04. Toelichting en regels.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Laagerfseweg 46 Gemeente Woudenberg
Algemene gegevens Omschrijving Bestemmingsplan Laagerfseweg 46 Opdrachtgever Landborg De heer G. van Ingen Holevoetplein 301 3925 AC Scherpenzeel T 033-3031060 E info@landborg.nl W www.landborg.nl Opsteller Teus' Advies Teus van Essen Ambon 10 3772 ZV Barneveld T 06-15658065 E teus@teusadvies.nl W www.teusadvies.nl Datum | status | versie 1 februari 2022 | ontwerp | 1.0 Identificatiecode NL.IMRO.0351.Laagerfseweg46-ow01
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk 3 3.1 3.2 Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 Hoofdstuk 5 5.1 Hoofdstuk 6 6.1 6.2 6.3
5 Inleiding Aanleiding Ligging en begrenzing Geldend bestemmingsplan Leeswijzer Beleidskader Omgevingsvisie Provincie Utrecht Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht Structuurvisie Woudenberg 2030 Bestaande en nieuwe situatie Bestaande situatie Nieuwe situatie Uitvoerbaarheid Milieu Archeologie, cultuurhistorie en monumenten Ecologie Kabels en leidingen Waterparagraaf Juridische planopzet Wonen Inspraak en overleg Vooroverleg Voorontwerp Ontwerp
6 6 6 6 7 8 8 8 9 11 11 13 16 16 19 20 20 20 21 21 22 22 22 22
Bijlagen bij de toelichting
23
Bijlage 1
24
Watertoets
Regels Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Hoofdstuk 2 Artikel 3 Hoofdstuk 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
28 Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Wonen Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels
29 29 32 33 33 35 35 36 38 3
Artikel 7 Hoofdstuk 4 Artikel 8 Artikel 9
Algemene wijzigingsregels Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
39 40 40 41
Bijlagen bij de regels
43
Bijlage 1
44
Afstanden geluidgevoelige objecten tot wegen
4
T oelichting
5
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aan de Laagerfseweg 46 in Woudenberg is een woning met enkele bijgebouwen aanwezig. De eigenaar heeft twee gedeeltes van de aangrenzende, agrarische gronden aangekocht. Hij wil die beide (kadastrale) kavels in gebruik gaan nemen ten behoeve van het wonen. Daarbij is de wens om de bijgebouwen te slopen en een nieuw bijgebouw te realiseren. Het beoogde nieuwe bijgebouw is echter buiten het bouwvlak geprojecteerd. Derhalve dient ook het bouwvlak uitgebreid te worden. Hiervoor is een herziening van het bestemmingsplan nodig.
1.2
Ligging en begrenzing
De Laagerfseweg 46 is gelegen in het buitengebied van Woudenberg, enkele tientallen meters ten zuiden van het bedrijventerrein dat gelegen is ten oosten van de dorpskern. Kadastraal staat het perceel bekend als gemeente Woudenberg, sectie H, nummers 308, 1661 en 1663. Het plangebied wordt alleen gevormd door de genoemde percelen.
Ligging in omgeving
1.3
Geldend bestemmingsplan
Voor het plangebied geldt het bestemmingsplan Buitengebied 2010, in combinatie met de reparatieherziening daarvan: bestemmingsplan Buitengebied 2013 (herziening). Het bestemmingsplan Buitengebied 2010 is vastgesteld door de gemeenteraad op 23 september 2010. Het bestemmingsplan Buitengebied 2013 (herziening) is vastgesteld op 27 juni 2013. Het plangebied heeft grotendeels de bestemming 'Wonen'. Hiermee zijn deze gronden in hoofdzaak bestemd voor wonen, daaronder begrepen de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten. Binnen de woonbestemming ligt een bouwvlak, waarbinnen maximaal één woning is toegestaan. Voor de woning geldt een maximale inhoudsmaat van 600 m3, en een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 10 meter. De maximale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen 6
bedraagt 80 m2. Bijgebouwen zijn uitsluitend achter de voorgevellijn van de woning toegestaan, met een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 3 en 6 meter. Verder heeft het plangebied deels de bestemming 'Agrarisch'. Hiermee zijn deze gronden in hoofdzaak bestemd voor agrarische bedrijvigheid. Binnen deze bestemming is geen bouwvlak opgenomen, waarmee ook (bedrijfs)bebouwing in principe niet toegestaan is. Voor het plangebied geldt verder nog de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2'. Hiermee zijn deze gronden mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van te verwachten archeologische waarden.
Uitsnede plankaart met het plangebied globaal in rood omkaderd Het geldende bestemmingsplan maakt het initiatief bij recht niet mogelijk. Het bestemmingsplan heeft ook geen toereikende wijzigingsbevoegdheden om te voorzien in de functiewijziging van de agrarische gronden en de uitbreiding van het bouwvlak. Derhalve is een nieuw bestemmingsplan nodig voor het planvoornemen.
1.4
Leeswijzer
Deze onderbouwing vangt in hoofdstuk 2 aan met een beschrijving van het relevante beleidskader. In het daarop volgende hoofdstuk wordt de bestaande en de nieuwe situatie in het plangebied beschreven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 de uitvoerbaarheid aangetoond. In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet toegelicht. Afsluitend zijn de resultaten van inspraak en overleg opgenomen.
7
Hoofdstuk 2 2.1
Beleidskader
Omgevingsvisie Provincie Utrecht
De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021. De Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie (PRS) is opgesteld om te zorgen voor een blijvend aantrekkelijke provincie. Via haar ruimtelijk beleid draagt de provincie bij aan een kwalitatief hoogwaardige fysieke leefomgeving, waarin het ook in de toekomst plezierig wonen, werken en recreëren is. De Omgevingsvisie is uitgewerkt aan de hand van 7 thema's en 3 regio's. De thema's zijn als volgt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Stad en land gezond. Klimaatbestendig en waterrobuust. Duurzame energie. Vitale steden en dorpen. Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar. Levend landschap, erfgoed en cultuur. Toekomstbestendige natuur en landbouw.
