CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

04 toelichting 240508_MOT_TAM-omgevingsplan Zegheweg 15, Woudenberg_20-05-2025.pdf

Raadscommissie 16 september 2025, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 16: Omgevingsplan Zegheweg 1510.817 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

TAM-omgevingsplan Zegheweg 15, Woudenberg (Hoofdstuk 22a Woudenberg) Motivering Gemeente Woudenberg NL.IMRO.0351.TAMZegheweg15-ow01

sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling

20 mei 2025, projectnummer 240508

sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. De Opdrachtgever is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op met de opdrachtgever via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.

Inhoudsopgave 1

2

3

4

Inleiding

3

1.1

Aanleiding

3

1.2

Ligging en begrenzing besluitgebied

3

1.3

Leeswijzer

4

Planbeschrijving

5

2.1

Huidige ruimtelijke situatie

5

2.2

Huidige planologische regime

7

2.3

Toekomstige situatie

8

2.4

Strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan

8

Beleidskader

9

3.1

Rijksbeleid

9

3.2

Provinciaal beleid

10

3.3

Gemeentelijk beleid

12

Gevolgen fysieke leefomgeving

14

4.1

Milieueffectrapportage

14

4.2

Bodem

15

4.3

Geluid

15

4.4

Luchtkwaliteit

17

4.5

Geur

18

4.6

Kabels en leidingen

19

4.7

Omgevingsveiligheid

19

4.8

Gezondheid

21

4.9

Water

22

4.10

Klimaatadaptatie

25

4.11

Natuur

27

4.12

Archeologie

29

4.13

Cultuurhistorie

29

4.14

Ontplofbare oorlogsresten

30

4.15

Mobiliteit en parkeren

30

4.16

Ladder voor duurzame verstedelijking

31

5

6

7

Juridische toelichting

33

5.1

Inleiding

33

5.2

Opzet van de regels

33

5.3

Verantwoording van de regels

35

Uitvoerbaarheid

36

6.1

Economische uitvoerbaarheid

36

6.2

Participatie en overleg

36

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Bijlage Bijlagen 1:

Participatieverslag

37

1 Inleiding 1.1

Aanleiding Aan de Zegheweg 15 te Woudenberg is een agrarisch bedrijf gevestigd. Met het oog op het LBV+ beleid (die veehouderijen stimuleert om met hun bedrijfsactiviteiten te stoppen om zo aanspraak te maken op een subsidie) is de eigenaar (hierna initiatiefnemer) van het bedrijf voornemens om het gebruik te wijzigen. Op de locatie is nu voor een groot deel de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ opgenomen. De initiatiefnemer is niet voornemens om het bedrijf in de toekomst nog als (intensieve) veehouderij te exploiteren en zodoende wordt deze aanduiding van het bedrijf verwijderd en het houden van vee op de locatie uitgesloten. Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet het (tijdelijke) omgevingsplan gewijzigd worden. Het voorliggend document voorziet in de motivering behorende bij de wijziging van het omgevingsplan.

1.2

Ligging en begrenzing besluitgebied Het projectgebied aan de Zegheweg 15 te Woudenberg ligt in het buitengebied van de gemeente Woudenberg en ten noorden van de kern Woudenberg. Het projectgebied is kadastraal bekend als gemeente Woudenberg, sectie G, nummer 119 (gedeeltelijke). De locatie van het projectgebied ten opzichte van de kern Woudenberg is in navolgende afbeelding weergegeven.

Planlocatie aangegeven met een de rode marker ten opzichte van de kern Woudenberg

De planlocatie is omsloten door agrarisch gronden en op enkel honderden meters afstand zijn in verschillende richtingen woonbestemmingen gelegen. Het projectgebied is in navolgende afbeelding weergegeven.

3

Het projectgebied hanteert dezelfde plangrens als het bestemmingsplan ‘Zegheweg 15’.

1.3

Leeswijzer De voorliggende motivering bij het wijzigingsbesluit is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie in het besluitgebied, waarbij zowel de ruimtelijke, juridisch-planologische, als functionele aspecten aan de orde komen. Vervolgens wordt kort ingegaan op de nieuwe ontwikkeling en de strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan. Het derde hoofdstuk gaat in op de relevante geldende beleidskaders die van invloed zijn op de ontwikkeling. Hoofdstuk 4 geeft inzicht in hoeverre de ontwikkeling gevolgen heeft op de fysieke leefomgeving. In het vijfde hoofdstuk wordt een juridische toelichting op het wijzigingsbesluit gegeven en hoofdstuk 6 gaat in op de economische uitvoerbaarheid van de ontwikkeling en de participatie en het overleg dat heeft plaatsgevonden. Tot slot bevat het laatste hoofdstuk een conclusie hoe de ontwikkeling aansluit op het principe van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4

