CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

04. Integrale verordening Sociaal Domein Woudenberg 2023.pdf

Raadscommissie 7 december 2022, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 5: Integrale verordening sociaal domein 202341.895 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Integrale verordening Sociaal Domein Woudenberg 2023

9-11-2022

De Raad van de gemeente Woudenberg; Heeft gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 november 2022 en gelet op: - de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 derde lid van de Jeugdwet, - de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, - de artikelen 6, 8, 8a, 8b, 10b en 47 van de Participatiewet, artikel 35 van de IOAW en artikel 35 van de IOAZ, - artikel 4a, derde lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening; - en artikel 156 van de Gemeentewet; Ingestemd met de Integrale verordening sociaal domein gemeente Woudenberg 2023.

1

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

3

Hoofdstuk 2: Integrale benadering

5

Hoofdstuk 3: Voorzieningen

17

Hoofdstuk 4: Specifieke bepalingen jeugdwet

19

Hoofdstuk 5: Specifieke bepalingen Wmo

19

Hoofdstuk 6: Specifieke bepalingen Participatiewet

23

Hoofdstuk 7: Beslistermijn schuldhulpverlening

36

Hoofdstuk 8: Hardheidsclausule, betrekken van inwoners bij beleid, slotbepalingen

36

Toelichting

38

2

Hoofdstuk 1

Algemene bepalingen

Algemene bepaling Bij het nemen van besluiten op aanvragen wordt niet alleen acht geslagen op de wet en regelgeving, maar ook op het doel van de wetgeving en het effect van het besluit. Bij elk besluit wordt rekening gehouden met de volgende waarden en normen: 1. Dat aan het gezin, als kern van de samenleving en de natuurlijke omgeving voor de ontplooiing en het welzijn van al haar leden en van de kinderen in het bijzonder, de nodige bescherming en bijstand dient te worden verleend opdat het zijn verantwoordelijkheden binnen de samenleving volledig kan dragen. 2. Dat het kind geen schade leidt en kan opgroeien in een liefde- en begripsvolle gezinsomgeving. 3. Dat burgers met een handicap en/of een chronische ziekte op voet van gelijkwaardigheid met anderen de toegang hebben tot de fysieke omgeving, tot vervoer, informatie en communicatie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën en –systemen, en tot andere voorzieningen en diensten. 4. Dat de eigen verantwoordelijkheid van de burgers centraal staat om voor hun zelfredzaamheid, participatie en inkomen naar vermogen al het mogelijke te doen om tot verbetering te komen, mede door inzet van personen uit hun sociale netwerk. 5.

Dat als het burgers niet lukt om zelf, of met hulp van de eigen omgeving, knelpunten op te lossen, de gemeente samen met partners hen helpt de juiste weg te wijzen of ondersteuning te bieden. De ondersteuning is daarbij gericht op het zoveel mogelijk versterken van de eigen kracht van de burgers, het gezin of het sociale netwerk. 6. Dat ondersteuningsvragen integraal worden benaderd. Niet de voorzieningen, maar de resultaten die de burger en/of het gezin wil bereiken staan centraal. De voorzieningen of oplossingen die nodig zijn, zijn ondergeschikt aan het resultaat.

Artikel 1. Toepassing en begrippen 1. Deze verordening is van toepassing op het (integrale) proces rond de uitvoering van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo), de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen (IOAZ) en de beslistermijn van de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening (WGS). 2. In deze verordening wordt onder de niet-gedefinieerde begrippen verstaan, wat daarmee in de Jeugdwet, de Wmo 2015 of de Participatiewet, IOAW, IOAZ of WGS wordt bedoeld. 3. In deze verordening wordt verder verstaan onder: a. Aanvraag: - een verzoek om toekenning van een individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet; - een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning; - een aanvraag als bedoeld in artikel 41 van de Participatiewet; - een aanvraag als bedoeld in artikel 1 van de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening. b. Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is. Tevens die een passende bijdrage levert aan het

3

realiseren van zelfredzaamheid of participatie en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. c. Algemene voorziening: - niet zijnde een individuele voorziening als bedoeld in de Jeugdwet; - een algemene voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo; - een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet. d. Andere voorziening (Jeugdwet): voorziening anders dan in het kader van de Jeugdwet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. e. Budgetperiode: de periode waar een pgb betrekking op heeft. f. Cliënt: - een jeugdige of zijn ouders of pleegouders als bedoeld in artikel 1 van de Jeugdwet; - een persoon als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo; - een persoon als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet. g. Cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo. h. College: college van burgemeester en wethouders. i. Financieel besluit: een door het college vastgestelde regeling, waar op grond van dezen verordening nadere regels en bedragen zijn gesteld. j. Gebruikelijke hulp: de hulp of de zorg die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s), partners, huisgenoten rekening houdend met de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. k.

Maatwerkvoorziening: een op de cliënt toegesneden voorziening waarvoor een (verlengings)beschikking van het college nodig is; - een maatwerkvoorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo; - een individuele voorziening als bedoeld in de Jeugdwet; - een voorziening als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet. l. Melding: - het stellen van een hulpvraag of een verzoek van een cliënt om toekenning van een individuele voorziening in het kader van de Jeugdwet; - een melding als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 van de Wmo; - een melding als bedoeld in artikel 44 van de Participatiewet. m. Nadere regels: een door het college vastgestelde regeling, waar op grond van deze verordening nadere regels zijn gesteld. n. Onderzoek: - een onderzoek naar aanleiding van een melding in het kader van de Jeugdwet; - een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo; - een onderzoek als bedoeld in artikel 53a van de Participatiewet. o. Pgb: persoonsgebonden budget: een bedrag waarmee inwoners zelf hun jeugdhulp, ondersteuning of hulpmiddel kunnen inkopen. Als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet en artikel 2.3.6 van de Wmo. p.