De drie regio's zijn U16, Amersfoort en Foodvalley. De Omgevingsvisie geeft de ruimtelijke ambities weer van de provincie Utrecht. Hierin staat welke doelstellingen de provincie van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe dit beleid uitgevoerd wordt. Deels loopt deze uitvoering via de Interim Omgevingsverordening, die tegelijk met de Omgevingsvisie is vastgesteld. Op grond van de Wro heeft de Omgevingsvisie alleen een zelfbindende werking. Het is bindend voor de provincie, niet voor andere partijen. De Interim Omgevingsverordening zorgt voor doorwerking van het beleid en is bindend voor de gemeenten.
2.2
Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht
De Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021. De omgevingsverordening bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In de omgevingsverordening staan geen regels die direct doorwerken naar de burgers. In de omgevingsverordening zijn alleen de algemene regels opgenomen, die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de provinciale belangen. De omgevingsverordening geeft soms harde ruimtelijke grenzen aan. Soms wordt volstaan met de verplichting om een ruimtelijke keuze voor een bepaald beleidsaspect goed te onderbouwen. Daarnaast bevat de omgevingsverordening ook regels die voortvloeien uit het Barro. Bij de verordening zijn verschillende kaarten opgenomen. Navolgend worden de voor het plangebied relevante bepalingen besproken. Watersysteem Op de kaart 'watersysteem' is het plangebied gelegen binnen een overstroombaar gebied. Artikel 2.10 bepaalt hierover het volgende: 1. Een bestemmingsplan dat betrek king heeft op locaties binnen Overstroombaar gebied bevat bestemmingen en regels die rekening houden met overstromingsrisico’s. Binnendijks is dit van toepassing op kwetsbare en vitale objecten en woonwijken en bedrijventerreinen. Buitendijks is dit ook van toepassing op individuele woningen en bedrijven. 2.
De motivering op een bestemmingsplan bevat een beschrijving van het door de gemeente te voeren beleid ter zake en de wijze waarop met het overstromingsrisico is omgegaan. Toetsing Het plangebied is binnendijks gelegen en het initiatief betreft de realisatie van een nieuw bijgebouw en een functiewijziging. Hierdoor hoeft geen rekening gehouden te worden met overstromingsrisico's. Cultuurhistorie en landschap Op de kaart 'cultuurhistorie en landschap' is het plangebied gelegen binnen het landschap Gelderse Vallei. Artikel 7.9 bepaalt hierover het volgende: 1. Landschap bestaat uit Landschap Eemland, Landschap Gelderse Vallei, Landschap Groene Hart, 8
Landschap Rivierengebied en Landschap Utrechtse Heuvelrug. 2. De kernkwaliteiten zijn per gebied vastgelegd in de Bijlage 15 Kernkwaliteiten Landschap bij deze verordening. 3. Een bestemmingsplan dat betrek king heeft op een gebied gelegen in Landschap bevat: a. bestemmingen en regels ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten; en b. geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. 4. De motivering van een bestemmingsplan bevat een beschrijving van de voorkomende kernkwaliteiten en de wijze waarop met de bescherming van de kernkwaliteiten is omgegaan. De kernkwaliteiten voor het landschap Gelderse Vallei zijn als volgt: 1. 2. 3. 4.
rijk gevarieerde kleinschaligheid; Stelsel van beken, griften en kanalen; Grebbelinie; overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank).
Toetsing Onderhavig plan voorziet in een kleinschalige functiewijziging en de realisatie van een nieuw, vervangend bijgebouw. Hiermee komen de kernkwaliteiten van de Gelderse Vallei niet in het geding. Het gaat, bezien op het schaalniveau van de kernkwaliteiten, niet om relevante veranderingen. Conclusie Onderhavige ontwikkeling is in overeenstemming met de Interim Omgevingsverordening.
2.3
Structuurvisie Woudenberg 2030
In de structuurvisie Woudenberg 2030 geeft het gemeentebestuur zijn visie over de ruimtelijke invulling voor het wonen, werken en recreëren in Woudenberg voor de komende jaren tot 2030. Richting 2030 zet Woudenberg in op het verbinden, combineren en vernieuwen van haar kwaliteiten. Een groot deel van deze kwaliteiten is opgehangen aan de landschappelijke en ruimtelijke (verkeers)structuur van Woudenberg, maar versterken elkaar op dit moment onvoldoende. Ze bestaan als het ware naast elkaar. Van west naar oost: recreatie rondom het Henschotermeer en de Pyramide van Austerlitz --> wonen en centrumvoorzieningen in de kern --> werken en horeca op bedrijventerrein Parallelweg en bij hotel Schimmel --> cultuurhistorie bij het Valleikanaal en de Grebbelinie en ten noorden en zuiden daarvan landbouw, natuur en landgoederen. Door het ruimtelijk verbinden en combineren van deze sectoren ontstaat een sterk raamwerk: het ruimtelijk economisch structuurbeeld voor 2030. Hierin benut Woudenberg (de mogelijkheden van) haar kwaliteiten ten volle.
Niet alleen door deze te verbinden en te combineren, maar ook door deze: Te vernieuwen: Centrum van Woudenberg tot aantrekkelijk boodschappen-, winkel- en verblijfsgebied voor bewoners en recreanten; Te transformeren te herstructureren en te herontwikkelen: verschillende bedrijventerreinen waarvan bedrijventerrein Parallelweg en de spoorzone de grootste zijn; Te versterken: woningbouw in Woudenberg Oost en op verschillende inbreidingslocaties; Te verbreden: landbouw met verschillende agrarische nevenfuncties; Te beschermen: de intrinsieke waarde van de natuur, landschap en cultuurhistorie. Indien mogelijk dan kunnen deze ook beter benutbaar en beleefbaar worden gemaakt. Woudenberg ligt in een divers en kwalitatief hoogwaardig landschap. Het groen in de bebouwde kom en het buitengebied van Woudenberg maken de gemeente een aantrekkelijke plaats met een goede woon- en leefkwaliteit. De historisch aanwezige groenstructuur is ontstaan door ontginningen in de Gelderse Vallei en wordt begrensd door de stuwwal van de Utrechtse Heuvelrug. De vallei wordt doorsneden met beken en er zijn veel historische landschapselementen aanwezig zoals houtwallen, elzensingels en historische lanen. Ook zijn in het landschap nog landschapstypen te herkennen zoals het slagen- en kampenlandschap. Hiermee vormt het landschap onmiskenbaar de onderlegger van de gemeente.