2 Planbeschrijving 2.1

Huidige ruimtelijke situatie

2.1.1

Historische ontwikkeling Woudenberg is een plaats en gemeente in de provincie Utrecht, die een rijke geschiedenis heeft die teruggaat tot de vroege middeleeuwen. De naam Woudenberg komt van de middeleeuwse term "wouden" (bossen) en "berg" (heuvel). De oorsprong van Woudenberg ligt in een bosrijke omgeving, wat verklaart waarom het gebied in de vroege geschiedenis een belangrijke strategische locatie was voor bewoning en landgebruik. Woudenberg was in de vroege middeleeuwen een agrarisch gebied, waarin landbouw en veeteelt een belangrijke rol speelden. Het gebied was een deel van het graafschap Utrecht en werd door verschillende adellijke families beheerd. In de 13e en 14e eeuw werd Woudenberg een zelfstandig dorp binnen de regio, met een kerk die een belangrijk centrum van religie en gemeenschapsleven werd. Gedurende de Gouden Eeuw en de daaropvolgende eeuwen, bleef Woudenberg een agrarisch gebied. De economie was voornamelijk gebaseerd op landbouw, met een belangrijke rol voor de productie van graan en de veehouderij. In deze periode begon het gebied zich geleidelijk te ontwikkelen, maar het bleef relatief klein en landelijk. In de 19e eeuw, met de opkomst van de industrialisatie, bleef Woudenberg qua economie en bevolking relatief beperkt.

De aanleg van spoorwegen en de verbeterde infrastructuur hadden invloed op de regio, maar Woudenberg zelf ontwikkelde zich niet tot een industriële stad. De agrarische aard van de gemeente bleef dominant. Na de Tweede Wereldoorlog groeide de bevolking van Woudenberg door suburbanisatie, met een stijging van het aantal woningen en nieuwe bewoners die van de nabijgelegen stad Utrecht naar Woudenberg verhuisden. Tegenwoordig is Woudenberg een gemeenschap die nog steeds sterk is verbonden met het platteland, maar tegelijkertijd de voordelen van de nabijheid van de stad Utrecht benut. De gemeente heeft zich verder ontwikkeld, met een groeiend aantal woningen, moderne infrastructuur en een bloeiend sociaal en cultureel leven. De historische elementen, zoals de oude kerk en de karakteristieke dorpsstructuur, blijven behouden als herinnering aan het rijke verleden van Woudenberg.

5

Ontwikkeling Woudenberg 1900 - 1950 - 1980 - 2020 (bron: topotijdreis.nl)

2.1.2

Ruimtelijke en functionele structuur Ruimtelijke structuur Het historische dorpscentrum van Woudenberg vormt het hart van de gemeente en heeft een compacte structuur. Dit gebied bevat belangrijke voorzieningen zoals de dorpskerk, winkels, en horecagelegenheden. Het centrum is goed bereikbaar, met een netwerk van straten die de verschillende buurten met elkaar verbinden. Woudenberg heeft verschillende woonwijken die zich rondom het centrum hebben ontwikkeld. Na de Tweede Wereldoorlog is de gemeente, zoals veel andere dorpen, gaan groeien door suburbanisatie. De woonwijken bestaan uit een mix van vrijstaande huizen, rijtjeswoningen en appartementen. Deze wijken zijn voornamelijk gericht op het bieden van woonruimte voor gezinnen, met nadruk op een rustige en groene leefomgeving. Buiten de bebouwde kom liggen uitgestrekte landbouw- en natuurgebieden. De gemeente heeft een landelijk karakter, en landbouw blijft een belangrijke functie in de regio, hoewel deze functie steeds meer verschuift naar de periferie van het dorp. Ook zijn er bossen en natuurgebieden rondom het dorp, die bijdragen aan de groene uitstraling van Woudenberg. Woudenberg is goed bereikbaar via de snelwegen A12 en A28, en is daarmee verbonden met de steden Utrecht, Amersfoort en de rest van de regio.

Het dorp heeft een net van secundaire wegen en fietspaden, wat de mobiliteit vergemakkelijkt, vooral voor inwoners die naar de omliggende steden forenzen. Functionele structuur Het grootste deel van de gemeente is bestemd voor woningbouw, met een groeiend aantal woonwijken om de toenemende bevolking van Woudenberg te huisvesten. Het dorp biedt een rustige woonomgeving, waarbij het nog steeds een dorps karakter heeft. De agrarische sector speelt een belangrijke rol in de functionele structuur van Woudenberg. Buiten de woonwijken liggen uitgestrekte akkers en weilanden, die economisch en landschappelijk waardevol zijn. Natuurgebieden zorgen voor ecologische diversiteit en recreatie.

6

Het dorp heeft een regionaal voorzieningenpakket, met een aantal winkels, horecagelegenheden, sportvoorzieningen en een culturele infrastructuur. Er zijn ook scholen en zorginstellingen voor de lokale bevolking. Voor specifieke voorzieningen zoals grote winkelcentra of gespecialiseerde zorg moet men vaak naar naburige steden. Dankzij de groene omgeving en de nabijheid van natuurgebieden is recreatie belangrijk. Woudenberg biedt wandel- en fietsmogelijkheden, evenals sportfaciliteiten. Er zijn ook evenementen en culturele activiteiten die bijdragen aan de sociale functie van het dorp. Huidig gebruik planlocatie Op de locatie exploiteert de initiatiefnemer een pluimveehouderij, daarnaast wordt één van de vier stallen gebruikt als agrarische nevenactiviteit.

