CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

04. Moorsterweg 3 - Woudenberg_Toelichting.pdf

Raadscommissie 6 september 2022, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 13: Vaststellen bestemmingsplan Moorsterweg 314.843 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.2 Bedrijven en milieuzonering Algemene bedrijvigheid Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven) en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen).

Adviesbureau Haver Droeze BNT

33

De VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Met milieuzonering kan ervoor worden gezorgd dat nieuwe bedrijven op een verantwoorde afstand van gevoelige bestemmingen worden gesitueerd en vice versa. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Agrarische bedrijven De regelgeving met betrekking tot geurhinder en veehouderijbedrijven is opgenomen in de Wet Geurhinder en Veehouderij (Wgv). De Wgv maakt onderscheid tussen dieren mét en dieren zonder geuremissiefactor. De beoordeling of sprake is van geurhinder voor deze dieren bestaat bij geurgevoelige objecten (zoals woningen) voor dieren zonder geuremissiefactor uit een toetsing aan de voorgeschreven minimum afstanden. Voor dieren zonder geuremissiefactor bedraagt de minimaal in acht te nemen afstand tussen een geurgevoelig object en het emissiepunt (buitenzijde stal of uiterste grens van het bouwvlak) buiten de bebouwde kom 50m. Toets De voorgenomen ontwikkeling betreft een hindergevoelige functie. Zodoende is beoordeeld of voor de woningen geen hinder van omliggende functies valt te verwachten en andersom of deze functies niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd door de ontwikkeling.

Voor agrarische bedrijven kan voldaan worden aan de 'vaste afstanden' uit de Wet Geurhinder en veehouderij (50m), omdat het dichtsbijzijnde bedrijf op ruim 260m ligt. In de omgeving van het plangebied liggen geen overige bedrijven. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3 Bodem In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in kaart te brengen. Duidelijk moet zijn of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde 'stand stillbeginsel'. Toets Er is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (Greenhouse, Verkennend bodem- en asbestonderzoek, Moorsterweg 3 te Woudenberg, 07-09-2021, zie bijlage 4). Het doel van het onderzoek is het vaststellen van de bodemkwaliteit ter plaatse zodat rekening kan worden gehouden met de eventueel aanwezige bodemverontreinigingen. In het onderzoek zijn in de boven- en ondergrond maximaal licht verhoogde gehalten aan PAK aangetoond ten opzichte van de achtergrondwaarde. In het grondwater zijn maximaal licht verhoogde concentraties aan zware metalen aangetoond. In het onderzoek zijn 4 druppelzones onderzocht op het voorkomen van asbest in grond. Ter plaatse van één druppelzone is 230 mg aangetoond. Dit is een overschrijding van de interventiewaarde voor asbest.

Het bodemonderzoek is beoordeeld door de RUD Utrecht. De RUD heeft aangegeven dat het onderzoek onvoldoende beeld geeft van de bodemkwaliteit op de locatie. Naar aanleiding hiervan zijn aanvullende werkzaamheden uitgevoerd (Greenhouse, Moorsterweg 3 te Woudenberg, 30 april 2022, zie bijlage 5). Uit het bodemonderzoek van september 2021 en de voorlopige resultaten van april/mei 2022 kan het volgende worden geconcludeerd:

34

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

Druppelzones  Op basis van de onderzoeksresultaten wordt geconcludeerd dat het gehalte asbest in de één druppelzone de interventiewaarde van asbest in grond, 100 mg/kg d.s., ruimschoots overschrijdt. Voor asbest in grond is geen volumecriterium van de vervuilde grond van toepassing. Dit betekent dat er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Geadviseerd wordt de druppelzone te saneren middels een BUS melding  Ter plaatse van de overige druppelzones wordt het criterium va n 50 mg/kg aan asbest niet overschreden;  Ter plaats van stal A en de oostelijke paardenstal was voldoende dakgoot aanwezig. Voormalige tanks  Ter plaatse van de voormalige tanks wordt in de bovengrond licht (>achtergrondwaarde) verhoogde gehalten aan minerale olie aangetoond. De resultaten in het grondwater zijn nog niet bekend. Doordat de tanks geplaatst zijn in 1985 (waarschijnlijk historisch geval) en de licht verhoogde gehalten aan minerale olie (geen risico’s) is geen sanering noodzakelijk. Asbestscherven op de grond  Op het noordelijk deel zijn tussen de schuren asbestscherven op het maaiveld aangetroffen. De grond wordt onderzocht op het voorkomen van asbest. Indien de grond ook asbest bevat wordt geadviseerd deze te saneren middels een BUS melding.

