CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

04. Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan Meent 9.pdf

Raadscommissie 7 december 2021, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 8: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Meent 92.096 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota van beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Meent 9, Woudenberg Het ontwerpbestemmingsplan Meent 9 heeft gedurende zes weken voor een ieder ter visie gelegen, 29 september 2021 tot en met 9 november 2021. Gedurende de periode van ter inzage legging zijn er twee zienswijzen ingediend. In deze Nota van beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Meent 9 zijn deze zienswijze samengevat en voorzien van een antwoord. Nr. 1

Zienswijze a. Gevreesd wordt dat er op grond van het bestemmingsplan vier buitenbakken gerealiseerd worden. Daarnaast is het volgens de regels van het bestemmingsplan mogelijk om paarden te beweiden. Er worden meer mogelijkheden gecreëerd voor het houden en trainen van paarden, hetgeen niet de bedoeling kan zijn van het bestemmingsplan gelet op de gewenste beëindiging van de manege. Bovendien sluit het niet aan bij de uitgangspunten van de ervenconsulenten van Mooi Sticht. Reclamant is van mening dat het bestemmingsplan hierop aangepast dient te worden. b. Het perceel van reclamant heeft in het vigerende bestemmingsplan de bestemming "specifieke vorm van bedrijf- vrachtwagenstalling l". In de toelichting wordt opgemerkt dat voor het bedrijf van reclamant milieucategorie 3.1 geldt en daarmee een richtafstand van 50 meter (terwijl er ook dat staat voor dezelfde categorie 100 meter geldt). Het bedrijf

Antwoord a. De regeling ten aanzien van buitenbakken betreft een standaard afwijkingsbevoegdheid die voor het gehele buitengebied geldt. Eén van de voorwaarden van de afwijkingsbevoegdheid is dat de paardenbak niet voor de voorgevellijn van de bebouwing mag liggen. Zowel aan de zijde van de Zeisterweg als aan de zijde van de Meent maken de nieuw te bouwen woningen, die met de voorgevel gericht zijn op de Zeisterweg respectievelijk de Meent, een dergelijke bak onmogelijk. Om reclamanten echter meer zekerheid te bieden zijn wij bereid deze afwijkingsmogelijkheid uit het bestemmingsplan te schrappen. b. Het perceel van reclamant kent inderdaad de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf – vrachtwagenstalling I”. Op grond van de regels is het stallen van meer dan 5 vrachtwagens ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – vrachtwagenstalling 1' niet toegestaan. De vrachtwagenstalling is derhalve van beperkte omvang. Ingevolge de Staat van bedrijfsactiviteiten behorend bij het bestemmingsplan Buitengebied is een vrachtwagenstalling met een bedrijfsoppervlak van minder dan 1.000 m2 aan te merken als een categorie 3.1 bedrijf. Categorie 3.1 bedrijven kennen een richtafstand van 50 meter. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan.

Bovendien geldt voor het betreffende bedrijf dat de naastgelegen woning de meest beperkende woning is en dat het bedrijf dus sowieso niet verder beperkt wordt. Dat in de plantoelichting is opgenomen dat het andere bedrijf (Zeisterweg 55) ook een categorie 3.1 bedrijf betreft, met een richtafstand van 100 meter ,is een omissie. Hier moet staat dat het een categorie 3.2 bedrijf betreft. Dit wordt gecorrigeerd.

1

Nr.

Zienswijze van reclamant valt niet in milieucategorie 3.1, maar in milieucategorie 3.2. Voor dergelijke bedrijven geldt een richtafstand van 100 meter. De situering van de woningen dient derhalve aangepast te worden. c. Voor wat betreft de maatschappelijke bestemming wordt verzocht de aanduidingen "bedrijfswoning uitgesloten" en "atelier" op te nemen in het bestemmingsplan, alsmede verdere verhoging van de huidige gebouwen niet toe te staan. Artikel 4.2.1 sub c van de regels is opgenomen dat de goothoogte en bouwhoogte van de gebouwen en overkappingen niet meer bedraagt dan is aangegeven. Wat dat concreet inhoudt, is niet duidelijk. Het lijkt erop dat een bouwhoogte van 9 meter wordt toegestaan. Verzocht wordt een verhoging van de huidige gebouwen niet toe te staan. Deze gebouwen zijn al hoger dan de gebouwen, die reclamant mag realiseren (maximaal 5 meter hoog). Wat reclamant betreft wordt dan ook dezelfde bouwhoogte aangehouden als bij haar. Er is geen enkele goede ruimtelijke overweging te geven waarom erop naast elkaar liggende percelen verschillende bouwhoogtes worden toegestaan. In het ontwerp is ook geen motivering gegeven waarom op het perceel van reclamant een maximale bouwhoogte

