04 Integrale verordening sociaal domein Woudenberg 2024.pdf
Tekst van het document
Lid 1 onder b Het college is in voorkomende gevallen slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst passende bijdrage te bieden. Deze voorwaarde komt overeen met de ‘goedkoopst compenserende voorziening’ zoals onder de Wmo 2007 wordt gehanteerd. Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat zij de maatwerkvoorziening passender maken, komen in principe niet voor toekenning in aanmerking. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat de beoogde maatwerkvoorziening als passende bijdrage kan worden gekwalificeerd. Lid 1 onder c Omdat een maatwerkvoorziening een maatwerkvoorziening is, spreekt het voor zich dat deze ook in overwegende mate op de cliënt gericht is. Het is echter niet uitgesloten dat tijdelijke ondersteuning aan huisgenoten en/of het sociale netwerk van de cliënt ook tot de mogelijkheden behoort, mits de ondersteuning zoals gezegd in overwegende mate op de cliënt is gericht. De maatwerkvoorziening beoogt aldus de cliënt zelf passend te ondersteunen, rekening houdend met wat hij verder al heeft of mogelijk zou kunnen krijgen aan ondersteuning. Lid 1 onder d De Wmo 2015 kent, in tegenstelling tot de Wmo 2007, geen specifieke bepaling waarin het college in ieder geval niet gehouden is een maatwerkvoorziening te verlenen.
Echter valt niet in te zien waarom het college gehouden is een maatwerkvoorziening te verlenen indien een andere wettelijke regeling kan voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Vanwege het ontbreken van een generieke weigeringsgrond lijkt de Wmo 2015 een complementair karakter te hebben. Echter de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt speelt in de Wmo 2015 een hele belangrijke rol. Dat brengt mee dat het in principe onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt valt een beroep te doen op een ‘andere wettelijke regeling’ die een aanspraak meebrengt met het oog op de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Denk aan het afsluiten van en/of gebruik te maken van een aanvullende zorgverzekering (vergelijk uitspraak centrale raad van beroep, 28-9-2011, 10-2587 Wmo, CRVB:2011:BT7241 en uitspraak centrale raad van beroep, 22-5-2013, 10-6782 Wmo, CRVB:2013:CA1427), ook al is die niet in alle gevallen dekkend. Daaronder valt ook de inzet van gelden uit een dergelijke aanspraak met het oog op een specifieke bestemming. Lid 2 onder a
63
In de lijn met de jurisprudentie die onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en Wmo 2007 tot stand is gekomen is het college ook onder de Wmo 2015 niet gehouden voorzieningen te verlenen die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen (vergelijk uitspraken centrale raad van beroep CRVB:2009:BK5657, CRVB:2010:BN1265, CRVB:2015:87 en RBSGR:2011:BQ5651). Verwezen wordt naar de begripsbepaling in de verordening. Deze bepaling heeft dan ook als doel te voorkomen dat een voorziening wordt verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van de cliënt met beperkingen, aannemelijk is dat deze daarover zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze: 1. normaal in de handel verkrijgbaar is; en 2. niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en 3. niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten; en 4. financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De persoon als de cliënt Een vierde vraag is aan het college te beoordelen. Namelijk of op het moment van de aanvraag sprake is van een voorziening die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de cliënt (aanvrager) behoort.
Hierbij is het inkomen in principe niet van belang (vergelijk uitspraak rechtbank Arnhem, 16-8-2012, zk.nmr AWB 11/5564, RBARN:2012:BX8032). Dit betreft een abstracte toets, die los staat van het werkelijke inkomen van de aanvrager (zie ECLI:NL:RBGEL:2020:1711). De financiële mogelijkheden van de aanvrager zijn, gelet op de huidige stand van de jurisprudentie van de CRvB, niet relevant voor de beoordeling van het begrip ‘algemeen gebruikelijk’. Wat moet precies verstaan worden onder een 'inkomen op minimumniveau'? De jurisprudentie op dit punt is nog niet uitgekristalliseerd (zie CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3690) en ECLI:NL:RBDHA:2021:2084. Wij gaan ervan uit dat het bij een inkomen op minimumniveau om bijstandsniveau gaat. Om te bepalen wat financieel draagbaar wordt geacht met een inkomen op bijstandsniveau sluiten wij aan bij reserveringscapaciteit van 5% van de bijstandsnorm (in overeenstemming met wat de reserveringscapaciteit op bijstandsniveau volgens Nibud is), ongeacht of de aanvrager zelf een minimuminkomen heeft. Bij algemeen gebruikelijk sluit het college aan bij het uitgangspunt zoals bij alle materiële voorzieningen geldt, de circulariteitsprincipe. Alles wat tweedehands gebruikt kan worden heeft voorkeur.
Lid 2 onder b Als de beoordeling van de aanvraag betrekking heeft op reeds eerder in het kader van deze of hieraan voorafgaande verordeningen is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn daarvan nog niet is verstreken, dan wordt de aanvraag afgewezen. Als deze voorziening nog voldoende ondersteuning biedt en technisch nog niet is afgeschreven, dan komt de cliënt niet opnieuw in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. De noodzaak is dan niet aanwezig. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of versterkte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Hieronder wordt ook verstaan het risico dat verzekerd kan worden met bijvoorbeeld de opstalverzekering. Verder wordt van de cliënt die een voorziening meeneemt op vakantie naar het 64
buitenland verwacht dat daarvoor een adequate verzekering wordt afgesloten in geval van schade of verlies. Voor zover een derde verantwoordelijk kan worden geacht voor de schade, zal de cliënt deze derde aansprakelijk moeten stellen. Dat valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Lid 2 onder c Met het oog op te verlenen maatwerkvoorzieningen mag het college ook rekening houden met redelijkerwijs te vergen medewerking van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of aanbieder of van anderen uit diens sociale netwerk. Op voorhand kan niet worden gesteld wanneer daarvan sprake is, dat is afhankelijk van de individuele situatie. Te denken valt aan het reorganiseren van taken in het huishouden opdat geen (volledige) aanpassing van de keuken nodig is. Ook kan bijvoorbeeld worden gevergd dat de woning anders wordt ingericht of het huishouden anders wordt georganiseerd opdat geen woonvoorziening hoeft te worden verleend (vergelijk uitspraak centrale raad van beroep, 1-6-2011, zk.nmr 10-1031 Wmo, CRVB:2011:BQ8290). Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. Lid 2 onder d Hoewel de wet geen generieke weigeringsgrond kent, behoort het evenwel tot de eigen verantwoordelijkheid van cliënt die een melding doet of een aanvraagt indient om naar volle vermogen een beroep te doen op andere wettelijke aanspraken die tot het hetzelfde resultaat leiden.