Het laat niet alleen de geschiedenis en het heden zien, maar is (zeker in het buitengebied) ook een kapstok om toekomstige ontwikkelingen van haar gebruikers aan op te hangen. Deze gebruikers zijn: de agrarische sector, de landgoederen, de intrinsieke waarden van natuur en recreatie. Al eeuwenlang zijn dit de medegebruikers van het landschap. Vroeger hoofdzakelijk de agrarische sector, maar vandaag de dag is het landschap multifunctioneel in gebruik met verschillende functies. Functies die bovendien niet langer naast elkaar staan, maar steeds meer met elkaar samenwerken en in combinatie een sterk recreatief en economisch concept zijn voor het buitengebied. Toetsing 9
De gemeentelijke structuurvisie bevat geen specifieke uitgangspunten voor de beoogde functieverandering. Wel zorgt onderhavig plan voor een afname van de bebouwing op het perceel, wat de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied ten goede komt. Conclusie Onderhavig plan is in overeenstemming c.q. niet in strijd met de structuurvisie.
10
Hoofdstuk 3 3.1
Bestaande en nieuwe situatie
Bestaande situatie
3.1.1 Omgeving Het plangebied is gelegen in het buitengebied ten zuidoosten van het dorp Woudenberg. Het landschap is te typeren als een kampenlandschap. Dit is een kleinschalig landschap met een onregelmatig, bochtig wegenpatroon, onregelmatige perceelsvormen en veel opgaande begroeiing in de vorm van bospercelen, houtsingels, laanbeplantingen en erfbeplantingen. Het grondgebruik is overwegend agrarisch. De agrarische erven staan verspreid in het landschap. Even ten noorden van het plangebied ligt het bedrijventerrein van Woudenberg.
Luchtfoto omgeving van het plangebied.
3.1.2 Plangebied De Laagerfseweg 46 is direct aan de openbare weg gelegen. Ten noordoosten van het plangebied is een bedrijventerrein aanwezig. De bebouwde kom van Woudenberg ligt circa 1 kilometer ten westen van het plangebied. In het plangebied is een woonerf aanwezig. Hierin is een woning van circa 120 m2 aanwezig. Daarnaast zijn er achter de woning nog twee bijgebouwen, die een gezamenlijke oppervlakte van circa 120 m2 hebben. Rondom de bebouwing is een verhard erf aanwezig. Voor de rest is het plangebied voornamelijk ingericht als tuin, behorende bij de woning. Ook is er een beukenhaag aanwezig rondom de perceelsgrens. Het noordelijke stuk grond binnen het plangebied is momenteel ingericht als akker, en het zuidwestelijke stuk grond als weide.
11
Luchtfoto met het plangebied globaal in rood omkaderd
Vooraanzicht vanaf de Laagerfseweg
12
Linker zijaanzicht vanaf de Laagerfseweg
Rechter zijaanzicht vanaf de Laagerfseweg
3.2
Nieuwe situatie
In het plangebied zijn momenteel twee bijgebouwen aanwezig. Deze bijgebouwen zijn dicht op de woning gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens om deze bijgebouwen te slopen en een nieuw bijgebouw te bouwen. De wens is om het nieuwe bijgebouw op een grotere afstand van de woning te situeren. De initiatiefnemer heeft reeds twee (kadastrale) kavels gekocht om zijn woonperceel uit te breiden. Het beoogde nieuwe bijgebouw wordt gesitueerd op de nieuwe, noordelijke kavel. Dit bijgebouw krijgt een oppervlakte van 80 m2. Hierdoor neemt de hoeveelheid bebouwing op het perceel af met circa 40 m2. Om te kunnen voorzien in het beoogde nieuwe bijgebouw, moet het bouwvlak uitgebreid worden. Het bouwvlak zal aan de noordwestzijde uitgebreid worden, zodat het nieuwe bijgebouw binnen het bouwvlak gesitueerd kan worden. Naast de uitbreiding van het bouwvlak krijgen ook de nieuwe kavels een woonbestemming. Hiervoor zijn wel twee voorwaarden gesteld om te komen tot een landschappelijke verbetering. Dit houdt het volgende in. De beukenhaag langs het perceel wordt gehandhaafd en doorgezet langs de nieuwe perceelsgrenzen. Dit 13
is noodzakelijk om het erf at te bakenen ten opzichte van de naastgelegen agrarische gronden. Daarnaast zal dit ervoor zorgen dat het nieuwe bijgebouw een ensemble vormt met het de woning. In de nieuwe situatie zal dan sprake blijven van één erf. Daarnaast is gestreefd naar een natuurvriendelijke erfinrichting die passend is in de Gelderse Vallei, waaronder begrepen het zo veel mogelijk verminderen van de verhardingen en een hoek met vogelvriendelijke struiken en bosjes. Hiervoor wordt een nieuwe solitaire boom (A), een nieuwe haag (B) en een bosje (C) geplant, zoals met deze letters op onderstaande inrichtingstekening is aangegeven. Kortom voorziet onderhavig plan enkel in een kleinschalige uitbreiding van de woonbestemming en het bouwvlak en een vervangend nieuw bijgebouw. Hierdoor neemt het bebouwd oppervlak tevens af. In de nieuwe situatie zal dan ook sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing.
Nieuwe situatie
14
Inrichtingstekening nieuwe situatie
15
Hoofdstuk 4 4.1
Uitvoerbaarheid
Milieu
4.1.1 Inleiding Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) moet de gemeente in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving opnemen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In deze paragraaf worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema's bodem, milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit en externe veiligheid. Ook is een paragraaf gewijd aan het al dan niet noodzakelijk zijn van een milieueffectrapportage of milieueffectbeoordeling.
