkele heesters aanwezig. Beschermde vaatplanten hebben zeer specifieke habitateisen en groeien voornamelijk op voedselarme, kalkhoudende bodem. In stedelijke omgeving als deze zijn dergelijke soorten niet te verwachten. Effectbeoordeling vaatplaten Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde vaatplanten in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde vaatplanten. Een aanvullend onderzoek naar beschermde vaatplanten is daarom niet noodzakelijk. Conclusie vaatplanten Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • In het plangebied geen beschermde vaatplanten aanwezig zijn.

4.2.

Grondgebonden zoogdieren

Aanwezige literatuur wijst uit dat er alleen algemene grondgebonden zoogdieren als egel en haas in het gebied aanwezig zijn. Deze zijn in de provincie Utrecht opgenomen op een lijst van soorten waarvoor een vrijstelling van verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming geldt (Bijlage B). Tijdens het veldbezoek zijn er geen sporen of andere indicaties van de aanwezigheid van beschermde grondgebonden zoogdieren aangetroffen en worden op basis van de terreingeschiktheid ook niet verwacht. Zo heeft het gebouw bijvoorbeeld geen geschikte openingen voor een steenmarter en zijn er geen bomen in het plangebied aanwezig waar de eekhoorn in kan nestelen.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 11

Effectbeoordeling grondgebonden zoogdieren op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde grondgebonden zoogdieren (met uitzondering van enkele vrijgestelde soorten als egel of huisspitsmuis) in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde grondgebonden zoogdieren. Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Een nader onderzoek naar beschermde grondgebonden zoogdieren is niet noodzakelijk. Conclusie grondgebonden zoogdieren Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • Negatieve effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren uitgesloten zijn. • Er rekening gehouden moet worden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming).

4.3.

Vleermuizen

Op basis van het literatuuronderzoek is het bekend dat in de directe omgeving van het plangebied vleermuizen verwacht kunnen worden. Bij het gebruik van het landschap door vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in vaste verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Vaste verblijfplaatsen Vleermuizen zijn globaal te verdelen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis (Pipistrelllus pipistrellus) en boombewonende soorten zoals rosse vleermuis (Nyctalus noctula) en watervleermuis (Myotis daubentoni). Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (in spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, achter dakbeschot en in schoorstenen etc.). Andere soorten zoals de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten.

Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot en in schoorstenen. In opstallen van het plangebied zijn géén geschikte openingen aangetroffen welke kunnen dienen als verblijfplaats voor vleermuizen. De golfplaten daken zijn ongeschikt als verblijfplaats en er zijn geen open stootvoegen of boeiborden aanwezig. Tevens zijn er geen geschikte plekken achter de balken aanwezig door het golfplaten dak dat erop rust. Boombewonende vleermuissoorten In het plangebied zijn geen bomen aanwezig. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom in het plangebied niet te verwachten. Vliegroutes Om zich van verblijfplaats naar foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. De gewone dwergvleermuis gebruikt bijvoorbeeld vaak bomenrijen om zich te oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te verplaatsen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route gebruiken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een significant negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben.

Het verdwijnen van een essentiële vliegroute leidt zo tot het niet meer functioneren van een verblijfplaats. Dergelijke essentiële vliegroutes zijn strikt beschermd. Binnen het plangebied zijn geen lijnvormige structuren in de vorm van bosschages of houtopstanden aanwezig. Foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 12

de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is strikt beschermd. Het is uitgesloten dat er essentieel foerageergebied aanwezig is in het plangebied. Effectbeoordeling vleermuizen Het is zeer onwaarschijnlijk dat vleermuizen verblijfplaatsen hebben binnen het plangebied. Er zijn geen geschikte bebouwingen aanwezig welke dienst kunnen doen als verblijfplaats. Tevens zijn er geen bomen aanwezig binnen het plangebied waar boombewonende soorten hun verblijf in zouden kunnen hebben. Het is daarom uitgesloten dat de sloop van de 2 dichte schuren en de open schuur negatieve effecten heeft op aanwezig vleermuizen . Er is dan ook geen sprake van een overtreding van artikel 3.5 lid 1, 2 en 4 van de Wet natuurbescherming. Nader onderzoek naar vleermuizen is niet nodig. Aangezien er is uitgesloten dat het gebouw deel uitmaakt van een essentiële vliegroute of essentieel foerageergebied zullen geen van de mogelijke werkzaamheden een negatief effect hebben op deze functies. Conclusie vleermuizen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • Het uitgesloten is dat in het plangebied verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten aanwezig zijn. • Negatieve effecten op verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten kunnen daarom worden uitgesloten.