Dat geldt ook voor het besteden van middelen die met eenzelfde doel kunnen worden verleend. Het college beoordeelt of hier sprake van kan zijn. Artikel 21. Regels voor bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen Voor een algemene voorziening waarbij geen sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie mag de gemeente de hoogte van de eigen bijdrage zelf bepalen tot maximaal de kostprijs. De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet), een bij verordening aangewezen algemene voorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet) en een algemene voorziening (artikel 2.1.4, zesde lid, van de wet). Dat kan op drie manieren en deze zijn vastgelegd in de artikelen 21 en 22. Artikel 22. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s Als hoofdregel geldt dat een bijdrage in de kosten is verschuldigd. In tegenstelling tot de Wmo 2007 biedt de Wmo 2015 de mogelijkheid een bijdrage te vragen indien een woningaanpassing (in natura of als pgb) wordt verleend ten behoeve van een minderjarige. Voor de hoogte van de bijdrage wordt vanzelfsprekend aansluiting gezocht bij het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het derde lid geeft het college de bevoegdheid om nadere regels te stellen waaronder begrepen het bepaalde in dit lid.
Gelet op de nagenoeg identieke redactie van de toepasselijke regelgeving (wet en algemene maatregel van bestuur) op grond van de Wmo 2007 en de Wmo 2015 wordt aangenomen dat de aard van de bevoegdheid zich niet verzet tegen de opdracht tot nadere regelgeving aan het college (vergelijk uitspraak centrale raad van beroep, 17-11-2010, zk.nmr 08/5873 Wmo + 08/6006 Wmo + 08/6008 Wmo CRVB:2010:BO6880 en uitspraak centrale raad van beroep, 5-6-2013, zk.nmr 10-6227 Wmo, CRVB:2013:CA2989). Alleen 65
voor de bijdrage in de kosten voor algemene voorzieningen ligt dat anders (uitspraak centrale raad van beroep, 18-5-2016, zk.nmr 16-948 Wmo 2015, CRVB:2016:1404). Vanaf 1 januari 2019 is in artikel 3.7 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bepaald dat de bijdrage niet meer bedraagt dan € 17,50 per bijdrageperiode voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen. Onverwijld blijft natuurlijk dat de kostprijs bepalend blijft voor het totaal van de eigen bijdrage gedurende de looptijd van de voorziening. De bijdrage in kosten voor een maatwerkvoorziening mag niet meer bedragen dan de kostprijs. De cliënt betaalt dus niet meer dan de gemeente verschuldigd is aan kosten voor het verstrekken van de maatwerkvoorziening. De duur van de eigen bijdrage voor een woningaanpassing is gelijk aan de afschrijvingstermijn van de voorziening, mits de aankoopprijs niet is overschreden. Voor de Beschermd wonen geldt artikel 3.7. van het Uitvoeringsbesluit niet. In artikel 3.11 en volgenden is bepaald dat de bijdrage hierin wordt daarbij berekend op basis van het bijdrage plichtig inkomen van de ongehuwde cliënt dan wel van de gehuwde cliënten tezamen.
In het nieuw toegevoegde onderdeel c van het vijfde lid van artikel 22 is opgenomen dat de kostprijs van een voorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing ook bepaald wordt door de wijze van verstrekken van de voorziening te weten bruikleen, huur of eigendom. Het is van belang dat de eigen bijdrage van € 19,00 per maand de kostprijs van de voorziening niet te boven mag gaan. Dit zal zeker bij de voorzieningen waar een dienst wordt geleverd nooit het geval zijn. Het zou wel kunnen voorkomen bij een hulpmiddel of woningaanpassing. Wanneer deze in eigendom wordt verstrekt, kan er een moment komen dat de kostprijs is betaald. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs. De gemeente mag voor die voorziening dan geen eigen bijdrage meer heffen. Wanneer de voorziening in bruikleen of huur is verstrekt, kan de eigen bijdrage worden geheven zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt Lid 8: Onder a Sportvoorziening: Het college kan een cliënt vragen deel te nemen aan een sport om participatie mogelijk te maken. Op die manier bereikt het college dat een cliënt anderen ontmoet en daarmee sociale verbanden aan kan gaan. Het gaat hier daarom niet om het sporten maar om het mee kunnen doen. De cliënt zal voor het leggen van contacten grotendeels afhankelijk moeten zijn van sporten.
Onder b Bezoek- of logeerbaar maken: Dit betreft een voorziening ten behoeve van een kind dat in een Wlz-instelling verblijft. Voor voorzieningen ten behoeve van kinderen onder de 18 jaar geldt geen eigen bijdrage. Onder C Tijdelijke huisvesting: Er is geen eigen bijdrage verschuldigd voor tijdelijke huisvesting. In uitzonderlijke situaties kan een vergoeding worden geboden voor tijdelijke dubbele woonlasten, bijvoorbeeld wanneer cliënt gedurende de uitvoering van de woningaanpassing niet in de eigen woning kan wonen. Onder d Huurderving: De huurderving wordt maximaal zes maanden aan de woningcorporaties betaald om een aangepaste woning of een 0-treden woning enige tijd beschikbaar te stellen voor cliënten die door het college verzocht worden om te gaan
66
verhuizen van een niet adequate woning naar een adequate woning. Dit is geen betaling aan een cliënt en valt daarom niet onder de eigen bijdrage. Onder e Verwijderen woonvoorziening: Na het beëindigen van een indicatie voor een woonvoorziening verwijdert het college deze. Een woonvoorziening kan in bruikleen zijn geweest of herbruikbaar zijn. Ook kan van verwijderen sprake zijn om de woning weer in de originele staat te brengen voor de volgende bewoner. Daarbij draagt het college zorg voor een nette afwerking. Hiervoor is geen eigen bijdrage verschuldigd. Onder f Woonsanering: Alleen als er sprake is van onverwachte kosten is er sprake van woonsanering voor de vervanging van zaken zoals gordijnen en vloerbedekking, bijvoorbeeld wegens allergieën of problemen met de luchtwegen. Het is dan niet gepast om eigen bijdrage te heffen waardoor cliënt in financiële problemen kan komen. Onder g Verhuis- en herinrichtingskosten: Er is geen eigen bijdrage verschuldigd voor pgb verhuis- en herinrichtingskosten omdat dit alleen verstrekt wordt op verzoek van het college. De gemeente maakt onderscheid tussen het verhuizen van een niet geschikte woning naar een geschikte woning en het vrijmaken van een reeds aangepaste woning.