2.2

Huidige planologische regime Ter plaatse van de planlocatie geldt het bestemmingsplan ‘Zegheweg 15’ dat is opgenomen in het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Woudenberg. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 24 september 2015, het heeft de enkelbestemming ‘Agrarisch, de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en heeft gedeeltelijk de aanduidingen ‘specifieke vorm van agrarisch – nevenfunctie’ en ’intensieve veehouderij’. Daarnaast is het volledig voorzien van een bouwvlak en kent het de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – geurzone’ en ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’.

Uitsnede plankaart bestemmingsplan ‘Zegheweg 15’.

Het bestemmingsplan ‘Zegheweg 15’ is een herziening van het feitelijke moederplan ‘Buitengebied Woudenberg’ dat is vastgesteld op 12 september 2014. In dit bestemmingsplan gelden eveneens de enkelbestemming ‘Agrarisch, de 7

dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ en gedeeltelijk de aanduiding ’intensieve veehouderij’. Daarnaast is het volledig voorzien van een bouwvlak en kent het de gebiedsaanduidingen ‘milieuzone – geurzone’ en ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’.

Uitsnede plankaart bestemmingsplan ‘Buitengebied Woudenberg’.

2.3

Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens om op de korte termijn te stoppen met het pluimveebedrijf om zo in aanmerking te komen voor een subsidie vanuit het LBV+ beleid. De initiatiefnemer is zich nog aan het oriënteren op een definitieve invulling van de locatie. De gemeente Woudenberg is bereid om medewerking te verlenen om de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ te verwijderen en een aanduiding op te nemen waarbij het houden van vee is uitgesloten. Op die manier is het stoppen van een veehouder in ieder geval vastgelegd.

2.4

Strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan In principe zijn er geen strijdigheden met het (tijdelijke) omgevingsplan. Echter het verwijderen van de aanduiding ‘intensieve veehouderij’ en het toevoegen van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch uitgesloten – veehouderij’ zorgt ervoor dat het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Onderhavige document geldt als motivering bij een TAM-omgevingsplan waarbij de zojuist genoemde wijziging wordt gefaciliteerd.

8

3 Beleidskader 3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. De NOVI is een nieuw instrument uit de Omgevingswet en loopt vooruit op de verwachte inwerkingtreding 1 juni 2022. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Uitgangspunt van de NOVI is dat Nederland staat voor grote en complexe opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal als internationaal spelen. Deze opgaven als klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Daarbij is Omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. De NOVI stelt daartoe als aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk.

Op die manier zullen de volgende vier prioriteiten worden aangepakt: 1 Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 Sterke en gezonde steden en regio's; 4 Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Toetsing Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Het plan sluit wel aan bij de prioriteiten. Immers betreft dit plan het uitsluiten van het houden van vee, waarbij het bedrijf op alternatieve wijze kan worden doorgezet. Dit sluit aan bij een gezonde regio en toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

3.1.2

Besluit kwaliteit leefomgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. Het Besluit

9

kwaliteit leefomgeving is één van de vier AMvB’s die invulling geven aan de Omgevingswet. In het besluit staan: − instructieregels voor programma’s, omgevingsplannen, omgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen en projectbesluiten: het betreft onder meer normen en regels voor geluid en geur van bedrijfsmatige activiteiten, externe veiligheid en erfgoed, maar ook inhoudelijke randvoorwaarden voor de programma’s voor de kwaliteit van de buitenlucht, de waterprogramma’s, de actieplannen geluid en de beheerplannen voor Natura 2000-gebieden. − omgevingswaarden: het Bkl bevat o.a. omgevingswaarden voor luchtkwaliteit en de kwaliteit van oppervlaktewater, grondwater en zwemwater. − regels voor omgevingsvergunningen: dit betreft de regels die het bevoegd gezag hanteert bij het beoordelen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning, het opnemen van voorschriften in een omgevingsvergunning en het wijzigen van voorschriften of intrekken van een omgevingsvergunning. − monitoring en informatie: dit gaat over de regels over monitoring, gegevensverzameling, gegevensbeheer, toegang tot gegevens, kaarten en verslagen over de toestand van de fysieke leefomgeving. Toetsing Onderhavig project raakt geen nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in de Bkl. 3.1.3

Conclusie Het project is in lijn met het rijksbeleid.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie provincie Utrecht Op 10 maart 2021 heeft Provinciale Staten de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. In de Omgevingsvisie legt de provincie het ruimtelijke beleid voor de periode tot 2050 vast. Het nieuwe ruimtelijke beleid heeft als hoofdvraag: ‘Hoe willen wij dat onze provincie er in 2050 uitziet?’. In de omgevingsvisie komen de volgende aspecten aan de orde: − Woningbouw in principe binnen steden en dorpen en rondom knooppunten; − De beschikbare ruimte meervoudig gebruiken; − Het vergroten van de duurzaamheid; − Specifiek inspelen op wat gebieden nodig hebben. In de Omgevingsvisie liggen de integrale langetermijnambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vast. Dat is inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. De Omgevingsvisie vormt een samenhangend pakket met de instrumenten Programma’s en Omgevingsverordening. In de omgevingsvisie worden groen, water, energie, bebouwing, infrastructuur, cultuurhistorie en landelijk gebied in onderlinge samenhang bezien. Hiermee wordt ruimte geboden voor duurzaam gebruik en ontwikkeling,

