CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

04. Moorsterweg 3 - Woudenberg_Toelichting.pdf

Gemeenteraad 22 september 2022, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 12: Vaststellen bestemmingsplan Moorsterweg 314.843 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Moorsterweg 3 - Woudenberg

Adviseur:

Adviesbureau Haver Droeze BNT Muurhuizen 165 3811 EG Amersfoort (033) 416 35 35 www.haverdroeze.nl Document informatie: Titel: bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg Rapporttype: Toelichting, regels IMRO-IDN: NL.IMRO.0351.BPMoorst3-OW01 Ontwerp: Vaststelling: Beknopte inhoud: Herziening van het bestemmingsplan Buitengebied voor de functieverandering van de bestemming Agrarisch naar Wonen.

2

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

Inhoudsopgave

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4

INLEIDING

Aanleiding en doel Ligging en begrenzing plangebied Geldend bestemmingsplan Opzet van de toelichting

Hoofdstuk 2 2.1 2.2 2.3 2.4

PLANBESCHRIJVING

Bodem en geomorfologie Antropogene laag Het erf Toekomstige situatie

Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4

BELEIDSKADER

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13 4.14

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Archeologie Bedrijven en milieuzonering Bodem Cultuurhistorie Duurzaamheid Ecologie Externe veiligheid Geluid Kabels en leidingen Luchtkwaliteit Milieueffectrapportage Niet gesprongen explosieven Verkeer Water

Hoofdstuk 5 5.1

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

Planvorm

Hoofdstuk 6 6.1 6.2

4 5 5 5 6 7

9 9 11 14 16

20 20 21 27 31

31 31 33 34 35 35 36 39 40 41 41 42 43 43 43

45 45

UITVOERBAARHEID

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

48 48 47

Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10

Verkavelingsschets Archeologisch onderzoek - bureauonderzoek Archeologisch onderzoek - veldonderzoek Bodemonderzoek Aanvulling bodemonderzoek Quickscan Flora en fauna Nader onderzoek vleermuizen Notitie stikstof Akoestisch onderzoek Aanmeldnotitie vormvrije mer-beoordeling

Adviesbureau Haver Droeze BNT

3

Toelichting

4

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

Hoofdstuk 1

INLEIDING

1.1 Aanleiding en doel Op het perceel Moorsterweg 3 in Woudenberg (Klein Donkelaar) was tot enkele jaren geleden een agrarisch bedrijf gevestigd. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn gestaakt en de vrijgekomen agrarische gronden (circa 25ha) zijn opnieuw verpacht. De eigenaar van het perceel heeft de wens om de agrarische bestemming van het bouwvlak te wijzigen in een woonbestemming en, naast het omzetten van een bedrijfswoning in burgerwoning, daarbij op basis van maatwerk twee nieuwe woningen op het erf terug te bouwen. Om de bouw van twee nieuwe woningen te legitimeren, is enerzijds aansluiting gezocht bij de ruimte-voor-ruimte regeling, in de vorm van sloop van de - niet karakteristieke - vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing (ca. 1.477m 2) en anderzijds de ambities van de provincie en de gemeente ten aanzien van het verbeteren van de kwaliteit van het landschap door herstel van de historische landschappelijke kenmerken en structuren. Om de haalbaarheid van de gewenste ontwikkeling te onderzoeken is een principeverzoek bij de gemeente Woudenberg ingediend. De gemeente Woudenberg heeft het plan ter beoordeling aan de Provincie Utrecht voorgelegd. Zowel de provincie als de gemeente hebben ingestemd met het plan. 1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het perceel Moorsterweg 3 ligt ten noordoosten van Woudenberg en ten noorden van Scherpenzeel (zie afbeeldingen 1 en 2).

De percelen zijn kadastraal bekend gemeente Woudenberg, sectie A, nummers 1051, 1082, 1286, 1325, 1326, 1327, 1331 en 1332.

Afbeelding 1: Locatie plangebied Bron: www.topotijdreis.nl

Adviesbureau Haver Droeze BNT

5

Afbeelding 2: Luchtfoto van het plangebied Bron: www.topotijdreis.nl 1.3 Geldend bestemmingsplan Het perceel Moorsterweg 3 ligt in de geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg 2010 (vastgesteld d.d. 23-09-2010) en 'Buitengebied 2013 (herziening) (vastgesteld d.d. 27-06-2013). Deze bestemmingsplannen zijn verwerkt in het bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd'. Het perceel heeft de bestemming 'Agrarisch' (artikel 3) met een bouwvlak. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor grondgebonden agrarische bedrijven met uitzondering van fruitteelt, sierteelt, bollenteelt en paardenhouderijen. Per bouwvlak is één bedrijfswoning toegestaan. De Nattegatsloot is bestemd als 'Water' (artikel 19). Daarnaast heeft het perceel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' (artikel 26) en de gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - verwevingsgebied'. Zie afbeelding 3 voor een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan.

6

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

Afbeelding 3: Geldend bestemmingsplan Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl In paragraaf 3.4.1 'Bestemmingsplan Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd' wordt nader ingegaan op de mogelijkheden binnen het bestemmingsplan om de agrarische bestemming te wijzigen in een woonbestemming. Op grond van de archeologische dubbelbestemming dient bij ingrepen die een grotere oppervlakte beslaan dan 100 m2 en dieper de grond ingaan dan 0,4 m archeologisch onderzoek te worden verricht. Dit aspect is nader uitgewerkt in paragraaf 4.1 Archeologie. De gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone – verwevingsgebied' is bij bepaalde wijzigingsbevoegdheden relevant, zoals het vergroten van een bouwvlak van intensieve veehouderij of het wijzigen van de bestemming Agrarisch naar Kantoor. Voor de voorgenomen ontwikkeling is deze gebiedsaanduiding niet relevant. Het toevoegen van twee extra woningen in combinatie met landschapsherstel past niet binnen de de bepalingen van het bestemmingsplan. 1.4 Opzet van de toelichting Het bestemmingsplan is geënt op het bestemmingsplan Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd. Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting (inclusief bijlagen). De onderhavige toelichting dient als motivering bij de te volgen procedure.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

7

De toelichting bij dit bestemmingsplan bestaat uit 6 hoofdstukken. Na de inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleid dat ten grondslag ligt aan het bestemmingsplan geformuleerd. De verschillende milieu- en omgevingsaspecten die van invloed kunnen zijn op de ruimtelijke ontwikkeling komen aan bod in hoofdstuk 4. Een toelichting op de juridische aspecten en bestemmingen van dit bestemmingsplan wordt gegeven in hoofdstuk 5. Afgesloten wordt met hoofdstuk 6 waarin de focus op de aspecten economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid (de procedure) ligt.

8

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

Hoofdstuk 2

PLANBESCHRIJVING

2.1 Bodem en geomorfologie Zoals blijkt uit de geomorfologische kaart (afbeelding 4) bevindt het plangebied zich op de hogere zandgronden tussen de stuwwallen van de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. Deze stuwwallen zijn gevormd in de voorlaatste ijstijd, het Saalien (ongeveer 150.000 jaar geleden).

