CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

04. Moorsterweg 14_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 4 Quickscan ecologie.pdf

Gemeenteraad 30 juni 2022, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 8: Vaststellen bestemmingsplan Moorsterweg 148.235 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan Wet natuurbescherming

Moorsterweg 14 te Woudenberg

In het k ade r van sl oo p - e n b o u w w e r kza a m h e d e n e n h e ri n r i c h t i n g t e r r e i n

Het Laar 30d 6733BZ Wekerom 0318 655 626 info@deslijpkruik.nl www.deslijpkruik.nl

Colofon Titel

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

Betreft

Quickscan Wet natuurbescherming

Locatie Moorsterweg 14 3931 NC Woudenberg Uitvoering

De Slijpkruik Ecologie B.V.

Auteur(s) J. de Jong Controle J. Mossink Contactpersoon J. Mossink, ecoloog mossink@deslijpkruik.nl 0683222610 Opdrachtgever

Dhr. F. Bosman

Datum

15-04-2021

Status

versie 2.1

Projectcode

21ALF06 QS Moorsterweg Woudenberg

Inhoud 1

Inleiding 4

1.1 Aanleiding en doel 1.2 Beschrijving locatie en ingreep 1.3 Opzet onderzoek 1.4 Kwaliteitsborg 2

Resultaten en effecten beschermde flora en fauna

8

2.1 Vaatplanten 2.2 Vogels 2.3 Vleermuizen 2.4 Grondgebonden zoogdieren 2.5 Vissen 2.6 Amfibieën 2.7 Overige soorten 3

Effecten en aanbevelingen

15

3.1 Vaatplanten 3.2 Vogels 3.3 Vleermuizen 3.4 Grondgebonden zoogdieren 3.5 Vissen 3.6 Amfibieën 3.7 Overige soorten 4

Gebiedsbescherming

19

4.1 Natura 2000 4.2 Natuurnetwerk Nederland 5

Conclusies

21

5.1 Overzicht van de bevindingen 5.2 Conclusies en aanbevelingen Bijlagen 24 Bijlage A Wettelijk Kader

3

Ecologische quickscan Moosterweg 11 te Woudenberg

15 april 2021

1

Inleiding 1.1 Aanleiding en doel In opdracht van de initiatiefnemer voerde adviesbureau De Slijpkruik Ecologie een ecologische quickscan uit aan de Moorsterweg 14 te Woudenberg. Voor het plangebied is een herinrichtingsplan ingediend, voor zowel het erf met bebouwing als het omringende agrarische perceel. De bestaande bebouwing wordt gesloopt en er wordt een nieuwe woning gerealiseerd. Verder zal er een nieuwe inrichting komen van het terrein waar verschillende landschapselementen worden gerealiseerd met als doel het terrein duurzaam in te richten. De ingreep is getoetst aan de Wet natuurbescherming, onderdelen ‘soortenbescherming’ en ‘gebiedsbescherming’. Voor het onderzoek voldoet in eerste instantie een ‘quickscan’: een kort onderzoek op basis van een beknopt bronnenonderzoek en een veldbezoek, waarbij een deskundige inschatting wordt gemaakt van de mogelijke aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Er is geen sprake van kap van bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen of houtopstanden groter dan in totaal 10 are buiten de bebouwde kom Wet natuurbescherming. Van eventuele kapwerkzaamheden hoeft daarom geen melding gedaan te worden bij de provincie.

De quickscan betreft een momentopname, er kan dus geen rekening worden gehouden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en –beheer na afloop van het onderzoek. De quickscan kan leiden tot uitvoeriger onderzoek of tot een advies voor mitigerende/compenserende maatregelen. De geldigheidsduur van resultaten bedraagt voor zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar. Naast de soortbescherming is een beoordeling gemaakt van de gebiedsbescherming. In dat kader is een inschatting gemaakt van de mogelijke ecologische gevolgen van de voorgenomen ingreep ten aanzien van Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. 1.2 Beschrijving locatie en ingreep Het plangebied is gelegen aan de Moorsterweg 14 te Woudenberg. Het plangebied is gelegen in het buitengebied ten noordoosten van Woudenberg (afbeelding 1.1 en 1.2). Het onderzoeksgebied heeft een oppervlakte van ca. 31.600 m². Het onderzoeksgebied bestaat uit een woon- en bouwvlak van ca. 1500 m² de rest van het perceel bestaat uit weiland. Op het woon- en bouwvlak staan een aantal gebouwen namelijk: een woning, aangebouwde bijkeuken met afdak en toegang tot de deel, varkenschuur met afdak, caravanschuur en kapschuur. Een aannemer heeft vastgesteld dat het niet rendabel is om de huidige woning te renoveren t.o.v. nieuwbouw.

Het voornemen bestaat om de woning te slopen. Net als de varkenschuur en caravanschuur welke in slechte staat verkeren. Verder is het de bedoeling om de open kapschuur af te breken en op te bouwen op de locatie van de huidige woning en om een nieuwe woning, werkplaats en bijgebouw te bouwen. Mogelijk worden ook de bijkeuken en de deel gesloopt maar dit staat vooralsnog niet vast (afbeelding 1.3). Grote delen van het omringende terrein behorend tot het plangebied, dat nu uit weiland bestaat, zal opnieuw ingericht worden. Hierbij is het de bedoeling dat het terrein duurzaam wordt ingericht en in de toekomst duurzaam te beheren is. In de planvorming is gelet op het terugbrengen van biodiversiteit, herstel van historich landschap, laag onderhoud en zoveel mogelijk zelfvoorzienend qua voedsel. Er zullen verschillende landschapselementen worden gerealiseerd zoals kruidenrijk grasland, een poel, natuurvriendelijke oevers, een wilgen/elzenrij, hagen, bomen, kruidenrijk grasland, een moestuin, een boomgaard en een wintervoedsel akker (afbeelding 1.4).

4

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

Rondom het plangebied liggen agrarische percelen. Aan de noord- en zuidzijde van het perceel lopen watergangen in de vorm van sloten met bomenrijen die uit wilgen bestaan. Aan de westzijde ligt ten noorden van de toegangsweg het erf met woning en bijgebouwen van Moorsterweg 16. Ten noorden van de noordelijke watergang ligt een uitloopgebied van een grote pluimveehouderij, in noordoostelijke richting enkele erven met agrarische bedrijvigheid. Het omringende landschap is te typeren als relatief kleinschalig landschap met een afwisseling van agrarische percelen, houtwallen en bospercelen met enkele kleine watergangen zoals de Moorsterbeek en afwateringssloten. De voornaamste ingrepen zijn: - Sloop diverse gebouwen; - Bouw nieuwe gebouwen; - Afbreken en verplaatsen van kapschuur; - Verbouwing van bijkeuken en deel (of sloop); - Aanleg Geriefhout- en boomgaard; - Aanleg moestuin; - Aanplant bomen rond erf; - Aanleg kruidenrijk grasland; - Aanleg wintervoedsel akker; - Aanplant (struweel) haag; - Aanplant wilgen/elzenrij; - Ontwikkelen van natuurvriendelijke oever met wilgen/ elzenrij; - Realiseren van paddenpoel; Alle ingrepen vallen onder de noemer “ruimtelijke ontwikkeling en inrichting”. 1.3 Opzet onderzoek De ecologische quickscan bestaat uit een beknopt literatuuronderzoek (verspreidingsatlassen, websites etc.), een veldbezoek en rapportage met bevindingen en advies.

