CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

03.p Bijlage 7 - Natuuronderzoek Henschotermeer.pdf

Gemeenteraad 21 september 2023, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken12.532 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Natuuronderzoek locatie ontwikkeling Henschotermeer

IN OPDRACHT VAN

Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3-nov. 2022– Natuuronderzoek Henschotermeer

1

Natuuronderzoek Locatie ontwikkeling Henschotermeer

R.J.S. Terlouw

COLOFON:

© Bui-TeGewoon | groenprojecten ◊ publicatie 2021/61-v3 Ouderkerk aan den IJssel, november 2022 [update 2] Status : Definitief Auteur : R.J.S. Terlouw Foto’s : D. Buisman, Bui-TeGewoon | groenprojecten In opdracht van : Mooi Meer BV Disclaimer: De inhoud van dit rapport is met uiterste zorg samengesteld. De informatie in dit document wordt aangeboden zonder enige garantie. BUITEGEWOON | groenprojecten sluit alle aansprakelijkheid uit voor enigerlei directe of indirecte schade, van welke aard dan ook, die voortvloeit uit of verband houdt met het gebruik van dit document. Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd of openbaar gemaakt door middel van drukwerk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder schriftelijke toestemming van BUI-TEGEWOON | groenprojecten en de opdrachtgever, noch zonder toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd.

Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3-nov. 2022– Natuuronderzoek Henschotermeer

2

INHOUDSOPGAVE 1]. Inleiding en doel

5.

2]. Projectgebied

6.

3]. Voorgenomen ontwikkeling

7.

4]. Gebiedsbescherming 4.1. N2000 4.2. Natuurnetwerk Nederland

8. 8. 8.

5]. Bos en bomen

9.

6]. Werkwijze beoordelen soortgroepen, beschermde soorten en situaties 6.1. Voorbereidend onderzoek 6.2. Soort specifieke onderzoeken 6.2.1. Algemeen 6.2.2. Hoger planten 6.2.3. Vleermuis 6.2.4. Landzoogdieren 6.2.5. Broedvogels, inclusief jaarrond beschermde nesten en holenbroeders 6.2.6. Reptielen 6.2.7. Overige soorten en soortgroepen

10. 10. 11. 11. 12. 12. 13. 14. 14. 16.

7]. Resultaten soort specifiek onderzoek Henschotermeer 7.1. Hogere planten 7.2. Vleermuizen 7.3. Landzoogdieren 7.4. Broedvogels, inclusief jaarrond beschermde nesten en holenbroeders 7.5. Reptielen 7.6. Overige soorten en soortgroepen

17. 17. 17. 22. 25. 27. 28.

8].

Aanbevelingen

29.

9].

Samenvatting

30.

10]. Conclusies 11]. Literatuur en bronnen

Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3-nov. 2022– Natuuronderzoek Henschotermeer

30.

3

Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3-nov. 2022– Natuuronderzoek Henschotermeer

4

1].

Inleiding en doel

Sedert enkele jaren is het beheer van natuur- en recreatiegebied Henschotermeer overgedragen aan Mooi Meer BV te Woudenberg. De overdracht komt voort uit het terugtreden van het recreatieschap uit het gebied en de provinciale wens een aantal recreatiegebieden in particuliere exploitatie te brengen. Mooi Meer BV streeft naar een verbetering van het voorziening niveau, het herstellen en uitbreiden van opstallen, als toiletgebouwen, horeca, speeltoestellen, etc. en het bieden van een completer aanbod aan recreatiebehoeften met behoud van de aanwezige natuur en landschapswaarden. Om dit te realiseren is een exploitatie en ontwikkelplan opgesteld, waarbij aanpassingen, nieuwe opstallen en aanvullende gebiedsinrichting noodzakelijk zijn. Ten bate van de ruimtelijke plan voorbereiding en het beschikken over informatie ten bate van de ruimtelijke procedures dient o.a. een ecologisch onderzoek plaats te vinden. Dit onderzoek is in 2018 gestart door Bureau Van Den Bijtel, ecologisch onderzoek. Als gevolg van de beëindiging van dit bureau is dit onderzoek niet afgerond. Gebleken is dat de verzamelde informatie uit deze periode slechts fragmentarisch beschikbaar is. Om de vergunningprocedure tijdig te kunnen opstarten zal in voorjaar en zomer van 2021 een uitgebreide natuurtoets voor het projectgebied plaatsvinden.

Onderdeel hiervan betreft een aanvullend onderzoek naar (beschermde) flora en fauna zoals bedoeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb). Naast het uitvoeren van onderzoek ten bate van onderbouwing van de ruimtelijke plannen en het aanvragen van ontheffingen is het de wens de verzamelde gegevens toe te kunnen passen bij het passend maken van het onderhouds- en beheerplan binnen de gedragscode bosbeheer. Hiermee kan het toekomstige beheer binnen de Wet natuurbescherming worden voorbereid en uitgevoerd. Mooi Meer BV heeft Bui-TeGewoon | groenprojecten verzocht de noodzakelijke werkzaamheden en onderzoeken met betrekking tot het onderdeel ecologie uit te voeren. Om tijdig over voldoende informatie te kunnen beschikken voor de noodzakelijke ruimtelijke procedure en aanvraag van vergunningen en ontheffingen is gestart met een algemene verkenning van het projectgebied die is omgezet in dit document tot een Plan van Aanpak (BTG.PvA.20210420). In dit plan van aanpak is een tabelmatige uitwerking van de bureaustudie en veldverkenning opgenomen op basis waarvan de te onderzoeken soorten en habitats zijn bepaald (zie bijlage 1 & 2). Parallel aan de voorgenomen ontwikkeling door Mooi Meer BV is tevens de ontwikkeling van verplaatsing van de YMCA locatie in Leusden naar het Henschotermeer voorzien.

De ruimtelijke procedure wordt voor beide beoogde ontwikkelingen afzonderlijk van elkaar gevoerd en gerapporteerd. Gezien de samenhang en aaneengesloten ligging zal het ecologisch onderzoek waar mogelijk separaat en complementair aan elkaar worden uitgevoerd. Hiervoor is een parallel opdracht door YMCA aan Bui-TeGewoon | groenprojecten verstrekt.

Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3-nov. 2022– Natuuronderzoek Henschotermeer

5

2]. Projectgebied Het projectgebied betreft het bestaande recreatiegebied Henschotermeer met uitzondering van een kleine enclave in de noordwest hoek die geëxploiteerd zal gaan worden door de YMCA organisatie en waarvoor een separaat, maar onafhankelijk, onderzoek en rapportage wordt opgesteld. Het gebied heeft een totaal oppervlakte van circa 88 hectare, waarvan 13 hectare wordt in genomen door de (zwem)plas. Het noordelijke deel is gelegen binnen de gemeente Woudenberg en kadastraal bekend sectie F nummer 752. Het zuidelijke deel is gelegen in de gemeente Maarn en kadastraal bekend als sectie A nummers 3258 en 3608. De ontstaansgeschiedenis van het Henschotermeer in zijn huidige vorm is aangevangen rond de Tweede Wereldoorlog. In het gebied werden bomen gerooid en zand gewonnen ten bate van de bouw van de Grebbelinie. In deze periode was er slechts een kleine plas aanwezig, maar werd het gebied reeds voor recreatieve doelen gebruikt. Nadat de recreatiedruk in de jaren zestig verder toenam werd een plan ontwikkeld voor een gebied dat ruimte moest kunnen bieden aan circa 10.000 recreanten. Dit plan werd in 1972 ten uitvoer gebracht, waarna het gebied onder beheer van het recreatieschap Utrechtse Heuvelrug, Vallei en Kromme Rijngebied zich tot de huidige vorm heeft ontwikkeld. In 2014 is het besluit genomen om het recreatieschap op te heffen.

Dit is per mei 2017 geeffectueerd waarna het natuur- en recreatiegebied Henschotermeer in beheer en exploitatie is genomen door Mooi Meer BV. Een impressie van de projectlocatie is weergegeven in figuur 1, de begrenzing en kadastrale situatie in figuur 2.