• Er geen essentiële vliegroutes aanwezig zijn in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. • Het plangebied geen essentieel foerageergebied is.

4.4.

Vogels

Voor vogels wordt in de Wet natuurbescherming onderscheid gemaakt tussen soorten met een jaarrond beschermde nestplaats en algemene broedvogels waarvan de nesten uitsluitend beschermd zijn gedurende de periode waarin deze in gebruik zijn (zie Tabel A in Bijlage A). In het plangebied is bekeken of er jaarrond beschermde nestplaatsen van vogels aanwezig (kunnen) zijn. Ook is gezocht naar nesten van en geschikte nestgelegenheid voor algemene broedvogels.

Jaarrond beschermde nestplaatsen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komt een aantal soorten met jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied voor. Het betreft gierzwaluw (Apus apus), huismus (Passer domesticus) en ooievaar (Ciconia ciconia). Tevens zijn er sporen van steenuil aangetroffen in de open schuur Steenuil Het onderzoek heeft aangetoond dat er sporadisch een steenuil gebruikt maakt van de open schuur binnen het plangebied. Er zijn enkele (oude) braakballen aangetroffen in de schuur, welke verspreid lagen onder de gordingen. Er zijn geen grote concentraties aangetroffen en ook geen nesten of nestmateriaal. Het is aannemelijk dat de schuur sporadisch wordt gebruikt door een steenuil maar geen onderdeel uitmaakt van het essentiële leefgebied van dit individu. Significante negatieve effecten op deze soort volgend uit de sloop van de schuur zijn daarom ook uitgesloten. Effectbeoordeling De sloop en nieuwbouw op het terrein zal geen negatieve effecten hebben op het essentiële leefgebied van de steenuil. Er zijn geen sporen aangetroffen die er op duiden dat de schuur een permanente verblijfplaats is. Tevens zijn er ook geen nesten aangetroffen en er zijn geen geschikte plekken in de schuur of op de balken waar deze gemaakt kunnen worden.

De opdrachtgever is daarnaast voornemens om sowieso een nestkast voor de steenuil op te hangen omdat hij graag wilt bijdragen aan de gunstige staat van instandhouding van deze soort. Er dient geen vervolgonderzoek te worden uitgevoerd naar steenuilen. Huismus Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (ronde) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen. Huismussen zijn zeer honkvast en blijven altijd in de directe omgeving van hun nestplaats. Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen waargenomen in het plangebied. De aanwezigheid van de huismus in het plangebied kan wel worden uitgesloten in het plangebied. De groene strook langs het gebouw

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 13

zijn niet dicht genoeg voor de huismus. Tevens is het gebouw niet geschikt als nestlocatie. Er is geen nader onderzoek naar de aanwezigheid van de huismus nodig.

Effectbeoordeling vogels De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten zijn uitgesloten. Er zullen daarom geen negatieve effecten optreden bij de sloop van de opstallen.

Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies op daken van woningen en (vaak) oude gebouwen. Meest gebruikte nestlocaties zijn op daken onder scheefliggende of kapotte dakpannen, nokpannen, gaten en kieren onder de dakrand en dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms gaten in muren, kunstmatige nestkasten of nestpannen, in ventilatieschachten en in gaten achter regenpijpen gebruikt. Een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond is één van de vereisten waar elke nestlocatie aan voldoet. Hoogte heeft altijd voorkeur boven gelijksoortige lager gelegen potentiële nestlocaties. Daarnaast is in daken een hellingshoek van 45 graden vereist om de gierzwaluw de mogelijkheid te geven om uit te vliegen. Door de golfplaten dakbedekking van de schuren en het ontbreken van geschikte kieren en gaten is het plangebied niet geschikt als broedlocatie voor de gierzwaluw. Nader onderzoek naar de aanwezigheid van gierzwaluw is niet nodig.