Overig  In de boven- en ondergrond en grondwater zijn maximaal licht verhoogde gehalten aan geanalyseerde stoffen uit het standaard pakket aangetoond. Dit geeft geen aanleiding tot belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging en of toekomstige bouwvergunning. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.4

Cultuurhistorie

Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Cultuurhistorie omvat vele aspecten zoals het archeologisch erfgoed, (archeologische) monumenten, landschappelijke elementen en structuren, stedenbouwkundige structuren en delen van de infrastructuur. Uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is om het binnen een gebied aanwezige cultuurhistorische erfgoed te behouden. Toets Het plangebied kent geen dubbelbestemming voor cultuurhistorische waarden en er bevinden zich geen Rijks- of gemeentelijke monumenten. Ten westen van het plangebied ligt de Grebbelinie. De ontwikkeling in het plangebied doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische waarden in en de omgeving van het gebied. De bebouwing welke wordt gesloopt betreft geen karakteristieke bebouwing. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.5 Duurzaamheid De klimaatveranderingen, de eindigheid van de fossiele brandstof en het daarop anticiperende beleid van verschillende overheden vragen er om dat actief gekeken wordt naar duurzaamheid in nieuwbouwplannen. Het betreft thema's zoals CO2- en energiebesparing, duurzame energie en duurzaam bouwen.

De ambitie van de gemeente Woudenberg is om in 2030 een duurzame gemeente te zijn, waarbij iedereen meewerkt om duurzaamheid na te streven.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

35

Toets Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op transformatie van een agrarisch perceel naar wonen. De ontwerpen van de nieuwe woningen zijn op dit moment nog niet bekend. In het plan zal voldaan worden aan de nieuwste wetgeving op het gebied van duurzaamheidseisen. De duurzaamheidsaspecten zullen in het kader van de aan te vragen omgevingsvergunning verder worden uitgewerkt. Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.6 Ecologie De bescherming van natuur in Nederland is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is een netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming.

Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN (nee, tenzij-beginsel). Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van de Provincie. Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen.

Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (Vogel- en Habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht (artikel 1.11 Wnb), zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied. Toets Gebiedsbescherming Het plangebied ligt buiten het NNN (zie afbeeldingen 18 en 19).

36

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

Afbeelding 18: Ligging ten opzichte van Natuur Netwerk Nederland - Utrecht Bron: Interim Omgevingsverordening Utrecht

Afbeelding 19: Ligging ten opzichte van Natuur Netwerk Nederland - Gelderland Bron: Geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Veluwe' en ligt op ruim 10 kilometer (zie afbeelding 20). Gelet op de zeer grote afstand kan worden aangenomen dat het plan geen negatieve effecten heeft op Natura 2000.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

37

Afbeelding 20: Ligging ten opzichte van Natura 2000 Bron: www.natura2000.nl Gebiedsbescherming: berekening stikstofdepositie In aanvulling op het voorgaande is van belang dat de bouw en het gebruik van de woningen uitstoot van stikstof tot gevolg hebben, met name vanwege de inzet van bouwmaterieel en de extra verkeersbewegingen in de gebruiksfase. Een relevante toename van stikstofdepositie c.q. negatief effect op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden is daarom niet op voorhand uit te sluiten. Er is een stikstofberekening uitgevoerd (Bureau Haver Droeze, Onderzoek stikstofdepositie, 21 juni 2021, zie bijlage 8 Notitie stikstof). Hieruit blijkt dat kan worden aangesloten bij de partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht die is opgenomen in de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). De reikwijdte van de partiële vrijstelling omvat de werkzaamheden die voorzien zijn in dit project. Voor de aanlegfase kan een berekening van de stikstofdepositie achterwege blijven. Voor de gebruiksfase is relevant dat de nieuwe woningen niet zullen worden aangesloten op het gasnet. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) die tijdens de gebruiksfase vinden plaats door verkeersbewegingen van en naar het plan. De berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