Pgb-plan: een plan opgesteld door (of namens) de cliënt en/of zijn wettelijke vertegenwoordiger(s) waaruit blijkt dat de besteding van het pgb voldoet aan de voorwaarden van de wet en/of deze verordening zo nodig aangevuld met voorwaarden die daar naar het oordeel van het college aan gesteld mogen worden. q. Plan van aanpak:

-

het hulpverleningsplan, als bedoeld in de Jeugdwet (art. 1.1);

4

-

r.

al dan niet gecombineerd met het persoonlijk plan, als bedoeld in de Wmo of het familiegroepsplan, als bedoeld in de Jeugdwet; - en/of een plan van aanpak voor één of meer personen, gerelateerd aan de Participatiewet. Spoedeisend geval: een (onvoorziene) situatie die geen uitstel vraagt;

Hoofdstuk 2

Integrale benadering

Artikel 2. Melding hulpvraag 1. Een melding als bedoeld in artikel 1 onder m van deze verordening kan schriftelijk of digitaal bij het college via Coöperatie De Kleine Schans worden ingediend. Meldingen in verband met aanvragen levensonderhoud op basis van de Participatiewet worden digitaal ingediend via werk.nl. 2. Het college bevestigt de ontvangst van de melding schriftelijk of per e-mail, tenzij cliënt heeft medegedeeld dit niet te wensen. In de ontvangstbevestiging is informatie opgenomen over de mogelijkheid van cliëntondersteuning, het keukentafelgesprek, een familiegroepsplan/persoonlijk plan en eventueel aanvullende informatie die bij de eerste afspraak moet worden meegenomen. 3. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijke een passende tijdelijke maatregel of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.

Artikel 3. Vooronderzoek 1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek als bedoeld in artikel 1 onder o, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt vervolgens zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. 2. Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. 3. Hierbij brengt het college de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om binnen de wettelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet op te stellen of een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid van de Wmo. In het geval de cliënt daarom verzoekt, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan of persoonlijk plan. 4. Voorafgaand aan het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verschaft inzage in een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. 5. Het college kan in overleg met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4. Het gesprek 1. Het college onderzoekt in een gesprek met de cliënt en/of diens wettelijke vertegenwoordiger en/of een gewenst persoon uit het sociaal netwerk, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig: a. de behoeften, persoonskenmerken, eerder ingezette ondersteuning, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en situatie van het huishouden van de cliënt; b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning; c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of andere voorzieningen of algemene voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn hulpvraag te beantwoorden;

5

2.

3.

4. 5.

6.

d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk een oplossing te vinden voor zijn hulpvraag; e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang; g. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken; h. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van participatie, zorg en onderwijs; i. hoe rekening zal worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt en zijn huishouden; j. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo verschuldigd zal zijn, en k. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

Als de cliënt een persoonlijk plan of een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 3, vierde lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan als eerste bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken. Afhankelijk van de leeftijd wordt er bij een jeugdige om toestemming gevraagd aan de ouders of de jeugdige zelf, conform artikel 7.3.4. van de Jeugdwet. Het college kan alleen in overleg met de cliënt en vertegenwoordigers afzien van een gesprek. Het college kan, na toestemming van de cliënt en/of zijn ouder(s) informatie inwinnen bij andere instanties, zoals de huisarts of de onderwijsinstelling, en met deze in gesprek gaan over de aangewezen hulp. Dit artikel is niet van toepassing op verwijzingen van de huisarts en de medisch specialist zoals bedoeld in artikel 2.6 onder g van de Jeugdwet.

Artikel 5. Advisering 1. Het college kan om deskundigenadvies vragen voor zover dit van belang is voor het onderzoek of de beoordeling van de aanvraag. 2. De cliënt dan wel zijn huisgenoot verleent zijn medewerking aan het onderzoek als bedoeld in het eerste lid voor zover die redelijkerwijs kan worden gevergd.

Artikel 6. Verslag (Wmo/Jeugdwet) 1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek, bedoeld in artikel 3 en 4 of stelt een plan van aanpak op waarbij rekening wordt gehouden met het eventuele persoonlijk plan of familiegroepsplan en het verzoek om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in hoofdstuk 5 van de verordening.

6

2. Het college verstrekt aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek, tenzij deze heeft medegedeeld dit niet te wensen. 3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd.

Artikel 7. Aanvraag 1. Inwoners kunnen een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk of digitaal indienen bij het college. Een aanspraak op grond van de Participatiewet kan ambtshalve (zonder aanvraag) worden vastgesteld. 2. Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dit op het verslag e/o het plan heeft aangegeven en deze is voorzien van een dagtekening, de naam, het identiteitsbewijs (mits inzage niet eerder is verschaft) en de geboortedatum van de cliënt.