Wel is het mogelijk dat algemene broedvogels tot broeden komen in het gebouw. In gebruik zijnde nesten zijn beschermd onder de Wet Natuurbescherming. Wanneer er werkzaamheden worden uitgevoerd terwijl er nesten in gebruik zijn kunnen deze nesten verloren gaan. Om negatieve effecten op in gebruik zijnde nesten van algemene broedvogels te voorkomen dienen mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. De mitigerende maatregelen worden beschreven in hoofdstuk 6.

Overige vogels met jaarrond beschermde nesten Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief), in oude nesten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk), in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil). Van ooievaars is bekend dat ze op speciale nestpalen en schoorstenen nestelen, maar ook in hoge bomen broeden. Geen van deze elementen zijn het plangebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten zijn daarom niet in het plangebied te verwachten. Algemene broedvogels Het is niet uit te sluiten dat er algemene broedvogels binnen het plangebied tot broeden komen. Er is geen nader onderzoek nodig naar de aanwezigheid van nesten van algemene broedvogels.

Conclusie vogels Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: • In het plangebied of in de directe omgeving geen jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. • Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten zijn uitgesloten. • Er binnen het plangebied algemene broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten tot broeden kunnen komen, waarvan de nesten tijdens werkzaamheden in het broedseizoen vernield kunnen worden of ernstige verstoring tot hetzelfde effect leidt. • Dit is een overtreding van de verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.1, lid 2. • Mitigerende maatregelen zijn noodzakelijk, de mitigerende maatregelen worden beschreven in hoofdstuk 6.

4.5.

Vissen

In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Beschermde vissen zijn daarom in het plangebied uitgesloten. Effectbeoordeling vissen Wegens het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied is uitgesloten dat de ruimtelijke ontwikkeling negatieve effecten heeft op beschermde vissen. Een nader onderzoek naar beschermde vissen is daarom ook niet noodzakelijk. Conclusie vissen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied zijn geen beschermde vissen aanwezig.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 14

4.6.

Amfibieën

Op basis van bekende verspreidingsgegevens van de NDFF komen beschermde amfibieën in de omgeving van het plangebied voor, waaronder gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander. Deze soorten zijn beschermd onder artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming, maar deze soorten zijn door de provincie Utrecht vrijgesteld van de verboden in de Wet natuurbescherming (Bijlage D). Andere beschermde amfibieën worden op basis van bekende verspreidingsgegevens en de terreingesteldheid niet verwacht in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Beschermde amfibieën komen voornamelijk voor in veen- of heidegebieden, in schone vennen, poelen en vijvers en in uiterwaarden. Dergelijk gebied is niet in het plangebied aanwezig. Effectbeoordeling amfibieën Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde amfibieën (met uitzondering van enkele vrijgestelde soorten) in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde amfibieën. Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Een nader onderzoek naar beschermde amfibieën is niet noodzakelijk. Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgverplichting (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming).

Padden en kikkers Conclusie amfibieën Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied zijn geen beschermde amfibieën aanwezig.

4.7.

geleidelijke overgangssituaties tussen natuurlijke biotopen in bos, - heide- en veengebieden. Ringslangen komen veel voor nabij watervoerende elementen zoals oevers van grote waterpartijen en poelen. Al deze biotopen zijn in het plangebied niet aanwezig. Effectbeoordeling reptielen Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde reptielen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde reptielen. Een nader onderzoek naar beschermde reptielen is daarom ook niet noodzakelijk. Conclusie reptielen Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied zijn geen beschermde reptielen aanwezig.

4.8.

Ongewervelden

Op basis van bekende verspreidingsgegevens van de NDFF en op basis van terreingesteldheid worden geen beschermde ongewervelden verwacht in het plangebied. Beschermde ongewervelde diersoorten, zoals dagvlinders en libellen, stellen namelijk zeer specifieke eisen aan hun biotoop. In het plangebied zijn geen geschikte biotopen voor deze soorten aanwezig. Zij worden daarom ook niet verwacht. Effectbeoordeling ongewervelden Op basis van het literatuur- en veldonderzoek is niet te verwachten dat beschermde ongewervelden in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden voorkomen. Het is daarom uitgesloten dat de voorgenomen werkzaamheden negatieve effecten veroorzaken op beschermde ongewervelden. Een nader onderzoek naar beschermde ongewervelden is daarom ook niet noodzakelijk.

