CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

03. Integrale verordening sociaal domein Woudenberg 2025 - Was-wordt-tabel DEF.pdf

Gemeenteraad 19 december 2024, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 12: Integrale verordening sociaal domein4.666 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Was/wordt-tabel Integrale Verordening Sociaal Domein 2025 Was

Wordt

Toelichti ng

1. Dat aan het huishouden en het gezin als de natuurlijke omgevingen voor de ontplooiing en het welzijn van al haar leden en van de kinderen in het bijzonder, de nodige bescherming en bijstand dient te worden verleend opdat het zijn verantwoordelijkheden binnen de samenleving volledig kan dragen. 5. Dat als het burgers niet lukt om zelf, of met hulp van de eigen omgeving en het aanbod uit de sociale basis, knelpunten op te lossen, de gemeente samen met partners hen helpt de juiste weg te wijzen of aanvullende (jeugd)hulp of ondersteuning te bieden. De ondersteuning is daarbij gericht op het zoveel mogelijk versterken van de eigen kracht van de burgers, het huishouden, het gezin of het sociale netwerk. Hierbij is het belangrijk dat Wmo en Jeugd voorzieningen gezien moeten worden als vangnet van de sociale zekerheid en niet iets waar men als vanzelfsprekend recht op heeft. 6. Dat ondersteuningsvragen integraal worden benaderd. Niet de voorzieningen, maar de resultaten die de burger en/of het huishouden/gezin wil bereiken staan centraal. 5. Dat als het burgers niet lukt om zelf, of met hulp van de eigen omgeving en het aanbod uit de sociale basis, knelpunten op te lossen, de gemeente samen met partners hen helpt de juiste weg te wijzen of aanvullende (jeugd)hulp of ondersteuning te bieden.

De ondersteuning is daarbij gericht op het zoveel mogelijk versterken van de eigen kracht van de burgers, het

De combinatie ‘gezin’ en ‘kern van de samenleving’ kan gelezen worden als een uitsluitende normstelling. We kiezen ervoor om huishouden toe te voegen en ‘als kern van de samenleving’ te schrappen. Ook in lid 5 en 6 is het huishouden toegevoegd.

Algemene bepaling 1. Dat aan het gezin, als kern van de samenleving en de natuurlijke omgeving voor de ontplooiing en het welzijn van al haar leden en van de kinderen in het bijzonder, de nodige bescherming en bijstand dient te worden verleend opdat het zijn verantwoordelijkheden binnen de samenleving volledig kan dragen. 5. Dat als het burgers niet lukt om zelf, of met hulp van de eigen omgeving en het aanbod uit de sociale basis, knelpunten op te lossen, de gemeente samen met partners hen helpt de juiste weg te wijzen of aanvullende (jeugd)hulp of ondersteuning te bieden. De ondersteuning is daarbij gericht op het zoveel mogelijk versterken van de eigen kracht van de burgers, het gezin of het sociale netwerk. Hierbij is het belangrijk dat Wmo en Jeugd voorzieningen gezien moeten worden als vangnet van de sociale zekerheid en niet iets waar men als vanzelfsprekend recht op heeft. 6. Dat ondersteuningsvragen integraal worden benaderd. Niet de voorzieningen, maar de resultaten die de burger en/of het gezin wil bereiken staan centraal.

5. Dat als het burgers niet lukt om zelf, of met hulp van de eigen omgeving en het aanbod uit de sociale basis, knelpunten op te lossen, de gemeente samen met partners hen helpt de juiste weg te wijzen of aanvullende (jeugd)hulp of ondersteuning te bieden. De ondersteuning is daarbij gericht op het zoveel mogelijk versterken van de eigen kracht van de burgers, het gezin of het sociale netwerk.

Toevoeging om inwoners erop attent te maken op het feit dat voorzieningen moeten worden gezien als een vangnet van de sociale zekerheid en niet als een vanzelfsprekend

gezin of het sociale netwerk. Hierbij is het belangrijk dat Wmo en Jeugd voorzieningen gezien moeten worden als vangnet van de sociale zekerheid en niet iets waar men als vanzelfsprekend recht op heeft.

recht. Nu kan bijvoorbeeld een financieel draagkrachtige inwoner bij de Wmo aankloppen voor huishoudelijke hulp omdat we financiële draagkracht niet mee mogen rekenen. Die persoon voldoet aan de voorwaarden, maar toch willen we met deze persoon het gesprek aan kunnen gaan of diegene de hulp niet zelf zou kunnen regelen en betalen.