Antwoord c. Op[ de verbeelding zijn, ter plaats van de Maatschappelijk bestemming, reeds de functieaanduidingen “bedrijfswoning uitgesloten” en “atelier” opgenomen. Op de Verbeelding zijn ook de maximale bouwhoogtes opgenomen, dit betreft voor de maatschappelijk bestemming een maximale bouwhoogte van 9 en een hoogte van 3 meter. De voormalige boerderij heeft een nokhoogte van 9 en een goothoogte van 3 meter en kan dus niet verhoogd worden. De schuur heeft een nokhoogte van 6 en een goothoogte van 2 meter. Om te voorkomen dat de schuur verhoogd wordt de maximale bouwhoogte van 6 meter opgenomen en regelen we voor de voormalige boerderij, met een aanduiding, een maximale bouwhoogte van 9 meter. Onderhavig bestemmingsplan heeft geen betrekking op het perceel van reclamant en de daarin vastgelegde bouwhoogte. d. Er is inderdaad sprake van twee kleine gebouwen die niet worden gesloopt. Ze staan op het bouwvlak van 1 van de nieuwe woningen en zijn momenteel in gebruik als bijgebouw bij de huidige bedrijfswoning (respectievelijk als atelier onder de huidige bestemming). In het nieuwe bestemmingsplan mogen ze uitsluitend als bijgebouw bij de nieuwe woning worden gebruikt dan wel gesloopt (en vervangen door een nieuw bijgebouw). Het pentagonale gebouw zoals opgenomen in het inrichtingsplan wordt niet mogelijk gemaakt met dit nieuwe bestemmingsplan.

Wij vinden het onwenselijk nieuwe bebouwing bij de oude boerderij toe te voegen. In regel 5.4 Specifieke gebruiksregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee wordt geregeld dat de woningen pas mogen worden gebruikt indien en zolang de gebouwen zijn gesloopt en het inrichtingsplan is uitgevoerd en in stand wordt gehouden. De toevoeging is: met uitzondering van de eerste jaar dat de gronden en bouwwerken ten behoeve van Wonen worden gebruikt. Deze toevoeging heeft alleen betrekking op de aanleg van het inrichtingsplan (omdat er enige tijd nodig kan zijn voor de aanleg in verband met plantseizoen en de bouwwerkzaamheden) en niet op de sloop van de gebouwen. Dit wordt gewijzigd in de regels. Concreet betekent dit dus dat de gebouwen moeten zijn gesloopt voordat de nieuwe woningen in gebruik kunnen worden genomen. Overigens kent het bestemmingsplan zelf geen verplichting tot beëindiging van de

2

Nr.

Zienswijze geldt van 5 meter (hetgeen vergaande beperkingen heeft voor onder andere het bouwen van een hal voor vrachtwagens), terwijl op het naastgelegen adres. Meent 9, een maximale bouwhoogte wordt toegestaan van 9 meter. d. De reclamant vraagt zich af wat er gaat gebeuren met de twee gebouwen naast het gebouw 1041. Wat haar betreft moet voorkomen worden, dat deze gebouwen alsnog gebruikt kunnen worden voor andere doeleinden dan waarvoor de bestemming gewijzigd gaat worden. Volgens de reclamant is er onduidelijkheid rondom de tekening van het pentagonale gebouw in het inrichtingsplan. Hierdoor kan zij geen verdere zienswijze inbrengen. De reclamant meent dat er geen reden en gegronde motivatie is voor de verplichting om de gebouwen het eerste jaar niet te hoeven te slopen. Vandaar het verzoek om dit uit het plan te verwijderen. e. Er lijkt geen planschaderisicoanalyse te zijn opgesteld. De reclamant verwacht dat zij en haar buren wel degelijk schade kunnen ondervinden, indien de bestemming wordt gewijzigd. De reclamant is van mening dat door het ontbreken van de planschadeanalyse het ontwerpbestemmingsplan financieel niet uitvoerbaar is en daarmee in

Antwoord bedrijfsactiviteiten en de sloop van gebouwen, met een bestemmingsplan kunnen we alleen iets toestaan. In de anterieure overeenkomst is wel een termijn opgenomen waarbinnen de bedrijfsactiviteiten beëindigd dienen te worden opgenomen. e. Er is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten waarin onder andere het verhaal van planschade is geregeld. De initiatiefnemer zal alle planschade, wanneer die toegekend wordt, vergoeden. Een planschaderisicoanalyse is daarom niet noodzakelijk. Overigens verwachten wij dat de kans op planschade gering is. Deze zienswijze geeft aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. De afwijkingsbevoegdheden (regels 3.3.1 en 5.3.2) voor het oprichten van een buitenrijbak worden geschrapt. De bouwhoogte van de Maatschappelijke bestemming wordt vastgelegd op 6 meter waarbij voor de voormalige boerderij middels een aanduiding een bouwhoogte van 9 meter wordt toegestaan. In de Toelichting wordt opgenomen dat het bedrijf aan de Zeisterweg 55 een categorie 3.2 bedrijf betreft. In de voorwaardelijke verplichting wordt de termijn van 1 jaar alleen gekoppeld aan de realisatie van het inrichtingsplan.

3

Nr.

Zienswijze strijd is met het Besluit ruimtelijke ordening.

2.

