03.d verzonden brief concept UPLG regio Amersfoort.pdf
Tekst van het document
Stadhuisplein 5 Aan
College van Gedeputeerde Staten provincie Utrecht
3811 LM Amersfoort Postbus 4000
- per email verzonden –
3800 EA Amersfoort T 033 469 55 83 Inlichtingen Dhr. W.L. van der Stelt M 06 52 53 56 74
Onderwerp
Ons kenmerk
Concept Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) BRA/UPLG/231115
Datum 15 november 2023
E wl.vanderstelt@amersfoort.nl
Uw kenmerk
Geacht college van Gedeputeerde Staten, Het concept Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) hebben wij met belangstelling gelezen en besproken. Als gebiedspartners hebben wij nog zorgen en kanttekeningen. Daarom maken wij graag gebruik van de gelegenheid om in deze brief inhoudelijk te reageren; in de bijlage vindt u een gedetailleerde opsomming van onze kanttekeningen. Wij gaan hierover graag nader met u in gesprek. Wij vragen uw bijzondere aandacht voor: ▪ Aandacht en zorg voor bestaanszekerheid en sociaal economische gevolgen voor inwoners; ▪ Benutten van de inzichten in het Handelingsperspectief Buitengebied Regio Amersfoort en vervolg geven aan het proces; ▪ Een gecombineerde aanpak voor stad en buitengebied in de gebiedsprocessen; ▪ Gezamenlijke regie op vrijkomende gronden en stikstofruimte; ▪ Vertrekpunt en monitoring van doelen; ▪ Gebiedseigen aanpak; ▪ Financiële aandachtspunten. 1) Aandacht en zorg voor bestaanszekerheid en sociaal economische gevolgen voor inwoners Het UPLG heeft invloed op onze inwoners. Wij vinden het belangrijk dat er naast een voortvarende aanpak zorgvuldigheid en vertrouwen wordt betracht bij het benaderen van onze inwoners en met name onze agrariërs en landgoedeigenaren.
Wij vragen u om in het UPLG nadrukkelijk aandacht en zorg te hebben voor inwoners die zich in hun bestaanszekerheid bedreigd voelen en voor mogelijke sociaaleconomische gevolgen voor agrariërs van ons buitengebied. In het concept-UPLG stelt u een ingrijpende aanpak voor met een horizon die dichterbij is dan wij voor onze inwoners aanvaardbaar achten. De maatregelen zullen inwoners, en agrariërs in het bijzonder, treffen.
In het UPLG stelt u dat u oog heeft voor de sociaal economische gevolgen en zorg voor de vitaliteit van het landelijk gebied. U wilt een Fonds Vitaliteit Landelijk Gebied inrichten. Over de financiering is - mede ten gevolg van het controversieel verklaren van de tijdelijke wet Transitiefonds door de Eerste Kamer - onzekerheid ontstaan. 2) Benutten van de inzichten in het Handelingsperspectief Buitengebied Regio Amersfoort en vervolg geven aan het proces; Wij roepen de provincie op om het Handelingsperspectief Buitengebied Regio Amersfoort als leidraad te hanteren voor de verdere uitwerking en uitvoering van het UPLG. Om te komen tot dit handelingsperspectief hebben wij samen met partijen in het buitengebied, het waterschap en de provincie Utrecht veel inzichten opgehaald. Wij gaan ervan uit dat dit proces niet opnieuw gedaan wordt, maar juist een vervolg krijgt. Voor het draagvlak van zowel het UPLG als het Handelingsperspectief is het onwenselijk stakeholders steeds opnieuw te belasten met gelijksoortige vragen en processen. Het Handelingsperspectief Buitengebied geeft een ontwikkelbeeld voor drie gebieden: het Eemland, (een deel van) de Gelderse Vallei en de Utrechtse Heuvelrug. Het Eemland en de Gelderse Vallei zijn van oudsher landbouwgebieden; grote delen van de grond zijn in gebruik en beheer bij agrariërs.