Het beoogde plan zorgt niet voor een significante toename in stikstofdepositie en negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Soortenbescherming In het kader van de zorgplicht zoals opgenomen in de Wet Natuurbescherming is een quickscan ecologie uitgevoerd naar de aanwezigheid en de effecten van het plan voor beschermde soorten (Van Bommel Faunawerk, Quickscan Flora en fauna, Moorsterweg 3, Woudenberg, 15 april 2019, zie bijlage 6). Uit deze quickscan blijkt dat er bij de uitvoering van de werkzaamheden rekening gehouden dient te worden met de mogelijke aanwezigheid van broedende vogels. Om verstoring van broedvogels zoveel mogelijk uit te sluiten dient het slopen van de gebouwen buiten het broedseizoen (half maart tot half juli) uitgevoerd te worden. Mocht tijdens de uitvoer van werkzaamheden onverhoopt op broedende vogels gestuit worden, dan dienen de werkzaamheden stil gelegd te worden en naar een later tijdstip te worden opgeschort. Met name boerenzwaluw kan nog na half juli broeden.

38

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

Bij de uitvoering van de werkzaamheden hoeft geen rekening gehouden te worden met beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Voor ruimtelijke ingrepen bestaat een vrijstelling voor de mogelijk aanwezige soorten. Gezien de aard van de te slopen kapschuur en stallen, die op meerdere plaatsen toegankelijk zijn voor vleermuizen, kunnen algemene soorten vleermuizen zoals laagvlieger en gewone dwergvleermuis de gebouwen gebruiken als verblijfplaats. Deze soorten komen vrijwel in heel Nederland voor en verblijven over het algemeen in gebouwen. Aanvullend onderzoek binnen het geschikte seizoen dient uit te wijzen of vleermuizen de te slopen gebouwen werkelijk gebruiken. Er worden geen beschermde soorten reptielen, vissen, insecten of planten verwacht, waarvoor een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming vereist is. Ondanks dat voor een aantal soorten bij de ruimtelijke ingreep een vrijstelling geldt, dient men rekening te houden met de zorgplicht. Deze geldt altijd en voor alle planten en dieren, onafhankelijk van beschermingsstatus en/of ontheffing of vrijstelling is verleend. Voor vleermuizen is een nader onderzoek uitgevoerd (Van Bommel Faunawerk, Nader onderzoek vleermuizen, Moorsterweg 3 Woudenberg, 29 januari 2019, zie bijlage 7).

Hieruit blijkt dat de te slopen opstallen en hun directe omgeving een zekere betekenis hebben als foerageergebied voor vleermuizen. Maar die betekenis is niet zodanig groot dat de ruimtelijke ontwikkeling door aantasting van foerageergebied een risico is voor het voortbestaan van vleermuispopulaties. De te slopen opstallen hebben geen functie als vliegroute of als verblijfplaats van vleermuizen. Het is niet noodzakelijk om vanwege vleermuizen een ontheffing van de Wet natuurbescherming aan te vragen. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.7 Externe veiligheid Voor bestemmingsplannen is wet- en regelgeving over veiligheidsrisico's aan de orde. Dit kunnen risico's zijn die zware bedrijven kunnen veroorzaken, maar ook door transport van gevaarlijke stoffen (over weg, spoor en water en door buisleidingen). Kwetsbare bestemmingen, zoals bijvoorbeeld woningen, moeten voldoende afstand houden tot dergelijke bedrijven en transportroutes. Ook kunnen er beperkingen aan de bebouwingsdichtheid gewenst zijn. De normen en richtlijnen voor risico's komen uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Toets Op basis van de risicokaart (zie afbeelding 21) is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en om het plangebied.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

39

Afbeelding 21: Risicokaart Bron: www.risicokaart.nl In de omgeving liggen diverse diverse agrarische bedrijven die een propaantank of vulpunt hebben waar een risicocontour bij hoort van 20, 40 of 50m. Het plangebied bevindt zich ruim buiten deze afstanden, waardoor er geen risico is voor de woningen in het plangebied. Vanuit het aspect externe veiligheid zijn er geen belemmeringen die uitvoering van de plannen in de weg staat. 4.8 Geluid Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidsbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidbelaste object – hiervoor kent de wet geluidgevoelige bestemmingen, zoals wonen, zorg en onderwijs. In het kader van dit bestemmingsplan is uitsluitend het aspect wegverkeerslawaai van toepassing. Er zijn geen gezoneerde bedrijventerreinen aanwezig en ook de spoorlijn Utrecht-Arnhem ligt op een dusdanig grote afstand dat het geen effect heeft op het voorliggende plangebied. De Wet geluidhinder (Wgh) kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidgevoelige bestemming altijd kan worden gerealiseerd. Onder voorwaarden kan een ontheffing van de voorkeursgrenswaarden worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde.