Artikel 8. Inhoud beschikking (Wmo/Jeugdwet) 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt. De beschikking is mede gebaseerd op het plan van aanpak. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. welke de te verstrekken maatwerkvoorziening is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de maatwerkvoorziening wordt verstrekt; d. Indien van toepassing de hoogte van de eigen bijdrage. 2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd: a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; f. Indien van toepassing de hoogte van de eigen bijdrage.

Artikel 9. Algemene criteria maatwerkvoorziening 1. Een cliënt en/of zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp; c. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel d. met gebruikmaking van algemene voorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan dienstverlening door het sociaal team, bijvoorbeeld het verstrekken van informatie, advies, coaching en kortdurende begeleiding; e. met gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen; kan verminderen of wegnemen. 2. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt als: a. de cliënt de aangevraagde voorziening heeft gerealiseerd of aangeschaft (voor of) na de melding maar nog voor de datum van besluit, tenzij het college daarvoor uitdrukkelijk schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak, adequaatheid en passendheid van de voorziening en de

7

3.

4.

5.

6. 7.

gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen of uit die beoordeling blijkt dat dit niet in eigen kracht is gerealiseerd; b. de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij het normale gebruik van de woning geen aanleiding bestond en er geen belangrijke reden aanwezig was; c. het aanspreken van een aanvullende verzekering die is afgesloten, mogelijk is. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt indien: a. de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was; b. de voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de ondersteuningsvraag deels of geheel opgelost had. Een cliënt die ingezetene is van Nederland met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met gebruikelijke hulp; c.

met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel d. met gebruikmaking van algemene/basisvoorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan dienstverlening door het sociaal team, bijvoorbeeld het verstrekken van informatie, advies, coaching en kortdurende begeleiding; e. met gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen; kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening als bedoeld in het vorige lid levert, rekening houdend met het plan van aanpak als bedoeld in artikel 5 van de verordening en voor zover aanwezig het persoonlijk plan of familiegroepsplan, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt voldoende en op aanvaardbare wijze in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht op verantwoorde wijze te handhaven in de samenleving. Het college beoordeelt de hulpvraag aan de hand van het gesprek en de genoemde onderwerpen als bedoeld in artikel 4 van deze verordening. Om te zorgen dat een maatwerkvoorziening kan worden afgestemd op andere voorzieningen als bedoeld in artikel 12, van de verordening draagt het college zorg voor afspraken met onder meer: a. partijen in het kader van gezondheidszorg; b. partijen in het kader van de algemene gebruikelijke voorzieningen c. gecertificeerde instellingen; d.

instellingen die voorschoolse voorzieningen bieden; e. onderwijsinstellingen voor primair-, voortgezet- en speciaal onderwijs; f. de betreffende gemeentelijke afdelingen.

Artikel 10. Regels voor persoonsgebonden budget (Wmo/Jeugdwet) Paragraaf 10.1 Voorwaarden pgb 8

1. Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het college te verstrekken pgb, beoordeelt het college of wordt voldaan aan alle wettelijke voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb zoals omschreven in artikel 2.3.6 Wmo 2015 en artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet. 2. Het college beoordeelt of de cliënt, eventueel met behulp van zijn pgb-beheerder, in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen en het uitvoeren van de aan een pgb verbonden taken. De cliënt dient in zijn pgb-plan ten minste aan te geven: a. welke ondersteuning de cliënt nodig heeft; b. wat de cliënt met het pgb wenst in te kopen; c. waarom de cliënt de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; d. indien van toepassing: wie de cliënt heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren; e. hoe de cliënt een keuze maakt voor een geschikte pgb-aanbieder; f. op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd; g. op welke wijze de cliënt de zorgverlener aanstuurt in de praktijk; h. op welke wijze de zorg wordt gecontroleerd; i. op welke wijze de cliënt een juiste administratie gaat bijhouden; j. hoe hij omgaat met geconstateerde onjuistheden. 3.

Het college beoordeelt of de ondersteuning die de cliënt met het pgb wenst in te kopen naar het oordeel van het college van voldoende kwaliteit is en dus veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is. De kwaliteit van de ondersteuning wordt getoetst door middel van het pgb-plan zoals omschreven in lid 4. Daarnaast dient de uitvoerder van de ondersteuning te beschikken over een recente VOG (afgiftedatum ligt maximaal 3 maanden voor indiening pgb-plan). De budgethouder is verplicht om gebruik te maken van de op zijn situatie van toepassing zijnde modelovereenkomst van de Sociale Verzekeringsbank. 4. De cliënt en/of pgb-beheerder is verplicht ten aanzien van het waarborgen van de kwaliteit van de ondersteuning een pgb-plan op te stellen. Het college kan een format voor dit pgb-plan vaststellen. In het pgb-plan staat in ieder geval omschreven: a. welke zorgverlener de zorg gaat verlenen; b. wie de directe zorgverlener(s) is; c. wat de deskundigheid is van de directe zorgverlener(s); d. wie de directe zorgverlener(s) kan vervangen bij afwezigheid; e. welke doelen behaald moeten worden; f. welke concrete acties ingezet worden om de gestelde doelen te bereiken; g. waar en wanneer de ondersteuning gaat plaatsvinden. 5.