Het Eemland is trots en zuinig op haar weidevogelgebied met veel agrarisch natuurbeheer. Wij onderschrijven het belang van een duurzaam agrarisch toekomstperspectief en kunnen instemmen met de keuze voor de Brede Welvaart benadering. Het is hierbij essentieel dat de geschetste (alternatieve) verdienmodellen langjarig perspectief gaan bieden. Instrumenten als een eerlijke prijs (beloning in plaats van (gedeeltelijke) vergoeding) voor groenblauwe diensten met langjarig perspectief (20 jaar), beheer van natuur en recreatieve functies, een grondbank waarbij de regie zoveel mogelijk in het gebied wordt belegd en vrijwillige kavelruil kunnen hier van betekenis zijn. Dit maakt een optimale combinatie van functies mogelijk en/of inzet van gronden voor andere functies dan landbouw. De landbouwtransitie staat of valt bij het bieden van mogelijkheden voor agrariërs om een goede boterham te kunnen verdienen. Wij benadrukken het belang van zicht op economische haalbaarheid voor het benodigde vertrouwen bij de eigenaren en gebruikers van het buitengebied. Dit zien wij als randvoorwaardelijk voor het welslagen van het UPLG. De Utrechtse Heuvelrug is een van Nederlands grootste natuurgebieden en heeft sterk te lijden onder de hoge recreatiedruk en verdroging. Op dit moment zien wij noodzaak tot zonering van activiteiten op het plateau en de stuwwal.
Aan de noordoostelijke flanken van de Utrechtse Heuvelrug zijn de lager gelegen gebieden juist natter. Het gebied is zowel landschappelijk als cultuurhistorisch van waarde en vraagt hydrologisch om een eigen aanpak. Om meer inzicht te krijgen in het versterken van de natuurwaarden ondersteunen wij een natuurdoelanalyse. Wij zijn benieuwd naar de wijze waarop u omgaat met de adviezen over de natuurdoelanalyses van de Ecologische Autoriteit en zien graag dat u dit bespreekt met gebiedspartijen.
Pagina 2 van 8
3) Een gecombineerde aanpak voor stad en buitengebied in de gebiedsprocessen Wij pleiten in de gebiedsprocessen voor een gecombineerde aanpak voor stad en buitengebied in zowel het UPLG als het Provinciaal Ruimtelijk Voorstel dat de provincie Utrecht bij het Rijk zal indienen. Regio Amersfoort heeft een buitengebied met een gevarieerde bodem- en waterstructuur en uiteenlopende vormen van landbouw en recreatie. Hoewel de ondergrond en het gebruik nog niet optimaal afgestemd zijn, is deze variatie een waarde die we graag in stand houden. Naast een gevarieerd buitengebied kenmerkt onze regio zich door een grote verstedelijkingsopgave en een stijgende behoefte aan energie, recreatie, water en koelte; een behoefte waarin het buitengebied mede kan voorzien. Vanuit de opgaven hebben wij belang bij een evenwichtige ontwikkeling van het stedelijk- en buitengebied, een goede relatie tussen beiden en oog voor de variëteit als kwaliteit van het buitengebied. Dit vraagt ruimte voor maatwerk. 4) Gezamenlijke regie op vrijkomende gronden en stikstofruimte Wij zijn er allereerst van overtuigd dat UPLG-doelen deels behaald kunnen worden op basis van vrijwilligheid en/of in private processen. Als gebiedspartners zijn wij nauw betrokken bij onder meer kavelruil tussen agrariërs, landgoederen en andere betrokken partijen.
Wij adviseren om daarnaast het Beleid inzake Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB) van de provincie te laten aansluiten op het regionale VABbeleid. Het verwerven van gronden en eventuele stikstofrechten die vrijvallen bij beëindiging van de agrarische bedrijfsvoering zouden opgenomen moeten worden in een grondstrategieplan en uw beleid inzake stikstofdepositiebank. Dit is beleid- en planvorming waarbij wij als gebiedspartners betrokken willen worden. Zo kunnen we als partijen gezamenlijk regie voeren over de inzet van grond en stikstofruimte in de gebiedsprocessen. Wij steunen het streven om vrijkomende gronden en stikstofruimte te behouden voor de gebiedsprocessen en een afweging te maken over een passende functie vanuit de gebiedsopgave. De beschikbaarheid van grond en het verminderen van de stikstofdepositie zal een belangrijke rol spelen in de gebiedsprocessen. Wij zien onder meer de juridische mogelijkheden voor uitwisseling van stikstofrechten in een breder gebied als een aandachtspunt. We werken graag met de provincie samen aan de leidraad multifunctionele landbouw, omdat dit een rol speelt in de bedrijfsvoering van agrarische ondernemers die in het gebied blijven en een belangrijk onderdeel vormen van de toekomst van het gebied.
