04 Nota beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Voskuilerdijk 26 2
Tekst van het document
Nota beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Voskuilerdijk 26, Woudenberg Het ontwerpbestemmingsplan Voskuilerdijk 26 heeft gedurende zes weken voor eenieder ter visie gelegen, van 29 december 2023 tot en met 8 februari 2024. Gedurende de periode van ter inzagelegging zijn er 10 zienswijzen ingediend. Na de ingebrachte zienswijzen is het plan aangepast en heeft een tweede participatieronde plaatsgevonden en heeft initiatiefnemer verzocht om een gewijzigd plan vast te stellen. In deze Nota van beantwoording zienswijze ontwerpbestemmingsplan Voskuilerdijk 26 zijn de zienswijzen samengevat en voorzien van een antwoord. Nr. 1 Voskuilerdijk 13
Zienswijze 1 De indieners van deze zienswijze maken bezwaar tegen het ontwerpbestemmingsplan voor de uitbreiding van de mestvergister op Voskuilerdijk 26. Zij stellen dat de uitbreiding in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en niet voldoet aan de geldende wet- en regelgeving. In de eerste plaats omdat niet duidelijk is waarom de ruimtelijke binding tussen de twee bedrijfsonderdelen gewijzigd is. Daarnaast meent zij dat de ontwikkeling in strijd is met hetgeen is vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan.
2 Het beoogde bestemmingsplan is niet uitvoerbaar wegens een evidente privaatrechtelijke belemmering: de eigenaar van delen van de Voskuilerdijk (in het bijzonder de toegangsweg naar nummer 24, 26, 28) staat de uitbreiding van het gebruik daarvan, door een toename van verkeer, niet toe.
1
Antwoord 1 De ontwikkeling is inderdaad in strijd met het geldende bestemmingsplan, daarom ook dit voorstel tot herziening van de bestemming op de locatie Voskuilerdijk 26. Er is en blijft wel een binding tussen beide bedrijfsonderdelen. O.a. gezamenlijk delen van de bedrijfswoning en delen van het erf en de totaal inrichting. De verdeling in twee verschillende bestemmingsvlakken heeft geen nadelige invloed op de ruimtelijke ordening. Maar met de splitsing wordt, zoals gedeputeerde staten van de Provincie Utrecht in hun zienswijzen (nummer 9) terecht opmerken, recht gedaan aan het niet agrarische karakter van de mestvergistingsinstallatie. Er is een duidelijk verschil tussen de activiteiten van de vergister en het agrarisch bedrijf en waarbij de omvang van beide activiteiten zodanig is dat geen sprake is van ondergeschiktheid. Van een dubbelbestemming kan ook geen sprake meer zijn nu geen sprake is van een rangorde. De Regeling Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) geeft aldus aanleiding tot de toekenning van beide verschillende bestemmingen. Door het verschil in bestemming wordt ook duidelijk welke gronden en gebouwen bij welke functie horen en is menging van functies niet meer mogelijk. Naar aanleiding van deze zienswijzen is de motivering in de toelichting van het bestemmingsplan op onderdelen aangepast/aangevuld.
2 Gesteld wordt dat het bestemmingsplan niet uitvoerbaar is nu de eigenaar van de weg (Roffelaarskade zijweg/uitrit van de Voskuilerdijk) geen toestemming geeft tot intensivering van het gebruik daarvan. Dit is een privaatrechtelijke kwestie. Initiatiefnemer geeft aan een “niet beperkt” recht van overpad (erfdienstbaarheid) te hebben over deze weg. Daarmee kan dus gebruik gemaakt worden van de weg. Als de eigenaar dat wil beperken zal men een juridische discussie (rechtszaak) moeten starten. Dit staat niet aan de vaststelling van het bestemmingsplan in de weg nu daarvoor sprake moet zijn van
3 Het beoogde bestemmingsplan voldoet niet aan de omgevingsvisie van de Provincie Utrecht en de RES-regio Amersfoort. Het project zal met name niet passen in de RES nu het grootschalig van omvang heeft en in de REStoepassing van bio massa als energiebron slechts als overgangsmiddel is voorzien. Ook zou niet gemotiveerd zijn dat het project bijdraagt aan een CO2-emissiereductie.
4 Gesteld wordt dat sprake is van onvoldoende ruimtelijke scheiding. De afstand tussen de bedrijfsbestemming en de woonbestemming is, volgens de maatschap ten onrechte, ten opzichte van de gevel van de woning op het adres Voskuilerdijk 28 en niet tot de grens van het agrarisch bouwblok gemeten.
5 Gesteld wordt dat de gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling met betrekking tot geluid en luchtkwaliteit onvoldoende onderzocht en onderbouwd zijn. In de paragrafen 4.1.3 en 4.1.4 ontbreekt een onderbouwing voor de stelling dat het project niet in betekende mate bijdraagt als bedoeld in de regeling NIBM. Daarnaast is onrechte van
2
een belemmering om het plan uit te voeren die zonder nader onderzoek duidelijk is (het evidentie-criterium). Daarvan is op dit moment geen sprake. Met andere woorden is een civiel vonnis nodig om de vaststelling van het bestemmingsplan te voorkomen en dat staat buiten de bevoegdheden van de gemeenteraad. Daarmee geeft deze zienswijze geen aanleiding om het bestemmingsplan niet vast te stellen. 3 De zienwijzen van de provincie Utrecht (zie onder 9) maken duidelijk dat geen sprake is van strijd met de provinciale omgevingsverordening. Ten aanzien van de RES-regio Amersfoort het volgende; het eerste doel van RES 1.0 is de grootschalige opwek van energie doormiddel van zon en wind. In de RES 1.0 (pagina 44) wordt onder het onderdeel ‘lokale restwarmte’ verwezen naar deze Woudenbergse producent van groen gas via mestvergisting. Tevens wordt aangegeven dat er regionale bereidheid bestaat om soortgelijke initiatieven toe te staan met gebruik van lokale mest. Daarmee is het zeker geen sprake van een overgangsmiddel. Zowel het RES-document als het college zien een waardevolle rol voor groen gas uit mest binnen het warmteen energiesysteem.
De motivering van de toelichting is wel aangepast, want zoals uit de aanmeldnotitie blijkt, komt in de huidige situatie CO2 vrij, in de nieuwe situatie wordt dat volledig wordt opgevangen, vloeibaar gemaakt en verkocht ten behoeve van de glastuinbouw waar het weer gebruikt wordt. 4 Planologisch was de scheiding inderdaad te beperkt, omdat de bedrijfswoning van nummer 28 binnen het bouwvlak nog verplaatst zou kunnen worden naar het zuiden. Nu blijkt dat deze eigenaren nooit de intentie hebben om de woning te verplaatsen, wordt in overleg met die eigenaren voorgesteld om als onderdeel van dit bestemmingsplan ook de bestemming van Voskuilerdijk 28 aan te passen, door op te nemen dat de bedrijfswoning niet verplaatst mag naar het zuiden in het bouwvlak. Daarmee wordt zeker gesteld dat de afstand tussen bedrijfsbestemming en de woning van derden voldoet. 5 Inmiddels heeft initiatiefnemer een akoestisch onderzoek naar bedrijfslawaai en een geuronderzoek laten uitvoeren. De conclusie daarvan is verwerkt in de toelichting van het bestemmingplan. Die onderzoeken geven geen aanleiding het bestemmingsplan aan te passen.
een geluidsonderzoek is afgezien. Ook had de luchtvervuiling gemeten moeten worden nu het project niet specifiek in de regeling NIBM is vermeld. 6 Er wordt op gewezen dat de MER-beoordeling onjuist heeft plaatsgevonden. In de toelichting wordt de mestvergistingsinstallatie ten onrechte beoordeeld als vermeld in categorie D.22.1. Er is sprake van een installatie als bedoeld onder D.18.2, de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, maar ook als een chemische behandeling van niet gevaarlijke afvalstoffen zoals bedoeld in categorie C.18.4. Tevens wordt opgemerkt dat de aanmeldnotitie niet met het ontwerp ter inzage is gelegd.