De kwaliteit van de met het pgb ingekochte professionele ondersteuning voldoet minimaal aan de eisen die de gemeente stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren, hierbij moeten pgbaanbieders voldoen aan de volgende criteria: a. ingeschreven staan in het handelsregister; b. adequaat opgeleid personeel in dienst hebben;

9

c. een VOG van alle werknemers (en eventueel vrijwilligers) kunnen overleggen; d. beschikken over een volledig geïntegreerd kwaliteitssysteem dat voldoet aan de landelijke eisen; e. een verklaring betalingsgedrag belastingdienst kunnen tonen; f. een afschrift van de meest recente jaarrekening - of in het geval van een ZZP’er een balans en een winst- en verliesrekening -kunnen tonen; g. verzekerd zijn tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid. 6. Een pgb is alleen mogelijk indien naar het oordeel van het college wordt voldaan aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb en: a. er geen weigeringsgrond van toepassing is zoals omschreven in artikel 10.4; b. in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het ondersteuningsplan opgenomen beoogde resultaat; c. er op geen enkele manier druk is uitgeoefend om de dienstverlening, in welke vorm dan ook, van deze persoon of organisatie te betrekken. 7. Het niet voldoen aan de kwaliteitseisen heeft tot gevolg dat het college de aanvraag van de cliënt voor ondersteuning in de vorm van een pgb afwijst. Het college kan de pgb-aanbieder een waarschuwing met een redelijke hersteltermijn geven, of de pgb-aanbieder niet (langer) accepteren in het kader van een pgb.

Paragraaf 10.2 Voorwaarden pgb voor ondersteuning door informele aanbieder 1. Alvorens de cliënt een aanvraag doet voor een voorziening, wordt van hem verwacht dat hij eerst een beroep doet op zijn familie en vrienden. Er wordt geen pgb verstrekt waarvan het gebruikelijk is dat de activiteiten door het sociaal netwerk worden verricht, zoals: a. (sociale) activiteiten ondernemen met de cliënt; b. het doen van de boodschappen: c. lichte huishoudelijke taken; d. eenvoudige hulp bij de administratie; e. het maken van afspraken en/of het meegaan naar afspraken met specialisten; f. vervoer naar afspraken met specialisten. 2. Een cliënt heeft de mogelijkheid om dienstverlening te betrekken van een persoon of organisatie behorende tot het sociale netwerk: a. als de cliënt een gelijkwaardig of beter resultaat kan behalen als iemand uit het sociale netwerk de zorg verleent ten opzichte van een professionele aanbieder en; b. als dit leidt tot volwaardige dienstverlening die passend is aan de hulpvraag van de cliënt.

Paragraaf 10.3 Voorwaarden pgb-beheerder 1. Het beheren van het pgb kan door zowel de cliënt als door een pgb-beheerder worden uitgevoerd. Indien de pgb-beheerder het pgb gaat beheren, dan zijn de regels over het pgb beheer waar cliënt wordt genoemd van overeenkomstige toepassing op de pgb-beheerder.

10

2. Het college acht een persoon niet in staat de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren indien bij hem sprake is van een of meerdere van de volgende omstandigheden: a. problematische schuldenproblematiek; b. aangetoonde fraude begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag; c. ernstige verslavingsproblematiek; d. een aanmerkelijke verstandelijke beperking; e. een ernstig psychiatrisch ziektebeeld; f. een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis; g. het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; h. niet zelfstandig zorg kunnen dragen voor het opstellen van het pgb-plan; i. signalen van overbelasting; j. twijfels op overige gronden over de pgb-vaardigheid, zoals opgenomen in artikel 10.1 lid 2. 3. Onverlet het bepaalde in het vorige lid wordt een pgb-beheerder alleen geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren indien: a. hij eerste of tweedegraads bloed-of aanverwant is van de cliënt of tot het sociaal netwerk behoort; b. hij door de rechtbank is aangesteld als mentor, curator of bewindvoerder; c. hij niet tevens uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht; d. er geen sprake is van een (financiële) relatie tussen de pgb-beheerder en de pgb-aanbieder; e. er geen sprake is van is van belangenverstrengeling tussen de pgbbeheerder en de pgb-aanbieder. f.

er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd; g. hij de belangen van de cliënt voldoende kan behartigen zoals omschreven in artikel 10.1 lid 2; h. hij de aan een pgb verbonden taken kan uitvoeren zoals omschreven in artikel 10.1. lid 2. 4. Een cliënt krijgt maximaal twee keer de mogelijkheid om een pgb-beheerder aan te dragen. Indien geen geschikte pgb-beheerder wordt aangedragen, zal de aanvraag voor ondersteuning in de vorm van een pgb worden afgewezen.

Paragraaf 10.4 pgb niet mogelijk 1. Het college weigert een pgb te verstrekken als het college eerder een beslissing heeft herzien of ingetrokken omdat: a. de cliënt of zijn pgb-beheerder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt of zijn pgb-beheerder niet heeft voldaan aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden; c. de cliënt of zijn pgb-beheerder het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 2. Het college verstrekt geen pgb als:

11

a. er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 1.3. b. het een pgb behandeling binnen het informele netwerk van de cliënt in het kader van jeugdhulp betreft. c. deze dient als inkomstenderving voor (boven)gebruikelijke hulp die geboden wordt binnen het eigen huishouden. 3. Het college verstrekt geen pgb voor vervoer als de cliënt in deze behoefte kan voorzien door gebruik te maken van het collectief vervoer. 4. Het college verstrekt geen pgb voor zover deze is bedoeld voor bemiddelingsof administratiekosten of een combinatie hiervan, in verband met de aanvraag of uitvoering van het pgb, of een combinatie hiervan, al dan niet in combinatie met de kosten van de pgb-beheerder. 5. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een pgb-aanbieder die fraude heeft gepleegd. 6. Het college verstrekt geen pgb voor ondersteuning van een zorgverlener indien er twijfels zijn over de integriteit van de zorgverlener, wat zich in ieder geval voordoet indien de zorgverlener: a. betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de ondersteuning in gevaar brengen; b. verdacht is geweest van strafbare feiten dan wel daarvoor veroordeeld is geweest; c. bestuursrechtelijke en/of fiscaalrechtelijke boetes opgelegd heeft gekregen; d.

bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen opgelegd heeft gekregen in de vorm van een last onder bestuursdwang en/of dwangsom; e. er sprake is van feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de pgb-aanbieder en/of zijn directie en/of de aan hen gelieerde vennootschappen een zakelijk samenwerkingsverband onderhouden met derden die in relatie staan tot strafbare feiten of daarvan verdacht worden; f. zich niet professioneel gedraagt. Hiervan is onder andere sprake indien de pgb-aanbieder zich intimiderend opstelt, geen voorbeeldfunctie toont of incidenten hebben plaatsgevonden binnen de uitvoering van zijn functie. 7. Verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als: a. op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de cliënt en/of zijn pgbbeheerder problemen zal hebben bij het omgaan met een pgb; b. er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een pgb in het verleden; c. er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking.

Paragraaf 10.5 Hoogte pgb 12

1. De hoogte van een pgb, niet zijnde beschermd wonen, wordt vastgesteld op basis van het pgb-plan, het te bereiken resultaat (doel) of het aantal geïndiceerde uren dan wel een tijdeenheid naar rato daarvan of het aantal geïndiceerde dagdelen of etmalen in natura. 2. De hoogte van het pgb bedraagt niet meer dan het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate oplossing, tenzij de cliënt aantoont dat met het toe te kennen pgb de geïndiceerde maatwerkvoorziening niet kan worden ingekocht. 3. De gedifferentieerde tarieven voor hulpverleners zijn opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten (all-in tarief). 4. Het college kan een pgb, welke betrekking heeft op een periode voorafgaande aan de aanvraag weigeren, tenzij: a. het college vaststelt dat de aanvraag niet eerder ingediend kon worden; b. en de cliënt aantoont verplichtingen met derden te zijn aangegaan die onherroepelijk zijn; c. en het college tot het oordeel komt dat de verleende ondersteuning noodzakelijk is. 5. Voor de goedkoopst passende bijdrage hanteert het college gedifferentieerde maximumtarieven die zijn afgeleid van de tarieven waarvoor het college de geïndiceerde diensten heeft ingekocht: a. 90% voor een daartoe opgeleide professional in dienst van zorgaanbieder; b.

75% voor een professional die werkzaam is als zelfstandig werkend ondernemer of via een arbeidsovereenkomst; c. 50% voor personen uit het sociaal netwerk, indien er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. d. de tegemoetkoming voor een hulp uit het sociaal netwerk als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 bedraagt maximaal € 141,-per kalendermaand, voor zover van toepassing aangevuld met een tegemoetkoming voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten ten behoeve van de hulp overeenkomstig de door het college daarvoor vastgestelde bedragen. 6. In het door het college jaarlijks vast te stellen Financieel besluit wordt per ondersteunende dienst een omschrijving en daarbij behorend tarief opgenomen. Uitgangspunt is het tarief waarvoor de desbetreffende dienst in natura is ingekocht. 7. De hoogte van het pgb voor woonvoorzieningen en hulpmiddelen bedraagt in ieder geval niet meer dan het maximum van de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende bijdrage waaronder inbegrepen de instandhoudingskosten of andere bijkomende kosten en is toereikend voor het inkopen daarvan. De hoogte van het pgb voor het gebruik van individueel (rolstoel)taxivervoer wordt vastgesteld op bedragen op jaarbasis. Daarbij geldt dat het pgb toereikend is voor deelname aan het maatschappelijk verkeer.

Het college kan op het jaarbedrag dan ook een korting toepassen indien sprake is van: a. verblijf in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg; b. een samenvallende vervoersbehoefte; c. een beperkte (zelfstandige) vervoersbehoefte; d. andere aanwezige vervoersvoorzieningen of vervoersmogelijkheden. 8. Het college stelt het pgb voor een woningaanpassing vast op basis van een programma van eisen. Daarbij kan het college bijkomende noodzakelijke kosten in aanmerking nemen. 9. Het college kan de hoogte van het pgb vaststellen op basis van een offerte indien de geïndiceerde maatwerkvoorziening waaronder inbegrepen de

13

instandhoudingskosten of andere bijkomende kosten niet valt binnen het assortiment van gecontracteerde aanbieders 10. Het college stelt nadere regels over de omvang van de budgetperiode van hulpmiddelen. 11. a. De hoogte van het pgb voor beschermd wonen vloeit voort uit het voor de cliënt van toepassing zijnde zorgarrangement. De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van het aantal geïndiceerde uren, het geldende uurtarief zoals bedoeld in sub. b van dit artikel en het pgb-plan; b. De hoogte van het pgb-uurtarief voor professionals in dienst van een instelling wordt gebaseerd op de tarieven zoals vastgesteld bij de inkoop van zorg in natura (ZIN); c. Het pgb-uurtarief bedraagt 90% van het uurtarief ZIN. Jaarlijks worden deze tarieven geïndexeerd conform de inkoopafspraken zoals gehanteerd bij de inkoop van ZIN (Beschermd Wonen) en door het college vastgesteld in het financieel besluit; d. Indien sprake is van overgangsrecht geldt een tarief van 75% van het van toepassing zijnde zorginstellingstarief; e. Het werkelijk toe te kennen pgb wordt afgestemd op de ondersteuningsbehoefte, dat volgt uit het plan van aanpak en de hiermee samenhangende kosten.