De verhuis- en herinrichtingskosten wordt als stimulans verstrekt (op verzoek van het college) om te verhuizen naar een reeds aangepaste woning wanneer in de bestaande woning hoge kosten verwacht worden. Hiermee worden dure woningaanpassingen voorkomen. Of als wanneer de persoon voor wie de woning was aangepast, is verhuisd of wanneer een partner is overleden waarvoor de aangepaste woning noodzakelijk was en die aangepaste woning vrij gemaakt kan worden door de achterblijver te stimuleren te verhuizen. Lid 9: Via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) krijgt de gemeente de mogelijkheid bepaalde vormen van vervoer uit te zonderen van het abonnementstarief. Voor het collectief vraagafhankelijk vervoer geldt geen eigen bijdrage. Hiervoor geldt een ritbijdrage. Bij verplaatsingen boven 600 zones ontvangt de pashouder geen korting op de bijdrage en betaalt de pashouder en eventuele meereizende het door vervoerder in rekening gebrachte (commerciële) zonetarief. Artikel 23. Criteria financiële tegemoetkoming In dit hoofdstuk van deze verordening zijn regels opgenomen over de bevoegdheid van het college een tegemoetkoming in de meerkosten te verlenen aan de genoemde doelgroep die een beperkte financiële draagkracht heeft. De wet biedt het college geen andere mogelijkheid om forfaitaire bedragen (meerkosten) rechtstreeks aan de cliënt te kunnen uitbetalen.
Het betreft een inkomensondersteunende maatregel die in principe naast het verlenen van een maatwerkvoorziening bestaat. Het is echter wel zo dat als het college een maatwerkvoorziening zou (moeten) verlenen, de cliënt daarvoor een bijdrage in de kosten verschuldigd is. De bevoegdheid om een tegemoetkoming meerkosten te verlenen vormt daarom bij uitstek maatwerk in het individuele geval. Een forfaitaire tegemoetkoming kan daarom meer op zijn plaats zijn. De mogelijkheden van het verlenen van een tegemoetkoming meerkosten is verder begrensd tot een aantal kostensoorten. Verder zorgt het derde lid ervoor dat geen dubbele vergoedingen worden verstrekt.
67
Artikel 24. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat onder een maatwerkvoorziening (in natura) ook een financiële tegemoetkoming kan worden verstaan (o.a. CRVB:2018:396). Eerste lid aanhef en onder a en b Het gaat om tegemoetkomingen in de kosten van het gebruik van eigen auto en verhuiskosten en/of inrichtingskosten die het gevolg zijn van de toepassing van het primaat van verhuizen of het plaatsen van een losse woonunit. Bij het gebruik van eigen auto zal het college rekening houden met de volledige of gedeeltelijke samenvallende vervoersbehoefte van de cliënt en zijn partner. Eerste lid aanhef en onder c Omdat de wet uitgaat van maatwerk kan niet worden uitgesloten dat ook andere kosten dan genoemd onder a en b in aanmerking kunnen komen voor een financiële tegemoetkoming. Het zal in de praktijk gaan om situaties waarin het college geen (volledige) maatwerkvoorziening in natura verleent (lees: hoeft te verlenen) of kan verlenen omdat dit in de uitvoering eenvoudigweg niet mogelijk is. Vergelijk respectievelijk het verlenen van een bruikleenauto of de brandstof voor het gebruik van de eigen auto. Het kan bijvoorbeeld ook voorkomen dat de cliënt stroomkosten heeft die enkel en alleen het gevolg zijn van het gebruik van een maatwerkvoorziening (CRVB:2017:2777).
Ook huurderving kan onder dit artikellid vallen. De kosten van het saneren van de woning kunnen ook onder een financiële tegemoetkoming vallen met dien verstande dat de hoogte altijd gebaseerd wordt op een redelijk afschrijfprincipe. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Artikel 25. Kwaliteitseisen De Wmo 2015 maakt de gemeenten integraal verantwoordelijk voor de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning, de handhaving en het toezicht. De wet bevat een basisnorm voor kwaliteit van voorzieningen die aanbieders direct bindt (zie hoofdstuk 3 van de wet), waaronder begrepen de eisen over de deskundigheid van beroepskrachten. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Die standaarden kunnen als richtinggevend kader voor gemeenten dienen. Uitgangspunt hierbij is dat deze standaarden de benodigde ruimte voor maatwerk, om goed in te kunnen spelen op de situatie van de cliënt, intact laten. In deze verordening is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Het jaarlijkse verplichte cliëntervaringsonderzoek draagt eraan bij dat het college kan toezien op de kwaliteit. Artikel 26.
Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s De gemeente Woudenberg heeft op grond van de Wmo 2015 een toezichthoudend ambtenaar aangesteld. Deze toezichthoudend ambtenaar wordt gevraagd periodiek, al dan niet steekproefgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen met het oog op de behoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan te onderzoeken.
68
Artikel 27. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning De aanbieder is ten aanzien van maatwerkvoorzieningen verplicht een regeling voor medezeggenschap van cliënten vast te stellen over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn. Het gaat om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder (art. 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels aan gemeenten overgelaten. Het college ziet er hoe dan ook op toe dat dit ook daadwerkelijk gebeurt (lid 2).