Reptielen

Op basis van bekende verspreidingsgegevens van de NDFF en op basis van terreingesteldheid worden geen beschermde reptielen verwacht in het plangebied. De meeste reptielensoorten houden zich vooral op in

Conclusie ongewervelden Vanuit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat: → In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 15

5. Houtopstanden

In de Wet natuurbescherming is in hoofdstuk 4 de bescherming van houtopstanden opgenomen. Voor bepaalde houtopstanden buiten de bebouwde kom Wet natuurbescherming geldt een meldings- en herplantingsplicht. Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen, op fruitbomen, op windschermen om boomgaarden, op naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen, op kweekgoed, op bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, op bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.

De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Alle provincies hebben verordeningen vastgesteld waarin is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer ontheffing van de herbeplantingsplicht kan worden verleend. Sommige provincies hebben ook beleidsregels vastgesteld waarin bijvoorbeeld is aangegeven wanneer een kapverbod wordt opgelegd. De Wet natuurbescherming beschermt geen houtopstanden binnen de bebouwde kom. Waar de grens van de “bebouwde kom Wet natuurbescherming” ligt wordt bepaald door de gemeenteraad. Dit valt vaak min of meer gelijk met de ‘bebouwde kom Verkeerswet’, maar kan afwijken. Binnen de bebouwde kom geldt meestal een kapverbod op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) of een gemeentelijke bomenverordening. Daarnaast kunnen gemeenten ook regels stellen voor bomen buiten de bebouwde kom, bijvoorbeeld in een bestemmingsplan.

5.1.

Conclusie houtopstanden

Binnen het plangebied zijn geen bomen aanwezig en derhalve geldt voor dit project geen meldings- of herplantingsplicht.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 16

6. Mitigatie soortbescherming

Onderstaand is per soort(groep) beschreven met welke mitigerende maatregelen er invulling wordt gegeven aan het voorkomen dan wel te verminderen van negatieve effecten op zowel soort- als populatieniveau.

6.1.

Zorgplicht

In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 de algemene zorgverplichting opgenomen. In dit artikel is beschreven dat eenieder verplicht is om voldoende zorg in acht te nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. De algemene zorgplicht geldt te allen tijde bij het uitvoeren van werkzaamheden, ongeacht of deze te typeren zijn als ruimtelijke ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud en ongeacht of er beschermde soorten aanwezig zijn. Dit laatste wil dus zeggen dat ook als er geen beschermde soorten voorkomen de algemene zorgverplichting toch in acht genomen dient te worden. Hiervoor dienen algemene mitigerende maatregelen uitgevoerd te worden. Deze algemene mitigerende maatregelen zijn onderstaand beschreven. • Werkzaamheden in het plangebied dienen met de minste schade voor aanwezige planten en dieren uitgevoerd te worden. • Wees alert op dieren in het plangebied. Wacht tot dieren zelfstandig het gebied hebben verlaten. • Werk vanuit het midden van het plangebied naar de rand, of werk langzaam in één werkrichting zodat verstoorde dieren de mogelijkheid hebben om het plangebied te verlaten. Draag er tevens zorg voor dat de richting waarin de dieren moeten vluchten voldoende beschutting of leefgebied biedt. • Verlichting is alleen aan wanneer dat functioneel noodzakelijk is.

De verlichting wordt voldoende afgeschermd en alleen op het werk gericht. Gebruik alleen verlichting met een naar beneden gerichte lichtbundel. • Er dient zoveel mogelijk gebruik te worden gemaakt van bestaande wegen en paden.

6.2.