7 Men meent dat met betrekking tot het aspect geur ten onrechte niet aan het activiteiten-besluit is getoetst.
8 Er is niet getoetst aan het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) getoetst. Ook meent men dat, nu niet duidelijk is hoe het biogas wordt vervoerd, aan het Besluit
3
6 Door een misverstand heeft de MER-aanmeldnotitie niet ter inzage gelegen, zoals terecht wordt geconstateerd. Dit kan en zal hersteld worden. Blijkens een uitspraak van de Raad van State, is dat zelfs toegestaan in een bestuurlijke lus tijdens het beroep en daarmee dus ook in deze fase (ECLI:NL:RvS:2023:2115). In deze wordt bij het vaststellingsbesluit de MER-aanmeldnotitie toegevoegd en door de gemeenteraad een besluit genomen. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat de voorgenomen activiteit geen belangrijke milieugevolgen heeft zodat voor de mestvergisting geen milieueffectrapportage noodzakelijk is. Dit plan voorziet niet in een toename van de veebezetting en is daarmee niet rechtstreeks plan-m.e.r.-, project-m.e.r. of m.e.r.beoordelingsplichtig. Omdat het planvoornemen wel een activiteit (wijziging inrichting) betreft zoals genoemd in lijst D is een vormvrije m.e.r. beoordeling nodig. De vormvrije m.e.r.aanmeldnotitie is opgenomen als Bijlage 8 van het bestemmingsplan. De gemeenteraad wordt gevraagd samen met de vaststelling van het bestemmingsplan een MER-beoordelingsbesluit nemen en dit besluit met de aanmeldnotitie en het vaststellingsbesluit ter inzage te leggen. Doordat een eventueel beroep niet beperkt is tot hetgeen in een zienswijze tegen het ontwerp bestemmingsplan naar voren is gebracht worden indieners hiermee niet in hun belangen geschaad.
7 De indiener van de zienswijze gaat er hierbij aan voorbij dat het activiteitenbesluit een toetsingskader is voor een omgevingsvergunning en niet voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is van belang om aan te tonen of een acceptabel leef- en woonklimaat geboden kan worden. Hierbij kunnen afstandsnormen worden toegepast. Dat is in de onderhavige kwestie gebeurd. Ter geruststelling van de indiener van de zienswijze is een aanvullend geuronderzoek conform het activiteitenbesluit gedaan waaruit blijkt dat het aspect geur niet aan de vaststelling van het bestemmingsplan in de weg staat. 8 De indiener gaat er hierbij aan voorbij dat geen van beide aangehaalde besluiten op de vaststelling van het onderhavige bestemmingsplan van toepassing is. De veiligheidsregio Utrecht
externe veiligheid transport routes (Bevt) moet worden getoetst.
9 Gesteld wordt dat dat met betrekking tot de aspecten archeologie, cultuurhistorie en monumenten ten onrechte uit wordt gegaan van onderzoeken die ouder zijn dan twee jaar. Gewezen wordt op een verschrijving op grond waarvan men concludeert dat de onderzoeken ook inhoudelijk onzorgvuldig zijn.
4
(VRU) in deze het adviesorgaan voor externe veiligheid heeft ook een positief advies geven op het ontwerpbestemmingsplan. Het Bevb betreft op grond van artikel 2 van dat besluit, alleen aangewezen stoffen en men maakt niet aannemelijk dat dit ook biogas betreft. Op grond van artikel 3 van het besluit geldt dit besluit niet voor buisleidingen die deel uitmaken van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Het gehele plangebied betreft de inrichting waarmee eventuele buisleidingen binnen het plangebied daarvan dus deel uitmaken. Voor verder transport buiten het plangebied wordt gebruik gemaakt van de bestaande infrastructuur, het reguliere gasnet, dat al aan het betreffende besluit dient te voldoen. Binnen het plangebied worden geen nieuwe kwetsbare objecten toegelaten, het betreft hier immers een kippenschuur en een mestvergistingsinstallatie. Het Bevt is daarmee niet op de toetsing van het onderhavige bestemmingsplan van toepassing. 9 In de toelichting was een citaat opgenomen uit de vaststelling in 2022 van de Actualisatie van de archeologische verwachtingenkaart en archeologiebeleid gemeente Woudenberg. Dat gaf mogelijk het beeld dat sprake was van standaard teksten. De toelichting wordt op dit punt aangepast. Naar aanleiding van deze zienswijze worden ook de regels aangepast.
In het ontwerpplan stond een vertaling van de archeologische verwachting kaart, die correct was, maar door het hanteren van andere aanduidingen afweek van het oorspronkelijke bestemmingsplan. Voorgesteld wordt om dit te wijzigen en aan te sluiten bij de oorspronkelijke regels. Dat maakt dat voor de locatie van de pluimveestal een nadere archeologische onderbouwing onderdeel uit zal moeten maken van de vergunning. Er is geen enkele aanleiding voor de veronderstelling dat vanwege grond van een eenvoudige verschrijving het archeologisch onderzoek onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Ook is de stelling dat onderzoeken die ouder zijn dan twee jaren, per definitie verouderd zijn en dus niet bruikbaar in een procedure als de onderhavige onjuist. Artikel 3.1.1a Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bepaalt dat “in ieder geval gebruik kan worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar”. Niet is bepaald dat van oudere onderzoeken in geen geval gebruik mag worden gemaakt. Er worden ook geen inhoudelijke argumenten naar voren gebracht waarvan moet worden geconcludeerd dat het onderzoek inhoudelijk verouderd is. Het is ook zeer onwaarschijnlijk dat de laatste jaren op het erf van
10 De indieners van de zienswijzen menen dat het bestemmingsplan dient te vermelden dat uit te voeren bouwwerkzaamheden op grond van de wet natuurbescherming alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden.
11 Met betrekking tot de stikstofberekening wordt opgemerkt dat deze onjuist en onvolledig is.
12 Gevreesd wordt door een toename van het verkeer onveilige situaties zullen ontstaan. Ten eerste wijst men erop dat de uitbreiding leidt tot een verdubbeling van de verwerkingscapaciteit, terwijl het huidige bestemmingsplan hiervoor geen ruimte biedt. Ten tweede wordt de vrees dat door een toename van het verkeer onveilige situaties zullen ontstaan, benoemd. Gesteld wordt dat de wegen in de omgeving verkeerstechnisch niet geschikt zijn om per dag 12 á 13 vrachtwagens te verwerken. De wegen kennen geen ruimte om twee vrachtwagens langs elkaar te laten rijden.
5
initiatiefnemer archeologische waarden aan het bodemarchief zijn toegevoegd. Het plan vindt overwegend plaats op gronden die in het verleden al geroerd zijn en in het bestemmingsplan is een archeologische bescherming opgenomen die past bij de verwachtingswaarde. Hetzelfde geldt ten aanzien van de aspecten cultuurhistorie en monumenten. De aanwezige bebouwing, stallen en de mestvergistingsinstallatie zijn niet als monument aangewezen. 10 Men gaat eraan voorbij dat het toetsen aan de Wet natuurbescherming (Wnb) pas aan de orde komt in een procedure op grond van die wet (ECLI:NL:RvS:2022:1386, r.o. 5.1), dus de vergunningprocedure. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet de gemeenteraad slechts beoordelen of deze op voorhand in redelijkheid moet inzien dat de Wnb aan de uitvoering van het bestemmingsplan in de weg staat. De raad behoeft dus niet aan te tonen dat een vrijstelling of ontheffing niet nodig is of verleend kan worden. De raad kan en mag geen voorschriften zonder ruimtelijke relevantie in het bestemmingsplan opnemen. Aan dit verzoek kan dan ook niet voldaan worden. 11 De stelling dat de stikstofberekening onjuist is wordt op geen enkele manier onderbouwd. De initiatiefnemer heeft kennisgenomen van de gewijzigde jurisprudentie op dit gebied en heeft daarom een nieuwe berekening uit laten voeren. Deze is toegevoegd aan het bestemmingsplan.