4.1.2 Bodem Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar oud zijn. Uitzondering hierop zijn de plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging. Onderhavig plan voorziet enkel in een vervangend nieuw bijgebouw en een kleinschalige herbegrenzing. Het bodemgebruik blijft daarmee gelijk. Een bodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
4.1.3 Bedrijven en milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de daarvoor algemeen aanvaarde VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gebruikt. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
Dit bestemmingsplan voorziet in milieugevoelige functies: de uitbreiding van de woonbestemming. In de omgeving zijn een aantal milieubelastende functies, bedrijven aanwezig. Het gaat dan om de volgende bedrijven: 1. Laagerfseweg 31, producent van kachels, milieucategorie 2; 2. Laagerfseweg 54a, transportbedrijf met bijbehorend stallingsterrein aan de Laagerfseweg tussen 35 en 41, milieucategorie 3.1. Voor de eerste functie geldt een richtafstand van 30 meter. De kortste afstand vanaf de woning tot aan het 16
bouwvlak van dit bedrijf is circa 26 meter. Er wordt dus niet voldaan aan de richtafstand. Echter, de woning is reeds aanwezig. Onderhavig plan voorziet alleen in een nieuw bijgebouw die buiten de richtafstand te liggen komt en een kleinschalige herbegrenzing van een reeds bestaande woonbestemming. De afstand tussen het bedrijf en de woonbestemming wordt met dit plan niet verkleind. De milieuzonering van dit bedrijf vormt dus geen belemmering voor onderhavig plan. Voor de tweede functie geldt een richtafstand van 50 meter. Deze functie is op ruim 150 meter afstand vanaf de woning gelegen. Er wordt dus ruimschoots aan de richtafstand voldaan. Milieuzoneringen staan de uitvoerbaarheid van onderhavig plan niet in de weg.
4.1.4 Geluid Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de planologische medewerking aan nieuwe ontwikkelingen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Het plangebied is alleen gelegen binnen de invloedssfeer van een verkeersweg: de Laagerfseweg. Onderhavig plan voorziet echter niet in nieuwe, geluidgevoelige functies. Het betreft enkel een kleinschalige herbegrenzing en een nieuw bijgebouw. Derhalve is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet noodzakelijk.
4.1.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan. Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat: het bestemmingsplan niet leidt tot het overschrijden van de in de wet genoemde grenswaarden, of de luchtkwaliteit als gevolg van het bestemmingsplan per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft, of, bij een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of het bestemmingsplan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of de ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. In de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een nieuw bijgebouw ter vervanging van de bestaande bijgebouwen. Daarmee valt dit bestemmingsplan onder de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)'. Hierdoor is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren.
4.1.6 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (verder: Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico van zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het beleid voor externe veiligheid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer, de Wet ruimtelijke ordening en de Wabo de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt in het externe veiligheidsbeleid het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken 17
onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen die kans 10-6 (één op 1.000.000) bedraagt (verder: PR-contour). Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.
Uitsnede provinciale risicokaart met de locatie van het plangebied in rood aangeduid Zoals uit bovenstaande uitsnede van de provinciale risicokaart blijkt, ligt het plangebied niet binnen de invloedssfeer van Bevi-bedrijven en van wegen en spoorlijnen die voor het vervoer van gevaarlijke stoffen worden gebruikt. Wel lopen ten oosten en ten westen van het plangebied hogedrukaardgastransportleiding. Voor beide leidingen geldt dat het plangebied buiten de contour voor het groepsrisico (de 1%-letaliteitgrens) ligt. Voor de oostelijk gelegen leiding is deze contour aan weerszijden van de leiding hooguit 95 meter. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 300 meter. Voor de westelijk gelegen leiding is deze contour aan weerszijden van de leiding 200 meter. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 400 meter. Verder ligt ten noordwesten nog een bedrijf waar gevaarlijke stoffen opgeslagen worden. De risicocontour van deze bovengrondse tank is 25 meter. Het plangebied is ruim buiten deze afstand gelegen. Verder zijn er nog twee relevante risicobronnen aanwezig: Vervoer van gevaarlijke stoffen over de A12 BRZO bedrijf Van Appeldoorn Chemical Logistics B.V. Op beide locaties van bovengenoemde risicobronnen kunnen ongevallen plaatsvinden waarbij gevaarlijke stoffen vrijkomen die een BLEVE en een toxische wolk kunnen veroorzaken.
De effecten van een BLEVE kunnen tot op een afstand van 355 meter dodelijk zijn. Voor een toxische wolk bedraagt deze afstand 730 meter. Omdat de ontwikkeling plaatsvindt op een afstand van meer dan 200 meter van de A12 kan volstaan worden met een beknopte verantwoording van het groepsrisico. Gezien de bebouwingsdichtheid langs de weg zal het groepsrisico ver onder de oriënterende waarde liggen. Verder maakt dit plan geen ontwikkeling mogelijk die leidt tot een relevante toename van de persoonsdichtheid langs deze weg. Hierdoor worden groepsrisicoberekeningen niet noodzakelijk geacht. Op grond van het Bevb kan de verantwoording beperkt blijven indien het groepsrisico minder dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde bedraagt en/of het groepsrisico met minder dan 10% toeneemt. In het buitengebied wordt de waarde 0,1 maal de oriëntatiewaarde nergens overschreden en neemt het groepsrisico niet toe. Hierna wordt de verantwoording van het groepsrisico beperkt toegelicht waarin de volgende verantwoordingselementen worden meegenomen: Personendichtheid en de hoogte van het groepsrisico vóór en na realisatie van het plan; 18
Mogelijkheden voor zelfredzaamheid van de bevolking; Mogelijkheden voor de hulpverlening en bestrijding van een ramp. Personendichtheid en de hoogte van het groepsrisico vóór en na realisatie van het plan De A12 is gelegen op circa 2,8 kilometer vanaf het plangebied. De personendichtheid rondom het plangebied is zeer gering. Onderhavig plan zorgt er niet voor dat de personendichtheid in het plangebied toeneemt. Dit plan voorziet namelijk alleen in de vormwijziging van het bouwvlak, om te kunnen voorzien in een nieuw bijgebouw. Mogelijkheden voor zelfredzaamheid van de bevolking De bevolking in het buitengebied bestaat grotendeels uit zeer zelfredzame personen. Er zijn weinig grote groepen mensen of groepen met een grotere kwetsbaarheid in het buitengebied aanwezig. Er wordt gedacht over het creëren van mogelijkheden om de woningen ook aan de achterzijde te kunnen verlaten. De toekomstige bewoners zullen geïnformeerd over de risico's en hoe te handelen bij een toxische wolk. Mogelijkheden voor de hulpverlening en rampenbestrijding Bij een incident op de A12 of bij Van Apeldoorn dient de brandweer snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater, zowel primaire alsook secundaire of tertiaire (open water), om een incident adequaat te kunnen bestrijden.