10

voor sociale samenhang en wordt zorggedragen voor behoud of verbetering van kwaliteit in de Utrechtse leefomgeving. In het omgevingsbeleid staan twee centrale uitgangspunten centraal: − De provincie Utrecht kiest gebiedsgericht voor integrale, toekomstgerichte oplossingen waarmee zij de Utrechtse kwaliteiten per saldo behouden of versterken, zo nodig met compenserende maatregelen. − De provincie Utrecht concentreert en combineert nieuwe ontwikkelingen, om zorgvuldig om te gaan met schaarse ruimte en kwaliteiten en door ontwerp en innovatie te stimuleren. Er blijft ook ruimte beschikbaar voor lokale opgaven. Toetsing Het onderhavig project betreft het verwijderen van de aanduiding ‘intensive veehouderij’ en het toevoegen van een aanduiding waarbij een veehouderij is uitgesloten. De provincie Utrecht heeft gekozen voor gebiedsgericht beleid en heeft per deelgebied beleid opgenomen. De onderstaande gebiedsaanwijzingen zijn relevant voor het onderhavig project. Landbouwgebied In het Landbouwgebied is landbouw de hoofdgebruiker, maar vindt ook menging met andere functies plaats. De provincie biedt agrariërs ruimte voor verbreding en innovatie. Het gaat ons hierbij om activiteiten die in het belang zijn van de landbouw zelf en van haar functie voor het omringende gebied. Andere agrarische ondernemers worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd door deze activiteiten.

In onderhavige ontwikkeling wordt een veehouderij uitgesloten. Andere agrarische ondernemers worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd door deze activiteiten Toekomstbestendige natuur en landbouw De provincie heeft een netwerk met robuuste natuur waarin vier grote diverse systemen liggen: Rivierengebied, Veenweidegebied, Eemvallei en Utrechtse Heuvelrug. Dit netwerk maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland met daarin verschillende Natura 2000-gebieden. De ambitie is om een robuust klimaatbestendig natuurnetwerk van hoge kwaliteiten met hoge biodiversiteit te ontwikkelen. Bestaande natuurgebieden (Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) worden beschermd, verder ontwikkeld en onderling beter verbonden tot één samenhangend Groot natuursysteem. De provincie Utrecht stimuleert de transitie naar een duurzame landbouw die circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en diervriendelijk is. In onderhavige ontwikkeling wordt een veehouderij uitgesloten. Dit draagt bij aan het versterken van de natuur in de omgeving, vanwege de daling van de stikstofdepositie door het stoppen van het houden van vee. 3.2.2

Omgevingsverordening provincie Utrecht De omgevingsverordening Utrecht is op 7 februari 2024 vastgesteld. Op 1 maart 2024 is deze eerste wijziging in werking getreden. In de verordening zijn instructieregels opgenomen die in acht genomen moeten worden bij het maken van nieuwe ruimtelijke plannen. Op deze manier kan het provinciale ruimtelijke beleid ook

11

daadwerkelijk gerealiseerd worden. Hieronder worden de meest belangrijke instructieregels behandeld. Toetsing Agrarische bedrijven Het perceel ligt binnen het gebied dat in de verordening is aangemerkt als Agrarische bedrijven. Artikel 8.1 bevat instructieregels over de uitbreiding van een agrarisch bedrijf. Het onderhavig project betreft het uitsluiten van een houden van vee. De bovenstaande regels zijn daarom niet relevant voor het onderhavig project. Glastuinbouw niet toegestaan Het perceel ligt binnen het gebied dat in de verordening is aangemerkt als Glastuinbouw niet toegestaan. Artikel 8.6 bevat instructieregels waarbij is aangegeven dat een omgevingsplan geen regels bevat die glastuinbouw toestaan. Het onderhavig project betreft het uitsluiten van een houden van vee en bevat geen regels die als alternatief glastuinbouw toestaat. 3.2.3

Conclusie Het project is in lijn met het provinciaal beleid.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Woudenberg 2030 (inclusief oplegger 2019) Op 23 mei 2013 heeft de gemeenteraad van Woudenberg de Structuurvisie Woudenberg 2030 vastgesteld. Op 24 januari 2019 is daarbij ook de oplegger vastgesteld. In de ruimtelijke visie wordt aangegeven hoe de gemeente denkt over de ruimtelijke invulling voor het wonen, werken en recreëren voor de jaren tot 2030. Met de oplegger is geconstateerd dat de huidige structuurvisie op hoofdlijnen nog voldoet, wel is deze geactualiseerd op een aantal onderdelen. In de Structuurvisie worden de volgende thema's beschreven: landschap en groen, wonen, economie, recreatie, verkeer, maatschappelijke voorzieningen. Toetsing Het relevante thema voor onderhavige ontwikkeling is ‘economie’. Navolgend wordt ingegaan op het betreffende thema uit de Structuurvisie. Door het ruimtelijk verbinden en combineren van deze sectoren ontstaat een sterk raamwerk: het ruimtelijk economisch structuurbeeld voor 2030. Hierin benut Woudenberg (de mogelijkheden van) haar kwaliteiten ten volle. Niet alleen door deze te verbinden en te combineren, maar ook door te verbreden, zoals landbouw met verschillende agrarische nevenfuncties. De agrarische sector blijft een belangrijke functie in het buitengebied met uitbreidingsmogelijkheden voor bedrijven die dat wensen.