Nu interne saldering niet meer plaats mag vinden bij de voortoets is een zogenaamde passende beoordeling noodzakelijk. Deze heeft plaatsgevonden en hieruit blijkt dat het plan geen significante gevolgen voor Natura 2000 gebieden kan veroorzaken. De stikstofuitstoot zal zelfs afnemen. 12 Met de uitbreiding van de capaciteit van de mestvergister zal het vrachtverkeer toenemen. Dit betreft een kwantitatieve verandering. De aard van het verkeer, vrachtwagens, blijft ongewijzigd. Het zijn voertuigen die normaal zijn in de onderhavige agrarische omgeving waar landbouwproducten aanen afgevoerd dienen te worden en zware landbouwvoertuigen tot het normale verkeer behoren. Naar aanleiding van de zienswijzen is een nader verkeersonderzoek gedaan, welke is toegevoegd aan de toelichting. Door de verdubbeling van de co-vergister zal het vrachtverkeer toenemen van ca. 6-7 per dag naar 11 à 12 vrachtwagens per dag. Dit laat zien dat de toename van het verkeer niet zodanig is dat hierdoor een andere verkeerssituatie
13 Gezien deze gebreken verzoeken de indieners de gemeenteraad om het bestemmingsplan niet vast te stellen. Zij dringen aan op een zorgvuldige heroverweging van de plannen en een bredere discussie over de wenselijkheid van een grootschalige mestverwerkings-installatie op deze locatie.
zoals congestie, ontstaat. Uit het onderzoek van BonoTraffics d.d. 15 november 2024 blijkt op pagina 6 dat de breedte van de weg zodanig is dat fietsers, vrachtwagens normaal kunnen passeren. De intensiteit van het verkeer ter plaatse hangt niet exclusief samen met de onderhavige planologische wijziging. Ook zonder de wijziging van de bestemming, kunnen, binnen bestaande bestemmingsplan-voorschriften, aanwezige activiteiten worden uitgebreid, die meer verkeer tot gevolg zouden hebben. Er is geen sprake van een excessieve toename van verkeer. De wegen in de omgeving behoren het normale verkeer ter plaatse te kunnen verwerken. Naar aanleiding van de gewenste planologische wijziging verandert het verkeer niet zodanig dat sprake is van een niet acceptabele verkeersafhandeling die niet binnen de aan de wegen in het buitengebied te stellen normen voldoet. In 2026 wordt de Voskuilerdijk voorzien van grasbetonblokken waarmee uitwijken voor verkeer makkelijker en daarmee veiliger wordt. Wij gaan daarnaast als gemeente in overleg met de buurt om te bezien welke andere maatregelen het veiligheidsgevoel van dit deel van de Voskuilerdijk kunnen versterken. 13 Bij de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan was bekend dat er op onderdelen nog onduidelijkheden waren, die in de vaststellingfase hersteld zouden moeten worden.
In deze zienswijze is terecht gewezen op een aantal van deze gebreken. Inmiddels heeft initiatiefnemer de nadere onderzoeken uitgevoerd, gesproken met de buren en op basis daarvan aan de gemeenteraad gevraagd om het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen. Het zijn veel wijzigingen, maar allemaal wel gericht op het verbeteren en juridisch duidelijker maken van het plan. Er komen geen nieuwe activiteiten bij of andere onderwerpen die bij het ontwerpplan niet in beeld waren. Wij zien dan ook geen aanleiding om het bestemmingsplan niet vast te stellen en de hele procedure opnieuw te starten. Wij zien wel aanleiding voor een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan. Conclusie: Deze zienswijze geeft aanleiding om het bestemmingsplan op onderdelen gewijzigd vast te stellen en de Raad zal voorgesteld worden om een standpunt in te nemen over de aanmeldnotitie en dit samen met het vaststellingsbesluit ter inzage leggen. Toegevoegd worden; een nieuwe stikstof berekening,
6
onderzoek bedrijfslawaai en geuronderzoek, aanvullende verkeersonderzoek. Het bouwvlak van Voskuilerdijk 28 wordt toegevoegd aan het bestemmingsplan en deels voorzien van een aanduiding geen bedrijfswoning. 2 Voskuilerdijk 15
1 De indiener van deze zienswijze maakt bezwaar tegen het ontwerpbestemmingsplan voor Voskuilerdijk 26. Hij is geraakt door de plannen om een industriële bestemming toe te voegen aan het landelijke gebied en vreest dat dit de omgeving en het buitengebied onherstelbaar zal aantasten.
2 Een belangrijk punt van zorg is de verkeersveiligheid. De Voskuilerdijk is een smalle weg zonder uitwijkmogelijkheden, en de bermen worden door het zware vrachtverkeer voortdurend vernield. De indiener vreest dat de sterke toename van transportbewegingen gevaarlijke situaties zal opleveren, vooral voor schoolgaande kinderen en recreanten. Wandelaars en fietsers, die gebruikmaken van onder andere het Klompenpad, zullen geconfronteerd worden met een veel onveiligere omgeving.
7
Motivering in de toelichting wordt gevuld en verbeterd 1 De keuze om de co-mestvergister van een andere bestemming te voorzien is heeft een planologisch juridische achtergrond. Er is geen sprake (meer) van een nevenfunctie die ondergeschikt is aan de agrarische functie en daarmee is het bestemmen als nevenfunctie niet langer gepast. Neemt niet weg dat er nog steeds sprake is van een samenhang tussen beide functies op dit erf. Het effect op de omgeving veranderd niet door er nu twee afzonderlijke bestemmingsvlakken van te maken. Een mestvergistingsinstallatie is, ondanks het industriële karakter, gebonden aan het buitengebied. Naast eigen mest, verwerkt het bedrijf ook mest afkomstig van agrarische bedrijven uit de omgeving. De gebouwen worden landschappelijk ingepast. 2. Naar aanleiding van de zienswijzen is een nader verkeersonderzoek gedaan, welke toegevoegd zal worden aan de toelichting. Met de uitbreiding van de capaciteit van de mestvergister zal het vrachtverkeer toenemen. Dit betreft een kwantitatieve verandering. De aard van het verkeer, vrachtwagens, blijft ongewijzigd. Het zijn voertuigen die normaal zijn in de onderhavige agrarische omgeving waar landbouwproducten aan- en afgevoerd dienen te worden en zware landbouwvoertuigen tot het normale verkeer behoren.
Naar aanleiding van de zienswijzen is een nader verkeersonderzoek gedaan, welke is toegevoegd aan de toelichting. Door de verdubbeling van de co-vergister zal het vrachtverkeer toenemen van ca. 6-7 per dag naar 11 à 12 vrachtwagens per dag. Dit laat zien dat de toename van het verkeer niet zodanig is dat hierdoor een andere verkeerssituatie zoals congestie, ontstaat. Uit het onderzoek van BonoTraffics d.d. 15 november 2024 blijkt op pagina 6 dat de breedte van de weg zodanig is dat fietsers, vrachtwagens normaal kunnen passeren. De intensiteit van het verkeer ter plaatse hangt niet exclusief samen met de onderhavige planologische wijziging. Ook zonder de wijziging van de bestemming, kunnen, binnen bestaande
3 Daarnaast wijst de indiener op de onlogische locatiekeuze voor de uitbreiding. De opgewekte energie wordt getransporteerd naar Scherpenzeel, terwijl de omwonenden er geen enkel voordeel van ondervinden. Bovendien was de mestvergister oorspronkelijk bedoeld voor mest afkomstig van het melkveebedrijf 'De Zevenmorgen' en het traditionele leghennenbedrijf 'Nieuw Sniddelaar'. Nu De Zevenmorgen is verkocht en biologisch is geworden en ook het leghennenbedrijf wordt omgeschakeld naar biologische bedrijfsvoering, zal er geen mest meer van het eigen bedrijf worden verwerkt. Dit betekent dat alle mest van buitenaf moet komen, wat leidt tot een nog grotere toename van het vrachtverkeer.