Artikel 6.30 van het Bouwbesluit 2012 eist dat op maximaal 40 m van elke nieuw te realiseren woning bluswater onttrokken kan worden met een capaciteit van ten minste 30 m3/h. Aan deze eis wordt voldaan.
4.1.7 Milieueffectrapportage Dit bestemmingsplan maakt geen activiteit mogelijk die is opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De milieueffecten zijn onderzocht in deze paragraaf. Daaruit volgt geen aanleiding om tot een vormvrije m.e.r.--beoordeling over te gaan.
4.2
Archeologie, cultuurhistorie en monumenten
Volgens de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart is het plangebied gelegen in een gebied met een lage archeologische verwachting. Hier geldt een onderzoeksplicht voor een archeologisch onderzoek bij ontwikkelingen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld. Onderhavig plan voorziet in een nieuw bijgebouw van 80 m2. Een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. In het geldende bestemmingsplan is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' opgenomen, wat overeenkomt met een hoge verwachtingswaarde. Dit komt echter niet overeen met de archeologische verwachtingskaart. Daarom wordt in dit plan de dubbelbestemming niet overgenomen. Het plangebied is tevens veel kleiner dan 10.000 m2, waardoor deze ondergrens nooit overschreden kan worden. Hoewel voor het plangebied een lage archeologische verwachting geldt, kan nooit helemaal worden uitgesloten dat bij uitvoering van de werkzaamheden alsnog archeologische vondsten worden gedaan. Dergelijke (toevals)vondsten moeten op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, c.q. gemeente Woudenberg) worden gemeld.
19
Uitsnede archeologische beleidskaart
4.3
Ecologie
Soortenbescherming Onderhavig plan voorziet in een kleinschalige herbegrenzing van een bestaande woonbestemming en een vervangend nieuw bijgebouw. Hiervoor zullen bestaande bijgebouwen gesloopt worden. Voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden zal te zijner tijd een quickscan naar beschermde soorten in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd worden. Gebiedsbescherming Uit een handreiking van de Rijksoverheid (januari 2020) is op te maken dat de bouw van 50 woningen op een locatie op een afstand van 7000 meter van een Natura-2000 gebied, geen effect zal hebben op dat gebied. Dit plan gaat over één bestaande woning en een bijbehorende bouwwerk. Het plan ligt op meer dan 8000 meter afstand van een Natura-2000 gebied. Een Aerius-berekening is voor dit plan dan ook niet noodzakelijk. Gezien de aard van het plan en de afstand tot Natura 2000-gebieden vormen beschermde natuurgebieden geen belemmering voor de uitvoering van het plan. Het plangebied is op circa 300 meter gelegen van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland-gebied uit de provinciale omgevingsverordening. Natuurregelgeving staat de uitvoerbaarheid van het bouwplan niet in de weg.
4.4
Kabels en leidingen
In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig, waarmee specifiek rekening gehouden dit te worden bij het aanpassen van bouwmogelijkheden in het plangebied.
4.5
Waterparagraaf
Voor dit bestemmingsplan is via www.dewatertoets.nl een digitale watertoets uitgevoerd. Het resultaat van deze toets is opgenomen als Bijlage 1 bij deze toelichting. Hieruit volgt dat het initiatief geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan is door het waterschap Vallei en Veluwe een positief wateradvies gegeven ten aanzien van het onderhavige plan. In de nieuwe situatie neemt het verhard oppervlak per saldo af. Onderhavig plan voorziet alleen in een vervangend nieuw bijgebouw. Het hemelwater dat hierop valt zal worden afgevoerd richting de omliggende watergangen, wanneer mogelijk oppervlakkig via de omliggende, onverharde gronden. Negatieve effecten op de waterhuishouding zijn niet aan de orde. 20
Hoofdstuk 5
Juridische planopzet
In hoofdstuk 3 is de voorgestane invulling van het plangebied beschreven. Hoofdstuk 4 toont aan dat deze invulling uitvoerbaar is. De volgende stap is het treffen van een juridische regeling die de invulling mogelijk maakt. Dit hoofdstuk beschrijft deze regeling. Voor de regels van dit plan zijn de regels uit het geldende bestemmingsplan Buitengebied 2013 (herziening) als basis gebruikt. Die regels zijn vervolgens ontdaan van overbodige elementen, geactualiseerd op gewijzigde wetgeving en op onderdelen aangepast in verband met de beoogde situatie in het plangebied. De gegeven bestemmingen worden hierna kort besproken.
5.1
Wonen
Het bestaande woonperceel behoudt de bestemming 'Wonen'. Die bestemming wordt uitgebreid met de nieuwe (kadastrale) kavels, waar momenteel nog een agrarische bestemming voor geldt. Daarnaast wordt het bouwvlak uitgebreid om te kunnen voorzien in het nieuwe bijgebouw. Voor het overige wijzigt de planologische regeling voor de woning in het plangebied materieel niet. Binnen het bouwvlak is één woning toegestaan van 600 m3. De maximale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen bedraagt 80 m2. Verder geldt dat maximaal 50 m2 van het vloeroppervlak van de betrokken woning inclusief de bijgebouwen gebruikt mag worden ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten.