Bij een geluidbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidgevoelige bestemmingen niet toegestaan. Toets Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidzone van de wegen Moorsterweg en Dashorsterweg. Voor de ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Kragten, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai, woningbouwplan Moorsterweg 3 te Woudenberg, 19 mei 2021, zie bijlage 9). Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de berekende geluidbelasting ten gevolge van wegverkeer ten hoogste 44 dB (incl. aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) bedraagt. De voorkeurswaarde uit de Wet geluidhinder wordt gerespecteerd voor alle woningen. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

40

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

4.9 Kabels en leidingen Uit het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd' blijkt niet dat ter plaatse van het plangebied buis- of transportleidingen aanwezig zijn die planologisch relevant zijn. Ook uit de risicokaart komen dergelijke leidingen niet in het plangebied naar voren. 4.10 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. Hierin is opgenomen dat bij een ruimtelijk besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit getoetst moet worden. Om te bepalen of de kwaliteit van de lucht ter plaatse voldoet aan de eisen uit de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde regelgeving, dient bij nieuwe ontwikkelingen onderzoek gedaan te worden naar de luchtkwaliteit. Projecten waarvan aannemelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het begrip 'in betekenende mate' is verder uitgewerkt in het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM). Bij toepassing van NIBM is artikel 2 van het Besluit NIBM relevant. Dat artikel geeft aan dat aannemelijk gemaakt moet worden, dat de toename van de fijn stof en stikstofdioxide niet de 3% grens overschrijdt. Als aannemelijk is dat de grens niet wordt overschreden, dan is het project IBM. Het hoeft dus niet tot in detail te worden aangetoond.

De Regeling NIBM geeft verder nog categorieën van gevallen en getalsmatige grenzen waarbinnen een project altijd NIBM is, ongeacht de bijdrage ervan op de concentraties. Voor dergelijke gevallen mag er zonder meer van worden uitgegaan dat de bijdrage van het project NIBM is. Voor woningbouwlocaties is de grens minder dan 1.500 woningen bij minimaal 1 ontsluitingsweg. De ontwikkelingen in het plangebied zijn dermate kleinschalig, dat ze vallen binnen de randvoorwaarden van het Besluit Niet in Betekenende Mate Bijdragen. De invloed van deze kleinschalige ontwikkelingen hoeven niet in beeld te worden gebracht. In het verlengde van een goede ruimtelijke ordening, gebaseerd op de Wet milieubeheer, is het Besluit gevoelige bestemmingen van kracht. Dit besluit is gericht op functies voor gevoelige groepen voor langdurig verblijf. Hierbij kan worden gedacht aan zorginstellingen, kinderopvang, scholen en bejaardentehuizen. Deze functies mogen niet worden gerealiseerd in gebieden met overschrijdingen van de wettelijke grenswaarden ten gevolge van provinciale wegen en rijkswegen. In dit geval is geen sprake van een plan waar een gevoelige bestemming in de zin van het Besluit gevoelige bestemmingen mogelijk wordt gemaakt. Toetsing aan dit besluit hoeft niet plaats te vinden.

Toets Toetsing aan grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5) is gezien het voorgaande niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt hierna kort ingegaan op de luchtkwaliteit in het plangebied, in relatie tot de geldende grenswaarden. Uit de atlas voor de leefomgeving (peiljaar 2019, bron: www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat de achtergrondconcentratie stikstofdioxide/NO2 (14 µg/m 3) en fijn stof / PM10 (20 µg/m 3) zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m 3 bevinden. De concentratie zeer fijn stof/PM2,5 (11 µg/m3) bevindt zich beneden de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 25 µg/m3. Aan de grenswaarden wordt in het plangebied ruimschoots voldaan. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

41

4.11 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is bedoeld om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld te brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over plannen en besluiten. Het maken van een milieueffectrapport (m.e.r.) of m.e.r.beoordeling is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die (aanzienlijke) nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Dit betekent dat de plannen of activiteiten ook een bepaalde omvang moeten hebben om m.e.r.-(beoordelings)plichtig te zijn. Aan de hand van de in het Besluit milieueffectrapportage omschreven m.e.r.-plichtige activiteiten met de bijbehorende drempelwaarden, kan worden bepaald of een project m.e.r.-plichtig (C-lijst) dan wel m.e.r.-beoordelingsplichtig (D-lijst) is. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn: in bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang ook belangrijke nadelige milieugevolgen hebben.