Artikel 10.6 Onderscheid formele en informele hulp 1. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de budgethouder: a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; c. personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-register) en/of artikel 5.2.1 van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp. 2. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 1 onder a, b of c, is sprake van informele hulp.

Artikel 11. Opschorting, beëindiging en wijziging 1. Het college kan een toegekende aanspraak op een maatwerkvoorziening dan wel (uitbetaling van) pgb geheel of gedeeltelijk beëindigen, dan wel de inzet (levering) daarvan tijdelijk geheel of gedeeltelijk (laten) opschorten indien: a. niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld op grond van de wet of bij of krachtens de verordening; b. de cliënt wordt opgenomen of gaat wonen in een instelling, tenzij dat gebeurt in het kader van de te bieden jeugdhulp of ondersteuning op grond van de Wmo;

14

c. de cliënt of zijn vertegenwoordiger(s) zich niet houdt aan de verplichtingen verbonden aan de maatwerkvoorziening of de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit het toegekende pgb; d. de cliënt is overleden; e. de gemeente Woudenberg op grond van het woonplaatsbeginsel niet meer verantwoordelijk is voor het bieden van (jeugd)hulp.

Artikel 11a. Opschorting betaling uit het pgb 1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wmo. 2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder b. 3. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid.

Artikel 11.b Herziening of intrekking 1. Onverminderd artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en artikel 2.3.8 van de Wmo doet cliënt of diens vertegenwoordiger onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening of tegemoetkoming meerkosten. 2. Onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een beslissing aangaande een voorziening geheel of gedeeltelijke herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat: a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de cliënt naar het oordeel van het college niet langer op de voorziening, of op het pgb is aangewezen; c. de voorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt langer dan vier weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Zorgverzekeringswet; e. de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het pgb; f. de cliënt de voorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd. 3.

Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. 4. Het college kan een besluit als bedoeld in het eerste lid herzien of intrekken indien blijkt dat de jeugdige niet of onvoldoende heeft voldaan aan de verplichtingen genoemd in de wet of die bij of krachtens deze verordening van toepassing zijn waaronder inbegrepen het niet nakomen van de verplichtingen die rechtstreeks voortvloeien uit een dienstverleningsovereenkomst.

Artikel 11c. Terugvordering en verrekening 1. Het college kan nadat het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening,

15

2.

3.

4.

5.

tegemoetkoming meerkosten dan wel pgb is herzien of ingetrokken: a. het ten onrechte of tot een te hoog bedrag betaald pgb terugvorderen; b. geheel of gedeeltelijk de geldswaarde van een maatwerkvoorziening in natura terugvorderen; c. de ten onrechte ontvangen tegemoetkoming terugvorderen Het college kan de kosten van de maatwerkvoorziening, het pgb of de tegemoetkoming meerkosten terugvorderen in geval van een onverschuldigde betaling. De wijze waarop de terugvordering geïnd wordt, kan verrekening zijn. De hoogte van het na verrekening resterende (periodieke) bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de ondersteuning in de zelfredzaamheid en participatie. Voor zover sprake is van de wettelijke terugvorderingsbepaling kan het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. Dat geeft een executoriale titel. Bij andere terugvorderingsgronden moet de invordering langs civielrechtelijke weg plaatsvinden. Het college maakt gebruik van de in de Zorgovereenkomst SVB opgenomen derdenbeding, wanneer sprake is van toerekenbaar tekortschieten van de pgb zorgaanbieder, ook als de budgethouder niets te verwijten valt.

Artikel 11d. Fraudepreventie en controle 1. Het college zet in op fraudepreventie. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college cliënten en diens wettelijk vertegenwoordigers informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening (in natura of in de vorm van een pgb) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik. 2. Het college beoordeelt, al dan niet steekproefsgewijs, de besteding van de pgb’s conform het pgb-plan. Tevens beoordeelt het college of de pgb-houder en/of cliënt nog voldoet aan de criteria om voor een pgb in aanmerking te komen. 3. Fraude of vermoedens van fraude worden afgehandeld volgens het vigerende fraudebeleidskader. 4. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het houden van toezicht op de naleving van de Wmo, waaronder wordt begrepen de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en (onterecht) niet-gebruik van de Wmo.

Hoofdstuk 3

Voorzieningen

Artikel 12. Algemene voorzieningen 1. Een algemene voorziening op het gebied van ondersteuning en dienstverlening die wordt aangeboden door maatschappelijke organisaties en door de markt vrij toegankelijk is voor iedere inwoner van de gemeente Woudenberg. 2. Een algemene voorziening kan zich richten op collectief vervoer, individuele begeleiding, dagbesteding en voorzieningen gericht op preventie van opvoed- en opgroeiproblemen. Hieronder valt ook de ondersteuning van het Sociaal Team. 3. Om vast te stellen of een cliënt behoort tot de doelgroep kan het college een lichte toegangstoets uitvoeren. 4. Een lichte toegangstoets kan ook worden uitgevoerd door de aanbieder van de algemene voorziening.