Artikel 1. Toepassing en begrippen b. Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is. Tevens die een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.

b. Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, en die algemeen verkrijgbaar is. en die een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.

Leesbaarheid

e. Bovengebruikelijke hulp: hulp die gebruikelijke hulp, zoals gedefinieerd in lid 3.j. overstijgt.

Nieuw toegevoegd begrip: De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft geoordeeld dat gemeenten termen als eigen kracht en (boven)gebruikelij ke hulp in de verordening moeten

j. Gebruikelijke hulp: de hulp of de zorg die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s), partners, huisgenoten of anderen uit het sociale netwerk, rekening houdend met de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen.

j. Gebruikelijke hulp: de hulp of de zorg op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf, die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s)/verzorger(s)/opvoeder(s), partners, huisgenoten of anderen uit het sociale netwerk, rekening houdend met de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen.

l. Mantelzorg: de hulp aan een hulpbehoevende door iemand uit diens directe sociale omgeving, die verder gaat dan de gebruikelijk hulp.

Hoofdstuk 2

specificeren. Zie ook de wijziging in Artikel 9. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft geoordeeld dat gemeenten termen als eigen kracht en (boven)gebruikelij ke hulp in de verordening moeten specificeren. Zie ook de wijziging in Artikel 9. Definiëring mantelzorg toegevoegd.

Integrale benadering

Artikel 2. Melding hulpvraag Artikel 4. Het gesprek c. Het vermogen om op eigen kracht of met het sociale netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden; d. de mogelijkheden om, al dan niet naast de eigen kracht of met gebruikelijke hulp of andere voorzieningen of algemene voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn hulpvraag te beantwoorden;

c. Het vermogen om met gebruikelijke hulp een oplossing voor de hulpvraag te vinden; d. de mogelijkheden om, al dan niet naast de gebruikelijke hulp of andere voorzieningen of algemene voorzieningen of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn hulpvraag te beantwoorden;

Term ‘eigen kracht’ eruit, omdat die niet goed gedefinieerd is. Met verscherping van de definitie van ‘gebruikelijke hulp’, waarbinnen ook het sociaal netwerk valt, is deze term voldoende.

Artikel 6. Verslag (Wmo/Jeugdwet) 3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd.

3. Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd als bijlage.

Dit lid kon zo worden geïnterpreteerd dat een verslag niet goed afgerond kon worden, omdat cliënten altijd nog opmerkingen of

aanvullingen kunnen doen. Op deze manier kan het verslag wel worden afgehandeld, en worden opmerkingen van de cliënt er als bijlage aan toegevoegd.

Artikel 8. Inhoud beschikking (Wmo/Jeugdwet) 1. De inhoud van de beschikking is in lijn met artikel 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht.

Nieuw lid toegevoegd. Volgens artikel 3:47 van de Awb moeten beschikkingen specifieke grondslagen bevatten, en door dit lid toe te voegen sluiten de beschikkingen daarop aan.

Artikel 9. Algemene criteria maatwerkvoorziening 1. Een cliënt en/of zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) kan in aanmerking komen voor een aanvullende collectieve of individuele maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met het sociale netwerk; c. met gebruikelijke hulp; d. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel e. met gebruikmaking van algemene voorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan dienstverlening door het sociaal team, bijvoorbeeld het verstrekken van informatie, advies, coaching en kortdurende begeleiding; f. met gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen; kan verminderen of wegnemen.

1. Een cliënt en/of zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) kan in aanmerking komen voor een aanvullende collectieve of individuele maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen met: a. gebruikelijke hulp; b. mantelzorg; dan wel met c. gebruikmaking van algemene voorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan dienstverlening door het sociaal team, bijvoorbeeld het verstrekken van informatie, advies, coaching en kortdurende begeleiding; d. gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen.

Term ‘eigen kracht’ eruit, omdat die niet goed gedefinieerd kan worden. Met verscherping van de definitie van ‘(boven)gebruikeli jke hulp’ in artikel 1 en artikel 9, lid 3, is deze term voldoende. Gebruikelijke hulp is bovendien voorliggend op het sociaal netwerk, dus die als eerste genoemd.