Artikel 28. Meldingsregeling calamiteiten en geweld maatschappelijke ondersteuning In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
Artikel 29. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Met de inwerkingtreding van de Wmo 2015 is het mantelzorgcompliment van de rijksoverheid vervallen. In plaats daarvan moet het college zorgdragen voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van haar cliënten. De wijze waarop is vrij. Op de Dag van de mantelzorger kan een jaarlijkse waardering van de mantelzorgers in Woudenberg worden verzorgd. De invulling van deze dag kan jaarlijks verschillen.
Hoofdstuk 6 Specifieke bepalingen Participatiewet Paragraaf 6.1 Re-integratie Algemene toelichting De Participatiewet kent vele regels en uitvoeringsbesluiten die vanuit Rijkswege zijn vastgesteld en daarmee lokale invulling van de uitvoering strak in kaderen. Op een aantal onderdelen kan de gemeente eigen beleid stellen. In dit hoofdstuk wordt dit nader ingevuld. De gemeenteraad heeft de opdracht gekregen bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet voor het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is volledig afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt 69
aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan aanbieden. Regionale afstemming Hoofdstuk 6 paragraaf 1 en 2 (re-integratie en individuele Studietoeslag) is voor een groot deel regionaal opgesteld. Dit is bewust gedaan om binnen de arbeidsmarktregio Amersfoort een eenduidig aanbod aan werkgevers te kunnen doen. Hiermee wordt voorkomen dat werkgevers gaan shoppen bij een gemeente die een royaler aanbod doet. Ook is het qua uitvoering voor het Werkgeverservicepunt efficiënter werken.
Artikelsgewijze toelichting Artikel 30. Begrippen Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, IOAW/IOAZ, Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Doelgroep De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft: personen die algemene bijstand ontvangen; personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend; personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW); personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW); personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ); personen zonder uitkering; en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college aangeboden voorziening.
Inkomen Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de vaststelling van het inkomen. Het wordt niet 70
wenselijk geacht een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen recht op een individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat voor een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook voor een eerder verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde vóór 1 januari 2015. Peildatum De peildatum is de dag waarop het recht op individuele inkomenstoeslag is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen (artikel 29 van deze verordening). Deze datum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in ieder geval niet vóór de dag liggen waarop belanghebbende zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Hiermee is door de gemeenteraad aansluiting gezocht bij artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet. Referteperiode Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel 54 onder ‘Langdurig’.
Bijstandsnorm (nieuwe term toegevoegd) Voor de definitie van het begrip bijstandsnorm kan aansluiting worden gezocht bij artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet: de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Participatiewet verminderd met de op de grond van paragraaf 3.3, door het college vastgestelde verlaging. In dat geval moet onder ‘bijstandsnorm’ ook de kostendelersnorm worden geschaard. Bijstandsnorm Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze verordening verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en verminderd met verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 van de IOAW en artikel 5 van de IOAZ. Benadelingsbedrag Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Voor het bepalen van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan van het nettobedrag van de uitkering, zoals ook het geval is bij het benadelingsbedrag in het kader van de bestuurlijke boete. 1
Artikel 31. Evenwichtige verdeling en evaluatie Voor de voorzieningen die niet genoemd worden in dit artikel volgt de doelgroepomschrijving al uit het artikel van de voorziening zelf. Artikel 321. Budget- en subsidieplafonds Dit artikel spreekt voor zich. 1
Kamerstukken II 2011/12, 33 207, nr. 3, blz. 43
71
Artikel 332. Algemene bepalingen over re-integratievoorzieningen De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd (Rechtbank Arnhem 1409-2006, nr. AWB 06/999, ECLI:NL:RBARN:2006:AZ3540). Terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden. Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt. Beëindigingsgronden Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 3 van deze verordening.
Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA. Voor deze doelgroep geldt dat het college ondersteuning bij de arbeidsinschakeling moet bieden gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie is verstrekt. Onder beëindigen wordt ook verstaan het stopzetten van de (loonkosten)subsidie aan een werkgever. De Participatiewet voorziet niet in een terugvorderingsgrond van re-integratiekosten die onnodig zijn gemaakt. Noch van een bijstandsgerechtigde, noch van een niet bijstandsgerechtigde kunnen die kosten worden teruggevorderd. Eventuele terugvordering dient te geschieden op grond van het Burgerlijk Wetboek. Rekening houden met omstandigheden en beperkingen Op grond van artikel 8a, tweede lid, onderdeel a, van de Participatiewet moet de gemeenteraad in de verordening de verdeling van de voorzieningen over personen vastleggen, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden en de functionele beperkingen van die personen.
Hierin ligt besloten dat de gemeenteraad ook rekening houdt met de omstandigheden en functionele beperkingen van personen met een handicap. Dit is in overeenstemming met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De doelstelling van dit verdrag is het bevorderen, beschermen en waarborgen van het volledige genot door alle personen met een handicap van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden op voet van gelijkheid en het bevorderen van de eerbiediging van hun inherente waardigheid. In dit artikel is aan het voorgaande uitvoering gegeven.
72
Het college moet bij de inzet van de voorzieningen rekening houden met de omstandigheden en functionele beperkingen van een persoon. In artikel 2, eerste lid, is opgenomen waarmee het college in ieder geval rekening moet houden: Zorgtaken; bij alleenstaande ouders met ten laste komende kinderen tot vijf jaar moet rekening gehouden worden met de zorgtaken die ze hebben. Betrokkenen kunnen op eigen verzoek tijdelijk ontheven worden van de arbeidsplicht, maar ze moeten wel meewerken aan op hun situatie afgestemde re-integratie-activiteiten. Mantelzorg; mantelzorg is op zich geen reden voor ontheffing van de arbeidsverplichtingen. Wel moeten we rekening houden met de omstandigheden als betrokkene noodzakelijke mantelzorg moet verrichten ten behoeve van eigen kind(eren) of partner. Mantelzorg is in dit kader noodzakelijk als er geen andere, op de specifieke situatie gerichte, adequate oplossingen zijn.