De locatie is op 12 april 2021 bezocht door J. Mossink en J. de Jong, ecologen van adviesbureau De Slijpkruik Ecologie. Tijdens dit onderzoek is het terrein verkend op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Daarbij is in het bijzonder gelet op de aanwezigheid van vleermuizen, huismussen, steenuilen, marterachtigen en het daadwerkelijk voorkomen van beschermde soorten. Het locatiebezoek is onder half bewolkte omstandigheden uitgevoerd bij een temperatuur van 4 0C en matige wind, N 3 bft. 1.4 Kwaliteitsborging Door de inzet van deskundigen op gebied van ecologie en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethoden is de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. De Slijpkruik Ecologie is kandidaat-lid van en hanteert de richtlijnen van het Netwerk Groene Bureaus (NGB), soortinventarisatieprotocollen van het NGB en/of richtlijnen kennisdocumenten van BIJ12. Toetsing van de aanpak en uitwisseling van ervaringen met gemeenten, provincies en collega-

5

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

onderzoekers vindt plaats op regelmatige basis. Garanties over aan-/afwezigheid van planten en dieren is niet te geven. Daarvoor is de aard en de opzet van een quickscan niet toereikend. Daarbij is het een eenmalige momentopname en houdt het geen rekening met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderingen in terreingebruik en –beheer. Ook dient er rekening te worden gehouden met de veranderingen in wet- en regelgeving. De geldigheidsduur van de rapportage bedraagt voor de zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar.

Afb. 1.1: Kaart met de globale ligging van de onderzoekslocatie (rode cirkel) ten opzichte van Woudenberg en Leusden. Het plangebied is gelegen in buitengebied ten noordoosten van Woudenberg. Bron ondergrond: pdok.nl/viewer/.

Afb. 1.2: Luchtfoto van het onderzoeksgebied (rood kader) en daarin het woon-bouwvlak (geel kader). Binnen het woon- bouwvlak zal bebouwing gesloopt worden en nieuwe gebouwen teruggeplaatst worden. Het overige terrein zal heringericht worden met nieuwe landschapselementen. Bron ondergrond: GoogleMaps.

6

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

Afb. 1.3: Tekening met voorstel van het bouwplan. De bestaande woning, caravanschuur en varkenschuur zullen gesloopt worden. De kapschuur zal verplaatst worden. Een nieuwe woning, werkplaats en hobbyruimte zullen gebouwd worden. Bron: Inrichtingsplan Bouw en Perceel ‘de paardebloem’ Moorsterweg 14, Woudenberg (concept) .

Afb. 1.4: Tekening met voorstel van nieuwe situatie. Over het terrein zullen nieuwe landschapselementen gerealiseerd worden. Bron ondergrond: Inrichtingsplan Bouw en Perceel ‘de paardebloem’ Moorsterweg 14, Woudenberg (concept).

7

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

2

Resultaten bescher mde f lora en fauna 2.1 Vaatplanten De locatie ligt in een overwegend agrarisch gebied. Binnen de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) zijn geen waarnemingen bekend van beschermde soorten binnen en rondom het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen bijzondere of beschermde vaatplanten aangetroffen. Het gehele terrein is onderzocht en bestaat uit overwegend agrarisch raaigrasland met verder uitsluitend algemene soorten zoals zandraket, hondsdraf, paarse dovenetel, klimopereprijs, speenkruid, grote brandnetel, pinksterbloem, gewone paardenbloem, madelief en smalle weegbree. Aanwezigheid van beschermde plantensoorten is gezien bovenstaande bevindingen uitgesloten. 2.2 Broedvogels Jaarrond beschermde nestplaatsen Van een aantal vogelsoorten is het nest jaarrond beschermd, dus ook buiten het broedseizoen. Het gaat bijvoorbeeld om soorten die niet zelf hun nest bouwen, maar voor een belangrijk deel afhankelijk zijn van menselijke bebouwing, soorten die jarenlang dezelfde locatie gebruiken of soorten waarvan het nest ook buiten de broedperiode gebruikt wordt. Ook andere onderdelen van de leefomgeving van belang voor het functioneren van een jaarrond beschermde nestplaats zijn beschermd. Denk hierbij aan jachtgebied van uilen en roofvogels of schuil- en slaapplekken van huismussen in struiken.

Van de overige inheemse vogelsoorten is het nest beschermd zolang dit voor voortplantingsdoeleinden in gebruik is. In de NDFF zijn uit de omgeving enkele waarnemingen bekend van soorten met jaarrond beschermde nesten. Het gaat hierbij om de: buizerd, havik, huismus en wespendief. Daarnaast geeft de initiatiefnemer aan dat er in het verleden af en toe een steenuil op het erf gezien is en dat er op dit moment steenuilen broeden op het erf van de boerderij ten noordoosten van het plangebied. De te slopen bebouwing en omliggend terrein is uitgebreid gecontroleerd op het voorkomen van vogels met jaarrond beschermde nesten en of de bebouwing potentie heeft om te dienen als jaarrond beschermde verblijfplaats. Op en rond het erf van Moorsterweg 16 ten westen van het plangebied werden tijdens het veldbezoek veel huismussen gezien en gehoord. Er zaten zingende mannetjes op het pannendak van de woning en groepjes mussen in de beukenhaag. Op het erf binnen het plangebied was tijdens het veldbezoek twee keer kortstondig een volwassen mannetje aanwezig. In de nok van de oude varkensschuur zijn restnesten gevonden van voornamelijk stro. Het is mogelijk dat dit, al dan niet oude, nesten van de huismus zijn. De overstek van de westelijke kopgevel heeft een toegankelijke ruimte waaruit zichtbaar nestmateriaal naar buiten stak.

Tijdens het veldbezoek was een vogel in de overstek te horen, er kon echter niet worden vastgesteld om welke soort het ging. Naast huismus zou het ook om bijvoorbeeld spreeuw of witte kwikstaart kunnen gaan. Het erf zelf is in beperkte mate geschikt als leefgebied voor de huismus. Er is nauwelijks opgaande begroeiing aanwezig om in te schuilen en de omgeving rond het erf bestaat uit open grasland. Het is echter niet uit te sluiten dat er huismussen nestelen in de bebouwing gezien de korte afstand tot het naastgelegen erf waar met zekerheid huismussen nestelen, de (kortstondige) aanwezigheid van een exemplaar binnen het plangebied en de geschiktheid van de te slopen bebouwing als nestplaats. De buizerd is tijdens het veldbezoek overvliegend waargenomen. Het is echter uitgesloten dat deze soort vaste rust- en verblijfplaats heeft op het terrein door het ontbreken van geschikte bomen. Door het ontbreken van bomen, struiken en een ooievaarspaal op het terrein zijn

8

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

geschikte nestplaatsen voor andere vogels met jaarrond beschermde nesten als de ooievaar, wespendief, ransuil, sperwer, of roek uitgesloten. De schuren, knotwilgen en zolder van de deel zijn uitvoerig onderzocht op aanwezighed van de steenuil of nestplaatsen en sporen (braakballen, veren, uitwerpselen etc.). In de overkapping en caravanschuur zijn enkele gedateerde sporen van de steenuil gevonden in de vorm van braakballen en uitwerpselen. Aan de oostkant van de buitenzijde van de caravanschuur is eveneens een braakbal gevonden. De te slopen bebouwing is op dit moment met zekerheid niet als nestplaats geschikt aangezien donkere, besloten ruimtes ontbreken in de bebouwing. De hoeveelheid aangetroffen sporen is gering en verse braakballen of andere recente sporen ontbraken. Er werden geen sporen van kerkuil aangetroffen. Ook een functie als vaste rust- of nestplaats van kerkuil is daarom uitgesloten. Overige broedvogels Rondom de bebouwing is weinig begroeiing in de vorm van bomen en struweel aanwezig waar broedvogels zouden kunnen nestelen. Rondom de woning staat een hoge hulst en enkele kleine struikjes. Hierin zijn geen nesten aangetroffen. Onder het dak aan de westkant van het huis nestelt een vogel. Tijdens het veldbezoek is deze hier gehoord en zijn hier sporen van een nest aangetroffen. Het is dus mogelijk voor vogels om onder het dak te komen en hier te gaan nestelen.