21
Hoofdstuk 6 6.1
Inspraak en overleg
Vooroverleg
Het concept van dit bestemmingsplan is toegezonden aan de provincie Utrecht in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Ook is het plan toegezonden aan de Veiligheidsregio Utrecht en de Omgevingsdienst regio Utrecht. Het concept van dit bestemmingsplan is niet toegezonden aan het Rijk. Met dit plan zijn geen nationale belangen in het geding zijn. Aangezien het plan geen negatieve gevolgen heeft voor de waterhuishouding (zie paragraaf 4.5) is het vooroverleg met het waterschap ook achterwege gebleven. De provincie heeft aangegeven geen opmerkingen op het plan te hebben. De Omgevingsdienst regio Utrecht heeft aangegeven dat toelichting aangepast dient te worden voor wat betreft archeologie. In het bestemmingsplan (toelichting) moet worden aangegeven dat sprake kan zijn van toevalsvondsten en dat bij het aantreffen hiervan de wettelijke verplichting geldt deze te melden. Dit advies is overgenomen. De veiligheidsregio heeft in haar advies aangegeven dat de A12 als risicobron beschouwd moet worden en dat daavoor het hroepsrisico beperkt verantwoord moet worden. Ook dit advies is overgenomen.
6.2
Voorontwerp
De ontwikkeling die dit plan mogelijk maakt, heeft een beperkte invloed op zijn omgeving. Andere, bebouwde percelen zijn op ruime afstand gelegen. Daarom heeft geen voorontwerp van dit plan voor inspraak ter inzage gelegen. Initiatiefnemer heeft wel de buurtbewoners geïnformeerd over het planvoornemen. Het betreft de bewoners van de Laagerfseweg 23, 25, 40, 48 en 50. Initiatiefnemer heeft in een brief het planvoornemen beschreven en het inrichtingsplan laten zien. De bewoners van de Laagerfseweg 23, 40 en 50 hebben aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het plan. De overige buurtbewoners hebben niet gereageerd. De omgevingsdialoog gaf geen aanleiding om het plan aan te passen.
6.3
Ontwerp
Het ontwerp van dit bestemmingsplan heeft van [P.M.] tot en met [P.M.] ter inzage gelegen. Toen zijn [P.M.] zienswijzen ingediend.
22
Bijlagen bij de toelichting
23
Bijlage 1 Watertoets
24
datum 28-5-2021 dossiercode 20210528-10-26618
Wateradvies voor ruimtelijke plannen met een klein waterbelang (korte procedure)
Algemeen Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn.
Beoordeling In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A- watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Op basis daarvan wordt door het waterschap voor het onderhavige plan een positief wateradvies gegeven.
Aandachtspunten Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water.
Algemene aandachtspunten
Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap.
Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.
Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hierbij verder helpen.
Tot slot Eventueel benodigde vergunningen worden niet binnen de watertoets procedure of met deze Digitale Watertoets geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Een watervergunning van het waterschap is bijvoorbeeld nodig voor het dempen en/of vergraven van watergangen, het lozen van water op oppervlaktewater en het onttrekken van grondwater. Informatie over een watervergunning kunt u vinden op de website van het waterschap (www.vallei-veluwe.nl/loket). Op www.omgevingsloket.nlkunt u een watervergunning aanvragen. Daarnaast kunt u telefonisch contact opnemen met het waterschap onder telefoonnummer 055 - 52 72 911. Wij wensen u succes met de verdere ruimtelijke planvorming en verzoeken u het voorontwerp bestemmingsplan naar ons te mailen [watertoets@vallei-veluwe.nl].
Heeft u vragen of opmerkingen over deze watertoetsapplicatie? Laat het ons per mail weten [watertoets@vallei-veluwe.nl]. Voor dringende watertoetszaken kunt u ons telefonisch bereiken op 055 - 52 72 911.
Team Watertoets, Waterschap Vallei en Vallei
Disclaimer Waterschap Vallei en Veluwe streeft ernaar om correcte en actuele informatie in deze watertoetsapplicatie aan te bieden. Aan het beschikbaar gestelde kaartinformatie kunnen geen rechten worden ontleend. Waterschap Vallei en Veluwe aanvaard geen aansprakelijkheid voor enige vorm van schade naar aanleiding van het gebruik of de informatie die via deze applicatie beschikbaar wordt gesteld.
www.dewatertoets.nl
Regels behorende bij het bestemmingsplan Laagerfseweg 46
28
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Artikel 1 Begrippen In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan
het bestemmingsplan 'Laagerfseweg 46' van de gemeente Woudenberg; 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0351.Laagerfseweg46-ow01 met de bijbehorende regels; 1.3
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5
aan- en uitbouw
een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van en ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.6
aan-huis-gebonden beroep
het door de bewoner van de woning, in diens woning, uit te oefenen dienstverlenend beroep, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.7
archeologisch deskundige
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen onafhankelijke en als zodanig geregistreerde deskundige op het gebied van archeologisch onderzoek, in het bezit van een opgravingsbevoegdheid; 1.8
archeologisch onderzoek
onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een opgravingsvergunning beschikt; 1.9
archeologische waarde
de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit oude tijden; 1.10
bebouwing
één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken; 1.11
bedrijf
een onderneming gericht op het (bedrijfsmatig) produceren, bewerken, herstellen, installeren of inzamelen van goederen, alsmede verhuur, opslag en distributie van goederen; 1.12
bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen
afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand kunnen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet; 1.13
bestaand gebruik
gebruik zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden; 1.14
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak; 29
1.15
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.16
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.17
bouwgrens
de grens van een bouwvlak; 1.18
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.19
bouwperceelsgrens
de grens van een bouwperceel; 1.20
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten; 1.21
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct steun vindt in of op de grond; 1.22
bijgebouw
een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw; 1.23
detailhandel
het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureau, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren, internetwinkels en bankfilialen; 1.24
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.25
kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten
het in een woning door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten, voor zover sprake is van een inrichting type A, zoals bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit), en voor zover de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt en voor zover deze activiteiten een ruimtelijke uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.26
landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige
een door burgemeester en wethouders aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen inzake landschaps- en / of natuurwaarden; 1.27
landschapswaarde
de aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van de aardoppervlakte, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur; 1.28
mantelzorg
langdurende zorg die wordt geboden aan ieder die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, door personen uit diens sociale omgeving, waarbij de zorgverlening de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt, op vrijwillige, niet afdwingbare basis en buiten organisatorisch verband;