Artikel 13. Maatwerkvoorzieningen: vormen van jeugdhulp 1. De volgende vormen van (individuele) niet vrij-toegankelijke jeugdhulp zijn beschikbaar:

16

2.

a. Hulp voor jeugdigen met (ernstige) opvoed- en opgroeiproblemen die niet preventief of door Coöperatie De Kleine Schans geboden kan worden; b. Hulp voor jeugdigen met psychische klachten of stoornissen (voorkomen, behandelen, stabiliseren, genezen); c. Hulp voor jeugdigen met een verstandelijke beperking; d. Begeleiding en persoonlijke verzorging jeugdigen. e. Respijtzorg/logeren Het college kan nadere regels vaststellen over welke overige en maatwerk voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

Artikel 14. Maatwerkvoorzieningen: vormen van Wmo 1. De volgende vormen van (individuele) niet vrij-toegankelijke Wmo ondersteuning zijn beschikbaar: a. Dagactiviteit, vervoer en begeleiding b. Hulp bij het huishouden c. Respijtverblijf in een instelling d. Ondersteuning bij het wonen e. Ondersteuning bij deelname maatschappelijk verkeer f. Beschermd wonen en maatschappelijke opvang 2. Het college verleent een maatwerkvoorziening gericht op ondersteuning bij deelname aan het maatschappelijk verkeer zijnde een kortingspas (gebruikerspas) Regiotaxi – Collectief vraagafhankelijk vervoer, waarvoor de cliënt een ritbijdrage is verschuldigd voor het zich lokaal (15 tot 20 km rondom de woning) kunnen verplaatsen. 3. Het college kan nadere regels vaststellen over welke overige en individuele voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

Artikel 15. Maatwerkvoorzieningen: vormen Participatiewet en IOAW/IOAZ 1. Ondersteuning bij arbeidsinschakeling kan bestaan uit praktische hulp, advies, doorverwijzing naar andere organisaties of uit het aanbieden van één of meerdere voorzieningen die gelijktijdig of achtereenvolgend ingezet kunnen worden. 2. Het college van burgemeester en wethouders kan aan de cliënt voorzieningen aanbieden in de vorm van onder andere: a. werkervaringsplaats; b. sociale activering; c. scholing; d. ondersteuning bij aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt; e. beschut werk; f. persoonlijke ondersteuning; g. proefplaatsing h. loonkostensubsidie; i. werkvoorzieningen; j. ondersteunende instrumenten, waaronder kinderopvang, schuldhulpverlening, onderzoeken door deskundigen, taal- en beroepsgerichte scholing, nazorg etc; k. Het college kan een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt zijn in het kader van de re-integratie. 3. Het college kan nadere regels vaststellen over de vorm van de in het tweede lid genoemde voorzieningen en de wijze waarop deze voorzieningen worden verstrekt.

17

Artikel 16. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast: a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg; b. reis en opleidingskosten; c. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst; d.

overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen

Artikel 17. Klachtregeling 1. Klachten van cliënten die betrekkingen hebben op gedragingen jegens hen van personen die namens het college meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening behandelen, dienen ingediend te worden bij Coöperatie De Kleine Schans. 2. Voor de in lid 1 bedoelde klachten is de klachtenregeling van Coöperatie De Kleine Schans van toepassing. 3. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten.

Hoofdstuk 4

Specifieke bepalingen Jeugdwet

Artikel 18. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts 1. Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover genoemde jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is. 2. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) hierom verzoeken, legt het college de te verlenen maatwerk voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking.

18

Artikel 19. Vertrouwenspersoon jeugd 1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en (pleeg)ouders een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon. 2. Het college wijst jeugdigen en (pleeg)ouders erop dat zij zich desgewenst kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.

Hoofdstuk 5

Specifieke bepalingen Wmo

Artikel 20a Primaat en kortdurende maatschappelijke ondersteuning 1. Het college kan maatschappelijke ondersteuning verlenen als collectieve – en/of individuele maatwerkvoorziening. Daarbij ligt het primaat bij de collectieve maatwerkvoorziening, tenzij dat niet als goedkoopst passende bijdrage kan worden aangemerkt. 2. Het college kan een maatwerkvoorziening kortdurend verlenen indien de cliënt of de personen van wie gebruikelijke hulp kan worden gevergd leerbaar zijn. De maatschappelijke ondersteuning is gericht op het versterken, verbeteren of behouden van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Daaronder kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen worden verstaan.

Artikel 20b Specifieke criteria maatwerkvoorzieningen 1. Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover: a. deze langdurig noodzakelijk is om de cliënt in aanvaardbare mate in staat te stellen tot zelfredzaamheid en participatie mede met het oog op het zo lang mogelijk op verantwoorde wijze in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; b. deze als goedkoopst passende bijdrage is aan te merken; c. deze in overwegende mate op de cliënt is gericht. 2. Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat indien: a. de beperkingen van de cliënt met een voor hem als algemeen gebruikelijk te beschouwen voorziening (zaak of dienst) kunnen worden opgelost dan wel verminderd; b. een maatwerkvoorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verleend en daarvan de normale afschrijvingstermijn nog niet is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verleende voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; c. de cliënt in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden heeft om zelf of met hulp van anderen voor een passende oplossing te zorgen voor de beperkingen in diens zelfredzaamheid en participatie. d. de cliënt, gelet op de noodzaak tot maatschappelijke ondersteuning, aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening.