4 Ook zet de indiener vraagtekens bij de noodzaak van de uitbreiding. De ondernemers hebben een woning in Scherpenzeel gekocht en zullen deze binnen een jaar betrekken. Er zijn geen opvolgers voor het bedrijf, wat
8
bestemmingsplan-voorschriften, aanwezige activiteiten worden uitgebreid, die meer verkeer tot gevolg zouden hebben. Er is geen sprake van een excessieve toename van verkeer. De wegen in de omgeving behoren het normale verkeer ter plaatse te kunnen verwerken. Naar aanleiding van de gewenste planologische wijziging verandert het verkeer niet zodanig dat sprake is van een niet acceptabele verkeersafhandeling die niet binnen de aan de wegen in het buitengebied te stellen normen voldoet. In 2026 wordt de Voskuilerdijk voorzien van grasbetonblokken waarmee uitwijken voor verkeer makkelijker en daarmee veiliger wordt. Wij gaan daarnaast als gemeente in overleg met de buurt om te bezien welke andere maatregelen het veiligheidsgevoel van dit deel van de Voskuilerdijk kunnen versterken. 3 Er is sprake van een uitbreiding van een bestaande voorziening, niet van een nieuwe vestiging. Daarmee wordt ook gebruik gemaakt van alle reeds aanwezige voorzieningen, zoals het leveren van gas naar het gasnet in Scherpenzeel. De omstandigheid dat omwonenden wel of geen voordeel hebben van een voorgenomen bedrijfsactiviteit die door een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, is in deze procedure niet relevant er is immers sprake van een overwegend bestaande situatie.
Opgemerkt kan worden dat de onderhavige activiteit grote milieuvoordelen heeft, zowel voor wat betreft de mestverwerking als de energieopbrengst. Ook in de oorspronkelijke situatie werd mest van derden (uit de omgeving) verwerkt. Planologisch is niet relevant of de mest van een ander bouwperceel is dat eenzelfde of een andere eigenaar kent. In het ontwerpplan was inderdaad nog het beeld dat het pluimveebedrijf op nummer 26 over zou schakelen naar een biologische bedrijfsvoering en daarmee geen eigen mest meer zou leveren. Dit plan is aangepast de pluimveetak wordt wel geëxtensiveerd, maar niet richting biologisch. Het aantal dieren zal ten opzichte van de huidige bezetting worden verlaagd tot 42.000 stuks in een grotere stal. Hiertoe wordt ook het bouwvlak aangepast. Daarmee zal de “eigen mest” in de vergister verwerkt blijven worden. Het verwerken van mest uit de regio, waarvan veel uit Woudenberg, heeft een voordeel voor de bredere sector in de regio. 4 Planologisch is niet relevant dat de eigenaar inmiddels zelf verhuisd is naar Scherpenzeel. Er is en blijft een bedrijfswoning ten behoeve van beide functie en dat wordt in de regels nader verduidelijkt. Daarmee is blijvend toezicht en betrokkenheid
betekent dat de onderneming waarschijnlijk binnen een decennium zal worden verkocht. Dit zou betekenen dat de omwonenden langdurig met de nadelige gevolgen blijven zitten, terwijl de huidige eigenaar daar niet meer mee geconfronteerd wordt.
5 Tot slot benadrukt de indiener dat het zijn boerenhart pijn doet om te zien dat een industriële bestemming wordt ingetekend in een agrarisch landschap. Hij vindt dat een opsplitsing van het bouwblok in een grotere agrarische bestemming en een industriële bestemming niet passend is in deze streek. Hij staat volledig achter de zienswijze van Voskuilerdijk 13 en verzoekt de gemeenteraad dringend om het bestemmingsplan niet vast te stellen.
3 Voskuilerdijk 24
1 Sinds de ingebruikname van de huidige vergister in 2018 ervaren de indieners ernstige en voortdurende stankoverlast, die hun woongenot aantast. Zij vrezen dat een uitbreiding de situatie verder zal verslechteren, terwijl uit ervaringen bij andere vergisters blijkt dat beloofde stankvermindering zelden wordt waargemaakt. 2 Gesteld wordt dat het ontwerpbestemmingsplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat zij deugdelijke garanties verlangen in de vorm van een geuronderzoek en “sloten op de deur voor het geval de geuremissie uit de klauwen loopt”. Zij verzoeken het bestemmingsplan niet vast te stellen omdat zij tegenover elk deskundigenrapport en stellingen van initiatiefnemer dat de geuroverlast meevalt, verklaringen van vrienden en bekenden in kunnen brengen. Opvallend volgens indieners is dat bij de bestemmingsplanstukken een geuronderzoek lijkt te ontbreken, terwijl een objectieve beoordeling van de
9
geborgd. Gezien de samenhang (korte afstand) tussen beide bestemmingen zal ook op lange termijn samenhang moeten blijven. Wij begrijpen het gevoel bij het feit dat de indiener van het plan inmiddels zelf niet meer op de locatie woonachtig is. Planologisch is dit echter niet relevant. Ten aanzien van de angst dat op termijn de covergister verkocht wordt aan een groter concern met minder affiniteit met de buurt is de samenhang tussen beide bedrijfsonderdelen en de verplichting hierover afspraken te maken en over te dragen bij vervreemding, tevens geregeld via de anterieure overeenkomst. 5 Het agrarisch landschap is ook binnen de agrarisch bedrijfsvoering de afgelopen decennia veranderd en zal blijven veranderen. Ook agrarisch gebouwen kennen een veel meer industrieel uiterlijk dat in het verleden. Het uiterlijk van de huidige maar ook de nieuwe installatie wordt beoordeeld op basis van de functie en de passendheid in de omgeving. Dat is voor de nieuwe installatie niet veel anders dan voor hetgeen er al staat. Conclusie: de zienswijze geeft aanleiding tot aanpassing en daarmee gewijzigde vaststelling. O.a. opname in de regels dat de bedrijfswoning ten dienste is van beide bestemmingen. 1 In een procedure zoals de onderhavige behoren de zienswijzen het ontwerpbestemmingsplan te betreffen en niet de bestaande situatie.
Indien daartoe aanleiding is kunnen omwonenden met betrekking tot de actuele situatie om handhaving verzoeken. Tot op heden is echter geen aanleiding geweest handhavend op te treden. Er wordt daarom uitgegaan van het gegeven dat het bedrijf aan de haar gestelde normen voldoet en ter plaatse dus sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. 2 Er heeft een geuronderzoek plaatsgevonden en dat wordt toegevoegd aan de toelichting. Hieruit blijkt dat de geurlast op de woning Voskuilerdijk 24 nauwelijks toe zal nemen en in alle gevallen zeer veel lager is dan de grenswaarde en niet of nauwelijks hoger dan de richtwaarde. In het rapport van Olfasense wordt geconstateerd dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Op basis van jurisprudentie mag de gemeenteraad een deskundigenrapport gebruiken ter onderbouwing van zijn besluit. De verklaringen van indieners van de zienswijzen betreffen niet concrete en niet onderbouwde verklaringen van niet deskundigen. Met het aanvullende rapport is aangetoond dat aan de te stellen geurnormen zal kunnen
geurimpact essentieel is.
3. Naast geurhinder ondervinden de indieners ook geluidslast, veroorzaakt door de continu draaiende pompen van de installatie, die een hinderlijke brom produceren
4 De extensivering van de pluimveehouderij is niet geborgd en zal in combinatie met de uitbreiding van de vergister leiden tot extra verkeersbewegingen. De extensivering van pluimveebedrijf is niet geborgd, daarmee niet zeker dat het biologisch blijft. Daarbij gaat biologische mest niet in de vergister. Hoe is zeker gesteld dat relatie tussen beide bedrijfsonderdelen blijft? Ook plaatsen men vraagtekens bij de ruimtelijke onderbouwing van de uitbreiding. De vergister was oorspronkelijk bedoeld als nevenactiviteit bij de pluimveehouderij, maar door de opschaling ontstaat in feite een zelfstandige industriële mestverwerkingsinstallatie, die niet langer direct verbonden is met agrarische bedrijfsvoering. Dit past volgens de indieners niet in het buitengebied en hoort eerder thuis op een industrieterrein. Verder wijzen de indieners erop dat de initiatiefnemer zelf inmiddels een woning in Scherpenzeel heeft gekocht en niet langer voornemens is om bij de mestvergister te blijven wonen. Dit roept de vraag op waarom omwonenden met de overlast moeten blijven zitten, terwijl de exploitant zelf de gevolgen van zijn bedrijfsvoering ontloopt.