Afbeelding 4: Geomorfologische kaart Bron: https://www.pdok.nl/viewer Gletsjers ‘gleden’ vanaf het noorden Nederland in en duwden de grond opzij. In Noord-Nederland gleden de gletsjers als het ware voort op een dun laagje smeltwater, dat via de spleten in het ijs naar beneden sijpelde. Het ijs kon gemakkelijk over de leemgrond in Noord-Nederland glijden, omdat het smeltwater niet in het leem doordrong. In Midden-Nederland bereikte het ijs de grove rivierzanden, waar het smeltwater van het ijs de bodem in drong. Hierdoor ging de gletsjer langzamer glijden en groef deze zich in, waardoor de bodem werd weggedrukt. Na het smelten van de gletsjer bleven stuwwallen over: de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe(rug). Het plangebied ligt tussen deze stuwwallen in de Gelderse Vallei. In de loop van de tijd zijn de stuwwallen geërodeerd door ijs, water en wind. Hierdoor sedimenteerde het fijne zand vanaf de flanken in de vallei. Doordat het zand in de laatste ijstijd niet begroeid raakte, kreeg de wind vat op het fijne zand en ontstonden dekzandruggen. De dekzandruggen zijn ook nu nog vindbaar als hogere delen in het landschap op het Algemeen Hoogtebestand Nederland (afbeelding 5). De dekzandruggen liggen hoger en hebben geen leemlagen die het water vasthouden, daardoor waren deze gronden droger en geschikt voor landbouw.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

9

Afbeelding 5: Hoogtekaart van het plangebied Bron: https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer Op de bodemkaart is te zien dat een groot deel van het plangebied bestaat uit Hoge zwarte enkeerdgronden (bruine vlak, zEZ21) met leemarm en zwak lemig fijn zand. Enkeerdgronden zijn door de mens bewerkte gronden (vaak met schapen- of koeienmest) waardoor de grond vruchtbaarder werd. Deze enkeerdgronden zijn omgeven door beekeerdgronden met lemig fijn zand (groen vlak, pZg23). De beekeerdgronden zijn van nature al humus- en dus voedselrijk en behoefden geen extra bemesting. De in afbeelding 6 zichtbare enkeerdgrond (bruine vlak) in het plangebied is door menselijk handelen ontstaan.

10

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

Afbeelding 6: Bodemkaart Bron: www.atlasleefomgeving.nl 2.2 Antropogene laag Het plangebied bevindt zich op de overgang van hogere zandige gronden naar nattere, lagere vlakten. De naam van de boerderij (Donkelaar) verwijst naar deze landschappelijke basis. Donk betekent namelijk hoger gelegen zandrug en ‘laar’ is een open plek in het bos. De grote verscheidenheid in de ondergrond is duidelijk zichtbaar in de (historische) structuur van ruimtegebruik en verkaveling. Hogere plekken waren droger en daardoor geschikt voor de groei van bomen/bos. De lagere delen in het landschap waren relatief nat, waardoor er hoofdzakelijk gras groeide (begrazing door vee). In zowel oude als nieuwe kaarten is deze onregelmatige, kleinschalige kavelstructuur te herkennen: het landschap kent een grote verscheidenheid van bosjes, lanen, groene erfafscheidingen en wordt doorsneden door kronkelende sloten. De mozaïekachtige structuur die hierdoor ontstaat, is kenmerkend voor het kampenlandschap. Onder invloed van de schaalvergroting en efficiëntie in de landbouw zijn echter veel beplantingselementen verdwenen, waardoor de oorspronkelijke kleinschalige structuur op veel plaatsen verloren is gegaan. Een groot deel van de gronden in de Gelderse Vallei was in eigendom van het bisdom, die dit land verpachtte.

Individuele boeren kregen zo de mogelijkheid om stukken gronden te beweiden of te verbouwen tegen de vergoeding van ‘tiende’ (een tiende deel van de oogst). Iedere boer vestigde zijn woning op dit complex, waardoor een verspreide structuur van bebouwing ontstond. De schrale zandgronden werden opgehoogd met plaggen en mest, waardoor de grond vruchtbaarder werd en er gewassen verbouwd konden worden. Deze agrarische gronden zijn in afbeelding 7 (kaart 1875) beige gekleurd.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

11

Deze hoger gelegen, agrarische gronden, ook wel engen genoemd, werden omzoomd met houtwallen (meestal elzen en wilgen). De houtwallen zorgden ervoor dat de vruchtbare, opgebrachte grond niet met de wind meegenomen werd. Hierdoor ontstonden onregelmatige kavels, die rondom een bebouwd kamp lagen. Vandaar de naam: kampenlandschap. Op de historische kaarten (afbeelding 7: 1875 en 1940) is deze grote diversiteit van landgebruik goed te zien: stukjes bos, grasland, eng en bebouwde erven wisselen elkaar af. In de loop van de tijd is zichtbaar dat de engen steeds vaker plaats maken voor weidegronden. Op afbeelding 7 (2020) zijn de engen en de houtwallen die de engen beschermden, uit het landschap verdwenen.

Afbeelding 7: Historische kaarten Bron: https://www.topotijdreis.nl Met het verdwijnen van de engen en de bijhorende houtwallen, verdween ook de kleinschaligheid van het landschap. Ten behoeve van het eerder genoemde principeverzoek is in beeld gebracht welke structuren in de periode van 1875 tot en met 2018 zijn verdwenen (op afbeelding 9 in paars aangegeven).

12

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

Afbeelding 8: Kampenlandschap 1875 Bron: Adviesbureau Haver Droeze

Adviesbureau Haver Droeze BNT

13

Afbeelding 9: Het vervallen kampenlandschap 2020 Bron: Adviesbureau Haver Droeze Uit de afbeelding valt op te maken dat veel groene scheidingen tussen de kavels verdwenen zijn en dat in de omgeving van het plangebied in het verleden meer kleine bosschages aanwezig waren. De conclusies zijn als vertrekpunt genomen om de landschappelijke kwaliteit van het gebied te verbeteren door historische structuren te herstellen. 2.3 Het erf Hoewel uit de historische kaart blijkt dat het perceel aan de Moorsterweg 3 al sinds 1850 bebouwd is geweest, dateert de huidige bebouwing op het erf van de Moorsterweg 3 uit recentere perioden. De oudste gebouwen dateren uit 1920. De bestaande hoeve met deel en 2 schuren dateren uit 1928 (zie afbeelding 10). In 1969, 1980 en 1987 zijn meer schuren bijgebouwd (zie afbeelding 10, schuren zijn aangeduid met een letter). De huidige bebouwing verkeert in slechte staat van onderhoud. Het erf is vooral functioneel ingericht en maakt een rommelige indruk.

14

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

Afbeelding 10: Bebouwing Bron: https://bagviewer.kadaster.nl/lvbag/bag-viewer, bewerking HD In de loop der tijd zijn steeds weer gebouwen gesloopt en soms op een andere plaats binnen, maar soms ook buiten het erf her-/gebouwd. Op afbeelding 11 is goed te zien dat de gebouwen min of meer in een halve cirkel stonden aan de kop van de engen. De bebouwing volgt daarmee de oorspronkelijke (hart)vorm van het kavel en staat in verschillende richtingen. De voorzijde van de hoeve is gericht naar de eng. Het erf wordt zodoende via de ‘achterkant’, waar zich het werkgebied bevond, benaderd. Buiten het erf waren ook meerdere, kleine schuren of bijgebouwen aanwezig. Deze bijgebouwen of schuurtjes lagen aan de rand van de ‘scherf’/kavel.