Om te voorkomen dat er bij projecten met een kleinere omvang belangrijke milieugevolgen over het hoofd worden gezien is het voor alle projecten die voorkomen op de D-lijst en die onder de drempelwaarden liggen verplicht om vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren. In onderdeel D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.- beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen' (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig in geval deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of wanneer het gaat om een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer betreft. Toets De voorgenomen ontwikkeling betreft de functieverandering van agrarisch naar wonen, waarbij, naast het omzetten van de voormalige bedrijfswoning in een woning, twee nieuwe woningen worden gerealiseerd. Ondanks dat de ontwikkeling naar aard en omvang beperkt is, kan niet worden uitgesloten dat er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld in categorie D 11.2 van de bijlage bij het Besluit m.e.r.

De reden hiervan is dat het plangebied in landelijk (niet stedelijk) gebied ligt, zodat er ten opzichte van de huidige situatie sprake is van een zekere mate van verstedelijking. Er is een bestemmingsplanwijziging nodig van 'Agrarisch' naar 'Wonen' en het betreffende perceel zal worden voorzien van bouwvlakken. Gelet op het beoordelingskader dat volgt uit de relevante jurisprudentie is er onder deze omstandigheden sprake van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd op grond van het Besluit m.e.r. Omdat de ontwikkeling de drempelwaarde in kolom 2 niet overschrijdt, kan er worden volstaan met een 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling. In het kader van de 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling dient te worden ingegaan op de criteria genoemd in Bijlage III bij de Europese richtlijn m.e.r.: I. Kenmerken van het project II. De plaats van het project III. Kenmerken van het potentiele effect Op basis van de 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling (art. 7.17, derde lid, jo. art. 7.16 Wm) zal een m.e.r.-beoordelingsbesluit (voorbereidingsbesluit) genomen moeten worden door het bevoegd gezag voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan (art. 7.19 lid 1 Wm) (Adviesbureau Haver Droeze, Aanmeldnotitie vormvrije mer-beoordeling, 31 mei 2022, zie bijlage 10).

42

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

4.12 Niet gesprongen explosieven In de gemeente Woudenberg hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog verschillende oorlogshandelingen plaatsgehad. Het merendeel van deze oorlogshandelingen vond plaats rond het spoortracé Utrecht-Arnhem en het voormalig spoortracé Amersfoort-Kesteren, waar in de periode september 1944 tot april 1945 enkele tientallen luchtaanvallen door geallieerde jachtbommenwerpers zijn uitgevoerd. Daarnaast zijn ten behoeve van de Nederlandse defensie verschillende onderdelen van de Grebbelinie binnen de gemeente aangelegd. In het najaar van 1944 zijn enkele delen van de Grebbelinie aangevuld of aangepast in het kader van de aanleg van de Duitse Pantherstellung. Als gevolg van deze en andere gebeurtenissen is op verschillende locaties binnen de gemeente Woudenberg sprake van de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. In opdracht van de gemeente Woudenberg wordt een gemeentebreed vooronderzoek ontplofbare oorlogsresten (conflictperiode 1939-1945) uitgevoerd. Het vooronderzoek is nog niet vastgesteld door de gemeenteraad, maar op basis van de conceptstukken kan worden geconcludeerd dat de locatie is aangemerkt als 'laag risico aantreffen ontplofbare oorlogsresten'. Het aspect Niet gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.13 Verkeer Het plangebied wordt ontsloten op de Moorsterweg.