Figuur 1. Impressie Henschotermeer

Figuur 2. Projectgebied t.b.v. onderzoek flora en fauna en kadastrale situatie Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3-nov. 2022– Natuuronderzoek Henschotermeer

6

3]. Voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft het uitvoeren van groot onderhoud en gedeeltelijke renovatie van bestaande opstallen en voorzieningen als ingangspartijen en parkeerfaciliteiten. De toiletgebouwen worden geheel vervangen waarbij, de nieuwe toiletgebouwen op een open plek nabij de huidige sanitaire voorzieningen worden geplaatst. Daarnaast bestaat het voornemen om aanvullende voorzieningen toe te voegen aan het gebied, zodat het beter en efficiënter geëxploiteerd kan worden met behoud van de natuur- recreatieve functie (figuur 3). E.e.a. maakt onderdeel uit van de principe afspraken die bij de overdracht van het recreatiegebied aan de Mooi Meer organisatie zijn gemaakt. Het betreft de volgende voorgenomen ontwikkelingen: het oprichten van een beheerkantoor met geïntegreerde beheerderswoning; een gebouw voor jaarrond horeca en overdekt spelen nabij de ingang; schaapskooi (multifunctioneel gebouw); een expositieruimte op het eiland; een extra brug over het meer aan de westzijde; het aanpassen/uitbreiden van de bestaande strandhoreca; aanplant circa 4500 stuks jonge bomen en struiken (reeds uitgevoerd in 2019).

Binnen het plan wordt er naar gestreefd zo min mogelijk habitat van flora en fauna aan te tasten. Door bestaande open ruimten maximaal te benutten hoeven zo min mogelijk bomen te worden verwijderd om de gewenste voorzieningen te kunnen realiseren. Door werk met werk te maken kunnen natuurversterkende maatregelen (natuurbouwstenen) worden toegevoegd aan het terrein om de ontwikkeling van natuurwaarden te versnellen/versterken of specifieke doelsoorten te faciliteren. De ruimtelijke verdeling van de voorgenomen ontwikkeling biedt ruimte voor uitbreiding van de recreatieve voorzieningen aan de noordwest en zuidoost zijde en meer invulling te geven aan een op natuurwaarden gericht beheer en het versterken (compensatie / mitigatie) van flora en fauna aan de noord en zuidwestzijde. De voorgenomen ontwikkeling is weergegeven in figuur 3. aanpassen

Figuur 3. Voorgenomen ontwikkeling

Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3-nov. 2022– Natuuronderzoek Henschotermeer

7

4]. Gebiedsbescherming 4.1. N2000 De Natuurbeschermingswet regelt de bescherming van natuurgebieden in Nederland. Het gaat daarbij om de bescherming van gebieden van nationaal belang (de Beschermde Natuurmonumenten) en van internationaal belang (Natura 2000). In een groot aantal gevallen overlappen de Beschermde Natuurmonumenten de gebieden die zijn aangewezen als Natura 2000-gebied. De waarden die behoren bij het Beschermd Natuurmonument zijn dan meegenomen in het Natura 2000 ontwerp of concept aanwijzingsbesluit. Er zijn geen Beschermde Natuurmonumenten in de zin van de wet in de directe omgeving van de projectlocatie aanwezig. De meest nabij gelegen N2000 gebieden betreffen Kolland – Overlangbroek op 9,7 kilometer en de Rijnstrangen op 11,5 kilometer in zuidelijke richting (figuur 4).  Op basis van de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de afstand zullen vanuit de voorgenomen ontwikkeling geen effecten op Natura 2000 gebieden optreden.

Figuur 4. Ligging projectlocatie i.r.t. Natura 2000 gebieden

4.2. Natuurnetwerk Nederland 4.2.1. Begrensde gebieden en natuurbeheertypen Het Henschotermeer gebied is aan de noord en westzijde geheel begrenst als Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het als NNN begrensde gedeelte bestaat geheel uit bosvakken. Het betreft het natuurbeheertype “Droog bos met productie” (N16.03). NNN gebied Henschotermeer maakt onderdeel uit van een groot en vrijwel aaneengesloten NNN gebied dat wordt doorsneden door enkele provinciale wegen. De voorgenomen ontwikkeling zal dan ook niet leiden tot een significante aantasting van de samenhang van de natuurgebieden binnen het NNN. Aan de zuid en oost zijde grenst het aan het buitengebied van Woudenberg en Maarn. De recreatieplas, met strand, de bestaande voorzieningen, de parkeerplaatsen en het zuidoostelijke deel zijn buiten de NNN begrenzing gelegen (figuur 5). De voorgenomen activiteiten bevinden zich geheel buiten de NNN begrenzing. Er zullen geen effecten op de aangrenzende delen met een NNN status optreden anders dan vanuit het historisch en huidig gebruik reeds aanwezig zijn.

Figuur 5. Begrenzing NNN en natuurbeheertype

Het gehele gebied rondom het Henschotermeer is daarnaast in de interim verordening provincie Utrecht onder artikel 9.3 lid 20 begrenst als boven lokaal dagrecreatieterrein. Voor deze gebieden is “continuïteit door ontwikkeling het uitgangspunt, d.m.v. het toevoegen van voorzieningen gericht op het exploitabel houden van de bovenlokale recreatieterreinen”. Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3-nov. 2022– Natuuronderzoek Henschotermeer

8

5]. Bos en bomen Houtopstanden zijn enkel onder de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 4) beschermd wanneer deze buiten de bebouwde kom zijn gelegen. De bescherming geldt voor opstanden die: minimaal 10 are bedragen, wanneer er meer dan 20 bomen in één of meerdere rijen staan en wanneer de uitsluitingsregels niet van toepassing zijn. Voor dergelijke houtopstanden heeft de Wnb twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplant plicht. Wie (een deel van) dergelijke houtopstanden velt, moet dit tevoren melden en heeft de plicht om hetzelfde areaal te her planten. Dit geldt vanaf het moment dat je één boom uit bovengenoemde houtopstanden haalt. Daarnaast is mogelijk een ontheffing en compensatie nodig. De exacte regels en procedures zijn per provincie geregeld. Er zijn verschillende uitzonderingen op bovengenoemde instrumenten. Als gevolg van de locatie ontwikkeling zal een aantal bomen moeten worden gerooid. Voorafgaand aan de exacte plaatsbepaling zal een boominspectie worden uitgevoerd om enerzijds voor dieren van belang geachte bomen te signaleren en ‘gevaarlijke bomen’ en/of ‘bomen met dood kroonhout’ binnen het intensief voor recreatie gebruikte deel te verwijderen. Een eerste visuele beoordeling leert dat dit laatste naar verwachting slechts beperkt noodzakelijk zal zijn.

In 2019 zijn door de initiatiefnemer Mooi Meer 4500 nieuwe bomen en struiken in het gebied aangeplant. In de huidige situatie karakteriseert het bos rond het Henschotermeer zich overwegend als een opstand van naaldhout met een wisselende ondergroei (figuur 6). Als gevolg hiervan heeft het bos op de meeste locaties een open karakter, maar lokaal zijn dichtere vakken en meer gesloten bosdelen aanwezig. De meest voorkomende boomsoort in het gebied betreft grove den. Ook berk komt regelmatig voor en er is veel spontane opslag van gewone lijsterbes aanwezig. Zomereik is een verspreid aanwezige soort, gewone beuk komt slechts met enkele exemplaren voor. Op enkele locaties zijn dichte opstanden van lariks en Douglas aanwezig. Op één locatie aan de uiterste westzijde en buiten de effectzone van de voorgenomen ontwikkeling werd een oud en zwaar beschadigd exemplaar van de jeneverbes aangetroffen.

Figuur 6. Impressie bostypen in Henschotermeer gebied

Op basis van de detail beoordeling wanneer de te ontwikkelen locaties zijn uitgezet kan worden beoordeeld of er binnen deze vlakken beschermde situaties vanuit de Wet Natuurbescherming als jaarrond beschermde nesten, holtebomen, mierenhopen of anderszins te sparen situaties aanwezig zijn. Indien dit het geval is moet worden overwogen of de projectlocaties zodanig kunnen worden verschoven dat deze buiten de effectzone van de beschermde situatie komen te liggen. Indien dit niet het geval is zal een ontheffingsprocedure worden gevolgd. Met betrekking tot te verwijderen bomen zal de procedure worden gevolgd conform het onderdeel “Houtopstanden”, hoofdstuk 4, met een meldingsplicht. Indien uit overleg met het bevoegd gezag wordt geconcludeerd dat extra aanplant noodzakelijk is zal worden gekozen voor de aanplant van inheemse loofhout soorten zodat separaat wordt bijgedragen aan het ‘verloven’ van het bos.

Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3-nov. 2022– Natuuronderzoek Henschotermeer

9

6]. Beoordeling soortgroepen, beschermde soorten en situaties 6.1.] Voorbereidend onderzoek Om tot een Plan van Aanpak voor het aanvullende onderzoek te komen heeft in maart 2021 een bureaustudie plaatsgevonden naar mogelijk aanwezige (beschermde) planten en dieren. Naast verspreidingsgegevens uit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) zijn websites van soorten organisaties als EIS-Nederland, FLORON, RAVON, SOVON, Vleermuisnet, VZZ en de waarnemingensite, waarnemingen.nl, geraadpleegd. Ook is verschillende zoekmachines gericht gezocht naar voor de betrokken gebieden relevante rapportage en onderzoeksverslagen. In het projectgebied en de directe omgeving (beïnvloeding aspecten) worden op basis van dit bronnenonderzoek, archiefmateriaal, de regionale ligging, de aanwezige habitats en het migratiegedrag van diersoorten, een aantal beschermde soorten of situaties mogelijk aanwezig geacht. Om efficiënt te kunnen werken en locatie specifieke kenmerken beter te duiden is op basis van het eerste bezoek een vakken & afdelingen kaart gemaakt. Deze kaart is benut om de habitat kenmerken op deelniveau vast te leggen en kan daarnaast worden benut van het toekomstige beheer en onderhoudsplan i.r.t. de Wet natuurbescherming. De vakken en afdelingen kaart is opgenomen als figuur 7.

Figuur 7. Vakken & afdelingenkaart zoals gehanteerd in de onderhavige rapportage

Met behulp van de verkregen gegevens is een conceptlijst samengesteld van mogelijk aanwezige soorten, situaties en habitats in relatie tot de Wet natuurbescherming (bijlage 1). Aan de hand van deze verkenning heeft een uitgebreide gebiedsverkenning plaatsgevonden tijdens twee velddagen in maart en april 2021. Tijdens deze veldbezoeken zijn aanwezige habitats voor beschermde soorten en situaties in beeld gebracht en waar gewenst d.m.v. GPS coördinaten vastgelegd. Door in het bijzonder de bosvakken met zwaardere bomen meermaals en van verschillende zijden te doorkruisen in de periode voordat zich blad aan de loofbomen bevond en de ondergroei nog niet tot ontwikkeling was gekomen kon een goed beeld van mogelijk aanwezige holte bomen, jaarrond beschermde nesten en overige situaties en of habitats worden verkregen. Parallel is gelet op plukresten die op aanwezigheid van soorten als sperwer en havik kunnen wijzen. Parallel aan de verkennende terreinbezoeken zijn inventarisatie- en karteringsroutes voor het uit te voeren soort specifieke onderzoek bepaald. De gekarteerde elementen en situaties tijdens deze bezoeken betreffen: Bodemreliëf Bodemholten Bos samenstelling Boskarakter Ondergroei / struiklaag Holtebomen Stamvoetholten

Staand dood hout Liggend dood hout Hogere planten Sporen/waarnemingen zoogdieren Zoogdier holen Geschikt vleermuis habitat Soortenlijst broedvogels

Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3-nov. 2022– Natuuronderzoek Henschotermeer

Jaarrond beschermde nesten Nestkasten Habitat geschiktheid amfibieën Habitat geschiktheid reptielen Mierenhopen Bomen en houtopstanden

10

De beoordelingsresultaten van de habitat analyse zijn weergegeven in tabel 1 en bijlage 2.

Tabel 1. Resultaten habitat analyse maart 2021

Na afloop van de veldbezoeken is de conceptlijst van mogelijk aanwezige soorten en habitats definitief gemaakt (bijlage 1), waarna deze de basis heeft gevormd voor een Plan van Aanpak voor het vervolg onderzoek (Terlouw R.J.S., 2021a). Bovenstaande aanpak heeft geleid tot het opstellen van de volgende lijst van nader te onderzoeken soorten en situaties: Soort/situatie Broedvogels Jaarrond beschermde nesten Holen broeders Vleermuizen algemeen Vleermuis verblijfplaatsen Das Eekhoorn Boommarter Mierenhopen Hazelworm Levendbarende hagedis Zandhagedis Ringslang

Methode Samenstellen soortenlijst t.b.v. bepalen duur broedseizoen Twee vervolgbezoek in voorjaar/zomer op gekarteerde locaties in maart Twee vervolg bezoeken in voorjaar & zomer gekarteerde holte bomen in maart Vleermuis protocol en gegevens van de Bijtel ecologisch onderzoek 2020 Aandacht aan in maart gekarteerde locaties met holtebomen tijdens vleermuis onderzoek Volgen aanwezige burchten (fauna camera)en gegevens van de Bijtel 2020 Zichtwaarnemingen en karteren nesten Geschikte holte bomen (Ø > 50 mm) en grondholen volgen, bij twijfel fauna camera inzet Karteren tijdens alle bezoeken (determinatie soort) Onderzoek m.b.v. reptiel platen conform soortenstandaard / RAVON en zichtwaarnemingen Reptiel platen conform soortenstandaard / RAVON en zichtwaarnemingen Zichtwaarnemingen tijdens gerichte bezoeken conform soorten standaard Zichtwaarnemingen en reptiel platen conform RAVON methode

6.2. Soort specifieke onderzoeken 6.2.1. Algemeen Het doel van het onderzoek is om vast te stellen of de voorgenomen ontwikkeling mogelijk effecten heeft op (beschermde) flora en fauna en of hun leefgebied. Indien effecten niet kunnen worden uitgesloten dient een ontheffing aanvraag te worden verricht in het kader van de Wet natuurbescherming. Het onderzoek moet hierbij inzicht geven in de mate van aantasting, de omvang van de populatie en dient antwoord te geven op de vraag of de duurzame staat van instandhouding in gevaar komt. Om ontheffing te kunnen verkrijgen dienen in voorkomend geval ook compenserende en mitigerende maatregelen die zullen worden genomen in beeld te worden gebracht. De soort specifieke onderzoeken hebben allen plaatsgevonden conform de soorten standaards zoals hiervoor voorgeschreven. Indien geen specifiek protocol is voorgeschreven is steeds de werkwijze gehanteerd zoals geadviseerd vanuit de soorten organisaties (EIS-Nederland, FLORON, RAVON, SOVON, Vleermuisnet, VZZ).

Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3-nov. 2022– Natuuronderzoek Henschotermeer

11

Ten bate van een aantal soorten en situaties zijn voorbereidende werkzaamheden uitgevoerd. Het betreft o.a. het karteren van jaarrond beschermde nesten, holtebomen, grondholen, burchten, mierenhopen, etc. in de vroege voorjaarssituatie (maart) wanneer de geringste kroonbedekking aanwezig is en de terrestrische vegetatie zich nog niet heeft ontwikkeld (zie ook tabel 2). Door deze locaties met GPS vast te leggen konden later in het seizoen op eenvoudige wijze controlebezoeken aan verblijfplaatsen van mogelijk beschermde soorten en/of potentieel beschermde situaties worden gebracht. 6.2.2. Hogere planten Op basis van de gevonden habitat tijdens de verkennende bezoeken, de verspreidingskaarten uit de NDFFdatabase, FLORON gegevens en het raadplegen van de waarnemingensite (waarneming.nl) worden geen beschermde hogere planten en of vegetaties in het gebied verwacht. Het onderzoek aan hogere planten heeft bestaan uit het tijdens alle veldbezoeken alert waarnemen van de vegetatietypen en mogelijk aanwezige soorten die speciale aandacht verdienen dan wel een beschermde status hebben. 6.2.3. Vleermuizen De vleermuizen zijn onderzocht door het uitvoeren van onderzoek naar vliegroutes, foerageergebieden en verblijfplaatsen met behulp van een batdetector.