Artikel 343. Beperkingen Anw-ers en Nuggers Dit artikel behoeft geen toelichting. Gegeven de beperkte middelen in het gemeentelijke budget voor re-integratie worden ten aanzien van de re-integratie van de groepen Nuggers en Anw-ers nadere voorwaarden gesteld. Deze hebben betrekking op de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt en de mate waarin zij zelf geacht worden in hun eigen re-integratie te kunnen voorzien middels hun inkomen. Artikel 34. Werkervaringsplaats Een werkervaringsplaats of werkstage onderscheidt zich van een gewone arbeidsovereenkomst. Bij een beoordeling of er al dan niet sprake is van een arbeidsovereenkomst toetst de rechter aan de drie criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst: persoonlijk verrichten van arbeid, loon en gezagsverhouding. Daarbij wordt gekeken naar een aantal aspecten zoals de bedoeling van de partijen en wat al dan niet schriftelijk is overeengekomen. De rechter besteedt vooral aandacht aan de feitelijke invulling van de overeenkomst. Een werkervaringsplaats is gericht op uitbreiden kennis en ervaring. De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een werkstage in de regel geen sprake van beloning.
Terughoudend zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding ligt daarom voor de hand. Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, mits er daadwerkelijk sprake is van een vergoeding van gemaakte kosten. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een werkervaringsplaats aanbieden voor zover hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. Verder is vereist dat een persoon nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of een afstand tot de arbeidsmarkt heeft door langdurige werkloosheid. Van langdurige werkloosheid is sprake als een persoon gedurende twaalf aaneengesloten maanden of langer is aangewezen op een uitkering. In een dergelijk geval kan sprake zijn van een afstand tot de arbeidsmarkt, maar dit hoeft niet altijd het geval te zijn. Heeft een persoon gedurende vijf jaren geen inkomsten uit arbeid verworven, dan kan worden aangenomen dat hij een afstand tot de arbeidsmarkt heeft. In dat geval is het college bevoegd hem een werkervaringsplaats aan te bieden. Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van de werkervaringsplaats, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven. Dit is vooral van 73
belang om te voorkomen dat een persoon claimt dat sprake is van een arbeidsovereenkomst en bij de rechter loonbetaling afdwingt. De werkervaringsplaats kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het opdoen van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde ‘snuffelstage’, waarbij een persoon de gelegenheid krijgt om te bezien of het soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan een persoon wennen aan aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s. In het derde lid is bepaald dat de werkervaringsplaats uitsluitend wordt verstrekt als er geen verdringing van de arbeidsmarkt plaatsvindt. Het opvullen van een vacature is alleen toegestaan als de vacature niet is ontstaan door afvloeiing, maar door ontslag op grond van een van de volgende redenen: - eigen initiatief van de werknemer; - handicap; - ouderdomspensioen; - vermindering van werktijd op initiatief van de werknemer, of - gewettigd ontslag om dringende redenen. In het vierde lid is bepaald dat voor de werkervaringsplaats een schriftelijke overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden opgenomen, evenals de wijze van begeleiding.
Door deze schriftelijke overeenkomst kan nog eens worden gewaarborgd dat het bij een werkstage niet gaat om een reguliere arbeidsverhouding.
Artikel 3535. Sociale activering Dit artikel behoeft geen toelichting. Volgens de Participatiewet moet ook sociale activering uiteindelijk gericht zijn op arbeidsinschakeling. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling echter een te hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar participatie voorop. Onder 'sociale activering' wordt verstaan: het verrichten van onbeloonde maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling (nog) niet mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke participatie (artikel 6, eerste lid, onderdeel c, Participatiewet). Bij activiteiten in het kader van sociale activering kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het verrichten van vrijwilligerswerk met of zonder begeleiding. Artikel 36. Detacheringsbaan Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 376. Scholing Dit artikel behoeft geen toelichting Scholing is een van de re-integratie-instrumenten die uiteindelijk moeten leiden tot uitstroom naar werk. Scholing komt pas aan de orde als het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet lukt. De scholing moet zijn gekoppeld aan een baangarantie of aantoonbaar de kans op werk vergroten. Artikel 38. Participatieplaats 74
Op een participatieplaats worden additionele werkzaamheden verricht. De participatieplaats wordt ingezet voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt Niet de te verrichten werkzaamheden staan centraal maar het leren werken of het (opnieuw) wennen aan werken. Aspecten als omgaan met gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerking met collega’s zijn allemaal zaken waaraan in een participatieplaats gewerkt kan worden. Ook kan hiermee worden beoordeeld of het werkterrein past bij de capaciteiten van de uitkeringsgerechtigde, zodat een persoon bijvoorbeeld een opleiding op het betreffende terrein kan gaan volgen en daarmee voor zichzelf een duurzaam perspectief op arbeid kan realiseren. De duur van de participatieplaats is wettelijk beperkt tot maximaal vier jaar (artikel 10a van de Participatiewet). Na negen maanden wordt beoordeeld door het college of de participatieplaats de kans op arbeidsinschakeling heeft vergroot (artikel 10a, achtste lid, van de Participatiewet). Zo niet dan wordt de participatieplaats beëindigd. Uiterlijk 24 maanden na aanvang van de participatieplaats wordt opnieuw beoordeeld of de participatieplaats wordt voorgezet.
Als de gemeente concludeert dat voortzetting van de participatieplaats met het oog op in de persoon gelegen factoren aanmerkelijk bijdraagt tot de arbeidsinschakeling, dan kan de participatieplaats nog één jaar verlengd worden. Echter in dat geval dient een andere werkomgeving geboden te worden (artikel 10a, negende lid, van de Participatiewet). Na 36 maanden vindt opnieuw een dergelijke beoordeling plaats (artikel 10a, tiende lid, van de Participatiewet). Premie De premie bedoelt in lid 3 wordt vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel j, van de Participatiewet. In verband hiermee is de hoogte van de premie begrensd door het in de vrijlatingsbepaling genoemde bedrag. Scholing in combinatie met participatieplaats Wanneer een persoon die in aanmerking is gebracht voor een participatieplaats niet over een startkwalificatie beschikt, dient het college aan deze persoon scholing of opleiding aan te bieden. Dit geldt vanaf zes maanden na aanvang van de werkzaamheden op de participatieplaats. De scholing of opleiding moet zijn gericht op vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt.