5) Vertrekpunt en monitoring van doelen Wij ondersteunen uw voornemen om rekening te houden met gebieden en bedrijven die reeds een grote bijdrage hebben geleverd op het gebied van onder meer agrarisch natuurbeheer, natuurontwikkeling, verbetering bodem- en waterkwaliteit. We zijn benieuwd hoe u dit wilt concretiseren en wat dit in de verschillende gebieden betekent. Wij worden graag geïnformeerd over de wijze waarop u de monitoring op het doelbereik wilt organiseren en wat hierbij het inhoudelijk vertrekpunt is.
Pagina 3 van 8
Een aantal concrete vragen zijn: ▪ Wat is er ‘extra’ nodig, welke ruimte is hiervoor en is dit financieel haalbaar? Illustratief is het laten meanderen van de Modderbeek in Leusden (op basis van de Kaderrichtlijn Water) en de impact die dit had op inwoners in het gebied. Het gebied zou nu opnieuw getroffen worden door de aanleg van bufferstroken. ▪ Aanpassing van het peilbesluit: Voor de vernatting van veenweidegebied worden gerichte kaders gesteld, terwijl in de Eemvallei al een proces loopt voor aanpassing van het peilbesluit. Dit proces wordt door het waterschap met de verschillende stakeholders doorlopen. Het van tevoren benoemen van gerichte kaders kan dit proces in de weg staan.
Hoe wordt in het gebiedsproces concreet omgegaan met herziening van het peilbesluit; bijvoorbeeld in delen van het gebied waar al zand/klei ligt of mee is opgehoogd? ▪ Schoon water: Hoe wordt omgegaan met lozingen op het oppervlaktewater anders dan die van de landbouw (bijvoorbeeld riooloverstort)? ▪ Procesmonitoring: Wordt er ook gemeten aan de daadwerkelijke natuur (ook buiten Natura 2000); bijvoorbeeld nulsituatie flora en fauna? ▪ Relatie NNN en groene contour: Wat is de impact op het buitengebied in het algemeen en de agrarische sector in het bijzonder van het voortaan laten landen van NNN-doelstellingen in de Groene Contour? 6) Gebiedseigen aanpak Wij vragen aandacht voor de inhoud en het tempo van lopende processen naast het UPLG. Op dit moment schaakt de provincie (en andere partijen) op meerdere borden tegelijk die raken aan het buitengebied. De regio neemt graag zoveel als mogelijk de regie om op een gebiedseigen wijze invulling te geven aan de UPLG-doelen. Er is een stevig fundament voor samenwerking waarop de uitvoeringsorganisatie van het UPLG kan aanhaken. Hiermee wordt er maximaal gebruik gemaakt van de aanwezige kennis en uitvoeringskracht én wordt beschikbare capaciteit efficiënt benut. Als samenwerkende overheden kunnen wij het verschil maken wanneer we gezamenlijk, met gebiedspartijen en gebiedsgericht de prioritaire opgaven bepalen en wegen.
Tegelijk onderkennen en waarderen we het in het UPLG gemaakte onderscheid tussen de verschillende landschappen, omdat de inhoudelijk opgaves in het landelijk gebied per landschapstype sterk verschillen. Binnen Regio Amersfoort is sprake van maar liefst drie verschillende landschappen. Daarom zien wij als Regio Amersfoort de governance als belangrijk aandachtspunt. Wij vragen daarom vanuit Regio Amersfoort aandacht voor het daadwerkelijk opstarten van gebiedsprocessen binnen de verschillende landschappen. Qua governance verzoeken we om flexibiliteit om de komende jaren blijvend aan te sluiten bij de governancebehoefte vanuit de gebiedsprocessen. Wij benadrukken het belang van een onafhankelijke en deskundige begeleiding van de UPLG gebiedsprocessen als voorwaarde voor een zorgvuldige integratie en een gezamenlijke afweging.