Naast voor vleermuizen als kansrijke beoordeelde routes langs randstructuren als bospaden en open plekken (figuur 8) zijn gekarteerde holtebomen die tijdens de verkennende bezoeken in maart en april waren vastgelegd met GPS tijdens alle inventarisatiebezoeken in de uitvliegperiode bezocht. Tijdens de voorjaarskartering is gebleken dat in het gebied zeer weinig holte bomen is. Dit komt voort uit de jarenlange exploitatie als bos met productie en het terughoudende beheer op doodhout, holtebomen etc. tijdens de beheerperiode van het recreatieschap. Het betrof enerzijds een beheer vanuit veiligheid en voorkomen van risico van vandalisme (in het bijzonder brandstichting) op doodhout, takkenrillen, etc. en anderzijds een gevolg van de bosexploitatie vanuit kosten/baten afwegingen door het recreatieschap. In totaal is vijfmaal een ronde door het gebied gemaakt waarbij met behulp van een vleermuisdetector bij geschikte weeromstandigheden gericht is gezocht naar verblijfplaatsen en gebied gebruik door vleermuizen. Het betrof vier late avond/nacht bezoeken en één nacht/vroege ochtend ronde. Tijdens alle bezoeken is tevens gelet op mogelijke aanwezigheid van andere nachtactieve (beschermde) soorten als uilen, en zoogdieren. Doordat de ‘holtebomen’ bekend waren kon zeer gericht worden gemonitord op de tijden van in- en uitvliegen van vleermuizen.

Dit onderdeel van de vleermuis kartering heeft steeds rond zonsondergang en bij vroege ochtend bezoeken vanaf een half uur voor zonsopgang plaatsgevonden. Overige delen van de nacht heeft de focus gelegen op het vastleggen van vliegroutes en foerageergebieden. Op deze wijze is met een kosten besparende werkwijze toch een voldoende goed beeld ontstaan van de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in het algemeen en kraamkolonies in het bijzonder verkregen. Met betrekking tot de waarneem intensiteit i.r.t. de oppervlakte wordt opgemerkt dat, circa 13 hectare wordt ingenomen door de zwemplas en nog eens 15 hectare door strand en open ruimte langs de plas. De resterende ruim veertig hectare bestaat deels als uit vrij dichte bostypen (Larix/Douglas) die niet toegankelijk /aantrekkelijk zijn voor vleermuizen en zijn goed ontsloten door een fijnmazig netwerk van bospaden.

Tabel 2. Overzicht bezoekdata en omstandigheden onderdeel vleermuizen

Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3- Natuuronderzoek Henschotermeer 2021

12

Figuur 8. Routes bij vleermuiskartering

6.2.4. Landzoogdieren In het projectgebied zijn op basis van verkennende bezoeken en het bureauonderzoek een groot aantal landzoogdieren (vleermuizen worden afzonderlijk besproken) als mogelijk aanwezig beoordeeld. Tot de zwaarder beschermde soorten die kunnen voorkomen in het gebied behoren boommarter, das en eekhoorn. Naast deze soorten zijn ook vaste verblijfplaatsen (holen) van konijn en vos gekarteerd om maximaal rekening te kunnen houden bij de voorgenomen gebiedsontwikkeling met de verblijfplaatsen / kernlocaties van deze soorten zoals bedoeld in het zorgvuldigheidsartikel uit de Wet natuurbescherming (art. 1.11 Wnb). Bovengenoemde vijf soorten worden onderstaand afzonderlijk beschreven. In de directe omgeving (recreatie bungalowparken) is de steenmarter vastgesteld (Achterberg, 2020). Voor deze soort is geen geschikt habitat binnen het projectgebied aanwezig, waardoor er geen gericht onderzoek naar deze soort heeft plaatsgevonden. Van een aantal andere, niet specifiek beschermde soorten, is de aanwezigheid vastgesteld. Het betreft mol, bosmuis, bosspitsmuis, egel en ree. Hoewel niet daadwerkelijk vastgesteld zullen naar verwachting meerdere soorten muizen, bruine rat en kleine marters als bunzing en wezel in het gebied aanwezig kunnen zijn.

Voor deze soorten zal conform het zorgvuldigheidsbeginsel Wnb (artikel 1.11) worden gehandeld door middel van het hanteren van ecologisch werkprotocols tijdens de ontwikkeling en het toekomstige beheer van het gebied. Toelichting werkwijze onderzoek afzonderlijke soorten landzoogdieren:  Boommarter Alle geconstateerde locaties met boomholten, liggend dood hout, opslag van snoeihout en takken, grondholen en stamvoetholten zijn tijdens de tweedaagse basis verkenning van het gebied in maart en april 2021 gekarteerd en met GPS geregistreerd. Tijdens meerdere bezoeken heeft een check op bewoning door dieren plaatsgevonden. Voor de boommarter zijn in het bijzonder (voormalige) holten van groene- en zwarte specht van belang. De holten dienen een diameter te hebben groter dan 50 millimeter. Beuken van een wat grotere leeftijd lijken hierbij favoriet. Gevonden holtebomen die voldoen aan de habitat eisen van de boommarter zijn gedurende het onderzoek meerdere malen geïnspecteerd op krabsporen, mest en prooiresten onder/in de nabijheid van holten en met behulp van een stok camera.  Das Met betrekking tot de das in het Henschotermeer gebied is een rapportage beschikbaar uit januari 2021 die informatie verstrekt over de aanwezigheid en het gebiedsgebruik van de das in de periode 2016-2021 (Achterberg, 2021).

De in deze rapportage vermelde locaties zijn gedurende het onderzoek allen meermalen bezocht, waarbij actief is gezocht naar sporen en overige aanwijzingen van actueel gebruik. Naast gerichte bezoeken aan locaties uit het onderzoek van 2016-2020 is het gehele onderzoeksgebied onderzocht op sporen en verblijfplaatsen die wijzen op de aanwezigheid van de das in maart en april 2021. Alle bekende en gevonden locaties zijn gedurende de onderzoeksperiode in 2021 regelmatig bezocht. Bij twijfel over bewoning/gebruik is gedurende enige tijd een faunacamera geplaats om zekerheid over bewoning van burchten en of benutten van terreindelen als foerageergebied te kunnen verkrijgen. Tijdens alle bezoeken is daarnaast gelet op sporen als ‘krabbels’, ‘mestputjes’ en ‘haren aan doornstruiken en bij raster’. Waarnemingen zijn steeds geregistreerd op de veldkaarten en betrokken bij de interpretatie.

Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3- Natuuronderzoek Henschotermeer 2021

13

 Eekhoorn Eekhoren nesten zijn karakteristiek: bolvormig, vaak met duidelijke aanwezigheid van verdroogde bladeren en/of dennennaalden en tegen de stam of een dikke tak gepositioneerd. In de maand maart, voordat het blad aan de loofbomen komt is het gehele projectgebied intensief doorkruist om eventueel aanwezige ‘nesten’ van de rode eekhoorn te karteren. De talrijk aanwezige grove dennen hebben hierbij specifiek aandacht gekregen vanwege de wat lastigere zichtbaarheid. Door de bosvakken te doorkruisen en de bomen vanaf meerdere kijk richtingen te inspecteren kon een goede basisregistratie worden uitgevoerd. Daarnaast is tijdens alle veldbezoeken is gelet op eekhoorns, of sporen die wijzen op de aanwezigheid van eekhoorns.  Konijn Tijdens alle bezoeken is gelet op de aanwezigheid van konijnen en of sporen die wijzen op de gebiedsgebruik door konijnen. Het konijn heeft zijn foerageergebied in de regel in de directe nabijheid van zijn burchten (holen). De actieradius is klein omdat het dier bij gevaar direct in en hol wil kunnen vluchten. Waarnemingen van graafwerk en mest worden hierdoor steeds in de regel van burchten aangetroffen en zijn hiermee eenvoudig te registreren. Tijdens alle bezoeken is aandacht aan besteed aan sporen waarnemingen van konijnen en zijn verblijfplaatsen en foerageergebied op kaart geregistreerd.