Het college hoeft aan een persoon alleen geen scholing of opleiding aan te bieden als dergelijke scholing of opleiding naar zijn oordeel de krachten of bekwaamheden van de persoon te boven gaan of als naar zijn oordeel scholing of opleiding niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling van de persoon in het arbeidsproces . Dit volgt uit artikel 10a, vijfde lid, van de Participatiewet. Artikel 3937. Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt Personen uit de doelgroep kunnen in aanmerking komen voor de voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten. Het college moet dan wel van oordeel zijn dat een leer-werktraject nodig is en de ondersteuning nodig moet zijn voor het volgen van dat leer-werktraject. Dit is geregeld in artikel 10 en volgt uit artikel 10f van de Participatiewet. Met leer-werktraject wordt hier de aansluiting vanuit het onderwijs richting de arbeidsmarkt bedoeld, en niet de trajecten zoals die in onze arbeidsmarktregio worden verzorgd via het leer-werk Loket. Artikel 10f van de Participatiewet bepaalt voorts dat het college uitsluitend ondersteuning bij een leer-werktraject kan aanbieden aan personen: 75
- van zestien of zeventien jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of - van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. De voorziening ondersteuning bij leer-werktrajecten beperken we in Woudenberg voor jongeren van zestien of zeventien jaar oud die dreigen uit te vallen uit school, maar middels een leer/werktraject alsnog een startkwalificatie kunnen behalen. Om te voorkomen dat jongeren onnodig uitvallen, wordt de mogelijkheid geboden extra ondersteuning te bieden. Bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kunnen volgen, zijn uitgesloten van ondersteuning op grond van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Voor de conclusie dat een jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen is vereist dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of daarvoor in aanmerking komt.2 In het kader van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet betekent dit dat het college vanaf het moment dat de jongere uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgt of kan volgen geen ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan bieden.
In artikel 10f van de Participatiewet is bepaald dat het college onder omstandigheden ondersteuning kan bieden aan personen jonger dan achttien jaar en aan personen van achttien tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald en voor wie een leerwerktraject nodig is. Er wordt vanuit gegaan dat het mogelijk is een leer-werktraject aan te bieden aan personen die voldoen aan het bepaalde in de artikelen 10 en 10f van de Participatiewet, in afwijking van artikel 7, derde lid, onder a, van de Participatiewet. Artikel 4038. Participatievoorziening beschut werk Dit artikel behoeft geen toelichting Het college biedt ambtshalve of op verzoek de voorziening beschut werk aan aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon behoort tot de doelgroep van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet of een persoon is aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt (eerste lid).
Het college is verplicht om iemand de voorziening beschut werk aan te bieden wanneer die persoon daarop aangewezen is (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet).3 Deze verplichting geldt tot wanneer de vastgestelde aantallen beschut werkplekken zijn bereikt (artikel 10b, zesde lid, van de Participatiewet).4 Stap 1: advies Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) Om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort, verricht het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voor het college de werkzaamheden ten behoeve van die vaststelling en adviseert het college hierover. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen voert op basis van landelijke criteria een beoordeling uit of een persoon behoort tot de doelgroep beschut werk (artikel 10b, tweede lid, van de Participatiewet). Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen verricht de werkzaamheden ten behoeve van de vaststelling of een persoon tot de doelgroep beschut werk behoort ook 2
Kamerstukken II 2010/11, 32 815, nr. 3, blz. 49. Kamerstukken II 2016/17, 34 578, nr. 3, blz. 20 – 21. 4 Kamerstukken II 2016/17, 4 578, nr. 3, blz. 22. 76 3
op verzoek van een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet of een persoon aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt (artikel 10b, derde lid, van de Participatiewet). Een dergelijk verzoek kan alleen door de persoon zelf worden gedaan en niet door een andere belanghebbende zoals een werkgever. Als het UWV tot het oordeel komt dat iemand tot de doelgroep beschut werk behoort, adviseert UWV het college van de gemeente waar de betreffende persoon staat ingeschreven. Stap 2: besluit gemeente Op basis van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen beslist de gemeente of iemand tot de doelgroep beschut werk behoort. Alleen als sprake is van een onzorgvuldige totstandkoming van het advies van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, kan de gemeente besluiten het advies niet te volgen. 5 Stap 3: dienstbetrekking beschut werk Nadat is vastgesteld dat iemand tot de doelgroep beschut werk behoort, zorgt de gemeente ervoor dat deze persoon in een dienstbetrekking onder beschutte omstandigheden aan de slag gaat (artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet). Het kan dan gaan om een privaatrechtelijke of een publiekrechtelijke dienstbetrekking (artikel 6, eerste lid, onderdeel f, van de Participatiewet). Het college kan zelf bepalen waar de beschut werkplek wordt georganiseerd.
Dat kan zijn binnen de gemeente, maar ook bij de bestaande sw-bedrijven, of bij een andere, aan de gemeente gelieerde organisatie. Het kan zijn dat een reguliere werkgever bereid is de benodigde beschutte omstandigheden te bieden.6 Het toekennen van een beschut werkplek is een besluit in de zin van de Awb.7 Volgorde toekenning Als is vastgesteld dat een persoon alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon nog niet in aanmerking is gekomen voor een beschut werkplek omdat het aantal geraamde plaatsen al is gerealiseerd, dan krijgt deze persoon voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Dit betekent dat de voorziening beschut werk in principe wordt toegekend op volgorde van vaststelling dat een persoon alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. Dit is conform de bedoeling van de wetgever dat personen voor wie niet direct een beschut werkplek beschikbaar is, bij voorrang een beschut werkplek krijgen aangeboden in het daaropvolgende jaar.8 Additionele omvang voorziening beschut werk De gemeente is verplicht om elk jaar een aantal beschut werkplekken te realiseren.