Pagina 4 van 8
7) Financiële aandachtspunten De uitvoering van het UPLG legt grote druk op de beperkte capaciteit van gemeenten en doet onvoldoende recht aan (particuliere) organisaties. Voor het slagen van het UPLG is het essentieel dat de provincie zich inzet om de proceskosten die organisaties maken te financieren uit het Transitiefonds. Dit geldt met name wanneer gemeenten en stakeholders meerdere gebieden bedienen. Conclusie Wij streven naar een vitaal buitengebied, waarin we recht doen aan de opgaven die er spelen op het gebied van natuur, water en klimaat en de landbouw en aan alle mensen die er wonen, werken en recreëren. Samen met u willen wij hier de komende jaren vorm aan geven. Wij zullen ons daarbij laten leiden door het Handelingsperspectief Buitengebied. Met vriendelijke groet,
Karla Oosting Secretaris Regio Amersfoort
Pagina 5 van 8
Bijlage ‘gedetailleerde opsomming van kanttekeningen’ Algemeen •
Bij de vernatting van het veenweidegebied in het Eemland wordt er gesteld dat er voor de gebieden 0.4 m-mv en 0.2m-mv gaat gelden. Dit lijkt al een behoorlijke inkadering, terwijl dan wel aangegeven wordt dat hierover met de gebiedspartners gesproken wordt. Op dit moment vindt er voor de Eemvallei al een proces plaats voor het peilbesluit, waarbij de uitgangspunten van het UPLG eerder leidend (topdown) zijn dan een gebiedsgerichte benadering.
•
Hoe omgaan met delen gebied waar al zand/klei ligt of mee is opgehoogd? Dit wordt wel benoemd, maar wordt weinig concreet. Is dit dan onderdeel van het gebiedsproces in relatie tot herziening peilbesluit?
•
Er wordt gesproken over een noodzakelijk enorme opschaling van de uitvoeringsorganisatie. Van de provincie? Het lijkt ons juist dat de uitvoering vooral bij actoren op gebiedsniveau ligt! De rol van de gemeente vinden wij ook wat ondergesneeuwd: provincie wil actief grondbeleid voeren voor de gebiedsprocessen (paragraaf 6.4: grond als motor). Uiteindelijk heeft in het bestemmen van de gronden ook de gemeente een grote rol. Daarnaast zitten aan actief grondbeleid ook nadelige effecten waarbij het van belang is dat ook de gemeente nadrukkelijk betrokken wordt over hoe dit instrument ingezet wordt.
•
Wij zijn blij met de keuze van gebiedsprocessen op basis van landschap. Ook al heeft dat nieuwe overlegstructuren als gevolg. Een negatief effect van nog meer bestuurlijke drukte kan opgevangen worden door goede en zuivere regie. Welke onderwerp wordt waar besproken. Dus alle thema’s die ook via de bestuurlijke regio’s kunnen, doe dat ook. Maar geef de gebiedsprocessen maximale vrijheid en mogelijkheid om aandachtspunten op de juiste tafel te krijgen.
•
Positief: provincie heeft perspectief voor de landbouw toegevoegd. Blij met de aandacht voor de sociaaleconomische impact.
•
UPLG op basis van ervaringen bestaande gebiedsprocessen tot stand gekomen, vooral westkant van de provincie. Regio Amersfoort is op dat punt een witte vlek. Dus welke ruimte is er op inhoud en welk proces is daarvoor beschikbaar om op termijn vanuit de gebiedsprocessen tot bijstelling van UPLG te komen.
•
Als regio hebben wij door het participatieproces voor het HPB veel opgehaald in het gebied. Op welke wijze wordt voorkomen dat dit in de gebiedsprocessen (want andere mensen) nog een keer over gedaan wordt? Wij verwachten dat de opbrengst en de uitkomsten van HPB een plek krijgen, dus dat in UPLG 1.0 rekening gehouden wordt met het nog vast te stellen HPB.