Uitgaande van specifieke bedrijfs- en locatie omstandigheden kan uitbreiding van bouwvlakken, groter dan de mogelijkheden van de geldende bestemmingsplannen, overwogen worden. Het

12

onderhavig project betreft het uitsluiten van een houden van vee, waarbij een alternatieve invulling wordt gezocht. Dit is in ieder geval niet strijdig met de structuurvisie. 3.3.2

Conclusie Het project is in lijn met het gemeentelijk beleid.

13

4 Gevolgen fysieke leefomgeving 4.1

Milieueffectrapportage

4.1.1

Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma’s waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is. Voor plannen en programma’s die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht.

Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma’s die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

4.1.2

Toetsing Onderhavig project betreft het uitsluiten van het houden van vee bij een agrarisch bedrijf. Het zal zodoende zorgen voor het stoppen van een intensieve veehouderij in de vorm van een pluimveehouderij. Hoewel installaties voor intensieve veehouderij opgenomen is in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, gaat het hier niet om het oprichten, wijzigen of uitbreiden, maar om het beëindigen van een intensieve veehouderij, zodoende hoeft er geen m.e.r.-beoordeling doorlopen te worden.

4.1.3

Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een m.e.r.-beoordeling en/of milieueffectrapport is niet nodig.

14

4.2

Bodem

4.2.1

Algemeen Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.

4.2.2

Toetsing Er wordt geen gevoelig object opgericht. Een onderzoek naar eventuele bodemverontreinigingen hoeft dan ook niet te worden uitgevoerd.

4.2.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect bodem.

4.3

Geluid

4.3.1

Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. Geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Met onderhavige ontwikkeling wordt er geen geluidgevoelig object mogelijk gemaakt, dus de toetsing aan geluid door (spoor)wegen en industrieterreinen kan achterwege blijven.

15

Geluid door activiteiten Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient – naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen – ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle activiteiten tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van: 1 activiteiten met gebruiksruimte nabij geluidgevoelige gebouwen; 2 geluidgevoelige gebouwen nabij bestaande activiteiten met gebruiksruimte. Dit wijzigingsbesluit maakt de realisatie van geluidgevoelige gebouwen mogelijk, op korte afstand van een locatie met activiteiten die geluid(hinder) veroorzaken. Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66). Voorafgaand de inwerkingtreding van de Omgevingswet werd gewerkt met de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009'.

Hierin is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. In de Omgevingswet wordt niet langer gewerkt met de term inrichting en wordt gesproken over milieubelastende activiteiten. Omdat in voorliggende situatie het gemeentebrede omgevingsplan nog niet gereed is en daarmee de bestemmingsplannen nog onderdeel uitmaken van omgevingsplan, is het kader van de VNG-publicatie nog wel relevant. Onder de Omgevingswet worden echter alleen nog de aspecten geluid en geur meegenomen in de afweging evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.3.2

Toetsing De planlocatie ligt in het buitengebied van Woudenberg. In de directe omgeving van de ontwikkellocatie is zowel juridisch-planologisch als feitelijk gezien sprake van voornamelijk agrarische functies en woonbebouwing. Met onderhavige ontwikkeling wordt er geen geluidgevoelig object mogelijk gemaakt dus de toetsing aan omliggende hinderveroorzakende activiteiten kan achterwege blijven. Het uitoefenen van een agrarisch bedrijf is ook een hinderveroorzakende activiteit. Onderhavig project betreft het uitsluiten van het houden van vee bij een agrarisch bedrijf. De andere agrarische activiteiten welke reeds toegestaan zijn, mogen worden doorgezet. Er is zodoende geen sprake van een gewijzigde hinderveroorzakende activiteit. De toetsing aan omliggende geluidgevoelige objecten kan achterwege blijven.

16

4.3.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect geluid indien hogere waarden worden vastgesteld voor de woningen.

4.4

Luchtkwaliteit

4.4.1

Algemeen Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Ook voor activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied is het toetsen aan de omgevingswaarden van belang. Deze activiteiten kunnen immers zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt, maar hier mogelijkerwijs wel invloed op kan hebben.

Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Ook in dat geval wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de beoogde activiteit(en) niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Indien een ontwikkeling niet is gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, hoeft de luchtkwaliteit in de meeste gevallen niet beoordeeld te worden. Net als onder de voormalige Wet milieubeheer is er namelijk een uitzondering voor activiteiten die maar weinig bijdragen aan de luchtvervuiling, oftewel: niet in betekenende mate (NIBM). In een aantal situaties moet de luchtkwaliteit wel beoordeeld worden: 1 bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (als bedoeld in het Bal); 2 bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter in lengte toeneemt; 3 bij de aanleg van een auto(snel)weg.

17

4.4.2

Toetsing Onderhavig project betreft het uitsluiten van het houden van vee bij een agrarisch bedrijf. Het zal zodoende zorgen voor het stoppen van een intensieve veehouderij in de vorm van een pluimveehouderij. De uitstoot van fijnstoot op de locatie zal zodoende drastisch afnemen, wat ten goede komt aan de luchtkwaliteit.

4.4.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect luchtkwaliteit.

4.5

Geur

4.5.1

Algemeen Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op: 1 bij het mogelijk maken van activiteiten met gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen; 2 bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande activiteiten met gebruiksruimte (geurveroorzakende bedrijven). Aanvaardbare geurhinder De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.

4.5.2

Toetsing Onderhavig project betreft het uitsluiten van het houden van vee bij een agrarisch bedrijf. Het zal zodoende zorgen voor het stoppen van een intensieve veehouderij in de vorm van een pluimveehouderij. De geurveroorzakende activiteit wordt met onderhavige ontwikkeling gestopt en uitgesloten voor de toekomst. De mogelijke geurhinder op omliggende geurgevoelige objecten zal hiermee drastisch afnemen.

4.5.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect geur.

18

4.6

Kabels en leidingen

4.6.1

Algemeen Bij vaststelling van een wijzigingsbesluit moet rekening worden gehouden met de bescherming van ruimtelijk relevante kabels en leidingen.

4.6.2

Toetsing Aangrenzend aan de projectlocatie is een gasleiding gelegen. Deze is weergegeven navolgende afbeelding.

Gasleiding aangrenzend aan de planlocatie. Onderhavig project betreft het uitsluiten van het houden van vee bij een agrarisch bedrijf. Er zullen geen ruimtelijke ingrepen plaats vinden en de ontwikkeling heeft zodoende geen invloed op aanwezige kabels en leidingen. 4.6.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect kabels en leidingen.

4.7

Omgevingsveiligheid

4.7.1

Algemeen Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

19

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is. Groepsrisico Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval.

Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over ruimtelijke ordening de risico’s van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken. 4.7.2

Toetsing De navolgende afbeelding bevat een fragment van de digitale risicokaart. Binnen een straal van 1,5 kilometer zijn meerdere gasleidingen aanwezig.

20

Uitsnede digitale risicokaart (bron: Atlas leefomgeving)

De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in risicovolle activiteiten die van invloed kunnen zijn op het aspect omgevingsveiligheid. Daarnaast maakt het ook geen kwetsbare gebouwen mogelijk. Een verdere beschouwing ten aanzien van omgevingsveiligheid is daarom niet noodzakelijk. 4.7.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect omgevingsveiligheid.

4.8

Gezondheid

4.8.1

Algemeen Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit is een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet (artikel 1.3, sub a, Omgevingswet). Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in de voorgaande paragrafen gemotiveerd, echter ligt het voor de hand om hier te schetsen op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent het vaststellen van het wijzigingsbesluit omgevingsplan is meegenomen. Gemeenten kunnen hun gezondheidsambities tevens vastleggen in de omgevingsvisie, een programma en/of omgevingsplan.

21

4.8.2

Toetsing In voorgaande paragrafen met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit, geur en geluid is geconcludeerd dat in het plangebied sprake is van een gezonde leefomgeving: − Er wordt geen geluidgevoelig object mogelijk gemaakt en de ontwikkeling zorgt niet voor meer geluidbelasting op omliggende functies; − Met onderhavige ontwikkeling neemt de uitstoot van fijnstof drastisch af, wat ten goede komt een de gezondheid; − Met onderhavige ontwikkeling neemt de uitstoot van geur drastisch af, wat ten goede komt een de gezondheid;

4.8.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect gezondheid.

4.9

Water

4.9.1

Algemeen Rijksbeleid - Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: 1 waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 2 waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 3 waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 4 in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; 5 realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂¬arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 6 verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 7 behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.

Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1 een veilige en klimaatbestendige delta; 2 een concurrerende, duurzame en circulaire delta; 3 een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel 22

natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de Rijn-Maasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden.

Provinciaal beleid - Regionaal Bodem- en waterprogramma Utrecht 2022-2027 Het Regionaal Bodem- en waterprogramma (RWBP) 2022 – 2027 Provincie Utrecht is op 14 december 2021 vastgesteld. In het Provinciaal Bodem- en waterprogramma 2022-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Utrecht. Ten eerste zijn er een aantal overkoepelende thema’s voor bodem en water uitgelegd: − Een duurzaam ondergrondgebruik: Het is belangrijk voor mens en dier in een geschikte leefomgeving te kunnen leven. De ondergrond wordt steeds meer gebruikt (drinkwater, bodemenergie…). Daarom vraag deze ontwikkeling om samen met betrokkenen te gaan werken. Elk project is maatwerk − Een circulaire economie maakt deel uit van de beleidskeuzes. De ambitie is onder andere om te gaan innoveren met verkenning naar een circulair watersysteem in de provincie, met zo weinig mogelijk afval. Verder is het plan onderverdeeld in zes deelprogramma’s: 1 Schoon oppervlaktewater: Dit programma draait om de bescherming van biodiversiteit. Het principe wijst ‘waterparels’ aan om wateren met specifieke soorten te beschermen.