Het is onbekend welke vogel hier nestelt. Het zal een relatief kleine vogel zijn geweest met hooguit het formaat van een spreeuw. In de varkenschuur zijn nesten aangetroffen in de nok van het dak. Dit zijn mogelijk nesten van de witte kwikstaart welke tijdens het veldbezoek regelmatig is waargenomen op het dak van de bebouwing. In de kapschuur is ook een nest aangetroffen. Gezien het gebruik van wat grotere takken is deze vermoedelijk van de houtduif. Verder is tijdens het veldbezoek een merel waargenomen in het weiland. Boven het graslandperceel ten noorden van de watergang waren enkele kieviten roepend en duikelend aanwezig. Binnen het plangebied zijn geen kievitsnesten of alarmerende kieviten aangetroffen maar toekomstige nesten van kievit of andere weidevogels zijn niet geheel uitgesloten. 2.3 Vleermuizen Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn zwaar beschermd vanuit de Europese Habitatrichtlijn. Geschikte verblijfplaatsen zijn vaak beperkt beschikbaar. Door sloop en renovatie zijn de laatste decennia veel potentiële verblijfplaatsen verdwenen. Niet alleen verblijfplaatsen, maar ook lineair doorlopende landschapselementen waarlangs vleermuizen zich verplaatsen tussen slaapplek en foerageergebied (zogenaamde vliegroutes) en belangrijk foerageergebied zijn beschermd.

Uit de omgeving van het plangebied zijn vanuit de NDFF waarnemingen bekend van de bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en hoogstwaarschijnlijk de gewone grootoorvleermuis. Verblijfplaatsen vleermuizen Een aantal in Nederland voorkomende vleermuissoorten worden voornamelijk in gebouwen aangetroffen. Een voorwaarde is dat er geschikte, toegankelijke ruimtes voor vleermuizen aanwezig zijn. Tijdens het locatiebezoek zijn de te slopen gebouwen uitgebreid geïnspecteerd op aanwezigheid van potentiële verblijfplaatsen zoals toegankelijke spouwen en ruimtes onder het dak, achter daklijsten, betimmeringen etcetera. Daarnaast zijn er soorten die hoofdzakelijk in bomen verblijven. Holten, scheuren en ruimtes achter losse stukken bast vormen bijvoorbeeld geschikte verblijfplaatsen. Er zijn ook soorten die zowel in bomen als in gebouwen worden aangetroffen. De woning bestaat uit een bakstenen muur met luchtspouw. Spouwmuren zijn zeer geschikt als verblijfplaats voor soorten als gewone dwergvleermuis en laatvlieger mits deze spouw toegankelijk

9

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

is. In dit geval is de spouw toegankelijk en daarom geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen uit de omgeving. Op verschillende plekken sluit de daklijst niet strak aan op de muur waardoor er spleten zijn ontstaan. Ook is er een ruimte van 2-3 cm breedte tussen de gevel en dakgoot ter hoogte van de zuidgevel van de woning vanwaar de spouw bereikt kan worden. Hierdoor zijn er openingen aanwezig die groot genoeg zijn als ingang voor vleermuizen. Ook de caravanschuur is geschikt als zomer- en paarverblijfplaats voor vleermuizen doordat er ruimtes aanwezig zijn tussen de damwandplaten en achterliggende houten gevel. Doordat vleermuizen moeten landen op de relatief gladde damwandplaten is het de vraag of vleermuizen gebruik kunnen maken van deze ruimtes, maar dit kan niet worden uitgesloten. De overige gebouwen niet geschikt voor vleermuizen omdat hier geen besloten, donkere en tochtarme tussenruimtes aanwezig zijn waar vleermuizen gebruik van zouden kunnen maken. Er zijn geen bomen met voor vleermuizen geschikte holtes, scheuren of losse stukken schors aanwezig op het erf en terreindelen waar ingrepen plaatsvinden. Aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van boombewonende vleermuissoorten op het terrein is daarmee uitgesloten.

Foerageergebied en vliegroutes vleermuizen Het plangebied is met het ontbreken van bomen, struiken en ruigtes en veelal open terrein ongeschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Rondom de bebouwing en in de kapschuur is er wel mogelijkheid voor vleermuizen om te foerageren. Dit foerageergebied is echter niet van essentieel belang. Het betreft een klein oppervlakte en er zijn bovendien in de omgeving genoeg alternatieven die kunnen dienen als foerageergebied voor vleermuizen. Binnen het plangebied zijn met zekerheid geen vliegroutes van vleermuizen aanwezig. Er ontbreken lijnvormige structuren waarlangs vleermuizen zich kunnen verplaatsen tussen verblijfplaatsen en jachtgebieden. De bomenrij met wilgen langs de watergang aan de zuidzijde van het plangebied kan wel onderdeel van een vliegroute zijn. Deze wilgen blijven behouden waardoor de functionaliteit van een mogelijke vliegroute niet in het geding komt. 2.4 Grondgebonden zoogdieren Onder “grondgebonden zoogdieren” worden hier bedoeld alle zoogdieren met uitzondering van vleermuizen. Dit zijn knaagdieren, haasachtigen, insecteneters en marters. In de omgeving zijn diverse grondgebonden zoogdieren bekend binnen de NDFF. Zo zijn een aantal zwaarder beschermde soorten op enige afstand van het plangebied waargenomen, namelijk de boommarter, das en eekhoorn.

Daarnaast zijn er een aantal vrijgestelde soorten waargenomen: bosmuis, bunzing, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, veldmuis en vos. Binnen het plangebied zelf is hiervan alleen de haas waargenomen. Aanwezigheid van muisachtigen is waarschijnlijk. Van de beschermde, niet vrijgestelde zoogdiersoorten is met name gelet op potentie voor de das en steenmarter die beiden in de omgeving voorkomen. De eekhoorn is uitgesloten omdat er geen bomen aanwezig zijn. Boommarter komt weliswaar in de omgeving voor maar is in zekere mate gebonden aan houtopstanden. De omgeving van het plangebied vormt zeer geschikt habitat voor de das. De afwisseling van bospercelen, houtwallen en agrarische percelen bieden volop geschikt foerageergebied, schuilplaatsen en het bouwen van burchten. Het plangebied zelf ligt niet in de directe nabijheid van een dassenburcht of houtopstand. Op het terrein werden geen graafsporen of haarplukken in het prikkeldraad aangetroffen. Steenmarter kan voorkomen op rommelige erven en kleinschalig landschap met voldoende water en schuilmogelijkheden in de buurt. In de varkensschuur en caravansschuur zijn enkele in potentie geschikte plekken aanwezig welke onderzocht zijn. Tijdens de inspectie werden nergens uitwerpselen, prooiresten, krabsporen of andere sporen gevonden die duiden op aanwezigheid.