 Vos Tijdens het verkennend veldbezoek is het projectgebied intensief doorkruist waarbij alle grondholen en burchten zijn gekarteerd. Gedurende het seizoen zijn de tijdens de verkenning gevonden burchten, en grotere grondholen regelmatig bezocht om de aanwezigheid van de vos te kunnen volgen. Daarnaast is steeds gelet op aanwezigheid van dieren, sporen, mest en recent opgeworpen zand dat op graafactiviteit kan duiden. 6.2.5. Broedvogels, inclusief jaarrond beschermde nesten en holenbroeders Alle inheemse vogels in Nederland zijn ongeacht de soort beschermd op het moment dat er nesten in gebruik zijn. “In gebruik” dient te worden geïnterpreteerd als: nestbouw, eifase, kleine jongen fase in het nest en de periode dat uitgevlogen jongen nog regelmatig terugkeren naar de nesten. Voor het onderdeel broedvogels is tijdens alle veldbezoeken een streeplijst van aanwezige soorten bijgehouden, met een aanduiding of de soort territoriaal gedrag vertoond, foeragerend of passerend werd aangemerkt. Doel van de op deze wijze tot stand gekomen totaal soortenlijst aan het einde van het onderzoek is om op basis van de ‘indicatieve broedvogelkalender’ het broedseizoen voor het projectgebied vast te stellen, wat van belang is om veilige perioden voor werkzaamheden of toe te passen ecologische werkprotocols te kunnen bepalen.

Een deel van de vogelsoorten heeft een status als jaarrond beschermd nest. Het betreft o.a. soorten die niet zelfstandig een nest bouwen, soorten die jaarlijks naar dezelfde nestlocatie terugkeren waaronder ‘holenbroeders’ en sommige koloniebroedvogels. In het vroege voorjaar van 2021 is het gebied intensief doorkruist waarbij alle aanwezige grote nesten en bomen met holten m.b.v. een GPS zijn gekarteerd, zodat ze later in het seizoen eenvoudig kunnen worden teruggevonden. Controle bezoeken op deze locaties hebben plaatsgevonden eind april, eind mei en eind juni. 6.2.6. Reptielen Uit het bureauonderzoek is geconcludeerd dat binnen de onderzoeksgebieden mogelijk de soorten hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis aanwezig kunnen zijn. Om aanwezigheid van genoemde reptielen nader te onderzoeken en indien aanwezig (enig) inzicht in de aantallen te kunnen verkrijgen heeft in het voorjaar en de zomer van 2021 aanvullend onderzoek plaatsgevonden. Dit aanvullend onderzoek heeft bestaan uit twee aan elkaar complementaire methoden, namelijk:  Gerichte bezoeken naar zonnende dieren tijdens gunstige weer omstandigheden in de ochtend als de dieren opwarmen. Hiervoor zijn een aantal trajecten bepaald binnen het onderzoekgebied die op basis van de verkennende bezoeken in maart en april 2021 als de meest kansrijke habitat voor reptielen zijn beoordeeld.

Langs de looproute is een strook van circa vijf meter breedte onderzocht. Tijdens de inventarisatie ronden is regelmatig dood stamhout gekeerd en zijn takkenrillen en compost en bladhopen extra beoordeeld. In totaal zijn zes gerichte inventarisatie bezoeken uitgevoerd. Hierbij is een vaste route (figuur 9) gelopen volgens een tijdens de verkennende bezoeken als potentieel leefgebied beoordeelde locaties.

Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3- Natuuronderzoek Henschotermeer 2021

14

Figuur 9. Locaties reptielenplaten en looproutes tijdens reptielen onderzoek

“Platenonderzoek”. Bij platenonderzoek worden gedurende langere tijd kunstmatige schuilplaatsen uitgelegd in de vorm van tapijttegels van 50*50 cm. Reptielen benutten deze schuilplaatsen om beschut te kunnen opwarmen. Evenals het vleermuisonderzoek heeft het reptielenonderzoek in samenhang met het onderzoek voor het overige gebied van het Henschotermeer plaatsgevonden. De routes c en e en zes plaatlocaties met in totaal 24 platen hebben specifiek betrekking op het projectgebied van Mooi Meer B.V. De platen zijn op 28 april 2021 in groepjes van drie tot vijf bijeen, op als kansrijk beoordeelde locaties die in de ochtend door de zon worden beschenen, uitgelegd. De platen werden goed aangesloten op de bodem geplaatst en vast gepind met tentharingen. Van alle locaties zijn de coördinaten m.b.v. GPS bepaald en is de omgeving fotografisch vastgelegd (figuur 10). De platen zijn om de twee á drie weken gecontroleerd op gebruik door reptielen.

Figuur 10. Foto impressie reptielen platen

Tabel 3. Gegevens reptielen onderzoek Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3- Natuuronderzoek Henschotermeer 2021

15

6.2.7. Overige soorten en soortgroepen Tot de overige soortgroepen worden aspecten als mierenhopen en onvoorziene soorten en habitats die tijdens het veldwerk zijn aangetroffen gerekend. Tijdens de bezoeken in het vroege voorjaar van 2021 is het gebied intensief doorkruist waarbij alle aangetroffen mierenhopen met GPS zijn vastgelegd. Tijdens vervolg bezoeken zijn eventueel nog niet geregistreerde mierenhopen eveneens vastgelegd. Half mei zijn de geregistreerde mieren hopen bezocht om daadwerkelijke bewoning en soort vast te kunnen stellen. Losse waarnemingen van beschermde soorten, rode lijst soorten of anderszins van belang geachte soorten, habitats en omstandigheden zijn tijdens alle locatie bezoeken geregistreerd.

Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3- Natuuronderzoek Henschotermeer 2021

16

7].

Resultaten soort specifiek onderzoek Henschotermeer 71. (Hogere) planten Binnen het projectgebied zijn geen zwaarder beschermde planten aangetroffen. Ook zijn er geen habitats vastgesteld die een potentiele groeiplaats vormen voor beschermde soorten vanuit de Wet natuurbescherming. In vak 20 (figuur 11) werd een solitair exemplaar van de jeneverbes aangetroffen. De jeneverbes staat op de rode lijst van Nederlandse planten soorten in de categorie gevoelig. Het exemplaar is vrij oud en beschadigd, maar wel vruchtdragend. Rondom de plant is actief gezocht naar jonge exemplaren en/of zaailingen deze zijn slechts in zeer beperkte mate aangetroffen. Als soort van de rode lijst is het van belang de jeneverbes te sparen bij werkzaamheden en een kiemingsbodem in de directe nabijheid in stand te houden (figuur 11).

Figuur 11. Groeiplaats jeneverbes

De locatie van de jeneverbes is niet gelegen op een locatie waar activiteiten vanuit de projectontwikkeling zijn voorzien. Op de locatie Woudenberg zijn verder geen beschermde planten, vegetatie typen en/of rode lijst soorten aangetroffen.

7.2. Vleermuizen Tijdens de bezoeken is gelet op de aanwezigheid van verblijfslocaties. Als potentiele locaties zijn zowel holtebomen en bomen met scheuren en loshangende schors, als enkele opstallen aangeduid binnen het projectgebied. De opstallen betreffen twee toegangspoorten in de vorm van een huifkarmodel, zes toiletgebouwen en een horecapunt. Zowel de mogelijk geschikte bomen als de opstallen zijn onderzocht op aanwezigheid van vleermuizen om als verblijfslocatie te gebruiken en worden onderstaand per onderdeel beschreven. Toegangspoorten Er zijn twee terreintoegangen voorzien van een toegangspoort in de vorm van een huifkarmodel, waardoor ze desgewenst eenvoudig verplaatst kunnen worden. De doorgangen zijn openpoorten waarbij de zijkanten en bovenzijde uit enkelvoudige materialen zonder openingen of inkruipbare delen bestaat. De zijkanten zijn dichte ruimten met veel ramen. De kozijnen sluiten strak aan op de wanden zonder kieren. De toegangspoorten zijn opgetrokken van hout zonder spouwen, kieren of openingen het dak betreft een plat dak zonder plafonds of anderszins in kruipbare delen.  De toegangspoorten bieden geen mogelijkheden voor vleermuizen als verblijfslocatie.