Samengevat worden er bezwaren geuit tegen: a. De verplaatsing van de oorspronkelijke uitgang van de Zeisterweg naar de Meent heeft een impact op de bewoners. De reclamanten geven aan wegens overlast geen extra uitritten te willen richting de Meent of een verplaatsing van de huidige uitrit. b. De reclamanten willen niet dat de voorgevel van de Meent 9 verplaatst wordt voor het creëren van een buitenrijbaan. Hierdoor kunnen er bebouwingsmogelijkheden ontstaan die niet gewenst zijn door de buurtbewoners. c. Er is onduidelijkheid over hoe regel 5.1.2 geïnterpreteerd kan worden: in afwijking van het bepaalde onder a mogen bijgebouwen, overkappingen, erf - en terreinafscheidingen en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tevens buiten het bouwvlak worden gebouwd De bewoners uiten hun zorgen over het mogelijk verloren gaan van het vrije uitzicht richting de Meent.

Antwoord

a. Wij begrijpen de zorgen van reclamant ten aanzien van het ontstaan van meerdere inritten. Om dit te voorkomen krijgt de bestaande inrit, waar die in de agrarische bestemming ligt, de functieaanduiding ‘ontsluiting’. Daaraan koppelen we in de bestemmingsomschrijving een bepaling die maakt dat inritten, uitritten en erftoegangswegen ten behoeve van de woonbestemming uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van die aanduiding. De bestaande inrit is daarmee onverplaatsbaar en er is en blijft maar één inrit beschikbaar om op de Meent te komen. b. De voorgevel(lijn) wordt niet verplaatst ten behoeve van de realisatie van een paardenbak. Zie ook de beantwoording onder 1a. c. Hier wordt wellicht de term bestemmingsvlak verward met bouwvlak. Bijgebouwen zijn toegestaan binnen en buiten het bouwvlak. Bij elke woning is op grond van het bestemmingsplan maximaal 80 m² aan bijgebouwen toegestaan. Deze moeten echter wel binnen de woonbestemming gerealiseerd worden. De woonbestemming ligt op ruim 120 meter vanaf de woningen van reclamanten, het vrije uitzicht wordt hiermee volgens voldoende gewaarborgd. d. De initiatiefnemer heeft het plan om de activiteiten met paarden te beëindigen. Derhalve zal er geen sprake meer zijn van het houden van paarden. Zie antwoorden onder 1a. e. Er is onderzoek uitgevoerd door adviesbureau Groenewold Natuur & Milieu.

Hieruit kwam de conclusie dat de natuurregelgeving de uitvoerbaarheid van het bouwplan niet in de weg staat. Nu de afwijkingsbevoegdheid voor buitenrijbakken geschrapt wordt is de plaatsing van lichtmasten ook niet meer aan de orde. f. Het gebruik ten behoeve van kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is in heel het buitengebied toegestaan. Geregeld is dat het oppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een aan-huisgebonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten maximaal 50 m2 van het vloeroppervlak van de betrokken woning inclusief de

4

Nr.

Zienswijze d. De vraag is er of het realiseren van de buitenrijbaan ten behoeve van paarden een bedrijfsmatige functie heeft. Dit staat volgens de bewoners haaks op de oorspronkelijke plannen waarin er juist rust voorgelegd werd. Daarnaast is het niet wenselijk dat dit gerealiseerd wordt in de voorlijn van de bebouwing en 50 meter ten opzichte van te de woningen. e. De lichtmasten van 8 meter zijn volgens de buurtbewoners zowel verstorend als onwenselijk binnen de 250 meter voor hun huis. Zij uiten ook hun zorgen over de gevolgen voor de natuur en dierenwelzijn. f. De reclamanten willen inzicht in de reikwijdte van de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten inclusief de verkoopactiviteiten. Grote bedrijvigheid is volgens hen onwenselijk. g. De reclamanten willen duidelijkheid wat er bedoeld wordt met een bouwwerk met een maximale opp. van 1000 m2. Een groot bouwwerk is onwenselijk.

Antwoord bijgebouwen bedraagt. Daarnaast is geregeld dat uitsluitend ten behoeve van de kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten beperkte verkoop van artikelen is toegestaan. Gedacht kan worden aan een kapper aan huis waar ook verzorgingsproducten worden verkocht. Aangezien dit bij elke woning in het Buitengebied is toegestaan zien wij geen aanleiding dit voor deze woningen te verbieden. Het zijn kleinschalige activiteiten die wij, onder de gestelde voorwaarden, vinden passen bij elke woning in het buitengebied. g. Deze regel heeft betrekking op de archeologische waarde van de gronden en regelt wanneer er een archeologisch onderzoek nodig heeft. In dat kader wordt de 1.000 m2 genoemd. Het bestemmingsplan maakt een dergelijk bouwwerk dus niet mogelijk. Er is aangesloten bij de archeologische waarden zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied. Gelet op de eenduidigheid is het niet wenselijk te aan te passen. Deze zienswijze geeft aanleiding het bestemmingsplan aan te passen. De bestaande inrit wordt op de Verbeelding voorzien van de aanduiding ‘ontsluiting’. Daaraan wordt in de bestemmingsomschrijving een bepaling gekoppeld die maakt dat inritten, uitritten en erftoegangswegen ten behoeve van de woonbestemming uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van die aanduiding.

5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/1226/documents/34242