•
In het UPLG staan verschillende denkrichtingen die afwijken van het huidige provinciaal beleid, in welke volgorde komt de aanpassing? Tot nu toe horen wij: de “provinciale omgevingsverordening” aanpassen kost tijd en eerst moet duidelijk zijn welke aanpassing passend is. Maar op welke wijze kunnen ontwikkelingen dan in gang gezet worden (kip-ei). Of staat hiervoor een hardheidsclausule in de verordening?
•
In het UPLG mist nog aandacht en waardering voor het gebied voor wat er al gebeurd is.
Pagina 6 van 8
Per pagina / alinea • • •
• •
• • • •
• • •
•
• • •
• • • •
Pagina 8 veel aandacht (terecht) voor monitoring maar wat is en wordt de peildatum. Gaat veelal om langjarige processen, dan is uitgangspunt en peildatum voor monitoring essentieel. Pagina 12: wanneer is een bedrijf een koploper. Pagina 12, par 1.4: bij de transitie worden in eerste instantie bewoners en (andere) bedrijven niet genoemd, terwijl die er wel steeds meer zijn in het buitengebied. Of in ieder geval zijn ze er. Een alinea verder worden de bewoners en ondernemers ineens wel benoemd. Wees hierin consequent. Pagina 14, par 2.1: Een verduidelijkende kaart met alle Natura 2000 gebieden is hier handig. En toch niet alles is voor verzuring gevoelig? Pagina 14, par 2.2: De eerste bullit in de tweede kolom (reductie) verder verduidelijken. Wat is de verhouding? Hoeveel draagt landbouw bij aan het totaal? Dat blijkt niet duidelijk uit de wijze van presenteren van de cijfers. Hoeveel van 2.359 kiloton komt voor rekening van de landbouw? Pagina 16, par 2.4: Er wordt gesproken over het 4e doel. En de eerste drie zijn….? Pagina 17, par 2.5: Ik zou aan de laatste bullet infrastructuur willen toevoegen. Pagina 21, par 3.1: 2. Veenweidegebied Pagina 23 de kwaliteitsgidsen van de Utrechtse Landschappen vormen een basis. Voor de indeling van gebieden een logisch uitgangspunt. Echter deze gidsen vormen een visie op basis van verleden en het bij de opstelling voorziene toekomst.
Waar is daarbinnen de ruimte om vanuit de transitie van het gebied tot nieuwe inzichten/kwaliteiten te komen of is het verleden bepalend? Pagina 24, par 3.1: De kaart van pagina 24 komt niet overeen met de tekst op pagina 29. Namelijk klei op veen. De kaart geeft weer dat het veen grond is en geen klei op veen. Pagina 29, par 3.1: De omschrijving ‘alle woonkernen liggen aan de randen van het gebied’ klopt niet. Bunschoten-Spakenburg ligt er middenin. Pagina 35 wordt gesproken over Foodvalley waar de gemeenten Rhenen, Veenendaal en Renswoude onderdeel van zijn. Klopt voor wat betreft de bestuurlijke eenheid. De regionale samenwerking van bedrijven beslaat een groot gebied waar ook ondernemers in Leusden, Woudenberg en Utrechtse Heuvelrug toe behoren. Laatste zin pagina 35 gaat over het NOVEX gebied Arnhem-Nijmegen-Food Valley, daar moet de invloed van NOVEX gebied Amersfoort aan toegevoegd worden. De ontwikkeling Amersfoort-Barneveld heeft namelijk vergelijkbare invloed. Pagina 37: Moeten wij de kernkwaliteiten erfgoed zo lezen en interpreteren dat hier met de andere UPLG-doelen niet aan gekomen mag worden. Pagina 39, par 3.2: Onder de opsomming 1 t/m 3 staat een kaart ‘X’? Pagina 39, par 3.2: Bij de laatste alinea; de verwachte bevolkingsgroei/opkomende verstedelijking zet ook het netwerk onder druk. En hierbij de ruimtevraag voor dit netwerk (infrastructuur).