Figuur 12. Entreegebouw Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3- Natuuronderzoek Henschotermeer 2021

17

Toiletgebouwen De toiletgebouwen zijn opgetrokken uit betonblokken en voorzien van een plat dak wat is afgewerkt met strak tegen de wand geplaatste trespaplaat. Aan de dak zijde is over de trespa plaat een aluminiumprofiel aangebracht. De overgangen tussen dak en wand zijn hierdoor geheel gesloten zonder inkruipbare delen. Aan voor en zijkanten zijn ventilatiesleuven aanwezig van circa 15 centimeter hoogte die zijn afgedicht met fijnmazig gaas. Er zijn geen inkruipbare ruimten, spouwen, plafonds of kieren aanwezig die door vleermuizen kunnen worden benut. De toiletgebouwen zijn hierdoor niet toegankelijk. Als gevolg van de brede ventilatie stroken, treedt tocht op binnen de toiletgebouwen waardoor ze niet aantrekkelijk zullen zijn voor vleermuizen, indien ze alsnog toegang weten te krijgen.  De toiletgebouwen bieden geen mogelijkheden voor vleermuizen als verblijfslocatie.

Figuur 13. Toiletgebouw met kiosk op eiland - Standaard uitvoering toiletgebouw - Gaas afdichting ventilatie sleuf

Horecapunt “Oude Strandhuis” Horecapunt “Het Oude strandhuis is geheel opgebouwd uit hout. Er zijn geen spouwen aanwezig en kozijnen zijn afgetimmerd waardoor er gen inkruipbare ruimten aanwezig zijn. Buiten de openingstijden zijn de kozijnen gesloten met rolluiken. Deze bewegen gedurende de periode maart- november dagelijks, waardoor er geen vestiging achter de luiken mogelijk is. het dak betreft een plat dak zonder plafond. De overgang van wanden naar dak is afgewerkt met strak tegen elkaar geplaatste daklijsten. Er zijn geen kieren of anderszins inkruipbare delen aanwezig.  Het “Oude Strandhuis” biedt geen mogelijkheden voor vleermuizen als verblijfslocatie.

Figuur 14. Horecapunt “Het Oude Strandhuis”

Holtebomen, bomen met spleten en los hangende schors Tijdens verkennende bezoeken in maart en april, als de minste vegetatie aanwezig is en de loofbomen geen blad dragen, is het gebied intensief doorkruist waarbij holte bomen, bomen met loshangende schors of anderszins situaties die een potentiele verblijfplaats voor vleermuizen vormen zijn gekarteerd (figuur 15). Op basis van deze kartering konden later in het seizoen potentiele verblijfslocaties voor vleermuizen en holte broedende vogels eenvoudig worden gecontroleerd. Tijdens deze kartering is gebleken dat in het gebied zeer weinig holte bomen en liggend dood hout aanwezig zijn. Dit komt voort uit de jarenlange exploitatie als bos met productie en het terughoudende beheer op doodhout, holtebomen etc. tijdens de beheerperiode van het recreatieschap. Het betrof enerzijds een beheer vanuit veiligheid en voorkomen van risico van vandalisme (in het bijzonder brandstichting) op doodhout en takkenrillen en anderzijds een gevolg van de bosexploitatie vanuit kosten/baten afwegingen door het recreatieschap. Gevolg is dat er momenteel weinig potentiele vleermuis verblijfplaatsen in het gebied aanwezig zijn. Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3- Natuuronderzoek Henschotermeer 2021

18

Figuur 15. Enkele locaties in potentie geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen

Doordat de ‘holtebomen’ bekend waren kon zeer gericht worden gemonitord op de tijden van in- en uitvliegen vleermuizen. Dit onderdeel van de vleermuiskartering heeft steeds rond zonsondergang en bij vroege ochtend bezoeken rond zonsopgang plaatsgevonden. Overige delen van de nacht heeft de focus gelegen op het vastleggen van vliegroutes en foerageergebieden. Tijdens bezoeken gericht op andere soortgroepen en soorten is bij passage op een geschikt moment van bekende holte bomen eveneens een controle op in- /uitvliegende dieren ingepast. Op deze wijze is met een kostenbesparende werkwijze een goed beeld ontstaan van de aanwezigheid van mogelijke vleermuisverblijfplaatsen in het algemeen en kraamkolonies in het bijzonder. Met betrekking tot de waarneem intensiteit i.r.t. de oppervlakte wordt opgemerkt dat, circa 13 hectare wordt ingenomen door de zwemplas en nog eens 15 hectare door strand en open ruimte langs de plas. De resterende ruim veertig hectare bestaat deels als uit vrij dichte bostypen (Lariks/Douglas) die niet toegankelijk /aantrekkelijk zijn voor vleermuizen en goed zijn ontsloten door een fijnmazig netwerk van bospaden. Juist deze bospaden worden overwegend gebruikt door vleermuizen als vliegroute en voor het foerageren, waardoor hier de nadruk in de overige delen van de nacht heeft gelegen.

Tijdens geen van de bezoeken zijn binnen de projectlocatie verblijfplaatsen van vleermuizen gevonden. In de directe omgeving van de projectlocatie werd een zomerverblijfplaats aangetroffen van de rosse vleermuis in een beukenlaan langs De Heygraeff. Deze beukenlaan heeft meerdere bomen met in potentie geschikte holten (figuur 16). Meerdere verblijfslocaties worden hier niet uitgesloten het is mogelijk dat een deel van de foeragerend aangetroffen vleermuizen die behoren tot boom bewonende soorten hier hun kolonielocatie hebben.  

Er zijn geen verblijfslocaties van vleermuizen vastgesteld binnen het projectgebied. Buiten het projectgebied is in de nabijheid op minimaal één locatie een zomerverblijf van de rosse vleermuis vastgesteld in de beukenlaan van De Heygraeff.

Figuur 16. Beukenlaan De Heygraeff (buiten projectgebied) met meerdere in potentie geschikte holten voor vleermuizen

Tijdens de bezoek ronden is het gebied gekarteerd op vliegroutes en foerageergebied van vleermuizen. Binnen het projectgebied werden voornamelijk gefoerageerd door vleermuizen langs de bosranden op de overgang tussen het strand / plas en de bosranden. Daarnaast werden vliegroutes waargenomen boven de bredere hoofdpaden in het gebied. Een frequent gebruikt deelgebied om te foerageren betreft de grote parkeerplaats van vak 20 die is opgedeeld in asfaltvakken met tussenliggende houtwallen. Hierdoor is er veel randlengte en zijn er bij verschillende windrichtingen altijd luw gelegen omstandigheden aanwezig. Dit maakt het betreffende vak tot een aantrekkelijk foerageergebied (figuur 17). Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3- Natuuronderzoek Henschotermeer 2021

19

Figuur 17. Vak 20 vormt een belangrijk foerageergebied voor vleermuizen

Er werd een zeven soorten vleermuizen in het projectgebied aangetroffen, namelijk: Gewone dwergvleermuis Franjestaart Rosse vleermuis Gewone grootoorvleermuis

Ruige dwergvleermuis Watervleermuis Laatvlieger

De soorten worden onderstaand kort besproken. Gewone dwergvleermuis was de meest talrijk aangetroffen soort. Gewone dwergvleermuizen zijn overwegend gebouw bewonend, maar kunnen een tijdelijke (één tot enkele dagen) slaapplaats vinden in holtebomen of achter loszitten de schors. Vaste verblijfplaatsen van deze soort zijn buiten opstallen in het gebied echter niet beschikbaar Er werd veel gefoerageerd door deze soort boven de toegangsweg langs de parkeerplaatsen aan de westzijde van het gebied. Meer verspreidt werd de gewone dwergvleermuis waargenomen langs de bredere bospaden. Deze paden werden als vliegroute gebruikt. Enkele exemplaren werden foeragerend tegen de bosrand aan de zijde van de zwemplas waargenomen. De Ruige dwergvleermuis werd voornamelijk in de nazomer aangetroffen en was in het voorjaar zeer schaars aanwezig. Dit sluit aan bij de bekende informatie van de soort waarbij is geconstateerd dat de soort in de nazomer een influx heeft in ons land. Een groot deel van de dieren vertrekt, na hier de balts en paring te hebben voltooid weer uit ons gebied om elders te overwinteren en de jongen te baren. De waarnemingen hadden betrekking op solitaire migrerende exemplaren en op twee locaties werd in augustus een roepende man vastgesteld. In beide gevallen was de roepplaats een zomereik op circa 4 meter hoogte.