2.d. de effectiviteit van de gewenste maatwerkvoorziening naar het

Nieuw lid toegevoegd.

oordeel van het college onvoldoende wetenschappelijk bewezen is.

Regelmatig vragen inwoners om specifieke vormen van hulp waarvan onvoldoende bewijs is dat deze hulp werkt om de hulpvraag van de inwoner op te lossen. Het sociaal team, hiertoe gemachtigd door het college, kan vanuit hun professionele inschatting bepalen wanneer de bewezen effectiviteit voldoende of onvoldoende is. In de nadere regels is al opgenomen dat het college bij het vormen van haar oordeel aansluiting zoekt bij jurisprudentie. ECLI:NL:CRVB:202 4:376

3. Er is in het kader van de jeugdwet sprake van gebruikelijke hulp, zoals genoemd in lid 1.a. wanneer: a. de noodzakelijke hulp, in geval van maatwerkvoorzieningen vanuit de Jeugdwet, naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouder(s)/verzorger(s), ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft, rekening houdend met: I. de leeftijd van de jeugdige, II. de mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en

Nieuwe leden toegevoegd aan artikel 9. Dit schrijft voor hoe wordt onderzocht of er sprake is van (boven)gebruikelij ke hulp. Volgens recente jurisprudentie moeten gemeenten in de

de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige van die leeftijd nodig heeft, III. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige, IV. de mate van planbaarheid van de hulp, en V. de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige. 4. Wanneer er in het kader van de jeugdwet geen sprake is van gebruikelijke hulp, is er sprake van bovengebruikelijke hulp. Bij bovengebruikelijke hulp wordt van ouder(s)/verzorger(s) verwacht dat ze deze zelf bieden wanneer: a. de situatie kortdurend is, dat wil zeggen: als er uitzicht is op herstel van het probleem en de samenhangende zelfredzaamheid en als het probleem voortduurt over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp niet van ouder(s)/verzorger(s) of huisgenoten mag worden verwacht; of b. in het geval van een langdurende situatie, het gaat over het bieden van een beschermende woonomgeving van ouder(s)/verzorger(s) aan kinderen tot en met de leeftijd van 17 jaar. c. En het college heeft onderzocht of: I. De ouder(s)/verzorger(s) in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, II. De ouder(s)/verzorger(s) beschikbaar zijn om de noodzakelijke hulp te bieden, III. Het bieden van de noodzakelijke hulp geen overbelasting oplevert, en IV.

De ouder(s)/verzorger(s) de noodzakelijke hulp kunnen blijven bieden zonder vergoeding. d. En de volgende factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de bovengebruikelijke

verordening beschrijven wanneer er sprake is van (boven)gebruikelij ke hulp (CRvB, 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:202 4:1097). De vragen die gesteld moeten worden volgens lid 4.c. zijn gebaseerd op juridisch advies naar aanleiding van jurisprudentie over het onderzoeken van eigen kracht (ECLI:NL:CRVB:20 19:2362, ECLI:NL:CRVB:202 1:1327)

hulp, bij de beschikbaarheid van de ouder(s)/verzorger(s) voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouder(s)/verzorger(s) en bij de financiële situatie van de ouder(s)/verzorger(s): I. de aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige, II. de mate van planbaarheid van de hulp, III. het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouder(s)/verzorger(s), IV. de manier van omgaan van ouder(s)/verzorger(s) met de problemen van de jeugdige, V. vaardigheden van de ouder(s)/verzorger(s) om zelf hulp te bieden, VI. of er sprake is van problematiek bij de ouder(s)/verzorger(s), zoals relationele problemen of schulden, VII. welke verplichtingen de ouder(s)/verzorger(s) hebben, bijvoorbeeld met betrekking tot werk en sociale verplichtingen, VIII. het belang van ouder(s)/verzorger(s) om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen, IX. de woonsituatie, X. de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden, XI. is er een sociaal netwerk en zo ja, wat zijn de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk om de jeugdige of zijn ouder(s)/verzorger(s) te ondersteunen, of XII. overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouder(s)/verzorger(s) worden ingebracht; e.

in het geval dat een ouder uitvalt en er meer dan één ouder gezag heeft over de minderjarige, neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over, met inachtneming van de punten onder lid d, ook als de

5. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt indien: 6.Een cliënt die ingezetene is van Nederland met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet: a. op eigen kracht; b. met het sociale netwerk; a. met gebruikelijke hulp; b. met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; dan wel c. met gebruikmaking van algemene/basisvoorzieningen, waaronder in ieder geval wordt verstaan dienstverlening door het sociaal team, bijvoorbeeld het verstrekken van informatie, advies, coaching en kortdurende begeleiding; d. met gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen;

jeugdige niet bij die ouder woont. f. Het college kan beleidsregels stellen ten aanzien van het onderzoek naar gebruikelijke hulp en de uitwerking daarvan. 5. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot de wet maatschappelijke ondersteuning geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt indien: 6.Een cliënt die ingezetene is van Nederland met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan wegnemen of verminderen met: a. gebruikelijke hulp; b. mantelzorg; dan wel met c. gebruikmaking van algemene/basisvoorzieninge n, waaronder in ieder geval wordt verstaan dienstverlening door het sociaal team, bijvoorbeeld het verstrekken van informatie, advies, coaching en kortdurende begeleiding; d. gebruikmaking van algemene gebruikelijke voorzieningen. 10.

Ten aanzien van situaties (Jeugd en Wmo) waar sprake is van overbelasting, bijvoorbeeld overbelasting van ouders, kan het college slechts een tijdelijke voorziening van maximaal 6 maanden verstrekken waarbij van degene die overbelast is wordt verwacht dat hij/zij in die periode actief en aantoonbaar gaat werken aan de overbelasting, dan wel het

Dit lid heeft specifiek betrekking op de Wet maatschappelijke ondersteuning. Term ‘eigen kracht’ eruit, omdat die niet goed gedefinieerd kan worden. Met verscherping van de definitie van ‘(boven)gebruikelijke hulp’ in artikel 1 en artikel 9, lid 3, is deze term voldoende. Gebruikelijke hulp is bovendien voorliggend op het sociaal netwerk, dus die als eerste genoemd.

Nieuw lid toegevoegd. We zien een toename binnen de Wmo van zorgaanvragen omdat er sprake is van overbelasting. Doorgaans is overbelasting

vergroten van de belastbaarheid.

door de inwoner zelf te verhelpen door onder meer te werken aan een betere privé/werkbalans etc. Met deze toevoeging moedigen wij de inwoner aan om zelf actief aan deze overbelasting/het verminderen van de belasting te gaan werken.

Artikel 10. Regels voor persoonsgebonden budget (Wmo/Jeugdwet) Paragraaf 10.1 Voorwaarden pgb 5. In de zorgovereenkomst die client sluit met de zorgverlener dienen in ieder geval de volgende punten te zijn opgenomen: a. Om wat voor zorg het gaat; b. Werkafspraken zoals salaris/uurtarief; c. Het aantal uren dat de zorg wordt afgenomen per week/maand; d. Werkafspraken over de financiële afhandeling; e. Algemene afspraken over geheimhouding.

Nieuw lid

8. Als de gewenste zorg bij de betreffende zorgaanbieder ook door middel van ZIN gecontracteerd is door de gemeente, zal deze primair op deze wijze worden geleverd.

Nieuw lid toegevoegd.

Draagt bij aan het helpen te voorkomen van fraude

Juridisch is er keuzevrijheid voor cliënten om hun hulp af te nemen in ZIN of PGB. We willen cliënten aanmoedigen om hulp af te nemen in ZIN, al helemaal als de gewenste zorgverlener is gecontracteerd door de gemeente. Door

op te nemen dat ZIN voorliggend is als de gewenste aanbieder als ZIN is gecontracteerd, moedigen we dit aan.

Hoofdstuk 3. Voorzieningen Artikel 14. Maatwerkvoorzieningen: vormen van Wmo 3. Bij de toekenning van hulpmiddelen die ten doel hebben zich buitenshuis te verplaatsen (zoals bijvoorbeeld een driewielfiets of een scootmobiel) is het een vereiste dat er een brandveilige stallingsplek voor dit hulpmiddel beschikbaar is conform het besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Nieuw lid toegevoegd. I.v.m. gewijzigde regelgeving per 01-01-2024

Artikel 15. Maatwerkvoorzieningen: vormen Participatiewet en IOAW/IOAZ Het college van burgemeester en wethouders kan aan de cliënt voorzieningen aanbieden in de vorm van onder andere: a. werkervaringsplaats; b. sociale activering; c. scholing; d. ondersteuning bij aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt; e. participatievoorziening beschut werk; f. persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen; g. proefplaatsing h. loonkostensubsidie; i. werkvoorzieningen; j. ondersteunende instrumenten, waaronder een eigen bijdrage voor kinderopvang, schuldhulpverlening, onderzoeken door deskundigen, taal- en beroepsgerichte scholing, nazorg etc;