Op het terrein zijn geen geschikte ruigtes en structuurelementen voor marterachtigen aanwezig. Het terrein is daarmee geen geschikt leefgebied voor marterachtigen. Aanwezigheid van marterachtigen is daarom uitgesloten.

10

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

Er is grote kans dat algemene zoogdiersoorten zoals haas, veldmuis, huisspitsmuis en bosmuis binnen het plangebied voorkomen. De begroeide terreindelen van het plangebied zijn geschikt en met het veldbezoek zijn meerdere holletjes waargenomen. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkeling. 2.5 Vissen Binnen het plangebied aan de noordkant loopt een watergang in de vorm van een sloot. Binnen de NDFF zijn hier waarnemingen van de tiendoornige stekelbaars bekend. Voor deze soort geldt een provinciale vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkeling. Er worden geen beschermde vissoorten verwacht. De voorgenomen activiteiten beperken zich tot omvormen van de oevers in natuurvriendelijke oevers. Negatieve effecten op vissen worden niet verwacht doordat geschikt habitat voor vissen niet zal verdwijnen. 2.6 Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn bastaardkikker, bruine kikker, groene kikker, bastaardkikker, gewone pad, kleine watersalamander waargenomen. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. In de sloot aan de noordkant van het plangebied zijn hiervan de bruine kikker, groene kikker, kleine watersalamander en bastaardkikker waargenomen. De sloot kan onderdeel zijn van voortplantingswater voor algemene amfibiesoorten.

De begroeide terreindelen binnen het plangebied zullen naar verwachting als landhabitat gebruikt worden door deze soorten. In de omgeving komen verder de strikt beschermde kamsalamander en poelkikker voor. Kamsalamander is aangetroffen in een poel een kleine kilometer ten noorden van het plangebied. Ook de poelkikker komt daar voor, evenals op meerdere plekken langs de Postweg en op grotere afstand van het plangebied op diverse andere plekken. Voor beide soorten is het plangebied momenteel ongeschikt als leefgebied. De watergang wordt geflankeerd door agrarisch grasland, het gebied ten noorden van de watergang is zelfs een uitloopgebied voor kippen. Beschutting en schuilplaatsen ontbreken. In de watergang zelf is er kans op predatie door vissen. Door de voorgenomen landschappelijke inrichting ontstaan wellicht op termijn mogelijkheden voor poelkikker en kamsalamander. Bijvoorbeeld door de aanleg van een poel en houtige landschapselementen. 2.7 Overige soortgroepen (reptielen & ongewervelden) Er zijn geen waarnemingen van beschermde reptielen of ongewervelden uit omgeving rondom en binnen het plangebied bekend. Door het ontbreken van heidevegetatie, bosranden en aansluiting op geschikte gebiden is het terrein geen geschikt leefgebied voor reptielen.

Het plangebied is ongeschikt voor beschermde, veeleisende soorten ongewervelden en voldoet niet aan de voorwaarden waaraan potentieel leefgebied van beschermde ongewervelden (libellen, kevers, weekdieren) moet voldoen, waardoor aanwezigheid van dergelijke soorten is uitgesloten.

11

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

Afb. 2.1: Woning vanaf de zuidkant gezien. Rechts is de deel te zien en hiertussenin de bijkeuken met afdak. Op enkele kleine struikjes en het gazon na is er geen noemenswaardige begroeiing aanwezig.

Afb. 2.2: Tussen de muur en dakrand aan de zuidkant van de woning zijn spleten aanwezig dat voor vleermuizen als ingang kan dienen om in de spouwmuur te verblijven.

Afb. 2.3: Onder het dak aan de westkant broed een vogel. BInnen de rode cirkel zijn vogelpoep en nestonderdelen te zien. Ook hier zijn spleten te zien welke toegang kunnen dienen voor vleermuizen.

Afb. 2.4: Achterzijde van het huis aan de noordkant. De begroeing bestaat enkel uit gazon. Aan deze zijde zijn geen openingen voor vleermuizen of vogels om in tussenruimtes te komen.

Afb. 2.5: Grasland met uitzicht op de woning van de Afb. 2.6: Grasland met uitzicht op de boerderij aan buren aan de westkant. de noordoostkant.

12

Ecologische quickscan Moosterweg 11 te Woudenberg

15 april 2021

Afb. 2.7: Sloot aan de noordkant van het perceel.

Afb 2.8: Woning, deel, varkensschuur en caravanschuur vanaf de oostkant gezien.

Afb. 2.9: Nesten in de nok van het dak van de varkensschuur. Tijdens het veldbezoek kon niet worden vastgesteld of de nesten in gebruik zijn.

Afb. 2.10: In en achter de varkensschuur zijn enkele rommelige plekken aanwezig. Sporen van marterachtigen zijn niet gevonden en de mogelijkheden zijn voor deze soorten beperkt.

Afb. 2.11: Binnenzijde caravanschuur.

Afb. 2.12: Achterkant caravanschuur. Er werden enkele oude braakballen en uitwerpselen van steenuil aangetroffen. Mogelijke nestplaatsen voor steenuil ontbreken echter.

13

Ecologische quickscan Moosterweg 11 te Woudenberg

15 april 2021

Afb. 2.13: Een oude braakbal van steenuil gevonden in de caravanschuur.

Afb. 2.14: Open kapschuur.

Afb. 2.15: De begane grond van de deel is in gebruik als werkschuur.

Afb. 2.16; Op de zolder van de deel zijn geen sporen en (mogelijke) verblijfplaatsen van beschermde soorten gevonden.

Afb. 2.15: Witte kwikstaart op het dak van de open kapschuur.

Afb. 2.16: Nest in open kapschuur.

14

Ecologische quickscan Moosterweg 11 te Woudenberg

15 april 2021

3.Effecten en aanbevelingen 3.1 Vaatplanten Binnen het plangebied zijn geen beschermde of bijzondere plantensoorten aangetroffen. Geschikte omstandigheden voor bijzondere vegetatie ontbreken. Effecten op beschermde planten zijn uitgesloten, nader onderzoek is niet nodig. 3.2 Broedvogels Vogels met jaarrond beschermde nesten Het is mogelijk dat huismussen gebruik maken van de te slopen gebouwen als vaste rust- en verblijfplaats. Aan de hand van de quickscan kan aan- of afwezigheid van huismusnesten niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld. Aanvullend onderzoek is nodig om aanwezigheid te kunnen uitsluiten. Dit onderzoek zal conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, juli 2017) uitgevoerd moeten worden. Het onderzoek bestaat uit 2 veldbezoeken in de periode 1 april - 15 mei waarbij een veldbezoek minimaal 1 uur duurt en bij voorkeur in de ochtend wordt uitgevoerd, bij droge en relatief rustige weersomstandigheden. Tussen de veldbezoeken in moet minimaal 10 dagen zitten. Indien nestplaatsen worden aangetroffen in de te slopen bebouwing leiden de werkzaamheden mogelijk tot overtreding van verbodsbepalingen genoemd in artikel 3.1 lid 2 (vernielen of beschadigen nestplaatsen) en lid 4 (opzettelijk storen). Er dient in dat geval een ontheffing te worden aangevraagd bij de provincie Utrecht.