Het betrof in beide gevallen een zich op de stam bevinden de man. Er waren in betreffende bomen geen holten of anderszins als verblijfplaats geschikte situaties aanwezig. Van de ruige dwergvleermuis is bekend dat mannetjes in de late nazomer/vroege herfst bomen met een ruwe stam gebruiken als roepplaats om vrouwtjes te lokken, ook wanneer er geen holte of anderszins geschikte verblijfplaatsen aanwezig zijn. Dat was bij beide waarnemingen het geval. Van de ruige dwergvleermuis is van dit roepgedrag bekend dat de locaties zowel tussen de nachten als binnen één nacht kunnen wisselen (Dietz etal, 2009 – Vleermuizen van Europa en Noordwest Afrika). Tijdens enkele bezoeken werden waarnemingen van de soort Franjestaart gedaan. De echolocatie geluiden van deze soort zijn echter zeer zacht en daardoor in de regel op slechts korte afstand van de detector hoorbaar. Mogelijk zijn hierdoor exemplaren gemist. Franjestaarten hebben een voorkeur voor bomen met diepe scheuren. Deze zijn niet in het gebied aangetroffen. Het geringe aantal exemplaren en het ontbreken van karakteristieke verblijfplaatsen geven aanwijzingen dat de soort geen verblijfplaatsen in het projectgebied en/of de directe omgeving heeft. Als verblijfplaatsen gebruiken Watervleermuizen in de zomermaanden vrijwel uitsluitend boomholten. Voor het foerageren, zoeken ze naar geschikte waterpartijen.

Hierbij kunnen ze grote afstanden overbruggen tussen verblijfplaatsen en jachtgebieden die vaak meer dan 10 kilometer bedragen. Ze jagen bij voorkeur boven stilstaand of licht stromend water, maar ook boven bospaden worden jagende dieren waargenomen. Tijdens alle inventarisatie bezoeken werden kleine aantallen waargenomen. Veelal betrof het individuele exemplaren. Jagende groepjes, die kenmerkend zijn voor deze soort werden niet waargenomen. De watervleermuis maakt in zeer beperkte mate gebruik van de zwemplas. Dit wordt vermoedelijk veroorzaakt door de zeer geringe insectenrijkdom van de plas. Het kan daar door ook niet als essentieel foerageergebied worden aangemerkt. Bij de toekomstige ontwikkeling wordt uitsluitend aan de zuidzijde van de plas uitbreiding van de activiteiten voorzien. Er zal nog een groot deel van de plas geschikt blijven als foerageergebied. De kleine aantallen en het individueel jagen geeft aanwijzing dat er geen verblijfplaats in de directe omgeving aanwezig is. Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3- Natuuronderzoek Henschotermeer 2021

20

Rosse vleermuis zijn boom bewonende vleermuizen. Een kolonie gebruikt meestal meerdere locaties gedurende het seizoen waardoor een grote verscheidenheid aan holtebomen binnen een gebied een vereiste is. Ze gebruiken hierbij graag holten van spechten in beukenopstanden of lanen. Binnen het project gebied zijn relatief weinig holte bomen aanwezig. Dit is waarschijnlijk een gevolg van de combinatie soortspectrum in het boombestand en het beheer in het recente verleden als naaldbos met productie. Een geschikte verblijfshabitat is echter aanwezig langs de weg De Heygraeff aan de oostzijde waar een oude beukenlaan met tal van geschikte holten aanwezig is. Tijdens de inventarisatie van 8 juli werden rond middernacht bij één van de beuken met ruime holten zeven zwermende rosse vleermuizen waargenomen, wat de aanwezigheid van een kraamverblijfplaats indiceert. De gevonden locatie ligt op ruime afstand van de voorgenomen maatregelen. De locatie is eveneens buiten de toegangswegen naar het Henschotermeer gelegen, zodat toename van lichteffecten van bezoekers in de avonduren zijn uitgesloten. In de directe omgeving, buiten het Henschotermeer gebied zijn voor de rosse vleermuis in ruime mate foerageergebieden voorhanden. Vastgesteld is dat de voorgenomen ontwikkeling geen effect zal hebben op de vastgestelde kraamverblijfplaats van de rosse Vleermuis aan De Heygraeff.

Tijdens de karteringen binnen het Henschotermeer gebied werden enkele exemplaren van de rosse vleermuis jagend aangetroffen. Het betrof in vrijwel alle gevallen waarnemingen in het centrale opendelen bij de zwemplas. Eén exemplaar werd aangetroffen in de openruimten bij de grote parkeerplaats in vak 20. Tijdens enkele bezoeken werden solitaire Laatvliegers waargenomen. Het betrof steeds langs vliegende exemplaren in de randzone van het gebied aan de zuidzijde. Foerageren is niet vastgesteld. De soort is uitsluitend gebouw bewonend en kan grote afstanden afleggen om te foerageren. De laatvliegers zullen naar verwachting afkomstig zijn van verblijfslocaties in de nabijgelegen dorpen. Geconcludeerd is dat de Laatvlieger een beperkt deel van de randzone langs het Henschotermeer gebied gebruikt als een vliegroute en er geen gebruik van het gebied wordt gemaakt als foerageergebied. De Gewone grootoorvleermuis is drie keer waargenomen. Van de gewone grootoorvleermuis is bekend dat de soort ook ‘passief kan jagen’ waarbij geen echogeluiden worden uitgestoten. Hierdoor kan de soort soms onderbelicht worden in bij onderzoek m.b.v. de batdetector. Alle waarnemingen van de gewone grootoorvleermuis werden gedaan tijdens de eerste bezoekronden in het voorjaar.

Omdat de soort in de periode dat de jongen worden gezoogd (juli) meestal in de directe omgeving van de voortplantingslocatie foerageert (< 1 tot 2 kilometer) geeft het niet waarnemen in de zomermaanden aan dat er geen kraam verblijfplaatsen in de directe omgeving aanwezig zullen zijn. Een kaart weergave van de waargenomen vleermuizen is weergegeven als figuur 18.

Figuur 18. Totaal resultaten vleermuiskartering Henschotermeer gebied

Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3- Natuuronderzoek Henschotermeer 2021

21

Op de locatie zijn 7 soorten vleermuizen aangetroffen die op enige wijze gebruik maken van het gebied. Gewone dwergvleermuis was het meest talrijk. Van de laatvlieger werden enkele exemplaren waargenomen die het gebied als vliegroute gebruikte. Beide soorten benutten geen bomen als vaste verblijfplaats. In de nazomer werd de soort ruige dwergvleermuis enkele malen aangetroffen. Deze soort trekt in het najaar naar het zuiden en overwinterd elders. Bomen worden voornamelijk als roepplaats tijdens de balts gebruikt. Tijdens enkele bezoeken werd een exemplaar franjestaart vastgesteld. Bij twee bezoeken werden enkele exemplaren van de gewone grootoor vleermuis aangetroffen. Watervleermuis foerageerde in kleine aantallen boven de zwemplas en het strand tijdens meerdere bezoeken. De rosse vleermuis werd hier ook aangetroffen. De vier laatst genoemde soorten zijn boom bewonende soorten. Binnen het projectgebied zijn verschillende holtebomen gekarteerd. Rond deze holte is geen zwermgedrag of uitvliegen van vleermuizen tijdens het onderzoek vastgesteld. Het gebied wordt op verschillende locaties gebruikt als foerageergebied en er zijn vliegroutes aanwezig. Het belangrijkste foerageergebied betreft de grote parkeerplaats waar ruime parkeer delen worden gescheiden door houtwallen op grondruggen. De zuidelijk gelegen hoofdontsluiting vormt de belangrijkste vliegroute.

Langs de bospaden werden relatief weinig vleermuizen waargenomen. De bosranden langs het strand en de zwemplas werden wel regelmatig door vleermuizen benut voor foerageren. Geconcludeerd wordt dat er geen aanwijzingen zijn voor aantasting van vaste verblijfplaatsen van vleermuizen bij de voorgenomen ontwikkeling. Wel zijn er foerageergebieden en vliegroutes in het gebied aanwezig. Tijdens de ontwikkeling van de projectlocatie dient te worden afgezien van bouwplaats verlichting om verstoring van vliegroutes en foeragerende vleermuizen te voorkomen. Bij de toekomstige keuze van terreinverlichting dient dit passend voor vleermuizen te worden uitgevoerd (lage armaturen zonder uitstraling naar boven en amberkleurige verlichting).