Pagina 47 Wat is de impact op het buitengebied in het algemeen en de agrarische sector in het bijzonder van het voortaan laten landen van NNN-doelstellingen in de Groene Contour (GC). Verandert daarmee de groene contour ook in NNN? Wat betekent het concreet dat NNN vervolgens voorrang heeft op GC? Pagina 49, par 4.3.2: Punt 13, eerste bullet Natura 2000-gebieden, Pagina 50, par 4.3.3: Tweede alinea: … betere verwaarding… Pagina 56, par 4.4: Punt 26, Bij de opsomming wordt de netwerkcongestie veel te terloops benoemd. Paragraaf 4.2.1. Paragraaf Schoon water (structurerende principes): Hier wordt lozing vanuit landbouw genoemd. Wij missen lozing vanuit andere bedrijven op het oppervlaktewater (bijvoorbeeld riool overstorten).
Pagina 7 van 8
• • •
• • • • • • •
• •
Paragraaf 4.4. Opwekken duurzame energie: in deze paragrafen wordt ingezet op meervoudig gebruik. Dit is te algemeen en conflicterend. Windturbines en weidevogel/ganzenrustgebied? Wij missen ook de gemeentelijke kaders. Pagina 59: voor het Eemland, tekst lijkt vooral gericht op Groene Hart, zit er voldoende basis voor andere lijn die bij Eemland past? Pagina 67 bij de waarden rekening houden met de waarde van de beschermde buitenplaatsen. Houdt dat in dat een parklaan en stijl uit het verleden nu altijd behouden moet blijven, ook als het gebied er omheen aangepast wordt om de doelen te behalen? Pagina 69 en 78: Uitleg grondbank: vrijgekomen gronden worden o.a. benut voor extensivering. Vrijkomende agrarische gronden moeten juist bedoeld zijn voor extensivering. Niet o.a., maar alle gronden! Anders geen vertrouwen in verkoop aan de provincie en mist grondbank zijn doel. Juist bij dat instrument is vertrouwen en zeggenschap essentieel, plus een keuze van de inzet waar nodig. Misschien kan vrijwillige kavelruil ook doelen doen bereiken. Vergelijkbare met 6.6 de stikstofbank, ook daar de vraag wie zeggenschap en welke meerwaarde.
Pagina 71 onder 5, wordt met landgoederen de private of historische eenheid bedoeld? Biodiversiteit gaat toch om het geheel van TBO en landgoederen, dus waarom de term landgoed? Pagina 71: maatregelen Natuurdoelanalyses moeten worden uitgevoerd, welke ruimte voor aanpassing alternatief, door deze formulering. Pagina 71: verzoek is om de hoogte van het grondwateronttrekkingen plafond af te stemmen met bedrijven i.v.m. de haalbaarheid. Pagina 75, par 5.6: Tweede volzin: …..landschappen is het ….. Paragraaf 6.6 Stikstof depositiebank: Aandachtspunt betreft de juridische mogelijkheden voor uitwisseling in een breder gebied. Pagina 80, par 6.8: Eerste alinea: de provinciale Omgevingsverordening is nu nog beperkend. In deze paragraaf (hoofdstuk) wordt het VAB-beleid (in ontwikkeling) gemist. Pagina 80: NDA’s zijn bindend. Terwijl op p. 6 wordt gezegd dat NDA uitgangspunt is en op basis waarvan wij (p. 46) gezamenlijk een plan gaan maken met een set maatregelen. Daarbij, p. 6, “We kijken daarom bij alle keuzes naar de lange termijn zodat de maatregelen die we nu nemen echt no-regret zijn en passen bij de toekomstige ontwikkelrichting van de gebieden.” Hoofdstuk 7 onderzoek en monitoring: wij lezen hier over procesmonitoring aan de hand van modellen (bijv Somers).
Wordt er ook gemeten aan de daadwerkelijke natuur (ook buiten Natura 2000), bijvoorbeeld nul situatie flora en fauna? Pagina 84, par 7.3: Vierde volzin: …..welke data daarvoor verzameld worden en met …
Pagina 8 van 8