De ontheffingsaanvraag dient te worden vergezeld van een activiteitenplan waarin in onder andere mitigerende en compenserende maatregelen beschreven worden om negatieve effecten tot een minimum te beperken. Maatregelen bestaan ondermeer uit het tijdig treffen van tijdelijke en permanente alternatieve verblijfplaatsen en het werken buiten kwetsbare perioden (broedseizoen en strenge vorstperioden). Op het erf is nauwelijks opgaand groen aanwezig dat als schuil- of slaapplek voor huismussen kan dienen zoals coniferen, heesters en andere groene beschutting. Dit vormt een mogelijke verklaring waarom er tijdens het veldbezoek nauwelijks activiteit van huismussen binnen het plangebied was terwijl op het erf rond de woning met huisnummer 16 een groep van 10-15 huismussen constant hoorbaar en zichtbaar aanwezig waren in ondermeer de beukenhagen. Van aantasting van overige essentiële gebiedsfuncties (schuilgelegenheid, voedselbronnen) is met zekerheid geen sprake aangezien de waarde van het plangebied momenteel verwaarloosbaar is. Integendeel, de voorgenomen plannen zullen naar verwachting juist gaan leiden tot een positief effect vanwege het aanleggen van struweelhagen en een boomgaard. Nader onderzoek naar negatieve effecten op jaarrond beschermde gebiedsfuncties van broedvogels anders dan nestplaatsen van huismus is niet nodig.

Steenuil heeft in het verleden incidenteel gebruik gemaakt van de caravanschuur en kapschuur. Recente gebruikssporen ontbreken echter, evenals potentiële nestplaatsen. Het omringende weiland bestaat uit agrarisch raaigrasland dat weinig geschikt is voor steenuil door de dichte grasmat en gebrek aan uitkijkposten. Voor de steenuilen die ten noordoosten van het plangebied een territorium hebben zal het plangebied dan ook van weinig waarde zijn in de huidige vorm. Door de herinrichting van het terrein wordt het plangebied aanmerkelijk geschikter als leefgebied voor steenuil, maar ook bijvoorbeeld kerkuil. Door een steenuilkast aan te bieden kan de soort zich mogelijk vestigen binnen het plangebied. Jaarrond beschermde rust- of nestplaatsen en bijbehorende functionele leefomgeving van andere vogelsoorten ontbreken binnen het plangebied. Overige broedvogels Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels zoals spreeuw, witte

15

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

kwikstaart, zwarte roodstaart en houtduif mogelijk in de voor deze soorten toegankelijke bebouwing. Voor soorten als spreeuw en zwarte roodstaart geldt dat ze in categorie 5 zijn ingedeeld op de lijst met jaarrond beschermde nesten. Er zijn voldoende alternatieven in de omgeving voorhanden, daarom zijn eventuele nesten van deze soorten binnen het plangebied alleen beschermde op het moment dat ze in gebruik zijn. De gevonden nesten in de nok van de varkensschuur, onder het dak van de woning en in de kapschuur kunnen in gebruik zijn. Ook in het schaarse opgaand groen op het terrein (met name de hulst) zijn broedgevallen in deze periode niet uit te sluiten. Een veelgebruikte indicatie van het broedseizoen is de periode half maart - half augustus. Eerdere of latere broedgevallen zijn wel mogelijk, vooral van de houtduif. Uitsluitend van belang is het feit of bezette nesten aanwezig zijn, ongeacht de periode. Het verstoren of vernielen van bezette nesten is een overtreding van de Wet natuurbescherming en dient altijd voorkomen te worden. Dit geldt vanaf het moment dat de nestbouw begint totdat alle jongen het nest permanent verlaten hebben of de broedpoging vrijwillig wordt afgebroken. Verstoring en vernieling van nesten kan in eerste instantie voorkomen worden door buiten het broedseizoen te werken.

De periode november - februari is de meest geschikte periode om werkzaamheden op te starten of preventieve maatregelen te treffen. Worden toch bezette nesten aangetroffen dan dienen werkzaamheden met een mogelijk negatief effect te worden uitgesteld totdat de ouders klaar zijn met broeden en de jongen zelfstandig het nest definitief hebben verlaten. Slopen tijdens het broedseizoen is alleen verantwoord indien de bebouwing buiten het broedseizoen ontoegankelijk gemaakt is voor broedvogels óf indien een broedvogelcheck uitgevoerd door een erkend deskundige hooguit 5 dagen voorafgaand aan de sloop uitwijst dat er op dat moment geen bezette nesten aanwezig zijn. Worden er toch één of meerdere bezette nesten aangetroffen dan dienen de werkzaamheden te worden uitgesteld totdat alle nesten binnen invloedssfeer van de werkzaamhedenn verlaten zijn. 3.3 Vleermuizen Effectbeoordeling vaste rust- en verblijfplaatsen vleermuizen De te slopen bijkeuken, deel, varkensschuur en overkapping zijn ongeschikt als vaste rustof voortplantingsplaats van vleermuizen door het ontbreken van een spouw of geschikte tussenruimtes. De werkzaamheden bij deze gebouwen zullen niet leiden tot verstoring, aantasting of vernieling van jaarrond beschermde verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen.

De woning en caravanschuur zijn daarentegen wel geschikt bevonden voor gebouwbewonende vleermuizen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger). De spleten aan de oost- en zuidkant van de gevel van de woning zorgen ervoor dat vleermuizen in de spouwmuur kunnen komen. Voor de caravanschuur geldt dit voor de ruimtes tussen damwandplaten en de planken waarop deze gemonteerd zijn. De sloop leidt mogelijk tot verstoring of vernieling van jaarrond beschermde vaste rust- of voorplantingsplaatsen van deze soorten. Vleermuizen kunnen gedood of verwond worden tijdens de werkzaamheden. De werkzaamheden kunnen daarom leiden tot overtreding van artikel 3.5 lid 1 (doden of verwonden), lid 2 (opzettelijk verstoren) en lid 4 (beschadigen/vernielen van verblijfplaatsen). Het uitvoeren van nader onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of vleermuizen daadwerkelijk verblijfplaatsen in de woning en caravanschuur hebben en zo ja om welke soort en welke functies (paar-, kraam-, zomer-, winterverblijfplaats) het gaat. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de richtlijnen van het Vleermuisprotocol 2021 (opgesteld door o.a. Zoogdiervereniging, NGB en GAN). Dit houdt in minimaal vijf gerichte nachtelijke inventarisaties tussen half mei en eind september, uitgevoerd door erkend deskundigen zoals benoemd in het protocol.