10
worden voldaan. Deze normen dienen opgenomen te worden in een omgevingsvergunning of gelden rechtsreeks op grond van de wet. Zij vormen daarmee het gevraagde “slot op de deur”. Want die normen vormen een basis om kunnen vormen voor handhaving. Er is geen aanleiding of juridische basis om dit aanvullen ook in een bestemmingsplan op te nemen. 3 Ten aanzien van geluid geldt in deze procedure hetzelfde als ten aanzien van geur, zienswijzen behoren het ontwerpbestemmingsplan te betreffen en niet de bestaande situatie. Tot op heden is echter geen aanleiding geweest handhavend op te treden. Er wordt daarom uitgegaan van het gegeven dat het bedrijf aan de haar gestelde normen voldoet en ter plaatse dus sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Er is inmiddels een geluidrapport opgesteld dat zal worden toegevoegd aan de toelichting. In het rapport van Noorman (dat als bijlage 3 toegevoegd wordt aan de toelichting) wordt geconstateerd dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. 4 In de oorspronkelijke plannen van initiatiefnemer was sprake van een overschakeling van reguliere naar biologische pluimveehouderij. Hierbij was een afname van de maximale stalbezetting van 44.900 naar 41.880 leghennen en een toename van het staloppervlak noodzakelijk. Initiatiefnemer heeft besloten om af te zien van de omschakeling naar biologisch.
Daarmee blijft de mest geschikt om ook ter plaatse verwerkt te worden. In plaats van de verlenging van de aanwezige stallen, zoals voorzien in het oorspronkelijke ontwerp wordt nu uitbreiding van één nieuwe stal voorzien, met 42.000 dieren. Deze ver/nieuwbouw is noodzakelijk omdat de bestaande stallen inpandig versleten en verouderd zijn. De zuidelijke stal zal worden verlengd en de noordelijke stal zal worden gebruikt voor opslag van het pluimveebedrijf. Deze wijziging van inzichten heeft tot gevolg dat het bouwvlak anders wordt dan in het ontwerpbestemmingsplan. Doordat in de noordelijke stal geen vee mee gehouden mag worden, wordt de afstand tussen de pluimveestal en de woning nummer 24 groter. Zoals de provincie Utrecht in zienswijzen 9 ook erkend is met de uitbreiding van de capaciteit van de mestverwerker geen sprake meer van een ondergeschikte nevenfunctie. De aanpassing van de bestemming houdt niet in dat de verbinding tussen beide functies vervalt, zo blijft er o.a. sprake van een bedrijfswoning ten behoeve van beide functies. De mestverwerking wordt uitgebreid om dit bedrijfseconomisch
5 De indieners vrezen dat met een terugkeer naar reguliere pluimveehouderij ten onrechte het agrarisch bouwblok wordt vergroot. Daarnaast vrezen zij dat de initiatiefnemer voordeel zal genieten doordat beide bedrijfsonderdelen planologisch los worden gekoppeld. Zij menen dat vergisting van mest voor derden, als industriële functie, niet in het agrarisch gebied past.
6 Naast de milieuhinder vrezen de indieners een aanzienlijke toename van vrachtverkeer als gevolg van de uitbreiding. De mestvergister zal niet alleen meer mest verwerken, maar ook digestaat moeten afvoeren, terwijl de exploitant steeds minder eigen grond heeft om dit op uit te rijden. De extra transportbewegingen zorgen voor een grotere belasting van de Voskuilerdijk, een weg die nu al lijdt onder de impact van zwaar vrachtverkeer.
11
in stand te kunnen houden. Mestverwerking is, in algemene zin, noodzakelijk. Er is in de omgeving geen betere, alternatieve plaats voor deze functie, althans deze wordt in de zienswijze ook niet concreet aangewezen. Daarbij zou beëindiging van de mestverwerking een beperking van de algemene regionale mestverwerkingscapaciteit inhouden, wat ongewenst is. Er is ruimtelijk geen verplichting voor een eigenaar om bij een bedrijf te wonen, omgekeerd is wel het geval, een bedrijfswoning mag uitsluitend bewoond worden door de persoon (en diens huishouden) wiens huisvesting daar gelet op de aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is. Met de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan wordt deze noodzaak gekoppeld aan pluimveebedrijf en mestvergister. 5 Zoals hierboven gemeld is geen sprake meer van een plan voor biologische stallen, maar wordt juist voorgesteld om het bouwvlak op maat te maken voor 1 moderne pluimveestal. De angst dat een bestemmingsplan voorgesteld wordt voor een biologisch bedrijf dat later alsnog over kan gaan op regulier is dan ook onterecht en niet aan de orde. Het loskoppelen van beide onderdelen maakt niet dat er meer of iets anders kan. De bestemming bepaalt wat er mag. Door de splitsing in twee bestemmingen wordt voorkomen dat (wat in de vigerende situatie wel mogelijk was) het mestvergistingsbedrijf uit zo breiden via de agrarische bestemming.
Vanaf de start was sprake van mestvergisting van het eigen bedrijf en van derden. Het bedrijf biedt veel boeren uit de omgeving de kans om de mest op korte afstand te vergisten, zonder dat op elk erf een vergister nodig is. 6 Initiatiefnemer heeft een nadere verkeersonderbouwing op laten stellen, deze wordt toegevoegd aan de toelichting. Met de uitbreiding van de capaciteit van de mestvergister zal het vrachtverkeer toenemen. Dit betreft een kwantitatieve verandering. De aard van het verkeer, vrachtwagens, blijft ongewijzigd. Het zijn voertuigen die normaal zijn in de onderhavige agrarische omgeving waar landbouwproducten aanen afgevoerd dienen te worden en zware landbouwvoertuigen tot het normale verkeer behoren. Naar aanleiding van de zienswijzen is een nader verkeersonderzoek gedaan, welke is toegevoegd aan de toelichting. Door de verdubbeling van de co-vergister zal het vrachtverkeer toenemen van ca. 6-7 per dag naar 11 à 12 vrachtwagens per dag. Dit laat zien dat de toename van het verkeer niet zodanig is dat hierdoor een andere verkeerssituatie zoals congestie, ontstaat.
7 Daarnaast stellen de indieners vast dat de landschappelijke inpassing, die als voorwaarde in eerdere plannen was opgenomen, nooit volledig is gerealiseerd. Er is geen controle of handhaving geweest, en zij hebben er geen vertrouwen in dat de beloofde inpassing nu wél wordt nageleefd.
8 Gewezen wordt op het ontbreken van een MERaanmeldnotitie.
12
Uit het onderzoek van BonoTraffics d.d. 15 november 2024 blijkt op pagina 6 dat de breedte van de weg zodanig is dat fietsers, vrachtwagens normaal kunnen passeren. De intensiteit van het verkeer ter plaatse hangt niet exclusief samen met de onderhavige planologische wijziging. Ook zonder de wijziging van de bestemming, kunnen, binnen bestaande bestemmingsplan-voorschriften, aanwezige activiteiten worden uitgebreid, die meer verkeer tot gevolg zouden hebben. Er is geen sprake van een excessieve toename van verkeer. De wegen in de omgeving behoren het normale verkeer ter plaatse te kunnen verwerken. Naar aanleiding van de gewenste planologische wijziging verandert het verkeer niet zodanig dat sprake is van een niet acceptabele verkeersafhandeling die niet binnen de aan de wegen in het buitengebied te stellen normen voldoet. In 2026 wordt de Voskuilerdijk voorzien van grasbetonblokken waarmee uitwijken voor verkeer makkelijker en daarmee veiliger wordt. Wij gaan daarnaast als gemeente in overleg met de buurt om te bezien welke andere maatregelen het veiligheidsgevoel van dit deel van de Voskuilerdijk kunnen versterken. 7 Ook wij hebben geconstateerd dat eerder opgelegde landschappelijke inpassing (bij het wijzigingsplan uit 2015) niet volledig is aangebracht.