Algemene broedvogels

Veel broedvogels zijn opportunisten die weinig eisen stellen aan hun omgeving. Alle vogelnesten zijn beschermd als ze in gebruik zijn. Algemene broedvogels zijn niet standvastig, ze kunnen ieder jaar op een andere plek broeden en zijn weinig kieskeurig. Soorten die tot broeden kunnen komen in of nabij het plangebied zijn o.a. koolmees, roodborst en merel. Onderstaande maatregelen en aandachtspunten moeten in acht worden genomen ten aanzien van algemene broedvogels om een overtreding van artikel 3.1, lid 2 te voorkomen. • Er kunnen in het plangebied algemene vogels tot broeden komen. Deze vogelnesten zijn uitsluitend beschermd gedurende de periode dat deze nesten in gebruik zijn, dat wil zeggen de broed- en nestperiode; • De broedperiode loopt globaal van 15 maart tot 15 juli, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd; • Het is niet mogelijk om een ontheffing te verkrijgen voor het verwijderen of verstoren van in gebruik zijnde nesten in de broed- en nestperiode.

Voor verlaten nestplaatsen geldt dit niet; • Het is in dit kader aan te bevelen om de werkzaamheden voor zover dat mogelijk is buiten de broedperiode om uit te voeren; • Indien dit niet mogelijk is, dient het plangebied voorafgaande aan het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor vogels om tot broeden te komen; • Indien het niet mogelijk is om buiten de broedperiode te werken en/of het plangebied broedvrij te houden, dient het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een ecologisch deskundige (Bijlage D) gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedende vogels; • Wanneer er geen vogels nestelen kan er begonnen worden met de ingreep. Bij aantreffen van een broedgeval in het plangebied wordt een rustzone afgezet door een ecologisch deskundige en wordt de locatie met rust gelaten tot de jongen zijn uitgevlogen. Er mogen geen werkzaamheden in de directe zone rond een nest plaatsvinden. De

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 17

omvang van deze zone wordt door de begeleidend ecoloog bepaald. Eventueel kan er met schermen gewerkt worden die visuele verstoring en/of verstoring door geluid naar een broedgeval beperken.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 18

7. Conclusie en advies

7.1.

Beantwoording onderzoeksvragen

Om na te gaan of door de geplande ingrepen in het plangebied verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming al dan niet overtreden worden, worden de onderzoeksvragen onderstaand beantwoord. Gebiedsbescherming • Zijn negatieve effecten op Natura 2000 gebieden te verwachten en is daardoor een Voortoets noodzakelijk? Nee, het plangebied ligt op een dusdanige afstand van Natura 2000 gebieden dat er geen negatieve effecten zijn te verwachten. Het is daarom niet noodzakelijk om een Voortoets t.b.v. een habitattoets in het kader van Natura 2000 uit te voeren. •

Zijn significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) te verwachten en is daardoor een ‘Nee tenzij’ toets noodzakelijk? Nee, het plangebied ligt buiten het NNN. De werkzaamheden zullen geen negatieve invloed uitoefenen op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk. Soortbescherming • Zijn in het plangebied beschermde soorten en/of verblijfplaatsen van deze soorten aanwezig of te verwachten? Ja, binnen het plangebied is het mogelijk dat een steenuil sporadisch gebruikt maakt van de grote open schuur. Hier zijn enkele braakballen aangetroffen. Daarnaast kunnen er algemene broedvogels een nest in of net rond het plangebied maken. Tijdens het broedseizoen zijn deze nesten beschermd. •

Ondervinden aanwezige beschermde soorten negatieve effecten van de voorgenomen ruimtelijke ingreep en de benodigde werkzaamheden? Nee, de aangetroffen sporen duiden erop dat de steenuil sporadisch gebruikt maakt van de schuur en dit geen onderdeel uitmaakt van zijn essentiële leefgebied. Tevens wordt er bij voorbaat een ecologische plus aangeboden in de vorm van kasten.

Wanneer de werkzaamheden plaatsvinden tijdens het broedseizoen kunnen algemene broedvogels en in gebruik zijnde nesten verstoord en/of vernietigd worden door de geplande werkzaamheden Het is wel mogelijk om de aanwezigheid van nesten van algemene broedvogels te mitigeren. Deze maatregelen zijn beschreven in hoofdstuk 6 van dit rapport. •

Is het noodzakelijk aanvullend onderzoek uit te voeren? Nee, het is niet noodzakelijk om aanvullend(e) onderzoek(en) uit te voeren. De sloop van de panden leidt niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming. Houtopstanden • Worden er houtopstanden geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn en is daardoor een meldings- en herplantingsplicht van toepassing? Nee, tijdens de sloop van het gebouw en het bouwrijp maken van de grond zullen er geen houtopstanden worden geveld. Er is hierdoor geen meldings- en herplantingsplicht van toepassing.