Afbeelding 11: Kaart 1906 Bron: https://www.topotijdreis.nl

Adviesbureau Haver Droeze BNT

15

Op afbeelding 11 is duidelijk te zien dat de bebouwing van Klein Donkelaar rondom een brink lag. Deze brink diende als verzamelpunt voor het vee. Zowel op deze brink, als aan de voorzijde van de hoeve bevond zich tot circa 1950 een boomgaard die werd omzoomd met een haag. In de huidige situatie is er geen (moes-)tuin of boomgaard meer aanwezig. Veel kavelgrensbeplanting en bospercelen zijn verdwenen (zie afbeeldingen 8 en 9). De twee historische ontsluitingen zijn nog wel aanwezig en in gebruik. Aan de zuidoostzijde van het bouwvlak ligt nog een deel van een historische laan die in zuidelijke richting naar een schaapskooi liep (SK). In het plan worden diverse opstallen gesloopt. Alleen de hoeve en de karakteristieke stal (gebouw B) worden in de nieuwe situatie gehandhaafd. Er wordt in totaal circa 1.477m 2 gesloopt. Gebouw A 643 m2 Gebouw C 286 m2 Gebouw D 285 m2 Gebouw E 53 m2 Gebouw F (in het land) 70 m2 Gebouw F (nabij hoeve) 119 m2 Gebouw G 21 m2 Totaal 1.477 m2 Tabel 1: Te slopen bebouwing

Afbeelding 12: Bebouwing Bron: https://bagviewer.kadaster.nl/lvbag/bag-viewer, bewerking HD 2.4 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie is het agrarisch bedrijf verdwenen, de bestaande hoeve en een karakteristieke stal behouden, de bedrijfswoning omgezet in een burgerwoning en zijn twee nieuwe woningen toegevoegd. De nieuwe woningen worden gelegitimeerd vanuit enerzijds het feit dat door de sloop van circa 1.477m² aan vervallen voormalige bedrijfsgebouwen de ruimtelijke kwaliteit verbetert en anderzijds door herstel van landschappelijke structuren en elementen (zie afbeelding 13 en bijlage 1).

16

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

Afbeelding 13: Schets Bron: Adviesbureau Haver Droeze

Adviesbureau Haver Droeze BNT

17

Bebouwing De gebouwen (en de verscheidenheid van vormen hiervan) op het erf zijn als ensemble typerend voor een erf in het kampenlandschap. In de huidige situatie verkeert de bebouwing overwegend in een slechte staat van onderhoud en maakt het erf een rommelige indruk. Hiermee wordt afbreuk gedaan aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Het renoveren, slopen of vervangen van de gebouwen biedt een kans om deze kwaliteit te verbeteren. De nieuwe bebouwing op het erf versterkt het voormalige agrarische karakter en de losse setting van de bebouwing binnen het erf. Hierdoor ontstaat een compact erf. Dit sluit ook aan bij het uitgangspunt van de provincie om bebouwing in het buitengebied te clusteren. Alle bebouwing wordt binnen het voormalig agrarisch bouwvlak geprojecteerd. Bijgebouwen zijn buiten de brink gepositioneerd. Parkeren van bewoners en bezoekers vindt plaats op het erf. De brink wordt langs de weg begrensd door een smalle houtwal met eiken. Het erf Voor de nieuwe situatie wordt voor de inpassing van de nieuwe woningen en de landschappelijke herstelmaatregelen teruggegrepen naar de situatie zoals die was rond 1940 (zie afbeelding 7). Op de kaartbeelden van die periode is de kleinschaligheid van het landschap nog goed zichtbaar. Het erf bestaat hier uit een cluster van de bestaande hoeve met een aantal kleinere bijgebouwen.

Deze bebouwing is gepositioneerd rond een ruim erf dat hier via een soort brink met twee wegen aansluit op de Moorsterweg. De overige erfruimte krijgt een groen karakter met (deels) gestabiliseerd gras om incidenteel op te kunnen parkeren en verder een hoogstamboomgaard met oude fruitsoorten. Tot zeker 1950 had het erf aan de westzijde een boomgaard. Het is echter niet haalbaar om een groot deel van de meest westelijk gelegen noordelijk kavel voor bijna de helft in te planten met fruitbomen, omdat deze grond is verpacht. Aan de oostzijde van het erf zullen wel fruitbomen in de vorm van een kleine boomgaard worden aangeplant. Aansluitend op de historische structuur worden de huiskavels voorzien van een losse boeren haag (liguster, boerenjasmijn en sleedoorn) om de eenheid van de bebouwing te benadrukken en als duidelijke scheiding tussen de huiskavels en de omliggende landbouwgronden. Bovendien vormt dit een groene verbinding rond het erf van oost naar west. Daarbinnen is ruimte voor een kleine moes-, ooft en bloementuinen. De aantrekkelijkheid van het gebied vanuit ecologisch oogpunt neemt hierdoor eveneens toe. Landschappelijke maatregelen Het plan voorziet ook in herstelmaatregelen en aanplant van verdwenen laan- en kavelgrensbeplanting. Tevens voorziet het plan in het terugbrengen van oorspronkelijke elementen zoals hagen en een boomgaard rond de huiskavel.

Het terugbrengen van deze groene elementen draagt bij aan het herstel van de landschappelijke structuren en de beleefbaarheid en herkenbaarheid van de historische kleinschaligheid van het landschap, zoals beschreven in de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen en het Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei. In het plangebied wordt diverse kavelgrensbeplanting gerealiseerd. Zo wordt aan de westzijde van het plangebied de kavelgrensbeplanting versterkt, waardoor het oorspronkelijk landschapsbeeld wordt hersteld. Waar geen kavelgrensbeplanting aanwezig is, wordt gekozen voor bijvoorbeeld zwarte es. Vanuit de zuidwesthoek van het bouwvlak wordt in zuidwestelijke richting ook kavelgrensbeplanting aangeplant, zodat ook hier een verbinding ontstaat. Daarmee is sprake van robuuste verbindingen in zowel noord-zuid als in oost-westelijke richting. Ook wordt hiermee de mozaïek-achtige structuur van het landschap versterkt en hersteld. Ten noorden van het erf wordt langs de kavelsloot een nieuwe houtwal aangeplant. Ten zuiden van het erf zal de bestaande laan worden aangevuld en worden voorzien van zoombeplanting, zodat de ecologische waarde hiervan toeneemt. Ook in het omringende landschap worden naast de laan ook de oude houtwallen dwars op de kijkrichting hersteld. Daarmee wordt tevens het zicht op de grootschalige bebouwing van Groot Donkelaar verzacht.

18

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

Amfibieënpoel Een amfibieënpoel met aanliggend (gerief)bosje zorgt daarnaast voor een visuele afleiding van de bebouwing van Groot Donkelaar. De poel wordt op het laatste gelegen gedeelte van het plangebied gesitueerd (zie afbeelding 14). De poel heeft een doorsnede van circa 20-30m (inclusief insteek talud).