Daarom wordt nu naast de eis van inpassing die samenhangt met dit bestemmingsplan, geëist om ook de nog ontbrekende inpassing aan te brengen. Naar aanleiding van diverse zienswijzen heeft initiatiefnemer een nieuw inpassingsplan gemaakt en daarover gesproken met de direct omwonenden. Wij zijn van mening dat een nieuwe totale inpassing beter is, dan het eerst afmaken van een inmiddels verouderd inpassingsplan. Aanvullend wordt in de regels (anders dan in het verleden) een voorwaardelijke verplichting opgenomen en in de anterieure overeenkomst afspraken gemaakt die rekening houden met de praktijk (niet planten waar nog bouwverkeer komt) maar ook zeker stellen dat voorafgaand aan de omgevingsvergunning voor de activiteit bouw een deel van de aanplant al in uitvoering is. Daarmee is de zekerheid op naleving vergroot. 8 Terecht is geconstateerd dat de MER-aanmeldnotitie niet met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. De aanmeldnotitie wordt alsnog toegevoegd. De MERaanmeldnotitie is, wegens de veranderde plannen, voor het pluimveebedrijf een direct op de nieuwe situatie gericht. De MERaanmeldnotitie zal met het vaststellingsbesluit ter inzage worden
9 Gesteld wordt dat het voorliggende plan niet past in binnen de kaders van de Utrechtse Omgevingsverordening, nu het beoogde bestemmingsplan vergisters toestaat die niet in overeenstemming zijn met de schaal van de omgeving. 10 De indieners stellen vast dat het plan een ruimhartige wijzigingsbevoegdheid bevat, waardoor de bestemming in de toekomst zonder veel moeite kan worden aangepast naar bijvoorbeeld recreatie.
11 Indieners vinden het bezwaarlijk dat de initiatiefnemer van plan is zelf te verhuizen. Het bestemmingsplan biedt initiatiefnemer grote financiële voordelen zonder dat daar een duidelijke maatschappelijke meerwaarde tegenover staat. Ondertussen worden de nadelige gevolgen, zoals stankoverlast en extra vrachtverkeer, afgewenteld op de omwonenden. Om deze redenen verzoeken de indieners de gemeenteraad om de uitbreiding van de mestvergister niet toe te staan en zorgvuldig te overwegen of een grootschalige mestverwerkingsinstallatie op deze locatie wenselijk is.
13
gelegd. Nu blijkt dat de vaststelling van het bestemmingsplan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben hoeft één-en-ander niet in de weg te staan aan vaststelling van het bestemmingsplan. 9 In hun zienswijzen van 29 december 2023 (zie onder 9) hebben Gedeputeerde Staten van Utrecht expliciet overwogen het doel en opzet van het plan te kunnen onderschrijven. Zij hebben geen opmerking met betrekking tot de schaalgrootte en de omvang. Daarmee is voldoende en aanvullend aangetoond dat geen sprake is van strijd met de provinciale omgevingsverordening. 10 Naar aan leiding van deze zienswijze wordt voorgesteld om bij de vaststelling van het bestemmingsplan de wijzigingsbevoegdheden niet langer op te nemen. Deze geven onbedoeld de indruk dat op termijn op deze locatie een andere bedrijfsfunctie dan mestvergisting mogelijk is. Terwijl dat nadrukkelijk niet de bedoeling is. Daarnaast kan de juridische vorm “wijzigingsbevoegdheid” onder de inmiddels in werking getreden Omgevingswet niet meer gebruikt worden. 11 Planologisch is het bezwaar ten aanzien van de verhuizing van initiatiefnemer niet relevant. Binnen de bestemming blijft een bedrijfswoning aanwezig en daarmee ruimte voor bewoning en aanwezigheid van een eerste aanspreekpunt bij klachten en calamiteiten. Wij begrijpen het gevoel dat hiermee samenhangt wel.
Het raakt ook de zekerstelling dat ook op lange termijn sprake zal zijn van een bedrijfsvoering met korte lijntjes en contacten met de omgeving en een meerwaarde van de omgeving. De meerwaarde zien wij in de mogelijkheid voor lokale boeren om hun mest op korte afstand af te kunnen zetten en de rol van de installatie in de brede energie transitie, van groen gas en stroom en de optie om als netcongestie verzachter te kunnen dienen (verminderen pieken op het stroomnet in gebruik en levering). Dit maatschappelijk belang heeft, zo is aangetoond, beperkt en aanvaardbaar effect op de directe omgeving. Conclusie: naar aanleiding van deze zienswijze is gewijzigde vaststelling gewenst door: Toevoeging geuronderzoek, geluidrapport en verkeeronderzoek. Aanpassing en verduidelijking voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing in de regels. Wijzigingsbevoegdheid artikel 4 onder 4.6 laten vervallen en artikel 4 daarmee hernummeren.
4 Voskuilerdijk 28
1 De indieners van de zienswijze verzetten zich tegen het ontwerpbestemmingsplan voor Voskuilerdijk 26, waarin een uitbreiding van de mestvergister en kippenhouderij wordt voorgesteld. Ze wijzen erop dat de mestvergister oorspronkelijk bedoeld was voor eigen mest, maar door de verkoop van de boerderij en de overstap naar biologische kippenhouderij zal alle mest voortaan van buitenaf worden aangevoerd.
2 De uitbreiding en aanpassing van beide bedrijfsonderdelen zorgt voor een flinke toename van het aantal verkeersbewegingen, terwijl de huidige wegen al overbelast en beschadigd zijn.
14
MER aanmeldnotitie. 1 In de oorsprong is deze vergister inderdaad gestart voor de verwerking van de mest van een aantal eigen bedrijven, maar tevens voor de verwerking van mest van derden. Voor de ruimtelijke effecten is niet van belang wie de eigenaar is van een betreffend bedrijf. Immers een bedrijfsbestemming op afstand geeft dezelfde verkeersbewegingen ongeacht de eigenaar. In het ontwerpplan was inderdaad sprake van een omzetting van het agrarisch bedrijf naar biologisch pluimvee met het gevolg dat de mest uit het plangebied niet verwerkt kon worden in de vergister. Dat vonden ook wij een ongewenste situatie. Daarnaast zijn er marktomstandigheden waar door initiatiefnemer zijn plan gewijzigd heeft en ons verzocht heeft om het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen. Er blijft nu dan ook sprake van een pluimveebedrijf waarvan de mest verwerkt zal worden in de vergister. Omdat dit een ander stalsysteem betreft, zal het bouwvlak hierop aangepast worden. 2 Naar aanleiding van de zienswijze en de aanpassing van het plan voor het pluimveebedrijf is een nieuw en nadere verkeersonderzoek uitgevoerd. Met de uitbreiding van de capaciteit van de mestvergister zal het vrachtverkeer toenemen. Dit betreft een kwantitatieve verandering. De aard van het verkeer, vrachtwagens, blijft ongewijzigd.
Het zijn voertuigen die normaal zijn in de onderhavige agrarische omgeving waar landbouwproducten aanen afgevoerd dienen te worden en zware landbouwvoertuigen tot het normale verkeer behoren. Naar aanleiding van de zienswijzen is een nader verkeersonderzoek gedaan, welke is toegevoegd aan de toelichting. Door de verdubbeling van de co-vergister zal het vrachtverkeer toenemen van ca. 6-7 per dag naar 11 à 12 vrachtwagens per dag. Dit laat zien dat de toename van het verkeer niet zodanig is dat hierdoor een andere verkeerssituatie zoals congestie, ontstaat. Uit het onderzoek van BonoTraffics d.d. 15 november 2024 blijkt op pagina 6 dat de breedte van de weg zodanig is dat fietsers, vrachtwagens normaal kunnen passeren. De intensiteit van het verkeer ter plaatse hangt niet exclusief samen met de onderhavige planologische wijziging. Ook zonder de wijziging van de bestemming, kunnen, binnen bestaande bestemmingsplan-voorschriften, aanwezige activiteiten worden uitgebreid, die meer verkeer tot gevolg zouden hebben. Er is geen sprake van een excessieve toename van verkeer. De wegen in de omgeving behoren het normale verkeer ter plaatse
3 Indieners geven aan dat zij in de bestaande situatie geurhinder ondervinden. Zij vrezen een toename hiervan en wensen een geuronderzoek.