7.2.

Conclusie

Uiteindelijk is hiermee de uiteindelijke vraag beantwoord: • Wat zijn de benodigde vervolgstappen om de werkzaamheden in overeenstemming met de Wet natuurbescherming uit te voeren? De voorgenomen sloop en realisatie van nieuwbouw hebben geen negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Met inachtneming van de in hoofdstuk 6 beschreven mitigerende maatregelen, zijn negatieve effecten van de voorgenomen sloop op beschermde soorten niet uitgesloten.

7.3.

Kansen voor natuur

Er liggen kansen om de nieuwe woningbouw geschikt te maken voor vleermuizen en broedvogels door natuurinclusief te bouwen.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 19

Natuurinclusief bouwen klinkt misschien ingewikkeld, maar dat is het niet. Soms is wat ruimte achter het dakbeschot of onder de dakpannen al voldoende om verblijfplaatsen te creëren voor vogels en vleermuizen. Het gaat dus ook niet ten koste van het woongenot of de isolatie van het huis. Voor vleermuizen is het plaatsen van (duurzame) inbouwkasten, het openlaten van holle delen van muren (spouw) waartoe een invliegopening leidt, of het plaatsen van afwerking zoals boeiboorden waar ruimte achter openblijft. In de regel is alle bebouwing hoger dan 3 m geschikt. Voor gierzwaluwen is het plaatsen van nestkasten voldoende, omdat foerageerlocaties op grote afstand van nestplekken kunnen liggen. De nestkasten dienen op minimaal 3 meter hoogte te worden geplaatst en voldoende vrije ruimte te hebben om in- en uit te kunnen vliegen. Voor huismussen kunnen ook nestplekken worden

gerealiseerd. Daarnaast moet in de nabije omgeving wel worden gezorgd voor voldoende schuilplekken in hagen of andere dichte groene structuren, en idealiter zijn er (kleine) waterpartijen aanwezig die voor drinkwater zorgen. Meer informatie is te vinden op https://www.bouwnatuurinclusief.nl/ of https://www.checklistgroenbouwen.nl/. Voor de vleermuis kan de kast op de nieuwe woning of op de gevel van de boerderij worden geplaatst. Voor de steenuil zijn er een aantal nestkasten op de markt die vrij makkelijk te installeren zijn. Het is zaak dat de kast op minimaal 2 meter hoogte bovenop een tak in de boom te plaatsen. Meer informatie is te vinden op https://www.vivara.nl/steenuil-nestkast Deze kast kan worden geplaatst op de achtergevel van de boerderij of in het nabij gelegen bos indien mogelijk.

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 20

8. Literatuurlijst

8.1.

Literatuur

BIJ12, 2017. Kennisdocument Steenuil 1.0. Publicatienummer 2017-19. Bat Habitat key, 2018. Bat Roosts in Trees. A guide to identification and assessment for tree-care and ecology professionals. Pelagic Publishing, Exeter. Broekhuizen, S., Klees, D. en Müskens G. 2010. De steenmarter. Zoogdiervereniging. KNNV Uitgeverij, Zeist. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & Eis Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Bos, F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea. – Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. – Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill, 2011. Vleermuizen Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Vertaling en bewerking PHC Lina. De Fontein/Tirion Uitgevers BV, Utrecht. Gjerde, L., 2004.

Methods in surveying advertisement calling Vespertilio murinus L., 1758, and notes on its fall distribution in Europe. Le Rhinolophe 17:127132.