Voor de ontsluiting van de drie woningen wordt gebruik gemaakt van de bestaande opritten. De verkeersaantrekkende werking van de toe te voegen woningen is te bepalen aan de hand van kencijfers van CROW in publicatie 381 ; Toekomstbestendig parkeren'. Hierbij is rekening gehouden met de kencijfers behorend bij 'weinig stedelijk' en 'buitengebied'. Op basis van het plan is de volgende inschatting te maken: Functie

Plan

Eenheid

Koop, vrijstaand

3 woningen 1 woning

Verkeersgeneratie per Verkeersgeneratieplan eenheid min max min max gem 7,8 8,6 23,4 25,8 24,6

De Moorsterweg heeft een etmaalintensiteit van 1.200 motorvoertuigen per etmaal. Een toename van maximaal 25,8 verkeersbewegingen per dag is relatief klein. Daarnaast geldt dat in de huidige situatie ook al sprake is van verkeersbewegingen vanwege het agrarische bedrijf. De toename van het aantal verkeersbewegingen zal dus minder zijn dan in de tabel is weergegeven Het parkeren vindt plaats op eigen terrein. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.14 Water Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Het watertoetsproces voor het perceel Moorsterweg 3 is op 3 juni 2021 digitaal doorlopen via www.dewatertoets.nl. Het Waterschap Vallei en Veluwe is via deze weg van de ruimtelijke ontwikkeling op de hoogte gebracht van de plannen. Op 30 juni 2021 heeft een locatiebezoek met het waterschap plaatsgevonden.

Met het locatiebezoek werd beoogd helder te krijgen wat het doel is van de natuurvriendelijke oever van de Nattegatsloot, welk beheer bij dat doel past en wie dat beheer gaat uitvoeren.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

43

Algemene aandachtspunten Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlast in benedenstrooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waterschap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - scheiden - schoon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt.

Dit kan door nadere eisen / randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hiermee verder helpen. Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

44

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

Hoofdstuk 5 5.1

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

Planvorm

5.1.1 Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting. De regels en de verbeelding vormen samen één geheel. Tevens vormen de regels met de daaraan gekoppelde verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Voor de gemeente is het bestemmingsplan het belangrijkste publiekrechtelijke instrument om doelstellingen te realiseren. In onderhavig plangebied legt het bestemmingsplan de basis voor een nieuwe ontwikkeling. In het kader van dit bestemmingsplan zijn de gronden in het plangebied voorzien van een bestemming waarin tevens regels zijn gesteld ten aanzien van de bebouwingsmogelijkheden op en de gebruiksmogelijkheden van die gronden. De toelichting heeft geen juridische bindingskracht, maar vormt wel en belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan omdat hierin de beweegredenen, onderzoeksresultaten en de (beleids)uitgangspunten zijn verwoord, die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Daarmee is de toelichting van wezenlijk belang voor de juiste interpretatie van het bestemmingsplan en de wijze waarop de daarin opgenomen bepalingen moeten worden toegepast. 5.1.2 Methodiek Bij het opzetten van dit bestemmingsplan is ervoor gekozen het bestemmingsplan inhoudelijk zoveel mogelijk te laten aansluiten op het bestemmingsplan Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd.

De begrenzing van het plangebied komt overeen met de begrenzing van het gebied waar ingrepen zijn voorzien. In het plangebied komen de bestemmingen 'Agrarisch', 'Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden', 'Water' en 'Wonen' voor. Daarnaast kent het plan de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 2'. Dit bestemmingsplan is opgezet volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2014) die het mogelijk maakt om bestemmingsplannen te maken die op een vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De standaarden hebben geen betrekking op de toelichting omdat deze immers geen deel uitmaakt van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan wordt digitaal vastgesteld en via digitaal (via internet) raadpleegbaar gepubliceerd. Daarnaast wordt het bestemmingsplan afgedrukt zodat het ook analoog kan worden geraadpleegd. Bij inhoudelijke verschillen tussen het digitale en het analoge bestemmingsplan, geldt het digitale bestemmingsplan. 5.1.3 Opzet regels De opbouw van de planregels is als volgt: Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen: hier zijn de begrippen gedefinieerd die in de planregels worden toegepast. Waar mogelijk is gebruik gemaakt van de standaardbepalingen uit de SVBP 2012.