4. Digistraat niet meer zelf gebruiken door verkoop melkveebedrijf
5 Indieners geven aan dat zij in de bestaande situatie geluidhinder ondervinden. Zij vrezen een toename hiervan.
15
te kunnen verwerken. Naar aanleiding van de gewenste planologische wijziging verandert het verkeer niet zodanig dat sprake is van een niet acceptabele verkeersafhandeling die niet binnen de aan de wegen in het buitengebied te stellen normen voldoet. In 2026 wordt de Voskuilerdijk voorzien van grasbetonblokken waarmee uitwijken voor verkeer makkelijker en daarmee veiliger wordt. Wij gaan daarnaast als gemeente in overleg met de buurt om te bezien welke andere maatregelen het veiligheidsgevoel van dit deel van de Voskuilerdijk kunnen versterken. 3 In een procedure zoals de onderhavige behoren de zienswijzen het ontwerpbestemmingsplan te betreffen en niet de bestaande situatie. Indien daartoe aanleiding is kunnen omwonenden met betrekking tot de actuele situatie om handhaving verzoeken. Tot op heden zijn er geen verzoeken ingediend die aanleiding gaven tot handhavend op te treden. Wij moeten er daarom vanuit gaan van het gegeven dat het bedrijf aan de haar gestelde normen voldoet en ter plaatse dus sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Er heeft een geuronderzoek plaatsgevonden en dat wordt toegevoegd aan de toelichting. Hieruit blijkt dat de geurlast op de woning Voskuilerdijk 28 nauwelijks toe zal nemen en niet of nauwelijks hoger dan de richtwaarde. In het rapport van Olfasense wordt geconstateerd dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
In overleg tussen initiatiefnemer en de eigenaren van Voskuilerdijk 28 wordt verzocht om het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen. Met de wijziging wordt de afstand van het pluimveebedrijf tot de bedrijfswoning Voskuilerdijk 28 vergroot en zeker gesteld en wordt voorkomen dat op termijn de bedrijfswoning Voskuilerdijk 28 nog dichterbij vergund moet/kan worden . 4. Het melkveebedrijf is al enige tijd afgestoten en dit effect is dus ook zonder de voorliggende herziening van de bestemming al aan de orde. De mest van de Zevenmorgen ging in het verleden wel naar de vergister. Maar omdat de Zevenmorgen al een mestoverschot had kon er geen digistaat van de vergister naar de Zevenmorgen en wordt dus al lange tijd verkocht. 5 Ten aanzien van geluid geldt in deze procedure hetzelfde als ten aanzien van geur, zienswijzen behoren het ontwerpbestemmingsplan te betreffen en niet de bestaande situatie. Tot op heden is echter geen aanleiding geweest handhavend op te treden. Tot heden zijn bij het bestaande
6 Een ander punt van zorg is dat de initiatiefnemer zelf naar het dorp verhuist en dus geen overlast zal ervaren, terwijl omwonenden juist met de negatieve gevolgen worden geconfronteerd. Er is bovendien geen duidelijk aanspreekpunt bij calamiteiten.
16
bedrijf geen overtredingen van geluidsnormen geconstateerd. Er wordt daarom uitgegaan van het gegeven dat het bedrijf aan de haar gestelde normen voldoet en ter plaatse dus sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. Aanvullend geldt ten aanzien van geluid dat niet beleefde hinder als criterium bij het toetsen van de ruimtelijke plannen geldt, maar de vraag of een acceptabel woon- en leefklimaat geboden kan worden in de toekomstige situatie. Daarvoor wordt met betrekking tot geluid een afstandsnorm gesteld. Met betrekking tot het aspect geluid wordt voor de bedrijfscategorie 3.2, waaronder mestvergisters vallen, een afstandsnorm van 50 m gehanteerd in een gemengd woongebied. Aan deze norm wordt ruimschoots voldaan (Bedrijven en Milieuzonering VNG 2024). Hiervan kan naar aanleiding van specifiek geluidsonderzoek afgeweken worden, in dat geval worden de geluidsnormen uit de milieuregelgeving gehanteerd. Uit het plaatsgevonden onderzoek blijkt dat een acceptabel woon- en leefmilieu geboden kan worden. In de zienswijze wordt niet aannemelijk gemaakt of gesteld dat niet aan deze normen kan worden voldaan. 6 Het staat initiatiefnemer vrij om elders een woning te kopen. Dat staat dan ook los van de ontwikkelplannen op de locatie van het bestemmingsplan. Ruimtelijk is niet relevant of de eigenaar van een bedrijf hier wel of niet bij woont.
Er is en blijft een bedrijfswoning ten behoeve van beide functies. Wij stellen voor om dit met een aanpassing van de regels nader te verduidelijken. Met deze bedrijfswoning is blijvend toezicht en betrokkenheid geborgd. Gezien de samenhang (korte afstand) tussen beide bestemmingen zal ook op lange termijn samenhang moeten blijven. Wij begrijpen het gevoel bij het feit dat de indiener van het plan inmiddels zelf niet meer op de locatie woonachtig is. Planologisch is dit echter niet relevant. Wij begrijpen het gevoel dat hiermee samenhangt wel. Het raakt ook de zekerstelling dat ook op lange termijn sprake zal zijn van een bedrijfsvoering met korte lijntjes en contacten met de omgeving en een meerwaarde voor de omgeving. De meerwaarde zien wij in de mogelijkheid voor lokale boeren om hun mest op korte afstand af te kunnen zetten. De rol van de installatie in de brede energie transitie, van groen gas en stroom en de optie om als netcongestie verzachter te kunnen dienen (verminderen pieken op het stroomnet in gebruik en levering). Dit maatschappelijk belang heeft, zo is aangetoond, beperkt en aanvaardbaar effect op de directe omgeving. Een toekomstige eigenaar van de bedrijfslocatie zal niet meer of
7 Daarnaast wordt erop gewezen dat de aanvraag niet volledig is en niet alle benodigde documenten bevat, waardoor een zorgvuldige beoordeling moeilijk is.
8 De geplande uitbreiding lijkt in strijd met de Utrechtse omgevingsverordening, omdat het agrarische karakter verloren gaat en de activiteit feitelijk een industriële omvang krijgt. De omgevingsverordening Provincie Utrecht 2024 staat slechts vergisters toe die in overeenstemming zijn met de schaal van de bebouwde omgeving. Hieraan niet voldaan.
9 Wijzigingsbevoegdheden geven ruimte op termijn een andere bestemming te realisaren dan mestvergisting. Waardoor het terrein mogelijk een heel andere functie zou kunnen krijgen, zoals recreatie of kantoren.
10 Verzocht wordt om een voorschrift op te nemen dat alleen biologische kippen gehouden mogen worden.
11 De toegevoegde waarde van de uitbreiding van de vergister voor het bedrijf ontbreekt.
17
minder met het bestemmingsplan kunnen dan de huidige eigenaar. 7 Terecht is geconstateerd dat het ontwerpbestemmingsplan op onderdelen niet compleet of onduidelijk was, met name wat betreft de toelichting. Al deze punten worden in deze fase aangevuld en aangepast. Initiatiefnemer heeft gezien het grote aantal aanpassingen een aanvullend participatietraject doorlopen en alle buren opnieuw gesproken. Dit is verwerkt in een aanvulling op de participatie wijzer en in de voorstellen voor gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan. Hiermee zijn belangen van derden niet geschaad, aangezien tegen het vastgestelde bestemmingsplan een beroepsmogelijkheid open zal staan. 8. De activiteit wijzigt niet in aard en uitstraling. Er is ook geen sprake van beoordeling van een nieuw vestiging, maar van uitbreiding van een bestaande functie. Uitbreiding van de mestverwerking is noodzakelijk om te voorzien in de algemene behoefte aan mestverwerking, maar ook om het voortbestaan van dit deel van het bedrijf te waarborgen en daarmee kapitaalvernietiging tegen te gaan. De zienwijze van de provincie Utrecht (zie onder 9) maakt duidelijk dat geen sprake is van strijd met de provinciale omgevingsverordening. 9 Naar aan leiding van deze zienswijze wordt voorgesteld om bij de vaststelling van het bestemmingsplan de wijzigingsbevoegdheden niet langer op te nemen.