30
1.29
mantelzorgwoning
een tijdelijke extra woonruimte in (een aan- of uitbouw van) een woning of bijgebouw, die qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning, bestemd voor bewoning door een mantelzorgvrager of een mantelzorgverlener en waarin zich zelfstandige voorzieningen bevinden; 1.30
mantelzorgwoning, tijdelijke unit
een tijdelijke mantelzorgwoning is een mantelzorgwoning in de vorm van een tijdelijk op een perceel aanwezige unit die hetzij geheel hetzij in delen over de weg verplaatsbaar is; 1.31
nutsvoorziening
voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie; 1.32
opslag
Opslag van goederen die naar hun aard geen regelmatige verplaatsing behoeven, zonder dat deze een bewerking ondergaan en/of zonder dat deze verhandeld worden; 1.33
overkapping
een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met maximaal één wand en voorzien van een gesloten dak, waaronder begrepen een carport; 1.34 peil a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg of de kruin van een dijk grenzen: de hoogte van die weg respectievelijk kruin van de dijk; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; 1.35
perceelgrens
deen grenslijn tussen bouwpercelen onderling; 1.36
voorgevellijn
de lijn gelegen: a. evenwijdig aan de weg en in het verlengde van de dichtst bij de weg gelegen gevel van een gebouw; b. dan wel (indien deze gevel niet evenwijdig is aan de weg): evenwijdig aan de weg door het dichtst bij de weg gelegen hoekpunt van gevels van een gebouw; 1.37
woning
een complex van ruimten krachtens aard en indeling geschikt of bestemd voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.
31
Artikel 2 Wijze van meten 2.1
afstand
de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn; 2.2
de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3
breedte, lengte en diepte van een bouwwerk
tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren. 2.4
de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.5
inhoud van een gebouw of bouwwerk
tussen het peil, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.6
de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.7
ondergeschikte bouwonderdelen
bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, stofkappen en andere onderdelen van technische installaties, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, uitbouwen, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt. 2.8
vloeroppervlakte
de gebruiksvloeroppervlakte volgens NEN 2580.
32
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels
Artikel 3 Wonen 3.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, daaronder begrepen de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten; alsmede voor: b. de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen, erven, paden, parkeervoorzieningen en groenelementen. 3.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 3.2.1 Gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. per bouwvlak mag één woning, inclusief aan- en uitbouwen, worden gebouwd; b. de inhoud van de woning inclusief aan- en uitbouwen bedraagt maximaal 600 m3; c. de goothoogte van woningen bedraagt maximaal 6 meter en de bouwhoogte maximaal 10 meter; d. in afwijking van het bepaalde onder a mogen bijgebouwen, overkappingen, erf - en terreinafscheidingen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tevens buiten het bouwvlak worden gebouwd; e. de maximale oppervlakte aan bijgebouwen en overkappingen bedraagt 80 m2 per woning; f. bijgebouwen zijn uitsluitend achter de voorgevellijn van de woning toegestaan; g. de goothoogte van bijgebouwen en overkappingen bedraagt maximaal 3 meter en de bouwhoogte maximaal 6 meter; h. de maximale hoogte van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, bedraagt 3 meter; i. de maximale hoogte van erf- of terreinafscheidingen voor de voorgevellijn van de woning bedraagt 1 meter; j. de maximale hoogte van erf- of terreinafscheidingen achter de voorgevellijn van de woning bedraagt 2 meter. 3.3
Afwijken van de bouwregels
3.3.1
Het vergroten van de inhoudsmaat van woningen
Burgemeester en wethouders kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 3.2.1 onder b voor het vergroten van de inhoudsmaat van woningen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de vergroting mag maximaal 25% van de inhoud van de woning (inclusief aan- en uitbouwen) op het moment van in werking treding van de herziening bedragen tot maximaal 800 m3, inclusief aan- en uitbouwen; b. het ontwerp van de woning sluit goed aan bij het karakter van het buitengebied en de omgeving; c. de woning wordt landschappelijk goed ingepast in de omgeving; d. het landschap wordt niet onevenredig aangetast; e. de maatvoeringseisen voor woningen worden in acht genomen; f. ontheffing leidt niet tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen. 3.4
Gebruiksregels
Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken gelden de volgende regels: a. de oppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten bedraagt maximaal 50 m2 van het vloeroppervlak van de betrokken woning inclusief de bijgebouwen; b. de uitoefening van een aan-huis-gebonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is uitsluitend toegestaan indien deze activiteit wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner; c. uitsluitend ten behoeve van de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is beperkte verkoop van artikelen toegestaan; d. het aanbieden van meer dan 3 kamers ten behoeve van bed & breakfast per woning is niet toegestaan; e. bed & breakfast is niet toegestaan in een bijgebouw; f. opslag van goederen en materialen voor de voorgevellijn is niet toegestaan; g. permanente of tijdelijke bewoning van bijgebouwen is niet toegestaan; 33
h. het gebruiken van een bijgebouw bij de woning, ten behoeve van het ontvangen of verlenen van mantelzorg is niet toegestaan; i. bewoning anders dan door één afzonderlijk huishouden is niet toegestaan; j. het opslaan van onbruikbare of althans aan hun oorspronkelijke gebruik onttrokken voorwerpen, goederen, stoffen en materialen en van emballage en/of afval is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; k. het opslaan, opgeslagen houden, storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen is niet toegestaan, behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond. 3.5
Afwijken van de gebruiksregels
3.5.1
Afwijking ten behoeve van mantelzorg
Burgemeester en wethouders kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 3.4 onder h voor het bieden van mantelzorg in een bijgebouw of een tijdelijke unit, met in achtneming van het volgende: a. afwijking wordt slechts verleend ter plaatse van een bouwperceel waarop krachtens het plan een woning is toegestaan en ook feitelijk aanwezig is; b. afwijking wordt slechts verleend indien sprake is van een goed woon- en leefklimaat; c. afwijking wordt slechts verleend als een zorgindicatie van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wordt overgelegd voor Awbz-zorg thuis; d. uit de indicatie van het CIZ moet blijken dat sprake is van mantelzorg voor minimaal zes maanden; e. de indicatie moet na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan zijn afgegeven voor minimaal zes maanden en geldig zijn op het moment van de aanvraag om bouwvergunning; f. de oppervlakte in gebruik voor mantelzorg bedraagt maximaal 80 m2; g. indien sprake is van een tijdelijke unit dient deze te voldoen aan de volgende voorwaarden: 1. een tijdelijke unit wordt geplaatst aan de achterzijde of zijgevel van de bestaande woning, waarbij plaatsing aan de zijgevel slechts is toegestaan als de afstand tot de voorgevelrooilijn ten minste 3 meter bedraagt; 2. de afstand van een tijdelijke unit tot de zijdelingse en achterste perceelsgrenzen bedraagt ten minste 2 meter; h.