Daarnaast is een goede kwaliteit van oppervlaktewater van belang voor vele gebruiksfuncties; 2 Schone bodem en grondwater: Het programma draait om het beperken van verontreinigende stoffen en het voorkomen van achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen. Schoon water is ook belangrijk voor mensenconsumptie;

23

3 Bodem: kwaliteit, vruchtbaarheid, aardkundige waarden en ontgrondingen: Dit programma vooral een administratief punt over taken en rollen in de transitie naar (en na) de Omgevingswet. Kennisontwikkeling en kennisdeling zijn onder andere belangrijke opgaven. Verder focust het beleid zich op het faciliteren van kringlooplandbouw en de borging van de aardkundige waarden in de ruimtelijke ontwikkelingen. Tot slot wordt er randvoorwaarden opgesteld aan delfstoffenwinning; 4 Voldoende water en voorkomen wateroverlast: Het programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let de provincie op de hoeveelheid goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte; 5 Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem; 6 Energie uit bodem en water: De provincie wil zich inzetten op ondergrondenenergie (aquathermie en ondiepe bodemenergie…) mits de netwerken optimaal benut zullen worden en mits het verantwoord is voor mens, bodem, water en milieu. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. De provincie is ook onderverdeeld in deelgebieden.

Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. Waterschapsbeleid - Waterbeheerprogramma 2022-2027 Vallei en Veluwe Op 22 november 2021 is het blauw omgevingsprogramma (BOP) van waterschap Vallei en Veluwe vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende vier programma’s: − Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. − Watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem s: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap onder ander op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen.

− Wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt.

24

− Circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven. − Energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie. Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het BOP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Toetsing Met onderhavige ontwikkeling wordt enkel het houden van vee uitgesloten op het agrarische bedrijf. Er vinden verder geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats. De ontwikkeling heeft zodoende geen betrekking op wateraspecten en een toetsing aan het aspect water kan verder achterwege blijven. 4.9.2

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect water.

4.10

Klimaatadaptatie

4.10.1

Algemeen Het klimaatadaptatie beleid in Nederland is vastgelegd in verschillende nationale, provinciale en gemeentelijke beleidstukken. Dit zal hieronder nader worden toegelicht. De landelijke aanpak gebeurt vanuit twee programma’s: het nationaal Deltaprogramma en de Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS). Rijksbeleid - Nationaal Deltaprogramma In het nationaal Deltaprogramma staat hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen, Rijkswaterstaat en verschillende maatschappelijke organisaties werken vanuit het Deltaprogramma samen aan deze opgaven, onder leiding van de Deltacommissaris. Het programma is opgebouwd rond drie thema’s: − Deltaprogramma Waterveiligheid − Deltaprogramma Zoetwater − Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie Alle drie de programma’s bevatten een Deltabeslissing (nationale kaders die voor heel Nederland gelden) en een Deltaplan (concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid). In de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie staat het nationale beleid voor de inrichting van waterrobuuste en klimaatbestendige gebieden. Het plan is opgesteld in 2018 en opgebouwd uit zeven ambities: kwetsbaarheid in beeld brengen, risicodialoog voeren en strategie opstellen, uitvoeringsagenda opstellen,

25

meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, reguleren en borgen, en handelen bij calamiteiten. Kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ Op 23 maart 2023 is kamerbrief ‘Landelijke maatlaat voor een groene, klimaatadaptieve gebouwde omgeving en verkenning groennorm’ aangeboden aan de Tweede Kamer. De ontwikkeling van de maatlat sluit aan op uitdrukkelijk advies van de Deltacommissaris om landelijk tot een consensus te komen over klimaatadaptief bouwen. De maatlat schept het kader voor klimaatadaptief bouwen en richt zich op locatie-inrichting en bouwwijze. De maatlat behandeld de klimaatthema’s hitte, wateroverlast, droogte en gevolgbeperking van overstromingen. Daarnaast worden ook de thema’s bodemdaling en biodiversiteit betrokken. Parallel aan de maatlat worden er met de kamerbrief ‘Water en Bodem Sturend’ randvoorwaarden uitgewerkt voor de locatiekeuze voor nieuwe ontwikkelingen. De maatlat moet een impuls geven om groene klimaatbestendige gebieden en gebouwen te kunnen realiseren die ook bijdragen aan biodiversiteit en gezondheid. Om klimaatadaptief bouwen en inrichten standaard te maken, worden de mogelijkheden verkend om voor juridische borging van de maatlat. Op dit moment is deze echter nog niet juridisch gewaarborgd.