Deze geven onbedoeld de indruk dat op termijn op deze locatie een andere bedrijfsfunctie dan mestvergisting mogelijk is. Terwijl dat nadrukkelijk niet de bedoeling is. Daarnaast kan de juridische vorm “wijzigingsbevoegdheid” onder de inmiddels in werking getreden Omgevingswet niet meer gebruikt worden. 10. De aard van de veehouderij, biologisch of regulier, is ruimtelijk niet relevant en kan niet in de voorschriften van het bestemmingsplan worden vastgelegd. De onderliggende reden voor de wijziging van de bedrijfsvoering, waarvoor de ruimtelijke wijziging noodzakelijk is, is op zich planologisch niet relevant en nu verzocht wordt om het bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen omdat afgezien wordt van biologische kippen en de daarbij behorende omvang van stallen, is nog ook geen aanleiding meer voor dit verzoek. 11 De stallen aan het eind van hun technische levensduur en dienen vervangen te worden. Zowel financieel als bedrijfstechnisch is het bouwen van één schuur het meest
12 Men vreest dat door de gescheiden bestemmingen de mestvergister en kippenhouderij als aparte bedrijven worden neergezet om later afzonderlijk verkocht en uitgebreid te worden.
5 Voskuilerdijk 30
18
1 De bewoners van Voskuilerdijk 30 maken bezwaar tegen het ontwerpbestemmingsplan voor Voskuilerdijk 26, vooral vanwege de toename van zwaar vrachtverkeer. Ze geven aan dat de weg nu al overbelast is en dat verdere groei zal leiden tot nog meer schade aan de straat en bermen. Daarnaast vormt de hoge snelheid van de vrachtwagens een gevaar
rationele. Uitbreiding van de mestverwerking is noodzakelijk om te voorzien in de algemene behoefte aan mestverwerking, maar ook om het voortbestaan van dit deel van het bedrijf te waarborgen en daarmee kapitaalvernietiging tegen te gaan. Dit is nader gemotiveerd in een aanpassing van de toelichting. 12 De wijze van bestemmen heeft geen gevolgen voor de mogelijkheid om gronden of bedrijfsonderdelen separaat te verkopen. De bestemming en niet het eigendom bepaalt wat hier mogelijk is. Een eventuele aparte verkoop van de veehouderij en de vergistingsinstallatie heeft dan ook geen invloed op de uitbreidingsmogelijkheden van deze bedrijven. Met de nu voorgestelde gewijzigde vaststelling van het bestemmingplan wordt dat meer bevestigd en duidelijker dan in het oorspronkelijke ontwerpplan. Duidelijk wordt welke functie waar mag, waar in het geldende bestemmingsplan geen duidelijke grens tussen pluimveebedrijf en mestvergister was. Maar ook wordt duidelijker functies men deelt, delen van erf en toegang maar vooral de bedrijfswoning en waar onderling dus afspraken over gemaakt moeten worden. Aanvullend worden hierover afspraken gemaakt in de anterieure overeenkomst. Conclusie: Deze zienswijze geeft aanleiding om de bestemming aan te passen en de motivering in de toelichting te versterken. Maar geven geen aanleiding om het bestemmingsplan niet vast te stellen.
De aanpassingen betreffen: Aanpassing vorm agrarisch bouwvlak Aanvulling met een geuronderzoek, verkeersonderbouwing en een luchtkwaliteitsonderzoek. Op de verbeelding binnen het bouwvlak van het agrarisch bedrijf nummer 26 komt een zone met de aanduiding geen vee, waarmee planologisch de afstand tot de woning van derden ook zeker gesteld is. Er wordt een aanvulling op de participatiewijzer toegevoegd. Wijzigingsbevoegdheid artikel 4 onder 4.6 laten vervallen en artikel 4 te vernummeren. 1 Naar aanleiding van de eerdere klachten over het gedrag van de chauffeurs heeft initiatiefnemer de betreffende bedrijven aangesproken (en zal dan in de toekomst op signalen van de buurt blijven doen). Naar aanleiding van de zienswijze en de aanpassing van het plan voor het pluimveebedrijf is een nieuw en nader
voor de vele kinderen in de buurt, waaronder hun eigen kinderen.
2 Verder uiten ze hun zorgen over de toegekende bedrijfsbestemming, die volgens hen te ruim is. Nu het huis van de huidige eigenaar te koop staat, weten zij niet wie de volgende eigenaar zal zijn en wat deze met het bestemmingsplan zal doen. Dit brengt onzekerheid met zich mee over de toekomstige ontwikkelingen op het perceel.
19
verkeersonderzoek uitgevoerd. De aard van het verkeer, vrachtwagens, blijft ongewijzigd. Het betreft hier voertuigen die normaal zijn in de onderhavige agrarische omgeving waar landbouwproducten aan- en afgevoerd dienen te worden en zware landbouwvoertuigen tot het normale verkeer behoren. Door de verdubbeling van de co-vergister zal het vrachtverkeer toenemen van zal het vrachtverkeer toenemen van ca. 6-7 per dag naar 11 à 12 vrachtwagens per dag. Het is geen toename van het verkeer die zal leiden tot andere verkeerssituaties of congestie. Fietsers zullen, gemiddeld eens per uur, een vrachtwagen extra tegen kunnen komen dan in de bestaande situatie het geval is. Hetzelfde geldt voor het overige verkeer. Uit het onderzoek van BonoTraffics d.d. 15 november 2024 blijkt op pagina 6 dat de breedte van de wege zodanig is dat fietsers, vrachtwagens normaal kunnen passeren. Wij zijn ons bewust dat dit voor een verkeergebruiker anders kan voelen, maar voor de beoordeling van het plan moeten wij uitgaan van de formele standaarden voor dit type wegen. De intensiteit van het verkeer ter plaatse hangt niet exclusief samen met de onderhavige planologische wijziging. Ook zonder de herziening van deze bestemming kunnen, binnen bestaande bestemmingsplanvoorschriften, aanwezige activiteiten worden uitgebreid.
Daarnaast wordt de drukte op de wegen veroorzaakt door ontwikkelen buiten dit plangebied. Er is geen sprake van een excessieve toename van verkeer en de wegen in de omgeving behoren het normale verkeer ter plaatse te kunnen verwerken. In 2026 wordt de Voskuilerdijk voorzien van grasbetonblokken waarmee uitwijken voor verkeer makkelijker en daarmee veiliger wordt. Wij gaan daarnaast als gemeente in overleg met de buurt om te bezien welke andere maatregelen het veiligheidsgevoel van dit deel van de Voskuilerdijk kunnen versterken. 2 De volgens indieners van de zienswijze te ruime bestemming “bedrijf” is door de functieaanduiding “specifieke vorm van bedrijf, verbinding-, mestvergistingsinstallatie” beperkt tot alleen deze vorm van bedrijvigheid. De bestemming is dus zeker niet te ruim, maar specifiek beperkt tot de onderhavige activiteit. De binnen de regels opgenomen wijzigingsbevoegdheid heeft terecht de indruk gewekt dat er op termijn ook andere bedrijfsfuncties mogelijk zijn. Onder de Omgevingswet bestaat de vorm wijzigingsplan niet meer. Wij stellen dan ook voor om alle wijzigingsbevoegdheden zoals opgenomen onder 4.6 te laten vervallen.
6 Voskuilerdijk 40
1 De indieners van deze zienswijze maken bezwaar tegen het ontwerpbestemmingsplan voor Voskuilerdijk 26, met name vanwege de geplande verdubbeling van de mestvergistingscapaciteit en de loskoppeling van de pluimveehouderij. Zij betwijfelen of een grootschalige industriële mestverwerking nog past in het buitengebied, waar agrarische bedrijven en burgerwoningen verspreid liggen.