Dit aantal wordt bij ministeriële richtlijn bekend gemaakt. Invulling van dit aantal vormt het uitgangspunt van het beleid. Artikel 41. Werkgeverssubsidie Dit artikel behoeft geen toelichting. 5
Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 113. Kamerstukken II 2016/17, 34 578, nr. 3, blz. 21. 7 Kamerstukken II 2016/17, 34 578, nr. 3, blz. 21. 6
8
Kamerstukken II 2016/17, 34 578, nr. 3, blz. 6-7. 77
Artikel 42. Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 39. Persoonlijke ondersteuning Werknemers die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hebben wettelijk aanspraak op begeleiding op de werkplek door bijvoorbeeld een jobcoach. Gemeenten mogen zelf invulling geven aan de vorm en inhoud van deze begeleiding. In overleg met de werkgever zal naar de juiste inhoud en vorm gezocht worden. De gemeentelijke ondersteuning kan gaan om een financiële compensatie, maar ook om begeleiding in natura met bijvoorbeeld de inzet van een werkbegeleider. De ondersteuning moet noodzakelijk zijn in die zin, dat de werknemer zonder die ondersteuning in redelijkheid niet zijn werkzaamheden zou kunnen verrichten. Persoonlijke ondersteuning heeft tot doel dat een werknemer wordt begeleid naar een situatie dat hij uiteindelijk zonder begeleiding via een dergelijke voorziening bij een reguliere werkgever werkzaam kan zijn.9 Bij de invulling van de jobcoachvoorziening wordt in afwachting van landelijke regelgeving, binnen de financiële kaders, zoveel mogelijk aangesloten bij die van het UWV. Het uitgangspunt is dat de jobcoachvoorziening doelgericht en efficiënt wordt ingezet en dat de begeleiding van de werknemer zo snel mogelijk door de werkgever wordt overgenomen.
Ook krijgen werkgevers de mogelijkheid om zelf de jobcoachvoorziening te regelen, tegen een vergoeding van de gemeente. Artikel 43. Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 44. Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel regelt de aanvraagprocedure voor persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen. Uiteraard is de aanvraagmogelijkheid geen verplichting; het college kan ook zelf ambtshalve – dat wil zeggen zonder aanvraag – beoordelen wat nodig is. In de praktijk zal veelal ook sprake zijn van een ambtshalve beoordeling. Het college zorgt dan zelf voor een goede match met een werkgever, met passende ondersteuning. Het hoeft meestal niet tot een aanvraag te komen (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 11). Artikel 45. Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 46. Persoonlijke ondersteuning bij werk. Dit artikel behoeft geen toelichting Artikel 47. Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk Persoonlijke ondersteuning bij werk is een voorziening die wordt verstrekt als deze noodzakelijk is voor de persoon om de aan hem opgedragen taken uit te voeren.
Bij een aanvraag die pas na het verstrijken van een ruime periode na indiensttreding wordt ingediend, kan de vraag worden gesteld in hoeverre het verstrekken van deze voorziening nog noodzakelijk is, nu men kennelijk al geruime tijd zonder deze persoonlijke ondersteuning de werkzaamheden al heeft verricht. In die situatie 9
Kamerstukken II 2013-2014, 33 161, nr. 107, blz. 115. 78
rechtvaardigt dat de conclusie dat, tenzij er sprake is van een bijzondere situatie, het verstrekken van persoonlijke ondersteuning op aanvraag in beginsel niet noodzakelijk is. Artikel 48. Jobcoaching Dit artikel behoeft geen toeliching. Artikel 49. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 50. Jobcoaching in natura. Dit artikel behoeft geen toelichting. Artikel 51. Interne werkbegeleiding. In het tweede lid wordt geregeld dat het aanbod van het college tevens een training voor de collega van de persoon kan bevatten, zodat deze de begeleiding op een verantwoorde wijze kan bieden. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een “Harrie-training” (Kamerstukken II 2019/20, 35 394, nr. 3, p. 20). Artikel 52. Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening Bij de bepaling van de vergoeding in geld wordt uitgegaan van het reguliere tarief in de markt, waarbij, in lijn met artikel 33, derde lid, het beste instrument tegen de laagste kosten het uitgangspunt vormt. Het bedrag dat de werknemer voor vervoer ontvangt van zijn werkgever, bijvoorbeeld een reiskostenverg51 oeding op grond van de arbeidsovereenkomst, wordt door het college in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvoorziening. Artikel 53. Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij motorische beperking.
De specifieke aard van de voorziening is niet opgenomen, omdat dit sterk afhankelijk is van de behoefte van de persoon. Artikel 54. Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen Wat een passende voorziening is, is sterk afhankelijk van de individuele behoefte van de persoon. Dit vraagt om maatwerk. Gedacht kan worden aan een aangepaste bureaustoel, toetsenbord, koptelefoon, enzovoort. Wel gelden de voorwaarden zoals opgenomen in de artikelen 4 en 14c. Artikel 55. Specifieke voorwaarden werkaanpassingen In sommige gevallen zijn er andere voorzieningen nodig op de werkplek om ervoor te zorgen dat de persoon hier kan werken. Hierbij kan gedacht worden aan een aangepast toilet, een entree met automatische deuropener of een traplift. Dit artikel regelt de mogelijkheid om ook in deze behoefte te voorzien door het toekennen van een werkplekaanpassing.
Artikel 56. Loonkostensubsidie en loonwaarde Het college kan aan de werkgever loonkostensubsidie, als bedoeld in artikel 10c en 10d van de wet, verstrekken om in geval van een lagere arbeidsproductiviteit van de werknemer (tijdelijk) het verschil te compenseren. Loonkostensubsidie kan worden ingezet in geval van matching met een baan uit de banenafspraak, beschut werk en bij plaatsing op een reguliere baan. De loonkostensubsidie wordt uit het Inkomensdeel bekostigd. 79
Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort In artikel 10c van de Participatiewet is geregeld wanneer wordt vastgesteld of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort: op schriftelijke aanvraag of ambtshalve. Ambtshalve vaststelling is alleen mogelijk bij: - personen die algemene bijstand ontvangen; - personen als bedoeld in de artikelen 34a, vijfde lid, onderdeel b, 35, vierde lid, onderdeel b, en 36, derde lid, onderdeel b, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA) tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d is verleend; - personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; - personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en - personen met een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. In artikel 10c van de Participatiewet is ook bepaald dat het aan college is om vast te stellen of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort.