Artikel 21. Regels voor bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. De bijdrage is maximaal gelijk aan de kostprijs van de voorziening. 2. Het college zorgt ervoor dat de actuele bedragen bekend worden gemaakt in het financieel besluit.

19

Artikel 22. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen, pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt 2. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt. 3. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het door het Rijk vastgestelde abonnementstarief, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd. 4. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt. 5.

In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b tweede lid, van de Wmo worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door CAK vastgesteld en geïnd. 6. De kostprijs van een: a. Maatwerkvoorziening of bij verordening aangewezen algemene voorziening is gelijk aan de prijs waarvoor de gemeente de voorziening afneemt van of aanschaft bij een (gecontracteerde) aanbieder, inclusief de bijkomende kosten waaronder instandhoudingskosten. b. Maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening (bruikleen, huur of eigendom) c. pgb is gelijk aan het totale bedrag van het pgb. 7. Voor de in lid 3 bedoelde eigen bijdrage kan naar de regels van de Verordening bijzondere bijstand een beroep op bijzondere bijstand worden gedaan. 8. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor volgende maatwerkvoorzieningen: a. sportvoorzieningen; b. bezoekbaar/logeerbaar maken van een woning; c. tijdelijke huisvesting; d. huurderving; e. het verwijderen van een woonvoorziening; f. woonsanering; g. verhuis- en herinrichtingskosten. 9. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de Wmo is de cliënt met een indicatie voor het collectief vraagafhankelijk vervoer een rittarief per zone verschuldigd in de kosten voor het gebruik daarvan en de paskosten.

Deze kosten bedragen maximaal het tarief, zoals dit geldt voor het openbaar vervoer, waarbij de aanbieder het rittarief int.

Artikel 23. Criteria financiële tegemoetkoming 1. Het college kan een financiële maatwerkvoorziening verlenen die gericht is op een tegemoetkoming in de kosten die verband houden met:

20

a. De toepassing van het primaat van verhuizen; b. Het gebruik van een eigen auto voor deelname aan het maatschappelijk verkeer; c. Het plaatsen van een losse woonunit d. Andere maatregelen indien geen maatwerkvoorziening in natura verleend wordt of kan worden verleend en geen pgb wordt verstrekt. 2. De financiële maatwerkvoorziening voor verhuiskosten en/of inrichtingskosten wordt niet eerder uitbetaald nadat de cliënt is verhuisd naar een door het college geschikt bevonden woning. 3. Het college stelt de hoogte van de bedragen vast in het Financieel Besluit.

Artikel 24. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen 1. Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2. Het college stelt bij nadere regeling de hoogte van de tegemoetkoming vast voor: a. taxikosten b. rolstoeltaxikosten c. een autoaanpassing d. aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening e. het bezoekbaar maken van een woning.

Artikel 25. Kwaliteitseisen 1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door: a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard; d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 26. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

21

Artikel 27. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle voorzieningen. 2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 28. Meldingsregeling calamiteiten en geweld maatschappelijke ondersteuning 1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan. 2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar. 3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Artikel 29. Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht.

Hoofdstuk 6

Specifieke bepalingen Participatiewet

Artikel 30. Begrippen 1. Alle begrippen die in dit hoofdstuk gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2. Dit hoofdstuk verstaat onder: a. Wet: de Participatiewet; b. Doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, lid 1 onder a, van de wet; c. Anw’er: belanghebbende die een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet ontvangt en die als werkloze werkzoekende staat ingeschreven bij het UWV WERKbedrijf; d. Niet-uitkeringsgerechtigde (Nugger): een belanghebbende als bedoeld in artikel 6 lid 1 onder a van de Participatiewet, maar 18 jaar of ouder. e. Tegenprestatie: het verrichten van naar vermogen en door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige activiteiten die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt; f.Belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Indien het een gehuwde betreft, wordt onder

22

g. WTOS: h. WSF 2000: i. Referteperiode: j. Peildatum:

k. Inkomen:

belanghebbende elk van de gehuwden verstaan (artikel 1:2 lid 1 Algemene wet bestuursrecht); de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; de Wet studiefinanciering 2000; een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum; de dag waarop het recht op individuele inkomenstoeslag ontstaat, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen; totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand;

l. Bijstandsnorm: 1°

toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet, of 2° grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de IOAW of artikel 5 van de IOAZ voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ; m. Benadelingsbedrag: netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan; n. Uitkering: algemene bijstand op grond van de Participatiewet of een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ.

Paragraaf 6.1

Re-integratie

Artikel 31. Budget- en subsidieplafonds 1. Het college kan bij uitvoeringsbesluit één of meerdere subsidie- en budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening. 2. Het college kan bij uitvoeringsbesluit een plafond instellen voor het aantal personen dat in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.

Artikel 32. Algemene bepalingen over re-integratievoorzieningen 1. Het college kan een voorziening beëindigen als: a. De persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de wet, de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 13 en 37 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet nakomt; b. De persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c. De persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet; d. Naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e. De voorziening naar het oordeel van het college niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/2214/documents/41738