Afbeelding 14: Ligging amfibieënpoel op hoogtekaart Bron: https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer Nattegatsloot De noordoever van de Nattegatsloot wordt ingericht als natuurvriendelijke oever, waarbij een flauw hellend talud kan fluctueren (tussen 15 en 30 graden). De breedte van de natuurvriendelijke oever is circa 2m. Er wordt geen vegetatie aangeplant, maar spontane natuurontwikkeling wordt afgewacht. In de Nattegatsloot ligt een stuw. 10 meter aan weerszijden van de stuw wordt niet ingericht als natuurvriendelijke oever, in verband met stabiliteit en bereikbaarheid van de stuw. Grasland Vanuit landschap en biodiversiteit heeft grasland (kruiden- en faunarijk grasland) de voorkeur boven de aanwezige maïslanden. Met de huidige pachter is besproken dat de kavel langs de Moorsterweg aan de noordzijde van het erf geschikt is voor een inrichting met kruidenrijk grasland. Desgewenst zou aanvullend ook het driehoekige perceel aan de zuidkant van het erf hiervoor ingericht kunnen worden. De gezamenlijke oppervlakte met kruidenrijk grasland bedraagt ten minste 2-2,5 ha. De uiteindelijke oppervlakte zal in overleg met de pachter worden bepaald. Conclusie De amfibieënpoel, de groene erfscheidingen met greppels en de lanen zorgen samen voor een maatwerkoplossing waarmee de ruimtelijke kwaliteit in het gebied verbetert en de oorspronkelijke landschappelijke structuren hersteld.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

19

Hoofdstuk 3

BELEIDSKADER

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het beleid dat ruimtelijk/functioneel relevant is voor het plangebied en de hier beoogde ontwikkeling. Het betreft hier zowel ruimtelijk beleid als facet- en sectorbeleid op de verschillende beleidsniveaus. 3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie, Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving (NOVI), 11 september 2020 De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en beschrijft op nationaal niveau een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving. De NOVI beschrijft de manier waarop men op rijksniveau wil werken aan de volgende 4 prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, duurzaam economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en als laatste toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Als uitgangspunt geldt dat Nederland mooier en sterker wordt gemaakt door voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is daarbij een kernbegrip en omvat zowel ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit. In de NOVI wordt uitgegaan van een integrale aanpak tussen overheden en maatschappelijke organisaties met meer regie vanuit het Rijk. In de NOVI geeft het Rijk de kaders en de richting aan voor zowel nationale als decentrale keuzes. Bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving zowel boven- als ondergronds voorop. De NOVI onderscheidt daarbij 3 afwegingsprincipes: 1) combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2) kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3) afwentelen wordt voorkomen.

De NOVI gaat vergezeld van een Uitvoeringsagenda, die waar nodig jaarlijks wordt geactualiseerd, en waarin is aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. Tevens staat hierin een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op verschillende beleidsterreinen. Met het oog op de klimaatbestendigheid van Nederland moeten functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving meer worden afgesteld op de eigenschappen van het bodem-watersysteem. Ook dient de infrastructuur voor energie beter te worden afgestemd op de toename van transport en opslag van duurzame energie. Daarnaast is er een opgave voor het realiseren van bronnen van duurzame energie. In de NOVI worden richtingen meegegeven die bij de inpassing van energie-infrastructuur aandachtvragen met het oog op de kwaliteit van de leefomgeving. Vanuit de wens om de economie en energievoorziening duurzaam en circulair te maken en de kwaliteit van de leefomgeving te versterken, wordt ingezet op het actief clusteren van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (intern)nationale corridors. Om de steden sterk, aantrekkelijk en gezond te houden wordt gewerkt aan een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's.

Om te voorzien in de grote actuele woonbehoefte is een pakket aan maatregelen voorgesteld; ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zoveel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden dienen daarbij hun groene karakter te behouden. Tegelijkertijd moet het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad worden verbeterd. De waarde van de natuur, het landschap en de toekomst van de landbouw staan onder druk, waarbij het verbeteren van de biodiversiteit niet alleen een ecologische maar ook economische uitdaging is. Voor de lange termijn wordt gewerkt aan een geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied, gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap. Op deze manier ontstaat een aantrekkelijk landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is. Anderzijds blijft op deze manier ook ruimte voor economisch vitale landbouw als belangrijkste drager van het platteland.

Het voorliggende plan levert een bijdrage aan de kwaliteit van het landelijk gebied, door sloop van niet karakteristieke - vrijgekomen agrarische bedrijfsbebouwing en het verbeteren van de kwaliteit van het landschap door herstel van de historische landschappelijke kenmerken en structuren.

20

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

3.1.2 Besluit ruimtelijke ordening In het Besluit ruimtelijke ordening (bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Artikel 3.1.6, tweede lid Bro luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen (artikel 1.1.1, eerste lid, onder i van het Bro). In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang van een stedelijke ontwikkeling vastgelegd. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Voor woningbouwlocaties geldt op grond van jurisprudentie (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:2015:9221 en ABRvS 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:953) dat in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen worden gerealiseerd. De voorziene ontwikkeling ziet op de omzetting van één bedrijfswoning en de realisatie van twee nieuwe woningen en wordt daarom niet aangemerkt als een 'stedelijke ontwikkeling' als bedoeld in die bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Toets Op basis van de voorgaande beschrijving blijkt dat er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling, waardoor toetsing aan de 'ladder van duurzame verstedelijking' niet aan de orde is. 3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie en Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht In de Omgevingsvisie (vastgesteld 10 maart 2021) zijn op Provinciaal niveau de keuzes op lange termijn (tot 2050) verwoord om ruimte te maken voor ontwikkelingen en tegelijkertijd de Utrechtse kwaliteiten te behouden. In de Omgevingsvisie worden groen, water, energie, bebouwing, infrastructuur, cultuurhistorie en landelijk gebied in samenhang met elkaar bezien. Doel is ruimte te bieden voor duurzaam gebruik en ontwikkeling, sociale samenhang met behoud of verbetering van de kwaliteit in de Utrechtse leefomgeving. De sturingsfilosofie van de Provincie gaat uit van het bieden van ruimte voor ontwikkelingen die passen bij de Utrechtse kwaliteiten. Deze kwaliteiten bieden kansen om opgaven te realiseren, maar stellen ook voorwaarden. Via plussen en minnen maakt de provincie een integrale afweging zodat elke ontwikkeling per saldo bijdraagt aan kwaliteitsverbetering. Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt het principe 'inbreiding gaat voor uitbreiding'. Bij uitbreiding dient te worden gezocht naar grootschalige locaties waar nieuwe ontwikkelingen kunnen worden geconcentreerd en gecombineerd met oplossingen voor andere opgaven. Voor lokale opgaven blijft echter ook ruimte.

De beoogde ontwikkelingsrichting is uitgewerkt in 7 beleidsthema's:  Stad en land gezond;  Klimaatbestendig en waterrobuust;  Plek voor duurzame energie;  Vitale steden en dorpen;  Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar;  Levend landschap, erfgoed en cultuur  Toekomstbestendige natuur en landbouw.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

21

Deze thema's staan niet op zichzelf maar hebben onderlinge samenhang, zowel boven als onder de grond. De gewenste ontwikkeling verschilt per gebied en is afhankelijk van de specifieke kenmerken en identiteit. Om maatwerk te kunnen bieden is maatwerk aangebracht op regionaal niveau voor de regio's U16, Amersfoort en Foodvalley. Verdieping is uitgewerkt in beleidsuitwerkingen, visies, programma's en plannen. Per beleidsthema is aangegeven welke provinciale belangen hierbij relevant zijn. In de Omgevingsverordening zijn de bijbehorende regels opgenomen, aangezien de inwerkingtreding van de Omgevingswet is uitgesteld, heeft de Ontwerp Omgevingsverordening (vastgesteld 10 maart 2021) een interim status. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie en Interim Verordening Provincie Utrecht hebben deels ook gevolgen voor het plangebied. Deze punten worden hier nader toegelicht. Landelijk gebied Voor onderhavig plan is van belang dat het perceel in het Landelijk Gebied ligt waar op grond van artikel 9.2 IOV nieuwe stedelijke functies in beginsel niet zijn toegestaan. In artikel 1 IOV is aangegeven dat van verstedelijking sprake is als een bestemmingsplan ten opzichte van het vigerende regime nieuwe mogelijkheden biedt voor vestiging of uitbreiding van stedelijke functies.