Figuur 19. De grote parkeerplaats met vakken aan de westzijde vormt het belangrijkste foerageergebied

7.3. Landzoogdieren  Boommarter Voor de boommarter zijn in het bijzonder (voormalige) holten van groene- en zwarte specht van belang. De holten dienen een diameter te hebben groter dan 50 millimeter. Beuken van een wat grotere leeftijd lijken hierbij favoriet, maar deze boomsoort is slechts in beperkte mate beschikbaar binnen het bosbestand van het Henschotermeer gebied. Langs enkele nabijgelegen wegen (o.a. de direct aangrenzende weg De Heygraeff) zijn echter oudere beukenlanen met in potentie geschikte holten aangetroffen. Binnen het gebied is slechts een enkele, in potentie geschikte, boomholte aangetroffen. Dit wordt mede veroorzaakt door de leeftijd en het soort spectrum van het boombestand in combinatie met een beheer als productiebos in het recente verleden. De aangetroffen holten waren steeds aanwezig in een grove den. Bij op het oog geschikte holten is onder de boom gezocht naar mestsporen die wijzen op aanwezigheid van boommarter. De holteranden zijn geïnspecteerd met een stokcamera op krab- of nagelsporen en haarresten. Ook de stam onder de holte is geïnspecteerd op krab- en/ of nagelsporen. Er zijn geen aanwijzingen of sporen gevonden die wijzen op de aanwezigheid van boommarters in het gebied. Er zijn tijdens de verkennende bezoeken geen aanwijzingen of sporen gevonden die wijzen op gebruik van de holte door boommarter of ander zoogdier. 

Binnen het projectgebied zijn slechts enkele in potentie geschikte holte voor de boommarter aangetroffen. Deze holten zijn meerdere keren geïnspecteerd op bewoning. Vastgesteld is dat de onderzochte holten niet in gebruik zijn. In de ruime omgeving van het projectgebied zijn geen waarnemingen gedaan of aanwijzingen verkregen van aanwezigheid van boommarters, echter de beukenlaan langs de Heygraeff heeft in potentie geschikte boomholten. Voor het projectgebied Henschotermeer kan de soort echter worden uitgesloten.

Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3- Natuuronderzoek Henschotermeer 2021

22

 Das In 2018 & 2019 is door Bureau van den Bijtel een verkennend onderzoek naar de aanwezigheid van de das uitgevoerd in het westelijke deel van het Henschotermeer gebied. De overige delen van het gebied zijn niet onderzocht (Achterberg C, 2021). Achterberg concludeert; “dat in het westelijke deel van het Henschotermeer een burcht aanwezig is die gedurende een klein deel van het jaar wordt bewoond (bij burcht). Daarnaast zijn er enkele bijburchten die in matige conditie verkeren in de directe nabijheid van de hoofdburcht aanwezig, die in vervallen staat en ongebruik zijn geraakt. Het Henschotermeer gebied is hiermee leefgebied van de das”. Delen van het gebied zijn op basis van de aanwezige habitat te interpreteren als geschikt foerageergebied voor de das. Tijdens de bezoeken voor het onderhavige onderzoek is het gehele projectgebied opnieuw onderzocht op de aanwezigheid van burchten van de das. Tijdens de verkennende bezoeken in maart en april is het gehele gebied hiervoor doorkruist op het moment dat de vegetatie het minst beperkend was voor waarnemingen. Gevonden grotere grondholen zijn tijdens deze bezoeken gekarteerd, zodat ze later in het seizoen eenvoudig konden worden teruggevonden. Tijdens het merendeel van de bezoeken zijn alle bekende burchten gecontroleerd.

Wanneer bewoning mogelijk werd geacht zijn wat bladeren of takjes voor de ingang aangebracht, welke bij bewoning door dassen verwijderd zullen worden. Bij twijfel en bij de burcht waar in maart relatief verse sporen zijn aangetroffen is enige tijd een faunacamera geplaatst om zekerheid te krijgen of de burcht bewoond was. Tijdens het natuuronderzoek werden uitsluitend in het deel rond de voormalige overloop parkeerplaats (vak 20) sporen (vnl. mestputjes) van de das aangetroffen. Geconstateerd is tijdens de veldbezoeken dat de voedselbeschikbaarheid voor de das in het recreatieve deel van het gebied marginaal is. De bodem bevat vrijwel geen regenwormen of ongewervelden, grote kevers (loopkevers, mestkevers) zijn nauwelijks waargenomen. Vrucht en besdragende planten zijn evenmin in voldoende mate aanwezig. Daarnaast zal het al vele tientallen jaren gebruik van de recreatieve delen van het gebied deze een minder geschikt foerageergebied voor de das maken. Het is geen toeval dat de gevonden sporen zich allen in de meest recreatief extensieve delen bevinden. Tijdens alle bezoeken zijn sporen die konden worden toegeschreven aan de das gekarteerd. Dit betrof in alle gevallen mestputjes en krabplaatsen. De meeste mestputjes werden gevonden in het vroege voorjaar en waren aanwezig op en langs paden en bij de noordelijke parkeerplaats (V20).

Figuur 20. Locaties met burchten en sporen van de das in het Henschotermeer gebied

Mogelijk zal het voorgenomen toekomstig beheer een bijdrage kunnen leveren aan het vergoten van de foerageerhabitat van het gebied (Beheerplan Henschotermeer gebied MooiMeer B.V. in prep) In het bijzonder het geleidelijk omvormen naar een bostype met meer loofgewassen die spreiding in bloeitijd en vergroten van de besdracht oplevert en het realiseren van meer geleidelijke overgangen (mantels en zomen) langs verschillende bospaden kunnen hier een rol bij spelen.  Tijdens het onderzoek is buiten het projectgebied een burcht aangetroffen die in maart recent bewoond lijkt te zijn geweest. Langs de noordrand, buiten het projectgebied, zijn mestputjes en krabplaatsen die worden toegeschreven aan de das gevonden. Het als mogelijk foerageergebied beoordeelde voormalige kampeerterrein van de NCC is regelmatig visueel onderzocht op sporen die wijzen op gebruik door de das. Daarnaast heeft driemaal gedurende een periode van 5 dagen een inspectie met een faunacamera plaatsgevonden. Er zijn geen waarnemingen van de gedaan. Er wordt geconcludeerd dat er geen effecten op de soort das in het zullen optreden daar er een hooguit een beperkt gebiedsgebruik is en dit zich concentreert op delen van het gebied waar geen ontwikkelingen zijn voorzien. Kenmerk Bui-TeGewoon: BTG.RAPP. 2021/61-V3- Natuuronderzoek Henschotermeer 2021

23

 Eekhoorn Er werd tijdens de uitgebreide gebiedskartering in maart uitsluitend een eekhoornnest gekarteerd in het noordelijke wat dichter begroeide deel van het gebied. Dit sluit aan bij het beperkt aantal waarnemingen die bekend zijn van het projectgebied (waarneming.nl / NDFF / VZZ). De locatie met het nest van de rode eekhoorn betreft vak 10 wat geheel buiten de voorgenomen activiteiten van Mooi Meer en YMCA is gelegen, waardoor verstoring als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling uitgesloten wordt. Binnen een druk bezocht natuur- recreatiegebied als het Henschotermeer wordt is een grotere waarneming intensiteit gebruikelijk voor een goed herkenbare soort als de rode eekhoorn wanneer deze een regelmatig voorkomen heeft. Ook tijdens de bezoeken ten bate van het onderhavige onderzoek werd slechts eenmaal een rode eekhoorn waargenomen in vak 12. De rode eekhoorn wordt hiermee als zeer beperkt aanwezig binnen het projectgebied beoordeeld. De in het beheerplan (Beheerplan Henschotermeer gebied MooiMeer B.V. in prep) voorgenomen inzet op ontwikkeling van meer loofhout en het realiseren van een overgangszone langs de paden (mantels en zoomen) kan bijdragen aan een betere habitat voor de rode eekhoorn. 

Tijdens het onderzoek is één nest van de rode eekhoorn aangetroffen. De zeer beperkte mate van het waarnemen van de soort wijst op een lage dichtheid in uitsluiten de gebiedsdelen met lage recreatiedruk. De eekhoorn is geen zwaarder beschermde soort. Door de nestlocatie te sparen zal er geen verstoring van de eekhoorn of aantasting van leefgebied optreden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/2198/documents/47638