afwijking leidt niet tot onevenredige aantasting van gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen; i. afwijking wordt verleend voor de duur van de periode waarin mantelzorg wordt geboden. 3.6
Wijzigingsbevoegdheden
3.6.1
Verplaatsen van de woning
Burgemeester en wethouders kan het bouwvlak wijzigen voor het verplaatsen van de woning binnen het bestemmingsvlak, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. b. c. d. e. f.
de woning wordt op maximaal 10 meter van de bestaande woning gebouwd; de bestaande woning wordt gesloopt; de maatvoeringseisen voor woningen worden in acht genomen; de woning wordt landschappelijk goed ingepast in de omgeving; het landschap wordt niet onevenredig aangetast; wijziging leidt niet tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.
3.6.2
Wijzigen van het bouwvlak
Burgemeester en wethouders kan het bouwvlak wijzigen in combinatie met de vergroting van de inhoud van de woning, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. b. c. d.
het bouwvlak mag niet buiten het bestemmingsvlak worden gelegd; het landschap wordt niet onevenredig aangetast; de maatvoeringseisen voor woningen worden in acht genomen; ontheffing leidt niet tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen.
34
Hoofdstuk 3
Algemene regels
Artikel 4 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
35
Artikel 5 Algemene bouwregels 5.1
Ondergronds bouwen
5.1.1
Bouwen ondergrondse werken
Voor het bouwen van beneden het maaiveld gelegen bouwwerken gelden, met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk 2, de volgende bepalingen: a. het bouwen van bedoelde ruimten is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak en onder een gebouw dat geheel boven het maaiveld is gelegen; b. het bouwen van bedoelde ruimten is uitsluitend toegestaan tot 1 bouwlaag, de bouwdiepte bedraagt maximaal 4 meter onder peil; c. externe toegangen zijn gesitueerd in de achtergevel van het gebouw; d. het bepaalde in dit lid is niet van toepassing voor mestkelders, mestbassins, silo's en vergelijkbare bouwwerken op de gronden met de bestemming zoals bedoeld in artikel 5.1.2 Afwijken bouwen ondergrondse werken a. Burgemeester en wethouders kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.1.1 onder b voor het bouwen van ondergrondse bouwwerken met een ondergrondse bouwdiepte van maximaal 10 meter onder peil onder de voorwaarde dat de waterhuishouding niet wordt verstoord. b. Burgemeester en wethouders kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.1.1 onder c teneinde de toegangen aan andere zijden van het gebouw toe te staan, met dien verstande dat geen onevenredige aantasting van de ruimtelijke karakteristiek mag plaatsvinden. 5.2
Bestaande afstanden en andere maten
Met betrekking tot bestaande maten gelden de volgende regels: a. indien afstanden, goot- of bouwhoogte, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan meer bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; b. indien afstanden, goot- of bouwhoogte, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, die gebouwd zijn met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Woningwet, op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan minder bedragen dan ingevolge hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen deze maten als ten minste toelaatbaar worden gehouden; c. in het geval van heroprichting van gebouwen is het bepaalde in a en b uitsluitend van toepassing indien de heroprichting geschiedt op dezelfde plaats; d. op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in lid 8.1 niet van toepassing. 5.3
Overschrijding bouwgrenzen
De bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding ten hoogste 2,5 meter bedraagt; b. tot gebouwen behorende erkers en serres, mits de overschrijding ten hoogste 2 meter bedraagt; c. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding ten hoogste 1,5 meter bedraagt. 5.4
Afstanden van woningen tot wegen en spoorwegen
5.4.1 Aan te houden afstanden tot wegen a. Ingeval van nieuwe woningen ingevolge planwijziging of ontheffing of herbouw van een woning elders op een bestemmingsvlak of bouwvlak, mag de afstand van de woning (inclusief aan- en uitbouwen) tot de as van de weg – ter beperking van geluidhinder – in geen geval minder bedragen dan de afstanden die zijn aangegeven in de kolom '48 dB contour' van tabel 1 die is opgenomen in bijlage 5 van deze regels. b. Voor woningen waarvoor vóór de vaststelling van dit plan door Burgemeester en Wethouders een hogere waarde is verleend, bedraagt de afstand in geen geval minder dan de afstanden die zijn aangegeven in de kolom '53 dB contour' danwel de afstanden die zijn aangegeven in de kolom '58 dB contour' van tabel 1 die is opgenomen in bijlage 5 van deze regels. 5.4.2 Aan te houden afstanden tot spoorwegen a. Ingeval van nieuwe woningen ingevolge planwijziging of ontheffing of herbouw van een woning elders op een bestemmingsvlak of bouwvlak, mag de afstand van de woning (inclusief aan- en uitbouwen) tot de as van de spoorweg – ter beperking van geluidhinder – in geen geval minder bedragen dan de afstanden die zijn aangegeven in de kolom '55 dB-contour' van tabel 2 die is opgenomen in Bijlage 1 van deze regels. 36