Het begrip 'stedelijke functie' is in datzelfde artikel gedefinieerd als 'een functie die door de intensiteit van de bebouwing en gebruik, door afhankelijkheid van geconcentreerde infrastructuur en door de intensieve wisselwerking met andere functies primair is aangewezen op of verbonden is met aaneengesloten bebouwd gebied'. Woningen worden in de IOV expliciet benoemd als 'stedelijke functie'. Nieuwe woningen worden in de IOV zodoende gezien als 'nieuwe verstedelijking', hetgeen in het buitengebied in beginsel niet is toegestaan. In hoofdstuk 9 van de IOV is een aantal uitzonderingen benoemd op grond waarvan nieuwe verstedelijking onder voorwaarden toch kan worden toegestaan in het landelijk gebied. In artikel 9.10 is een instructieregel opgenomen om op agrarische bedrijfspercelen waar het agrarisch gebruik is beëindigd een woonbestemming te geven aan de bedrijfswoning en de tot het hoofdgebouw behorende aangebouwde bedrijfsruimte, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: 1. 2. 3. 4.

het bouwperceel is niet optimaal gesitueerd en uitgerust voor de grondgebonden landbouw; de bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden behouden of versterkt; de omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd; en een kantoor of bedrijf aan huis is mogelijk indien de omvang van die activiteiten ondergeschikt blijft aan de woonfunctie.

In artikel 9.11 is een instructieregel opgenomen om bij beëindiging van het agrarische gebruik één of meer nieuwe woningen toe te staan. In aanvulling op de eerder genoemde voorwaarden geldt daarbij tevens het volgende: 5. alle bedrijfsbebouwing op de betrokken bouwpercelen wordt gesloopt, tenzij het gaat om historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing of bedrijfswoning. De historisch waardevolle of karakteristieke bebouwing krijgt een passende functie die bijdraagt aan dat behoud. Wanneer 750 m2 tot 2.500 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van één nieuwe woning toegestaan. Wanneer 2.500 m2 tot 4.000 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van twee woningen toegestaan. Wanneer er 4.000 m 2 of meer aan bebouwing wordt gesloopt, is de bouw van drie woningen toegestaan. Voor kassen geldt dat er 5.000 m 2 aan bedrijfsbebouwing wordt gesloopt voor één woning. Afwijking van de vereiste sloopoppervlakten, het aantal te bouwen woningen en van de verplichting om het totaal aan bedrijfsbebouwing te slopen, is mogelijk mits dit leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit; 6.

de nieuwe woning of woningen worden gesitueerd binnen de voormalige bouwpercelen, in samenhang met de te handhaven boerderij of bedrijfswoning, de betrokken bouwpercelen worden evenredig verkleind en de woningen worden landschappelijk goed ingepast, tenzij situering van de nieuwe woning op een andere locatie in het landelijk gebied leidt tot verhoging van de ruimtelijke kwaliteit. Ad 1. Het agrarisch gebruik is al enige jaren beëindigd. Het is niet de verwachting dat dit opnieuw opgestart zal worden.

22

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

Ad 2. Het inrichtingsvoorstel gaat uit van landschappelijke versterking en behoud van de karakteristiek bebouwing. Ad 3. In paragraaf 4.2 Bedrijven en milieuzonering is toegelicht dat de nieuwe woningen op verantwoorde afstand van de bestaande bedrijven worden gerealiseerd. Ad 4. In de regels van dit bestemmingsplan is opgenomen dat een kantoor of bedrijf aan huis ondergeschikt maximaal 50 m 2 mag bedragen. Tevens is bij de begrippen aangegeven dat de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt. Ad 5. De niet karakteristieke vrijgekomen agrarische bebouwing die gesloopt zal worden bedraagt circa 1.477 m2. In het voorstel worden twee nieuwe woningen gebouwd. Hiervoor is minimaal 2.500 m2 benodigd. Om het tekort aan sloopmeters te compenseren wordt een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit gerealiseerd door middel van landschapsherstel en natuurontwikkeling (zie paragraaf 2.4 Toekomstige situatie). Ad 6. De woningen worden gesitueerd binnen het voormalige bouwperceel. Aan de diverse voorwaarden wordt voldaan. Het voorstel past binnen het provinciaal beleid. In een eerder stadium heeft overleg plaats gevonden met de provincie. De provincie heeft positief gereageerd. Landschap Gelderse Vallei Het provinciaal beleid richt zich op het behouden en versterken van de kernkwaliteiten van de verschillende deelgebieden in de Provincie (artikel 7.9 IOV).

Het plangebied ligt in het landschap 'Gelderse Vallei'. De kernkwaliteiten voor het landschap van de Gelderse Vallei bestaan uit: rijk gevarieerde kleinschaligheid, stelsel van beken, griften en kanalen, Grebbelinie en overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank). In de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen wordt de ruimtelijke kwaliteit van het landschap aan de hand van de kernkwaliteiten nader omschreven (zie paragraaf 3.2.2). 3.2.2 Kwaliteitsgids Utrechtse landschappen De Provincie Utrecht heeft in de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen het begrip 'landschapskwaliteit' per regio uitgewerkt aan de hand van kernkwaliteiten. In de Kwaliteitsgids zijn zowel de bestaande kwaliteiten als de ambities voor het landschap beschreven. In de Gelderse Vallei zijn drie deelgebieden te onderscheiden: Mozaïek, Stroken en Binnenveld. Onderhavig plangebied maakt deel uit van het mozaïeklandschap van de 'Gelderse Vallei' (afbeelding 15 illustreert deze karakterisering).

Adviesbureau Haver Droeze BNT

23

Afbeelding 15: Uitsnede overzicht thema's toegepast op deelgebied Mozaïek Bron: Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen, deelgebieden Gelderse Vallei, p. 78 In de Kwaliteitsgids zijn de kernkwaliteiten van de Gelderse Vallei als volgt omschreven:  rijk gevarieerde kleinschaligheid;  stelsel van beken, griften en kanalen;  Grebbelinie;  overgang van Vallei naar Stuwwal (luwe Flank). De ambities met betrekking tot de kernkwaliteiten van het landschap zijn gericht op de volgende drie punten:  versterken van de gebiedsidentiteit in de drie deelgebieden;  het behouden van de verborgen structuren;  bijzondere aandacht voor de drie deelgebieden. Voor het mozaïeklandschap zijn de ambities gericht op verdichting van het landschappelijk raamwerk door:  het accentueren van agrarische perceelgrenzen door landschapselementen;  het van bomen voorzien van wegen;

24

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

     

stimuleren van meer afwisseling in landgebruik: weilanden, akkers en bospercelen; het stimuleren van nieuwe landgoederen bestaande uit hoofdgebouw en bijgebouwen of boerderijenensemble; uitzondering hierop vormen de inundatievelden langs het Valleikanaal; intact houden van de onregelmatige mozaïekverkaveling; compacte dorpen of verspreide bebouwing langs wegen; bedrijfsvergroting passend in maat en schaal en landschappelijk ingepast.