Wanneer verblijfplaatsen worden aangetroffen dient bij de provincie Utrecht een ontheffing aangevraagd te worden. In dat geval dient ter onderbouwing van de ontheffingsaanvraag een activiteitenplan te worden opgesteld om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door het tijdig aanbieden van geschikte alternatieven, het werken buiten kwetsbare perioden en

16

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

aanpassen van de werkwijze. Ook moet er sprake zijn van een in de Habitatrichtlijn genoemd wettelijk belang en moet een alternatievenafweging plaatsvinden. De bouw van nieuwe gebouwen biedt kansen voor vleermuizen. Naar verwachting is het mogelijk om op relatief eenvoudige en goedkope wijze ruimte te creëren voor vleermuizen. Het realiseren van verblijfplaatsen kan bijvoorbeeld door ruimtes achter gevelbetimmering of boeidelen toegankelijk te maken, vleermuizen toegang te geven tot de ruimtes tussen pannen en dakbeschot, inmetselkasten toe te passen, open stootvoegen in spouwmuren etcetera. Op die manier kan de ingreep een positief effect hebben op (deels) gebouwbewonende vleermuissoorten die in de omgeving voorkomen (ruige dwergvleermuis, laatvlieger en gewone dwergvleermuis). Potentiële verblijfplaatsen voor boom- en gebouwbewonende vleermuizen komen niet voor binnen het plangebied. Negatieve effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom uitgesloten. Effectbeoordeling vaste vlieg- en migratieroute en essentieel foerageergebied Het plangebied is geen onderdeel van een (mogelijke) doorlopende vlieg- of migratieroute van vleermuizen. Van essentieel foerageergebied is met zekerheid geen sprake gezien de beperkte geschiktheid van het plangebied en het feit dat er volop betere alternatieven in de omgeving beschikbaar zijn.

Bovendien is de ingreep relatief kleinschalig. De voorgenomen werkzaamheden waarbij meer lijnvormige structuren in de vorm van hagen en wilgen/elzenrijen langs watergangen, een poel en begroeiing worden aangelegd maakt het plangebied juist geschikter voor vliegroutes en als foerageergebied voor vleermuizen en zal naar verwachting een positief effect hebben op het leefgebied van vleermuizen in het algemeen. Lichtverstoring Tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie kunnen negatieve effecten op nietessentieel foerageergebied optreden door lichtverstoring. Negatieve effecten kunnen zich voordoen wanneer tijdens de sloop- of bouwfase gebruik wordt gemaakt van bouwlampen tussen zonsondergang en zonsopkomst. Daarnaast kan lichtverstoring zich voordoen tijdens de nieuwe situatie door buitenverlichting. Het is van belang om lichtverstoring op foeragerende en passerende vleermuizen te voorkomen. Door een toename van verlichting raken vleermuizen gedesoriënteerd en vinden hun weg niet terug naar verplijfplaatsen. Verblijfplaatsen raken door een toename van verlichting ongeschikt. Vanuit de zorgplicht (artikel 1.11) dient een toename van verlichting voorkomen te worden tijdens en na de werkzaamheden.

Gebruik zonodig afschermende armaturen, beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter, gebruik eventueel vleermuisvriendelijke verlichting (zogehete ‘batlampen’) en plaats niet meer verlichting dan nodig. De actieve periode van vleermuizen loopt globaal van april t/m november, waarbij ze tussen zonsondergang en zonsopkomst daadwerkelijk vliegen en gevoelig zijn voor verstoring. 3.4 Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied worden uitsluitend kleine, algemene zoogdiersoorten verwacht. De werkzaamheden kunnen tot negatieve effecten op deze soorten leiden, bijvoorbeeld door de aantasting van holen en gangenstelsels van muizen en insecteneters. Omdat voor de te verwachten soorten een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt moet alleen rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, die voor alle dieren en planten geldt. Effecten op beschermde, niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdiersoorten zijn uitgesloten. Het uitvoeren van nader onderzoek is voor wat betreft zoogdieren niet nodig.

17

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

3.5 Vissen De voorgenomen werkzaamheden leiden niet tot negatieve effecten op beschermde vissoorten. Nader onderzoek naar effecten op beschermde vissoorten is daarom niet aan de orde.

3.6 Amfibieën De sloot aan de noorddzijde van het plangebied is mogelijk voortplantingswater van algemeen voorkomende soorten, zoals bastaardkikker, bruine kikker en kleine watersalamander. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. De sloot wordt niet gedempt, wél wordt er een natuurvriendelijke oever gecreëerd. Mogelijk zal er een paddenpoel worden aangelegd ten zuiden van de sloot. De geschiktheid van de sloot als voortplantingsbiotoop voor amfibieën neemt door het creëren van een natuurvriendelijke oever toe doordat er ondiepe, snel opwarmende delen van de watergang ontstaan met voldoende beschutting en voedsel. Een paddenpoel zal, mits goed aangelegd en onderhouden, uiteraard ook een positief effect hebben op de voortplantingsmogelijkheden van amfibieën. Het terrein is in de huidige vorm (beperkt) geschikt als landhabitat voor enkele algemene amfibieën. Negatieve effecten op het landhabitat worden niet verwacht. De aanleg van landschapselementen in nu nog monotoon raaigrasland leidt vermoedelijk tot verbetering in foerageermogelijkheden en op termijn ook tot het ontstaan van schuil- en overwinteringsplaatsen in bijvoorbeeld de bomenrijen en hagen. Aangezien beschermde amfibieën momenteel niet voorkomen is geen nader onderzoek of aanvraag van ontheffing nodig voor de soortgroep amfibieën.

Wel geldt voor deze soorten de algemene zorgplicht. 3.5 Overige soortgroepen (reptielen & ongewervelden) Het vóórkomen van beschermde soorten uit overige soortgroepen (reptielen en ongewervelden) is op voorhand uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt leefgebied of doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Negatieve effecten op beschermde soorten uit overige soortgroepen zijn derhalve op voorhand uit te sluiten. De soorten die voor kunnen komen zijn niet beschermd. Zoals voor alle soorten, beschermd of niet, geldt ook hier de algemene zorgplicht. 3.7 Algemeen • Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. • Wanneer tijdens werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen, dienen werkzaamheden tijdelijk te worden stilgelegd en moet contact opgenomen worden met een deskundige (volgens omschrijving van het Ministerie van EZ) op het gebied van flora en fauna. Overleg met de deskundige moet duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan. • Extra: De Slijpkruik Ecologie promoot natuur in stad & land.

Zo is het bij nieuwbouw en renovatie van bebouwing vaak met relatief weinig moeite mogelijk om huismussen, vleermuizen, zwaluwen en andere dieren een plek te geven. Bij voorkeur door ruimtes naar een spouw, onder dakpannen of achter betimmeringen toegankelijk te maken. Andere mogelijkheden zijn het aanbrengen van nestkasten, toepassen van inheemse beplanting, terughoudend zijn met buitenverlichting en bestrating en juist royaal met groen.

18

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

4

Gebiedsbescher ming

De Wet natuurbescherming maakt onderscheidt tussen soort- en gebieds­ bescherming. Bij het onderdeel ‘gebiedsbescherming’ wordt de aanwezigheid van b ­ eschermde natuurgebieden, zoals Natura 2000-gebieden en overige onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland en de beoordeling of er van het voornemen een (in)directe effect uitgaat behandeld. Is er sprake van een mogelijk negatief effect, dan is planaanpassing en/of nader onderzoek nodig.