Gezien de (omvang van de) bouwopgave, de urgentie van extremer weer door klimaatveranderingen en de wens om daarin geen kansen te missen, wordt het gebruik van de maatlat zoveel mogelijk gestimuleerd. Provinciaal beleid – Programma klimaatadaptie 2020-2023 In het Programma Klimaatadaptatie 2020-2023 'Op weg naar een klimaatbestendig Utrecht' schetst de provincie Utrecht de aanpak voor de komende jaren, op weg naar een klimaatbestendige en waterveilige provincie in 2050. Klimaatadaptatie geeft richting aan al het provinciale beleid. De maatregelen om de provincie klimaatbestendiger te maken bieden ook kansen om andere doelen te realiseren voor een gezonde en vitale regio. Belangrijke onderwerpen in het programma zijn: − toekomstbestendig bouwen; − adaptief landelijk gebied; − klimaatrobuust wegen- en OV-net; − veilige en vitale netwerken en nutsfuncties; − innovatie en kennis: regio Utrecht als kennis-‘hub’ voor ‘gezonde leefomgeving’ (met universiteit, onderzoek en bedrijfsleven). De doelen van het Programma Klimaatadaptatie 2020-2023 zijn: 1 Bewustwording en gedragsverandering stimuleren voor klimaatadaptatie; 2 Klimaatadaptatie in de praktijk brengen met behulp van concrete fysieke maatregelen, pilots, voorbeeldprojecten en innovaties; zowel binnen de provincie als regio-overstijgend;

26

3 Klimaatadaptatie verankeren in ons eigen provinciaal beleid, regels, programma’s en uitvoering; 4 Participeren in de ontwikkeling van regionale klimaatadaptatiestrategieën en in activiteiten voor klimaatadaptatie in de werkregio’s; 5 Kennis ontwikkelen en monitoring: kennis verzamelen, benutten en delen op het gebied van klimaateffecten en klimaatadaptatiemaatregelen. 4.10.2

Toetsing Met onderhavige ontwikkeling wordt enkel het houden van vee uitgesloten op het agrarische bedrijf. Er vinden verder geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats. De ontwikkeling heeft zodoende geen betrekking op aspecten die invloed hebben op klimaatadaptatie en een toetsing aan het aspect klimaatadaptatie kan verder achterwege blijven.

4.10.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect klimaatadaptatie.

4.11

Natuur

4.11.1

Algemeen

4.11.1.1

Soortenbescherming Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid. Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of: 1 er soorten aanwezig zijn; 2 welke soorten dat zijn. Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen.

Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor

27

schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling. 4.11.1.2

Gebiedsbescherming De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies. Natura 2000 Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als ‘Natura 2000-activiteit’. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies.

Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.

4.11.2

Toetsing Met onderhavige ontwikkeling wordt enkel het houden van vee uitgesloten op het agrarische bedrijf. Er vinden verder geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats. De ontwikkeling heeft zodoende geen betrekking op soortenbescherming. Door het stoppen van de intensieve veehouderij is er wel sprake van een grote afname in stikstofuitstoot. Dit komt ten goede van de Natura 2000-gebieden Kolland & Overlangbroek (+/- 10 km), Rijntakken (+/- 10 km), Binnenveld (+/- 12 km) en Veluwe (+/- 13 km) die in de omgeving zijn gelegen. Waarbij de Rijntakken en de Veluwe zeer stikstofgevoelige habitats bevatten.

4.11.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect natuur.

28

4.12

Archeologie

4.12.1

Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met archeologische waarden. De Omgevingswet schrijft voor dat het aspect archeologie een plek heeft in het omgevingsplan. In het omgevingsplan is vastgesteld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. In beginsel moet de gemeente aan projecten kleiner dan 100 m 2 vrijstelling verlenen van de verplichting tot archeologisch onderzoek (artikel 5.130 lid 4 Bkl). Met een inhoudelijke onderbouwing kan de gemeente echter afwijken van deze vrijstellingsgrens. De instructieregels voor de omgang met archeologie in het omgevingsplan zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.130, eerste lid). Uitgangspunt is dat bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. De archeologische verwachtingswaarde en de omgang daarmee legt de gemeente vast in het omgevingsplan (artikel 5.130 lid 3, 4 en 5 Bkl). Wanneer er een archeologische verwachtingswaarde is voor het projectgebied moet er een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden conform de door de gemeente gestelde voorwaarden.

De uitkomsten van het onderzoek bepalen of vervolgonderzoek nodig is en of de bodemroerende werkzaamheden kunnen plaatsvinden.

4.12.2

Toetsing Op grond van het tijdelijke omgevingsplan is aan de locatie de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ toegevoegd. De aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden in de bodem. Met onderhavige ontwikkeling worden echter geen bodemingrepen gepleegd en zodoende hoeft er ook geen archeologisch onderzoek plaats te vinden.

4.12.3

Conclusie Het plan voldoet aan de kaders voor het aspect archeologie.

4.13

Cultuurhistorie

4.13.1

Algemeen Gemeenten moeten in hun omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Uit Europees beleid volgt dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/3260/documents/67912