Voor onderhavig plangebied zijn met name de historische rijke variëring en de kleinschaligheid kenmerkend. Deze komt tot uitdrukking in de grote afwisseling in maat en vorm van ruimtes, in beplantingselementen en landgebruik die bepalend zijn voor het landschapsbeeld. Voortdurend van richting veranderende wegen zorgen samen met de gevarieerde beplanting voor een steeds wisselend perspectief. De combinatie van deze factoren zorgt voor een intiem landschap met een grote recreatiecapaciteit. De kavelrichting in het mozaïek-landschap wisselt sterk van richting en kenmerkt zich voorts door een half-open landschap met een grote diversiteit aan beplantingselementen. Ruimtes variëren steeds in maat en vorm en vormen zo een mozaïek van kamers. Bomenrijen, lanen, bospercelen, houtwallen en boomgroepen wisselen elkaar voortdurend af en omkaderen akkers, weilanden, tuinbouwpercelen en kwekerijen. Beplante wegen en verscholen beken slingeren door dit mozaïek. Dorpen en erven met oude en nieuwe gebouwen door elkaar liggen verscholen tussen het groen (zie afbeelding 16).

Adviesbureau Haver Droeze BNT

25

Afbeelding 16: Uitsnede overzicht thema bebouwing op deelgebied Mozaïek Bron: Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen, deelgebieden Gelderse Vallei, p. 100 Bebouwing ligt verspreid in het landschap in de vorm van boerenerven en buurtschappen, waarbij het erf veelal in de hoek van de kavel werd gesitueerd. Losse schuren of schaapskooien werden ook wel open in het veld geplaatst. De modernere erven kennen een rationele structuur met een boerderij en veelal grote stallen en bedrijfsgebouwen. De historische erven hebben een ruimere en losse opzet met een mix van kleinere en grotere bebouwing. Vaak is er een duidelijk onderscheid tussen een representatief voorerf en een achtererf met stallen dat het werkgebied vormde. De inrichting was sober en functioneel. Met betrekking tot het plangebied geldt dat dit deel uitmaak van het mozaïek landschap van de Gelderse Vallei. Het gebied had van oorsprong een kleinschalig en afwisselend karakter, maar dit karakter is met de schaalvergroting van de landbouw grotendeels verdwenen. De bebouwing is gegroepeerd aan de rand van de rand van de engen die als het ware in alle windrichtingen rond het erf gesitueerd waren. De bebouwing kent daardoor vooral een functionele opzet in een verstrooide structuur. Toets Uit paragraaf 2.4 Toekomstige situatie blijkt dat wordt voldaan aan deze principes uit de Kwaliteitsgids.

Het plan is daarmee in overeenstemming met het provinciaal beleid voor Landschappen.

26

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

3.3

Regionaal beleid

3.3.1 Landschapsontwikkelingsplan Gelderse Vallei (LOP) Het LOP bevat het landschapsbeleid van de gemeenten Amerongen, Barneveld, Leersum, Leusden, Maarn, Renswoude, Scherpenzeel en Woudenberg. Het plan is ontwikkelingsgericht en bevat zowel stimulerende als kaderstellende regels. Het belangrijkste doel van het LOP is het stimuleren van initiatieven voor landschaps- en natuurontwikkeling in het buitengebied. Hierbij staat het behouden, versterken en verbeteren van de landschappelijke identiteit en haar groen/blauwe structuur voorop. Het LOP vormt het toetsingskader voor gemeenten bij ontwikkelingen in het landschap. Onderhavig plangebied ligt in het deelgebied De Vallei; het oude dekzandgebied tussen Veluwe en Heuvelrug dat zich kenmerkt door een afwisselend landschap met een uitgebreid bekenstelsel. Onder invloed van de landbouw zijn delen sterk aangepast en zijn karakteristieke kenmerken grotendeels verdwenen. Binnen de Vallei bevinden zich (diffuse) kampenlandschappen, (diffuse) slagenlandschappen en (diffuse) broek- en heideontginningen.

Omdat het huidige landschap te weinig houvast biedt om alle ontwikkelingen goed op te kunnen vangen, is het LOP gericht op het versterken van het landschappelijke raamwerk overeenkomstig de karakteristieken van het betreffende landschap door het aanvullen van beplantingen langs wegen, het versterken van bosgebieden en het verder ontwikkelen van het bekensysteem. De Vallei wordt gekarakteriseerd door een afwisseling van uiteenlopende landschapstypen, die oorspronkelijk zeer nauw samenhangen met de fysieke ondergrond. De percelen liggen in kampenlandschap. Door ruilverkaveling en geleidelijke verwijdering en aftakeling van kleine landschapselementen zijn grote delen van het oorspronkelijke kampenlandschap getransformeerd tot vrij open agrarische werklandschappen. Slechts enkele gebieden en elementen resteren van het oorspronkelijke landschap. Bij herontwikkeling zijn behoud, herstel en ontwikkeling van karakteristieke cultuurhistorische, landschappelijke en (kleinere) ecologische elementen uitgangspunt. Bij functieverandering en erfontwikkeling (waaronder de vrijkomende agrarische bebouwing), dient ontwikkeling plaats te vinden vanuit de randvoorwaarden over de gewenste landschappelijke structuur. Bij de uitwerking van de erfinrichting en kleine landschapselementen zijn per landschapstype streefbeelden gegeven voor landschappelijke beplantingen en erfbeplantingen.

Hiermee kan op erfniveau worden gewerkt aan de verbetering en versterking van de landschappelijke kwaliteiten. De randvoorwaarden voor nieuwe erfinrichtingen zijn uitgewerkt in Hoofdstuk 6 van het LOP. Doel van de erfinrichting is om bij te dragen aan de identiteit per landschapstype door structurerend en geleidend groen binnen en buiten de erven ter versterking van de verscheidenheid in landschapstypen. Voor de bebouwing gelden de criteria in de Welstandsnota als richtinggevend. Het LOP bevat de volgende aanbevelingen:  Binnen het erf streven naar een rustig, samenhangend en karakteristiek beeld en voorkomen van verrommeling;  indeling in voorkant met siertuin, hagen en parkbomen (soms moestuin en boomgaard) en 'achterkant' als onderdeel van het omringende landschap (bomen en struiken die ook in de omgeving groeien);  aan de bebouwingszijden die sterk in het zicht liggen is begeleidende landschappelijke beplanting wenselijk;  een terughoudende inrichting doet recht aan de ligging van het erf in het buitengebied, dus spaarzaam omgaan met diverse inrichtingselementen zoals hekken, verlichting en grote oppervlakten verharding en zoveel mogelijk kiezen voor natuurlijke materialen zoals grind, gebakken klinkers, hout e.d.;  overvloedige verlichting op het erf vermijden, verlichting zo laag mogelijk bij de grond plaatsen;  niet meer dan strikt noodzakelijk verharden;  het

erf niet onnodig afsluiten met hekken en afrasteringen;  noodzakelijk afrasteringen uitvoeren in sobere kleuren en materialen of door beplanting laten wegvallen;  paardenbakken niet opzichtig maken, voor bruin of groen schriklint kiezen of houten hekken in een onopvallende kleur (grijs of bruin);

Adviesbureau Haver Droeze BNT

27

hooibalen zo mogelijk op een onopvallende plek op het erf plaatsen en verpakken of afdekken met materiaal in een neutrale kleur, bijvoorbeeld zwart gaasdoek.