3.1 Natura 2000-gebied De planlocatie ligt op ruim ca. 11 kilometer van het Natura 2000-gebied ‘Veluwe’. De kortste afstand tot stikstofgevoelige habitattypen (ZGLg13 ‘Bos van arme zandgronden’) is eveneens 11 kilometer (afbeelding 4.1). Andere Natura 2000-gebieden liggen op nog grotere afstand van het plangebied. Er wordt niet verwacht dat de voorgenomen activiteiten leiden tot significante effecten op aangewezen habitattypen of doelsoorten van Natura 2000-gebieden. De onderzoekslocatie ligt op grote afstand van dergelijke natuurgebieden, zeker in verhouding tot de schaal van de ingreep. Er is geen landschappelijke binding tussen plangebied en Natura 2000-gebieden. directe negatieve effecten door sloop- en bouw- en realisatiewerkzaamheden en door het nieuwe gebruik van het projectgebied op aangewezen soorten van nabijgelegen Natura 2000-gebieden uitgesloten. De bestemmingsplanwijziging leiden mogelijk tot een toename van stikstofemissie in de sloopen bouwfase. Door inzet van machines en aan- en afvoer van materialen is er een tijdelijke, geringe toename van stikstofemissie. Tijdens de toekomstige gebruiksfase wordt een afname van stikstofuitstoot ten opzichte van de bestaande situatie verwacht aangezien de huidige, gedateerde en slecht geïsoleerde woning vervangen wordt door een energieneutrale woning.

Gezien de grote afstand (> 10 km) is een meetbare verandering van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden overigens op voorhand uitgesloten. Er is derhalve geen vergunning nodig voor het aspect stikstof. Het is mogelijk dat bevoegd gezag desondanks om een berekening vraagt ter verificatie. Voer in dat geval een AERIUS-berekening uit in online rekenprogramma AERIUS Calculator. 3.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Groene Contour (GC) De onderzoekslocatie ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. De kortste afstand tot het NNN bedraagt 150 meter en de kortste afstand tot de GC 250 meter (afbeelding 4.2.). In het NNN is het ruimtelijke beleid gericht op behoud en ontwikkeling van kernkwaliteiten. Voorgenomen ingrepen worden getoetst aan het ‘nee, tenzij’ principe. Indien voorgenomen werkzaamheden significant negatieve gevolgen hebben voor de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen van het plangebied kunnen deze alleen plaatsvinden indien de nadelige gevolgen worden gemitigeerd en de resterende schade gecompenseerd. In de GC wil de provincie Utrecht landbouwgronden omvormen tot natuurgebied om daarmee het NNN te versterken. Na realisatie wordt deze nieuwe natuur opgenomen in het NNN. Gezien het voorgenomen realisatieplan is een negatief extern effect op kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het NNN uitgesloten.

Het uitvoeren van een ‘Nee, tenzij’-toets is niet aan de orde. De plannen zullen naar verwachting juist een positief effect hebben op de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van NNN en daarmee in de praktijk een versterking van het NNN betekenen terwijl het hier officieel geen onderdeel van is.

19

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

11 km

Afb. 4.1: De ligging van het plangebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura2000-gebied ‘Veluw’(lichtgroen). De kortste afstand tot het gebied bedraagt 11km. Bron: pdok.nl/viewer

6,5 km

250m

150m

Afb. 4.2: ligging plangebied (rood) ten opzichte van het NNN (donkergroen) en GC (lichtgroen). De kortste afstand tot NNN bedraagt ongeveer 150m en de kortste afstand tot het GC 250. De nieuwe inrichting zal naar verwachting positieve effecten hebben. Bron: ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht. nl/

20

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

5

Conclusies en aanbevelingen 5.1 Overzicht van de bevindingen Soortbescherming Aanwezig Effect Aanbevelingen Flora - beschermde soorten nee geen geen Vleermuizen - verblijfplaatsen mogelijk mogelijk zie 5.2.1 Vleermuizen - vliegroutes nee geen geen Vleermuizen - essentieel foerageergebied nee geen geen Vleermuizen - lichtverstoring mogelijk mogelijk zie 5.2.1 Zoogdieren - gebouwbewonend nee geen geen Zoogdieren - grond-/boombewonend mogelijk geen geen Zoogdieren - vrijgestelde soorten zeker mogelijk zorgplicht Vogels - jaarrond beschermde nesten mogelijk mogelijk zie 5.2.1 Vogels - algemene broedvogels mogelijk mogelijk zie 5.2.1 Amfibieën - vrijgestelde soorten mogelijk geen zorgplicht Overige beschermde soorten nee geen geen Gebiedsbescherming Aanwezig Effect Aanbevelingen Natura 2000 - doelsoorten/habitattypen nee geen geen Natura2000 - stikstof n.v.t geen zie 5.2.2 NNN en GC nabij geen geen

5.2

Conclusies en aanbevelingen

5.2.1 Soortenbescherming Vleermuizen • Van de te slopen gebouwen zijn de woning en caravanschuur geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De werkzaamheden leiden mogelijk tot overtreding van artikel 3.5 lid 2 (opzettelijk verstoren) en lid 4 (beschadigen of vernielen van jaarrond beschermde voortplantingsplaatsen of rustplaatsen). Er is nader onderzoek nodig naar gebouwbewonende vleermuissoorten (gewone en ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger). Het onderzoek dient te worden uitgevoerd in de vorm van 5 nachtelijke veldbezoeken conform de richtlijnen van het Vleermuisprotocol 2021. • De bijkeuken, deel en overige bijgebouwen zijn ongeschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Sloop van deze bebouwing leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vleermuizen. • De nieuwbouw biedt mogelijk kansen voor vleermuizen door het realiseren van voorzieningen die kunnen dienen als verblijfplaats. Zie hoofdstuk 3.3 voor meer informatie. De Slijpkruik Ecologie heeft ruime ervaring met natuurinclusief bouwen en ook via internet is veel informatie te vinden, bijvoorbeeld op www.bouwnatuurinclusief.nl. Vleermuizen - lichtverstoring • Er is geen sprake van essentieel foerageergebied of vliegroutes binnen invloedssfeer van de projectlocatie.

Wel dient vanuit de zorgplicht onnodige lichtverstoring van niet-essentieel foerageergebied voorkomen te worden. Dit kan door tijdens de aanleg- en gebruiksfase uitstraling van eventuele bouwlampen, buitenverlichting en straatverlichting richting

21

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

watergangen en boomkronen van bomen te voorkomen. Gebruik bijvoorbeeld afschermende armaturen, beperk de verlichtingshoogte tot maximaal 3 meter, gebruik ‘batlampen’ en/of plaats niet meer verlichting dan nodig. • De geschiktheid van het plangebied als foerageergebied van vleermuizen neemt naar verwachting toe door de aanleg van opgaande landschapselementen en kruidenrijk grasland. Vogels - jaarrond beschermde nesten • De sloopwerkzaamheden leiden mogelijk tot aantasting van vaste, jaarrond beschermde nestplaatsen van de huismus. Er is nader onderzoek nodig om vast te stellen of er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de huismus genoemd in artikel 3.1 lid 2 (beschadigen, vernielen of wegnemen van nesten en eieren) en/of lid 4 (opzettelijk verstoren van vogels); • Wanneer er een broedlocatie van de huismus aanwezig is dient ontheffing te worden aangevraagd. Een onderdeel van een ontheffing is een activiteitenplan. Hierin wordt onder andere de mate en wijze van compensatie, mitigatie, de juiste periode van uitvoering en de gunstige staat van instandhouding behandeld. Vogels - algemene broedvogels • Tijdens het broedseizoen kunnen nesten van algemene broedvogels op het terrein en met name in de nok van de varkensschuur, onder het dak van de woning en in de open kapschuur bezet zijn en verstoord worden.