Kleukers, R.M.J.C., E.J. van Nieukerken, B. Odé, L.P.M. Willemse & W.K.R.E. van Wingerden, 1997. De sprinkhanen en krekels van Nederland (Orthoptera). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Korsten, E. & Brekelmans, F., 2014, Massaal in winterslaap, Stadswerk Magazine, 07/2014, pp. 40 - 42 Limpens, H.G.J.A. 2012. Slopen restaureren renoveren nieuwbouw na-isolatie: Vleermuisvriendelijk bouwen, Zoogdiervereniging. Limpens, H. G.J.A. & J. Regelink, 2017. Cursus vleermuizen en Planologie, Zoogdiervereniging. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). - Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden. Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2021) Vleermuisprotocol maart 2021. www.netwerkgroenebureaus.nl. Netwerk Groene Bureaus, 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017). Sendor, T., 2002. Population ecology of the pipistrelle bat (Pipistrellus pipistrellus Schreber, 1774): the significance of the year-round use of hibernacula for life histories. Philipps-Universität, Marburg. SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2018. Vogelatlas van Nederland. Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen.

SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. – Nederlandse Fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 21

Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

8.2.

Websites

Verspreidingsatlas planten Via www.verspreidingsatlas.nl/planten

Šuba, J. & D. Vietniece & G. Pētersons, 2010. The particoloured bat Vespertilio murinus in Rīga (Latvia) during autumn and winter. Environmental and Experimental Biology 8:93-96

Nationale Databank Flora en Fauna Via www.ndff-ecogrid.nl/

Voortman, T., & Bakker, G., 2020. Spatial and temporal variation in maternity roost site use of common pipistrelles Pipistrellus pipistrellus (Mammalia: Chiroptera) in Rotterdam. Deinsea 19:1-16

Effecten op Natura2000 gebieden https://calculator.aerius.nl/calculator https://natura2000.nl/gebieden https://www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicator.aspx

Zagmajster, M., 2003. Display song of parti-coloured bat Vespertilio murinus Linnaeus, 1758 (Chiroptera, Mammalia) in southern Slovenia and preliminary study of its variability. Natura Sloveniae 5(1):27-41.

Natuur Netwerk Nederland Data.overheid.nl/datasets

Ecologisch Adviesbureau Viridis | Quickscan Wet natuurbescherming Vleermuizen en Uilen, Klein Moorst 3 22

Bijlage A. Wettelijk kader Wet Natuurbescherming

Natura 2000-gebieden

De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet, de Flora- en Faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming heeft als doel bescherming, herstel en ontwikkeling van natuur zonder stijging van de lasten voor bedrijven en burgers. Het bevoegd gezag is gedecentraliseerd naar de Provincies. Deze decentralisatie houdt in dat de provincies nu o.a. verantwoordelijk zijn voor het toetsen van ontheffingsaanvragen. RVO is het bevoegd gezag voor het verlenen van ontheffing of vrijstellingen voor activiteiten en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het rijk.

De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden.

Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland, waarvoor de provincies beleid maken. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden als afzonderlijke hoofdstukken opgenomen, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen.

Zorgplicht Voor alle Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten (mét en zonder beschermstatus) is de zorgplicht van kracht (artikel 1.11). De zorgplichtbepaling houdt in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt aan Natura 2000-gebieden, bijzondere natuurmonumenten en in het wild levende planten en dieren, evenals voor hun directe leefomgeving dergelijke handelingen achterwege laat, mitigerende maatregelen neemt of compenserende maatregelen neemt.

Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er mogelijk sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden. In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en/of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Deze toetsing kan bestaan uit drie onderdelen; • Voortoets; • Passende Beoordeling; • ADC-toets. Voortoets Middels een Voortoets wordt onderzocht of de ingrepen (significant) negatieve effecten kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen binnen de Natura 2000-gebieden. De Voortoets bestaat uit een beschrijving van het plan of project, de te verwachten effecten binnen en buiten het Natura 2000-gebied, en een analyse of daarbij (mogelijkerwijs) sprake is van significante effecten. In deze analyse mogen mitigerende en compenserende maatregelen niet meegenomen worden (Zie Kader 1, Mitigerende en compenserende maatregelen). Indien niet kan worden uitgesloten dat er significante gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen optreden moet een Passende Beoordeling worden opgesteld.

Indien er zeker geen significant negatief effect is te verwachten dan is er geen vergunning nodig, bij het indienen van een aanvraag

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/1698/documents/39425