Artikel 2 Wijze van meten: hier is aangegeven op welke wijze maten, inhoud en oppervlakten van bouwwerken worden gemeten en berekend om zo tot een eenduidige toepassing van de bouwregelingen te komen. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De bestemmingsomschrijving is de centrale bepaling van elke bestemming. In de bestemmingsomschrijving zijn de functies benoemd die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn gerelateerd aan deze omschrijving evenals het gebruik van de gronden en de daarop toegestane bebouwing. De bestemmingsregels kennen alle dezelfde opbouw met de volgende onderdelen:

Adviesbureau Haver Droeze BNT

45

        

bestemmingsomschrijving bouwregels nadere eisen afwijken van de bouwregels specifieke gebruiksregels afwijken van de gebruiksregels omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk wijzigingsbevoegdheid

Niet elke bestemmingsregel bevat deze elementen; dit is afhankelijk van de bestemming en de daarvoor relevante bepalingen. Voor de inhoud van de regels is de regeling zoals die is opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd als uitgangspunt genomen. Hoofdstuk 3 Algemene regels In dit hoofdstuk staan algemene regels zoals de anti-dubbeltelregel en algemene bouw- en afwijkingsregels. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht: samengevat is hier bepaald dat bouwwerken en gebruiksvormen die bij de totstandkoming van het plan reeds bestaan, maar dit strijdig zijn met dit plan, in dezelfde vorm mogen blijven bestaan. Wel blijft het mogelijk om op te treden tegen (eerder ontstaan) illegaal gebruik of bebouwing. Artikel 12 Slotregel: hier is aangeven onder welke naam het plan kan worden aangehaald. 5.1.4 Verbeelding Op de plankaart of verbeelding is de bestemming van de betreffende percelen aangegeven. De plankaart bestaat uit een verzameling van geografisch bepaalde objecten, die samen met de regels zijn opgeslagen in een digitaal ruimtelijk informatiesysteem. De objecten zijn voorzien van bestemmingen met bijbehorende doeleinden en regels. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken binnen een bestemming of dubbelbestemming nader te regelen.

Het gaat hierbij om specificaties met betrekking tot het gebruik of de bebouwingsmogelijkheden. De aanduidingen hebben daardoor juridische betekenis en komen ook altijd in de regels van het bestemmingsplan voor. Verklaringen zijn de overige in de verbeelding van het bestemmingsplan voorkomende zaken. Verklaringen hebben geen juridische betekenis, maar zijn bedoeld om nadere informatie te verschaffen en de raadpleegbaarheid te verbeteren. 5.1.5 Bestemmingen Het centrale onderdeel van een bestemmingsplan is de bestemmingsregeling. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden aan alle in het plan begrepen gronden bestemmingen toegewezen met bijbehorende doeleinden. Aan de bestemmingen zijn regels gekoppeld over het gebruik van die gronden en ten aanzien van de bebouwingsmogelijkheden. Elke bestemming is geometrisch bepaald. In het plangebied komen de bestemmingen 'Agrarisch', 'Agrarisch met waarden - Landschaps- en natuurwaarden', 'Water' en 'Wonen' voor. Daarnaast kent het plan de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie - 2'.

46

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

Omdat in het agrarische gebied diverse natuur- en landschapsmaatregelen worden gerealiseerd langs de sloten en randen is er voor gekozen de agrarische bestemming in dit gebied te voorzien van een aanduiding 'natuur- en landschapswaarden', specifiek waar deze maatregelen worden toegepast. Deze manier van bestemmen zorgt ervoor dat de weilanden zelf niet deze aanduiding hebben en de bedrijfsvoering zo min mogelijk wordt beperkt. Alleen het kruidenrijk grasland ten noorden van de woning heeft een bestemming gekregen die aanvullend is gericht op behoud en ontwikkeling van de voorkomende landschaps- en natuurwaarden: Agrarisch met waarden – landschaps- en natuurwaarden. In het plangebied komt geen agrarisch bouwvlak voor. De woningen zijn gepositioneerd rond een ruim erf dat via een soort brink met twee wegen aansluit op de Moorsterweg. De woningen en het erf zijn bestemd tot 'Wonen'. Binnen het bestemmingsvlak zijn bouwvlakken opgenomen voor de woningen. Woningen moeten in het bouwvlak worden gebouwd. Bijbehorende bouwwerken, zoals bijgebouwen mogen ook daarbuiten worden gebouwd, met dien verstande dat deze achter de voorgevel van de woningen dienen te worden gerealiseerd. Per bouwvlak is één woning is toegestaan. De maximuminhoudsmaat voor woningen bedraagt ten hoogste 600 m³.