Voer daarom de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit. Het broedseizoen is geen vaste periode maar voor de meeste soorten is de periode half maart - half augustus een goede indicatie. Eerdere of latere broedgevallen zijn niet uitgesloten, met name van duiven. Bezette nesten zijn altijd beschermd, ongeacht de soort of periode. Tijdens het broedseizoen kunnen mogelijk verstorende werkzaamheden uitsluitend worden uitgevoerd nadat een erkend broedvogeldeskundige heeft vastgesteld dat er geen bezette nesten aanwezig zijn. Zo nodig worden werkzaamheden uitgesteld of maatregelen getroffen om verstoring of vernieling van nesten te voorkomen, bijvoorbeeld het instellen van een zone rondom het nest totdat de jongen het nest verlaten hebben; Overige soorten • Nader onderzoek naar overige beschermde soorten is niet aan de orde. Effecten op beschermde, niet-vrijgestelde grondgebonden zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, ongewervelden en vaatplanten zijn niet aan de orde. Houdt wel rekening met de algemene zorgplicht, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming die geldt voor alle dieren, beschermd of niet. t.a.v. zorgplicht en calamiteiten • Ten aanzien van álle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt de ‘Algemene zorgplicht’, artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming.

Met name geldt dit voor algemene soorten zoogdieren en amfibieën, waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden en dat er ‘met zorg voor de natuur’ gewerkt dient te worden. • Worden er tijdens de werkzaamheden toch beschermde soorten aangetroffen, leg dan het werk tijdelijk stil en neem contact op een deskundige (volgens omschrijving van het Ministerie

22

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

van EZ) op het gebied van flora en fauna. Overleg met de deskundige en bevoegd gezag moet in dat geval duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan. 5.2.2 Gebiedsbescherming • De plannen leiden gezien de aard van het project en de afstand van het plangebied tot Natura2000-gebieden en Groene Contour niet tot effecten op doelstellingen van beschermde natuurgebieden. • Het plangebied is geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Er treedt door de voorgenomen ingreep geen negatief effect op het NNN. Integendeel, de voorgenomen ontwikkelingen sluiten aan op de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen van het NNN en vormen mogelijk een versterking (of stapsteen) van het netwerk zonder hier officieel onderdeel van te zijn. • Gezien de kleinschaligheid van de ingreep, de tijdelijke en geringe aard van een mogelijke toename van stikstofemissien en de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen is het uitvoeren van een stikstofberekening in de online rekentool AERIUS in principe niet nodig. De werkzaamheden en ontwikkelingen leiden met zekerheid niet tot een meetbare toename van stikstofdepositie hoger dan 0,005 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Er zijn geen vervolgstappen nodig ten aanzien van het onderdeel gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming, tenzij bevoegd gezag ter bevestiging om een AERIUS-berekening vraagt.

23

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

Bijlage Bijlage A Wettelijk Kader Inleiding In Nederland is de wetgeving omtrent de bescherming van natuurwaarden gesplitst in soortbescherming en gebiedsbescherming. De bescherming was voorheen geregeld in respectievelijk de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998. Voor houtopstanden gold de Boswet. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden die de bovenstaande wetten vervangt. Wat betreft gebiedsbescherming is er weinig veranderd. Op het gebied van soortenbescherming hebben zich diverse wijzigingen voorgedaan. Zo zijn veel planten en vissen onder de nieuwe wet niet meer beschermd, terwijl een aantal zeldzame dagvlinders en libellen juist zijn toegevoegd. Verder is het bevoegd gezag in de meeste gevallen GS van de provincie, waar dat eerder de RVO was. De provincies hebben meer zeggenschap over het beleid, wat zich vooral uit in het feit dat er verschillen zijn in de vrijstellingslijsten van soorten waarvoor bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting of bestendig beheer en onderhoud vrijstelling geld. Meer informatie over de Wet natuurbescherming is onder andere terug te vinden op de websites van de Rijksoverheid en de verschillende provincies. Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming was voorheen opgenomen in de Natuurbeschermingswet 1998 en heeft de bescherming en instandhouding van natuurgebieden in Nederland als doel.

Daartoe zijn gebieden aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn (VR-gebieden), Habitatrichtlijn (HR-gebieden) en het Verdrag van Ramsar (Wetlands). Beschermde Natuurmonumenten vervallen onder de Wet natuurbescherming omdat deze vrijwel geheel samenvallen met Natura 2000-gebieden. De VR- en HR-gebieden worden samengevat onder de noemer Natura 2000. Voor de Natura 2000-gebieden worden/zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor specifieke vogelsoorten of habitats. Deze kunnen van gebied tot gebied verschillen. De hierboven genoemde gebieden kunnen overlappen. Activiteiten die een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden zijn verboden. Dat geldt ook voor activiteiten buiten de gebieden die een negatief effect hebben binnen het gebied, zoals een toename van stikstofemissie en -depositie met mogelijke gevolgen voor stikstofgevoelige habitattypen. Voor activiteiten is een vergunning mogelijk. Een vergunning wordt pas afgegeven wanneer een zogenaamde ‘habitattoets’ is doorlopen. Hieruit moet blijken dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast en de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van de soorten niet verslechtert en geen verstoring van soorten optreedt. Een vergunning wordt afgegeven door de betreffende provincie.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de Groene Contour (GC) komt voort uit het herdefiniëren van de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS) door de provincies. Het netwerk helpt voorkomen dat planten en dieren in geïsoleerde gebieden uitsterven en dat natuurgebieden hun waarde verliezen. Binnen de GC is ruimte voor ontwikkeling maar dient hierbij een aantoonbare bijdrage te worden geleverd aan de ontwikkelingsdoelen. In het NNN is sprake van een natuurbestemming. Binnen het NNN zijn ruimtelijke ontwikkelingen slechts mogelijk wanneer deze van groot algemeen of provinciaal belang zijn én er geen reële alternatieven zijn. Er geldt dan wel een compensatieverplichting om negatieve effecten teniet te doen. De begrenzing en doelstellingen van NNN worden door de provincie vastgesteld en is in verwerkt in de omgevingsvisie en -verordening.

24

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

Soortenbescherming Onder de Wet natuurbescherming zijn verschillende beschermingsregimes te onderscheiden: soorten van de Vogelrichtlijn (VR), soorten van de Habitatrichtlijn (HR) en overige beschermde soorten genoemd in bijlage A behorend bij artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Daarnaast hebben provincies de vrijheid om voor bepaalde soorten uit de laatste categorie vrijstelling te verlenen bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting en bestendig beheer en onderhoud. Gedetailleerde informatie over het onderdeel soortenbescherming, inclusief lijsten van beschermde soorten, is onder meer te vinden op de website van de Rijksoverheid Rode lijsten Rode lijsten geven een overzicht van soorten die uit Nederland zijn verdwenen of duidelijk achteruit zijn gegaan. Rode lijsten hebben een signaleringsfunctie en geen juridische status. Plaatsing op de lijst betekent daarom niet automatisch dat de soort beschermd is. Daarvoor is opname van de soort onder de Wet natuurbescherming nodig. De Rode lijsten zijn richtinggevend voor toekomstig beleid. Van overheden en terreinbeherende organisaties wordt verwacht dat zij bij beleid en beheer rekening houden met de Rode lijsten.

25

Ecologische quickscan Moorsterweg 14 te Woudenberg

15 april 2021

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/1697/documents/37674