Het college van burgemeester en wethouders kan aan de cliënt voorzieningen aanbieden ter ondersteuning bij arbeidsinschakeling in de vorm van onder andere: a. werkervaringsplaats; b. sociale activering; c. scholing; d. ondersteuning bij aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt; e. participatievoorziening beschut werk; f. persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen; g. proefplaatsing h. loonkostensubsidie; i. werkvoorzieningen; j. ondersteunende instrumenten, waaronder de eigen bijdrage voor kinderopvang, schuldhulpverlening, onderzoeken door deskundigen, taal- en beroepsgerichte scholing, nazorg etc;

Hoofdstuk 4 Specifieke bepalingen Jeugdwet

Door de aanpassingen is duidelijk dat de ondersteuning in de vorm van de eigen bijdrage voor kinderopvang bedoeld is in het kader van de ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Hiermee wordt het onderscheid gemaakt met een sociaal medische indicatie (SMI).

Artikel 17A. Stappen jeugdhulponderzoek In aanvulling op Artikel 4 volgt het college de volgende stappen bij het jeugdhulponderzoek: a. Stel de hulpvraag van de jeugdige en/of de ouders vast; b. Onderzoek of deze gemeente verantwoordelijk is (woonplaatsbeginsel, artikel 1.1 Jeugdwet); c. Onderzoek of de Jeugdwet van toepassing is; d. Breng in kaart wat de beperkingen/problematiek is van de jeugdige. Is er sprake van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen? En als daar sprake van is, maak concreet om welke problemen en/of stoornissen het gaat; e. Bepaal vervolgens welke hulp nodig is in vorm, duur en frequentie, gelet op de problematiek. De hulp moet de jeugdige in staat stellen om: gezond en veilig op te groeien te groeien naar zelfstandigheid voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren f. Onderzoek eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (met gebruikelijke hulp) g. Onderzoek of er aanspraak bestaat op een voorliggende voorziening (artikel 1.2 lid 1 Jeugdwet) h. Onderzoek of er aanspraak bestaat op een algemene voorziening i. Informeer de aanvrager over de mogelijkheid van het aanvragen van een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) j. Indien aangevraagd: beoordeel of aan voorwaarden pgb voldaan wordt (artikel 8.1.1 lid 2 Jeugdwet)

Deze stappen worden in de praktijk al gevolgd bij jeugdhulponderzoek. Juridisch gezien is het wenselijk om deze in de verordening vast te leggen, omdat het proces van het jeugdhulponderzo ek de basis is van veel bezwaren en beroepen.

Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen Wmo Artikel 20a. Stappen Wmo-onderzoek In aanvulling op Artikel 4 volgt het college de volgende stappen: 1. Na de melding dient eerst de precieze hulpvraag te worden geduid. 2. Vervolgens moet bepaald worden

Nieuw lid toegevoegd Juridisch gezien is het wenselijk om deze in de

3.

4.

5.

6.

wat – kort gezegd – de beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie zijn. Als deze beide vragen op papier staan, kan (en moet) inzicht worden verkregen in de aard en omvang van de door het college te organiseren noodzakelijke maatschappelijke ondersteuning. Daarna moeten de eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen in kaart gebracht worden, althans moet bezien worden of – en zo ja: in welke mate – deze aanwezig zijn. Vervolgens dient geconcludeerd te worden of er voor het college uiteindelijk nog iets te compenseren overblijft. Voor zover dit in het individuele geval noodzakelijk kan worden geacht, dient specifieke deskundigheid te worden ingeschakeld.

verordening vast te leggen. (ECLI:NL:CRVB:20 18:819)

Artikel 22. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen, pgb’s en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen 9. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de Wmo is de cliënt met een indicatie voor het collectief vraagafhankelijk vervoer een rittarief per zone verschuldigd in de kosten voor het gebruik daarvan en de paskosten. Deze kosten bedragen maximaal het tarief, zoals dit geldt voor het openbaar vervoer, waarbij de aanbieder het rittarief int.

9. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet Wmo is de inwoner met een indicatie voor de maatwerkvoorziening collectief taxivervoer (Regiotaxi) een eigen bijdrage verschuldigd voor het instaptarief en de kilometerprijs. Uitgaande van een maximum van 2000 reisbare kilometers per jaar, waarbij de aanbieder de eigen bijdrage int

In het kader van de implementatie van de Inkoopstrategie Regiotaxi Utrecht 2023, die betrekking heeft op de aanbesteding van doelgroepenvervo er binnen de provincie Utrecht en 22 aangesloten gemeenten. Met ingang van 1 september 2024 zal het tarief per beladen kilometer worden gehanteerd in

plaats van de huidige zonestructuur. Bovendien wordt er een gedifferentieerd instaptarief geïntroduceerd.

Artikel 25. Kwaliteitseisen -

3. De gemeente kan zorgaanbieders en leveranciers uitsluiten indien de zorgaanbieder geregistreerd staat bij het Informatieknooppunt Zorg (IKZ).

Per 1.1.25 zijn alle gemeenten bij wet verplicht aangesloten bij het IKZ.

Hoofdstuk 6. Specifieke bepalingen Participatiewet Artikel 33. Beperkingen Anw-ers en nuggers 1. Anw-ers en Nuggers hebben recht op ondersteuning indien: a. het netto-inkomen van de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwden lager is dan 110 % van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, zoals bedoeld in artikel 5 aanhef en sub c van de Participatiewet en b. zij minimaal 24 uur per week beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt.

1. Anw-ers en Nuggers hebben recht op ondersteuning indien: a. het netto-inkomen van de alleenstaande, de alleenstaande ouder of de gehuwden lager is dan 130 % van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, zoals bedoeld in artikel 5 aanhef en sub c van de Participatiewet en b. zij minimaal 24 uur per week beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt.

Bij de evaluatie van het minimabeleid is besloten dat om in aanmerking te komen voor alle minimaregelingen de inkomensgrens wordt verhoogd van 110% naar 130% van de geldende bijstandsnorm.

Artikel 39. Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die in opdracht van de gemeente of een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht.

1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband bij of in opdracht van de gemeente of een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht.

Leesbaarheid

Artikel 39d Persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen 1. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die in opdracht van de gemeente of een derde, waarbij de gemeente de uitvoering van de jobcoaching heeft ingekocht.

Vervallen.

Artikel vervalt. Het is een letterlijke herhaling van artikel 39.

2. Het college kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor: a. jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of b. interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider. 3. De in het eerste of tweede lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject.

Artikel 41d Proefplaats 1. Het college kan een loonkostensubsidie, anders dan de loonkostensubsidie bedoeld in hoofdstuk 3A, verstrekken aan werkgevers die met een kwetsbare werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten. 2. De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste 50 procent van de loonkosten gedurende 12 maanden met mogelijkheid tot verlenging tot 24 maanden ten behoeve van de kwetsbare werknemer. 3. Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die: a. voorafgaand aan de indienstneming gedurende 6 maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft kunnen behouden; en b. geen startkwalificatie bezit; of c. ouder is dan 50 jaar; o d. alleenstaande ouder is; of e. de Nederlandse taal in woord niet op B1 niveau beheerst. 4. De loonkostensubsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. 5. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de

1. Het college kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever voor de duur van maximaal twee maanden, met de mogelijkheid tot verlenging met twee keer één maand, onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. Bijlage 3/4 bij VNG ledenbrief, januari 2023 2. Het doel van een proefplaatsing is het voor een beperkte duur opdoen van werkervaring in een specifieke functie OF de inschakeling van de persoon in arbeid bij een werkgever te bevorderen, waarbij de proefplaats voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet. 3. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. het college verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan

Per abuis was onder 41d de tekst van 41a opgenomen. Nu is de juiste tekst onder het artikel geplaatst.

indiensttreding van de werknemer of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk.

het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; c. als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; d. de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en e. de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 4. Het college weigert de toestemming, bedoeld in het eerste lid, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk of als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d, vijfde lid, van de wet. 5. Als de werkzaamheden op de proefplaats wegens ziekte worden onderbroken, dan wordt deze periode voor de toepassing van de maximale periode, bedoeld in het eerste lid, buiten beschouwing gelaten. 6. Het college kan een persoon op een proefplaats persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen toekennen

overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk 3A.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/2613/documents/57771