Onder voorwaarden kan via afwijking van het bestemmingsplan medewerking worden verleend aan vergroting van de inhoudsmaat (25% vergroting tot maximaal 800 m 3). De voorwaarden hebben betrekking op de inpassing in de omgeving, zowel landschappelijk als stedenbouwkundig. Standaard is in iedere woning bed & breakfast toegestaan, met een maximum van 3 kamers. Ook een aan huis-gebonden beroep of aan-huis-gebonden bedrijf is rechtstreeks toegestaan, tot een maximale oppervlakte van 50 m2. Mantelzorg is rechtstreeks toegestaan. Overigens moet het daarbij gaan om het gebruik van de bestaande woning en mag er dus geen nieuwe woning ontstaan. Aanvullend is een afwijking van de gebruiksregels opgenomen om mantelzorg te kunnen toestaan in een bijgebouw of een woonunit. De maximale oppervlakte bedraagt 80 m2, binnen de algemene oppervlaktematen voor bijgebouwen (dus geen extra bouwmogelijkheden). Er is een voorwaardelijke verplichting om te waarborgen dat de natuur en landschapsmaatregelen gerealiseerd worden. Overeenkomstig het archeologisch beleid van de gemeente zijn de gronden tevens voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie -2'. Op de gronden waar door archeologisch veldonderzoek is aangetoond dat de archeologische verwachting kan worden bijgesteld naar laag, is geen archeologische dubbelbestemming opgenomen.

De Nattegatsloot heeft, net als in het bestemmingsplan 'Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd' de bestemming 'Water'. Voor zover relevant zijn de flexibiliteitsbepalingen uit het bestemmingsplan Buitengebied Woudenberg Geconsolideerd hier overgenomen.

Adviesbureau Haver Droeze BNT

47

Hoofdstuk 6

UITVOERBAARHEID

6.1 Economische uitvoerbaarheid In de toelichting van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling. Tevens volgt uit de Wro de verplichting om, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken (bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut) en/of plankosten, deze moeten kunnen worden verhaald op de initiatiefnemer. Het plan wordt op eigen grond door en voor rekening ontwikkeld van de initiatiefnemer. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade kan de gemeente met initiatiefnmeer een planschadeverhaalsovereenkomst sluiten. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het concept van dit plan is in het kader van het bestuurlijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening toegezonden aan de bestuurlijke vooroverlegpartners provincie Utrecht en waterschap Vallei en Veluwe. De provincie heeft aangegeven dat het bestemmingsplan de formele vastlegging is van een al langer lopend traject om tot een passende invulling te komen van een Ruimte-voor-Ruimte-situatie. In 2020 is overlegd met de gemeente Woudenberg en initiatiefnemer. De uitkomsten van dat overleg hebben in voldoende mate vorm gekregen in dit bestemmingsplan. De provincie heeft aangegeven dat er in het plan onvoldoende borging en koppeling van de kwaliteitsmaatregelen is opgenomen. Naar aanleiding hiervan is de voorwaardelijke verplichting aangepast. Het waterschap heeft aangegeven dat er overleg is geweest over het realiseren van een natuurvriendelijke oever langs de Nattegatsloot. Het waterschap kan instemmen met de voorgestelde bestemmingsplanwijziging, Aan de hand van de participatiewijzer van de gemeente Woudenberg heeft de initiatiefnemer beperkte participatie uitgevoerd. Initiatiefnemer heeft de betrokkenen in kaart gebracht en geïnformeerd. De betrokkenen zijn door middel van een brief op de hoogte gesteld van het initiatief, de procedure van het bestemmingsplan en de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen.

Daarnaast is in de brief opgeroepen om bij vragen en/of opmerkingen over de voorgenomen bestemmingswijziging contact op te nemen met de rentmeester. Twee omwonenden hebben contact opgenomen. De eerste omwonende heeft een opmerkíng geplaatst bij de natuururiendelijke oever die aan de noordzijde van de Nattegatsloot wordt gerealiseerd. Deze persoon vond het, Iettend op het huidige profiel, passender om de zuidoever natuurvriendelijk te maken. Toegelicht is dat vanuit ecologisch oogpunt de noordzijde wenselijker is. Deze toelichting werd begrepen.De tweede persoon die contact heeft opgenomen meldde geïnteresseerd te zijn in één van de woningen. Op basis van de opmerkingen is het plan niet aangepast. Het ontwerpbestemmingsplan wordt gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder een zienswijze indienen. Voorafgaand aan de terinzagelegging zijn omwonenden door middel van een brief over de ontwikkeling geïnformeerd.

48

bestemmingsplan Moorsterweg 3 - Woudenberg (ontwerp)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/1686/documents/38974