Binnen de kaders van de wet is het aan de gemeente om vast te stellen op welke wijze zij bepalen of mensen tot de doelgroep loonkostensubsidie behoren en of loonkostensubsidie voor hen wordt ingezet (zie Kamerstukken II 2013/14, 33 161, nr. 107, blz. 62). In het eerste lid, is vastgelegd welke criteria daarbij in acht genomen worden. Deze criteria zijn ontleend aan artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet. Daarin is immers wettelijk de doelgroep loonkostensubsidie vastgelegd. Onderdeel a ziet op het toekennen van loonkostensubsidie aan personen die nog geen dienstbetrekking hebben. Onderdeel b ziet op het toekennen van loonkostensubsidie aan personen met een reeds bestaande dienstbetrekking en die in de periode van 6 maanden voorafgaande aan de dienstbetrekking hebben deelgenomen aan praktijkonderwijs, voortgezet speciaal onderwijs of de entreeopleiding. Vaststelling loonwaarde In artikel 10d, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet is bepaald dat als een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en een werkgever voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met die persoon, het college de loonwaarde van die persoon vaststelt met inachtneming van artikel 10d, vierde lid, van de Participatiewet. Hiervoor is geen aanvraag vereist.
Het college kan tevens in overleg met de werkgever vaststellen dat de vaststelling van de loonwaarde gedurende maximaal de eerste zes maanden van de dienstbetrekking achterwege kan blijven (artikel 10d, eerste lid, onderdeel b van de Participatiewet en artikel 10d, vijfde lid, van de Participatiewet). Als deze periode is verstreken, dan moet de loonwaarde worden vastgesteld. De vastgestelde loonwaarde legt het college vast in een beschikking waartegen zowel de betrokken persoon als diens (potentiële) werkgever bezwaar en beroep kunnen instellen. Als een dienstbetrekking tot stand komt, verleent het college loonkostensubsidie aan de werkgever met inachtneming van artikel 10d van de Participatiewet. Op grond van het Besluit loonkostensubsidie 2021 en de Regeling loonkostensubsidie Participatiewet 2021 geldt per 1 juli 2021 een landelijke methodiek voor het vaststellen van de loonwaarde. Alle gemeenten moeten vanaf dat moment de loonwaarde op dezelfde manier bepalen. Een zogenaamde loonwaardedeskundige moet vanaf 1 juli 80
2021 de loonwaardebepaling gaan uitvoeren. De gemeente stelt de loonwaarde vast op grond van het rapport van de loonwaardedeskundige. Aan deze persoon worden kwaliteitseisen gesteld zoals het hebben van ervaring in het werkveld en een relevante opleiding hebben gevolgd. De gemeente wijst de loonwaardedeskundige aan. Dit kan iemand zijn die werkzaam is in de eigen organisatie, een externe organisatie, of als zelfstandig ondernemer. Het college moet ervoor zorgen dat de loonwaardedeskundige aan de kwaliteitseisen voldoet. Ook moet het college ervoor zorgen dat deze persoon voldoende onafhankelijk functioneert. Dat betekent dat de loonwaardedeskundige niet door de gemeente of zijn werkgever kan worden afgerekend op de uitkomsten van de loonwaardebepalingen. Ook mag de loonwaardedeskundige niet zelf een belang hebben bij een bepaalde uitkomst. Denk hierbij aan een zakelijk belang met de werkgever waarvoor loonkostensubsidie wordt gevraagd. Forfaitaire loonkostensubsidie Voorafgaand aan het inzetten van een loonkostensubsidie op basis van de vastgestelde loonwaarde, kan een forfaitaire loonkostensubsidie worden ingezet. Deze wordt bepaald op een vast percentage over de eerste periode van maximaal 6 maanden vanaf indiensttreding van de werknemer (artikel 10d, eerste lid, van de Participatiewet).
De loonkostensubsidie bedraagt in dat geval 50% van het van toepassing zijnde WML, vermeerderd met de aanspraak op vakantietoeslag en de vastgestelde vergoeding voor werkgeverslasten. Doel van deze ‘forfaitaire variant’ is om het voor werkgevers en gemeenten in de praktijk eenvoudiger te maken iemand met een beperking in een dienstbetrekking te plaatsen. Uitgangspunt blijft dat het college de loonkostensubsidie vaststelt op basis van de werkelijke loonwaarde. In overleg met de werkgever kan voor de forfaitaire variant worden gekozen. Doorgaans gaat daar een verzoek van de werkgever aan vooraf, maar dat is niet noodzakelijk. Het college beslist of al dan niet voor de forfaitaire variant wordt gekozen. Na afloop van de periode van maximaal zes maanden kan de loonkostensubsidie worden voortgezet, indien een loonwaardemeting op basis van een gevalideerde methode aangeeft dat betrokkene een loonwaarde heeft van minder dan WML en loonkostensubsidie nog steeds aangewezen is. Verlenging van de forfaitaire loonkostensubsidie is niet mogelijk. Artikel 57. Loonkostensubsidie kwetsbare werknemers. De in artikel 57 geregelde loonkostensubsidie betreft een gemeentelijke regeling die moet worden onderscheiden van de loonkostensubsidie zoals bedoeld in de artikelen 10c en 10d van de Participatiewet en artikel 56.
De in artikel 57 opgenomen loonkostensubsidie is niet noodzakelijk gericht op personen met een arbeidsbeperking, maar ondersteunt personen die kwetsbaar zijn. Het gaat hier dus niet om de loonkostensubsidie die verstrekt wordt aan personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet van wie is vastgesteld dat zij met voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen van een wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Participatiewet) en die is geregeld in hoofdstuk 3A. Het betreft daarom ook een in tijd gemaximeerde subsidieregeling.
81
Het doel van deze loonkostensubsidie is het bieden van compensatie voor het feit dat voor een persoon ten minste het wettelijk minimumloon moet worden betaald, terwijl de werkgever een persoon (nog) niet ten volle kan inzetten. Zo kan het college een loonkostensubsidie aan de werkgever verstrekken om tijdelijk het verschil in arbeidsproductiviteit te compenseren en zo de re-integratie van de bijstandsgerechtigde te bewerkstelligen (Kamerstukken II 2004/05, 28 870, nr. 125). Het is aan het college om te bepalen of er een noodzaak tot subsidieverlening aanwezig is met het oog op de arbeidsinschakeling van de kwetsbare werknemer. Artikel 58. Specifiek aanvraagproces loonkosten subsidie. Dit artikel behoeft geen toelichting.