Voor nieuwe woningen in het buitengebied worden de volgende aanbevelingen gedaan:  woningen met een tuin of erf dienen hun tuininrichting aan te laten sluiten bij de erven in het buitengebied en de kenmerken van het landschap (geen opvallende schuttingen maar hagen, weinig sierbeplanting, veel landschappelijke elementen);  nieuwe woningen met extra grondbezit: aan te raden is vooraf een tuin- en landschapsplan te maken, gecombineerd met het bouwplan (de omgeving en toekomstige erfinrichting kunnen belangrijke invloed op het bouwplan uitoefenen en andersom is het versterken van de in het gebied voorkomende gebiedskenmerken vooral aan de perceelsranden, wenselijk). Erven zijn in het kampenlandschap over het algemeen vrij ruim van opzet en onregelmatig. Het erf kent compacte clusters van bebouwing ingebed in het kleinschalige landschap met een onderscheiding van voor- en achterzijde. De boerderijen stonden oorspronkelijk vaak met de achterzijde of zijkant aan de weg. De afstand tussen bebouwing en de weg varieerde. Het historische boerderijtype is de langhuisboerderij of hallehuis. In mindere mate komen T- of krukhuisboerderijen voor.

Andere typische objecten op het erf waren één of meer hooibergen, het bakhuis, kippenhokken, wagenloodsen, een melkhok op het achtererf, deels ook oude tabakschuren Met betrekking tot de toe te passen beplanting worden de volgende suggesties gedaan:  gebruik houtwallen en houtsingels van bomen en struiken langs stallen en schuren: eik aangevuld met ruwe berk en lijsterbes, met struiken zoals meidoorn, hazelaar, veldesdoorn, hondsroos, vuilboom, Gelderse roos en hulst;  gebruik langs een perceel eiken, op korte afstand van elkaar, soms twee rijen dik;  gebruik langs de oprit: eiken, op korte afstand van elkaar;  de aanplant van een eikengaarde is mogelijk;  in een boomgaard dienen hoogstamfruitbomen (appel, peer, pruim, kers en soms ook oude streekgebonden fruitrassen) te worden toegepast;  aan de zonzijde van het huis kan voor de gevel leilinde of een perenboom worden toegepast;  vóór of naast het woonhuis: kastanje, iep, linde of noot, langs de weg een haag van meidoorn of veldesdoorn, haag (liguster, haagbeuk of beuk) rond de voor of moestuin of boomgaard (meidoorn of veldesdoorn);  verdeel de tuin in een aantal eenvoudige door (zand)paden gescheiden delen voor diverse functies, zoals bedden, kweken van groenten en bloemen;  gebruik buxus: in de moestuin of tuin binnen hagen  struiken: sering, boerenjasmijn, hulst of bessen.

Toets Voor onderhavig plan is van belang dat zowel de oorspronkelijke landschappelijke structuren als veel van de beplanting op het erf zelf zijn verdwenen. Het plan brengt diverse landschappelijke structuren en beplanting terug op het erf. In het inrichtingsplan is een uitwerking gegeven aan de herstel maatregelen op en rond het erf om zodoende de ruimtelijke kwaliteit van het landschap te verbeteren op basis van de historische structuren (zie paragraaf 2.4 Toekomstige situatie).

28

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1 Bestemmingsplan Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd Het perceel Moorsterweg 3 ligt in de geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg 2010 (d.d. 23-09-2010) en 'Buitengebied 2013 (herziening) (27-06-2013). Deze bestemmingsplannen zijn verwerkt in het bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd). Het bestemmingsplan Buitengebied 2013 biedt in artikel 3.7.8 de mogelijkheid om binnen het bouwvlak de bestemming ‘Agrarisch’ te wijzigen in de bestemming ‘Wonen’. Aan deze wijzigingsbevoegdheid zijn enkele voorwaarden verbonden. De relevante voorwaarden zijn: a. aangetoond moet zijn dat het agrarisch bedrijf is beëindigd en voortzetting van het agrarisch gebruik niet reëel is: het agrarische bedrijf is niet meer in gebruik. Met de gemeente Woudenberg en provincie Utrecht is overleg gevoerd over een nieuwe invulling van de percelen. Het is niet aannemelijk dat het agrarisch bedrijf opnieuw wordt opgestart. b. de gronden zijn niet gelegen op een ster-locatie: de percelen liggen niet op een zogenaamde 'Sterlocatie'. Deze term komt uit het Reconstructieplan Gelderse Vallei. Sterlocaties zijn bestaande veehouderijlocaties in het landbouwontwikkelingsgebied, waar een bedrijf zich kan ontwikkelen. Om ook in de toekomst een gezonde landbouwstructuur in het gebied te houden is het nodig sterlocaties zoveel mogelijk voor de landbouw te behouden.

Zoals gezegd ligt het perceel Moorsterweg 3 niet op een 'Sterlocatie'. c. de wijziging in de bestemming Wonen omvat ten hoogste de bestaande bebouwing en het daarbij behorende erf binnen het bouwvlak: Het bestemmingsvlak Wonen is niet groter dan het bestaande bouwvlak. Een deel van de bestaande bebouwing wordt gesloopt. Er worden twee nieuwe woningen gerealiseerd. d. de wijziging in de bestemming Wonen omvat in elk geval alle woonruimten binnen het betreffende bouwvlak, waarbij het aantal woningen binnen het bouwvlak niet mag worden vergroot: Het plan gaat uit van het toevoegen van twee extra woningen. e. de oppervlakte van de te slopen bedrijfsbebouwing als bedoeld onder e bedraagt ten minste 1.000 m², waarbij cultuurhistorisch waardevolle bebouwing niet wordt gesloopt: Er wordt circa 1.477 m2 aan voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. De hoeve en karakteristieke stal worden niet gesloopt. f. het resterende deel van de gronden wordt gewijzigd in de bestemming Agrarisch zonder aanduiding of bouwvlak: In verband met de te realiseren landschappelijke maatregelen is in dit geval gekozen voor Agrarisch met waarden - landschaps- en natuurwaarden (zonder bouwvlak). g.

wijziging leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van naastgelegen percelen: In hoofdstuk 4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN worden de diverse milieuaspecten behandeld. Hieruit blijkt dat de gebruiks- en ontwikkelmogelijkheden van de naastgelegen percelen door de voorgenomen ontwikkeling niet onevenredig worden aangetast. Het toevoegen van twee extra woningen in combinatie met landschapsherstel past niet binnen de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid, omdat de wijzigingsbevoegdheid geen extra woningen mogelijk maakt (in ruil voor extra sloop of aanleg van nieuwe natuur). Aan de overige voorwaarden wordt wel voldaan. Uit hoofdstuk 3 BELEIDSKADER blijkt dat er in het beleid aanknopingspunten zijn voor de voorgenomen ontwikkeling, waardoor dit plan via 'maatwerk' gerealiseerd kan worden. 3.4.2 Structuurvisie Woudenberg 2030 In de Structuurvisie Woudenberg 2030 (juni 2013 met oplegger van 24 januari 2019) worden keuzes gemaakt over de duurzame en verantwoorde ruimtelijke toekomst van de gemeente. Deze keuzes op het gebied van werken, zorg en welzijn, onderwijs, sport, toerisme en recreatie en mobiliteit zijn integraal op elkaar afgestemd. In de structuurvisie is ook aangegeven welke strategie de gemeente hanteert voor de uitvoering en de daarbij horende investeringen.

Richting 2030 zet Woudenberg in op het verbinden, combineren en vernieuwen van haar kwaliteiten. Door het ruimtelijk verbinden en combineren van deze sectoren ontstaat een sterk raamwerk: het ruimtelijk economisch structuurbeeld voor 2030. Hierin benut Woudenberg (de mogelijkheden van) haar kwaliteiten. Niet alleen door deze te verbinden en te combineren, maar ook door deze:

Adviesbureau Haver Droeze BNT

29

    

te vernieuwen: het centrum van Woudenberg tot aantrekkelijk boodschappen-, winkel- en verblijfsgebied voor bewoners en recreanten; te transformeren te herstructureren en te herontwikkelen: verschillende bedrijventerreinen waarvan bedrijventerrein Parallelweg en spoorzone de grootste zijn; te versterken: woningbouw in Woudenberg Oost (Hoevelaar) en op verschillende inbreidingslocaties; te verbreden: landbouw met verschillende agrarische nevenfuncties; te beschermen: de intrinsieke waarde van natuur, landschap en cultuurhistorie. Zo mogelijk kunnen deze ook beter benutbaar en beleefbaar worden gemaakt.

Daarnaast is de structuurvisie opgedeeld in de volgende thema's:  landschap en groen;  wonen;  economie;  recreatie;  verkeer;  maatschappelijke voorzieningen. Voor de voorgenomen ontwikkeling is het thema 'landschap en groen' van belang. Woudenberg ligt in een divers en kwalitatief hoogwaardig landschap. Het groen in de bebouwde kom en het buitengebied van Woudenberg maken de gemeente een aantrekkelijke plaats met een goede woon- en leefkwaliteit. Het landschap laat niet alleen de geschiedenis en het heden zien, maar is (zeker in het buitengebied) ook een kapstok om toekomstige ontwikkelingen van haar gebruikers aan op te hangen. Deze gebruikers zijn: de agrarische sector, de landgoederen, de intrinsieke waarden van natuur en recreatie. Al eeuwenlang zijn dit de medegebruikers van het landschap. Vroeger hoofdzakelijk de agrarische sector, maar vandaag de dag is het landschap multifunctioneel in gebruik met verschillende functies. Functies die bovendien niet langer naast elkaar staan, maar steeds meer met elkaar samenwerken en in combinatie een sterk recreatief en economisch concept zijn voor het buitengebied. Kaderstellend voor de visie op het landschap is de nieuwe provinciale structuurvisie. Deze streeft naar een landelijk gebied met kwaliteit.

De opgave is dan ook de diversiteit, kwaliteit en intrinsieke waarde van natuur en landschap te behouden met oog voor de dynamiek en ontwikkelingen van haar gebruikers. Toets Door het plan wordt de ruimtelijke kwaliteit versterkt door diverse landschappelijk en natuurmaatregelen.

30

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

Hoofdstuk 4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

In het kader van een ruimtelijke procedure dient voor diverse milieu- en omgevingsaspecten te worden aangetoond dat het plan uitvoerbaar is. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen en/of beperkingen aanwezig zijn voor de directe omgeving en de beoogde ontwikkeling zelf. In dit hoofdstuk wordt voor de beoogde ontwikkeling nader ingegaan op de verschillende aspecten; indien noodzakelijk is aanvullend onderzoek uitgevoerd. De betreffende rapportages zijn als bijlage aan deze toelichting toegevoegd. 4.1 Archeologie Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Deze wet bundelt de daarvoor bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Het is een integrale wet die betrekking heeft op de museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Om het archeologisch erfgoed beter te beschermen, dient de gemeente bij het vaststellen van een ruimtelijk plan rekening te houden met de in de grond aanwezige of te verwachte monumenten. Als behoud in de bodem geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven. De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en financiële inpassing van het archeologisch onderzoek.

Een bouwplan dient te voorzien in maatregelen om archeologische overblijfselen volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. Toets Op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting (zie afbeelding 17).

Adviesbureau Haver Droeze BNT

31

Afbeelding 17: Boven: Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart voor de periode Laat-Neolithicum - Romeinse Tijd/Vroege Middeleeuwen. Onder: Gemeentelijke archeologische verwachtingskaart voor de periode Late-Middeleeuwen-Nieuwe tijd Bron: Vestigia, Archeologisch onderzoek ten behoeve van de nieuwbouw van woningen aan de Moorsterweg 3 te Woudenberg, gemeente Woudenberg, Ruimtelijk advies op basis van bureauonderzoek, 15 juni 2021 Bureauonderzoek Voor het bestemmingsplan is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Vestigia, Archeologisch vooronderzoek ten behoeve van de nieuwbouw van woningen aan de Moorsterweg 3 te Woudenberg, gemeente Woudenberg, Ruimtelijk advies op basis van bureauonderzoek, 23 september 2021, zie bijlage 2).

32

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

De hoge verwachtingswaarde uit de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart kan op basis van het bureauonderzoek worden bevestigd. De mogelijke archeologische sporen en vindplaatsen kunnen uiteenlopen van tijdelijke jachtkampjes van jagerverzamelaars uit het Laat-Paleolithicum/Neolithicum tot nederzettingsterreinen en sporen van landgebruik/verkaveling uit de periode vanaf het Neolithicum/Bronstijd tot aan de Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd. Tot de eerste vondstcategorie behoren voornamelijk vondsten van bewerkt vuursteen; tot de tweede categorie behoren o.a. grondsporen van structuren zoals boerderijen, bijgebouwen, sloten, greppels en afvalkuilen, en vondsten van o.a. aardewerk, bot en metaal. Deze resten kunnen worden aangetroffen op de overgang tussen het cultuurdek en de natuurlijke ondergrond. Bij aanwezigheid van een bodem komen deze sporen voor onder de E-horizont; bij het voorkomen van een C-horizont direct onder het cultuurdek. Op basis van de historisch kaart- en bronnenmateriaal is er reeds vóór 1450 sprake van bewoning binnen het plangebied: boerderij Klein Donkelaar. Er bestaat dus een kans op het aantreffen van (bij)gebouwen, sporen en objecten van agrarische en bewoningsactiviteiten van Klein Donkelaar.

Op basis van de Kadasterkaart 1811-1832 en de opeenvolgende topografische kaarten zijn er echter geen aanwijzingen voor historische bebouwing binnen de twee nieuwe bouwvlakken, met uitzondering van de huidige bebouwing binnen het plangebied aan de zuidzijde. Vanwege de hoge archeologische verwachting is geadviseerd een inventariserend veldonderzoek ter plaatse van de bouwvlakken van de nieuwe woningen uit te voeren. De rest van het plangebied (ca. 25 ha) hoeft niet onderzocht te worden, maar behoudt daarmee wel de bestaande archeologische dubbelbestemming. Verder dient vermeld te worden dat binnen het plangebied gevechtshandelingen hebben plaatsgevonden in april 1945, waarbij destijds de boerderij is beschoten. Zodoende dient er ook rekening gehouden te worden met de mogelijke aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (zie paragraaf 4.12 Niet gesprongen explosieven). Veldonderzoek Op basis van de bevindingen uit het inventariserend veldonderzoek (Vestigia, Archeologisch vooronderzoek in het kader van de nieuwbouw van woningen aan de Moorsterweg 3 te Woudenberg, gemeente Woudenberg, Ruimtelijk advies op basis van inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, 29 oktober 2021, zie bijlage 3) kan de archeologische verwachting binnen het plangebied worden bijgesteld naar laag.

De kans dat met de geplande werkzaamheden een intacte archeologische vindplaats wordt geschaad moet als klein worden ingeschat. Vestigia adviseert daarom ook geen verdere stappen in het kader van de cyclus Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Ter plaatse van de bouwvlakken is dan ook geen archeologische dubbelbestemming opgenomen. Ook wanneer het plangebied op basis van de resultaten van archeologisch onderzoek wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst). Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische toevalsvondst wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Woudenberg, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/1698/documents/39440