02k. NL.IMRO.0351.BP2021ringelp15-ow01_Bijlagen bij de toelichting_Bijlage 6 Quickscan Wet natuurbescherming.pdf
Tekst van het document
broed
LANDBORG B.V. T.a.v. dhr. G. van Ingen Hollevoetplein 301 3925 ZG Scherpenzeel
Datum
20 mei 2021
Kenmerk
BE/2021/348/r
Uw kenmerk
Email d.d. 25 maart 2021
Auteur(s)
ir. ing. D. de Boer
Collegiale toets
ir. ing. K.J. Rebergen
Quickscan Wet natuurbescherming Ringelpoel 15 en 17 te Woudenberg Aan de Ringelpoel 15 en 17 te Woudenberg is een voormalig agrarisch bedrijfsterrein gesitueerd. Op het terrein zijn een woning, diverse schuren, een opslag en een stal gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens alle bebouwing op de planlocatie te saneren ten behoeve van de realisatie van 3 woningen met bijgebouw. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Landborg B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland en de Groene contour? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Ringelpoel 15 en 17 te Woudenberg (figuur 1). Op de planlocatie zijn een woning, diverse schuren, een opslag en een stal gesitueerd. De bebouwing is als volgt opgebouwd: (1) Woning: Deze bebouwing is opgebouwd uit stenen muren. Het dak bestaat deels uit een zadeldak met dakpannen en deels uit een plat dak. (2) Schuur: Deze bebouwing is opgebouwd uit stenen muren en bevat een zadeldak met dakpannen. (3) Schuur: Deze bebouwing is opgebouwd uit stenen muren en bevat een pannendak. Er is deels dakbeschot aanwezig. De schuur heeft een functie vervult als koeienstal. (4) Kapschuur: Deze bebouwing is opgebouwd uit muren bestaande deels hout en deels metalen damwandplaten. Het dak is opgebouwd uit golfplaten. (5) Schuur: Deze bebouwing is opgebouwd uit betonnen muren en bevat een golfplaten dak. Onder de golfplaten zijn geïsoleerde platen aanwezig. De ruimte tussen de golfplaten en geïsoleerde platen is aan de uiteinden afgedicht met kippengaas. (6) Stal: Deze bebouwing is opgebouwd uit enkellaagse houten muren en bevat een golfplaten dak met dakbeschot. (7) Schuur: Deze bebouwing is opgebouwd uit deels betonnen en deels stenen muren. De bebouwing is voorzien van een dak van golfplaten zonder dakbeschot. (8) Schuur: Deze bebouwing is opgebouwd uit deels betonnen en deels stenen muren.
De bebouwing is voorzien van een dak van golfplaten zonder dakbeschot. (9) Opslag: Deze bebouwing is opgebouwd uit enkellaagse houten muren en bevat een golfplaten dak zonder dakbeschot.
Figuur 1
2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Ringelpoel 15 en 17 te Woudenberg (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
De planlocatie is grotendeels verhard. Onverharde delen betreffen een kunstmatig ingerichte tuin en een weiland. Er is geen oppervlaktewater op de planlocatie aanwezig. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De planlocatie is gelegen in het buitengebied tussen Maarn en Woudenberg. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door vrijstaande bebouwing, agrarische percelen en weilanden. Op circa 1,4 km ten zuiden van de planlocatie is de dichtstbijzijnde snelweg A12 gelegen. De dichtstbijzijnde rivier betreft de Nederrijn op een afstand van circa 10 km ten zuiden van de planlocatie. Snelwegen en grote wateren kunnen voor diverse grondgebonden fauna een barrière vormen.
Figuur 2
Fotografische indruk van de woning op de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van alle bebouwing op de planlocatie ten behoeve van de realisatie van 3 woningen met bijgebouw. Mogelijk zal eveneens één boom gekapt worden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •
3
saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van één boom: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie 3 woningen met bijgebouwen: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Landborg B.V.).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 4 mei 2021 en is uitgevoerd door ir. ing. D. de Boer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; miezer, 8/8 bewolkt, 10 Celsius en windkracht 4-5 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
4
(a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de Omgevingsverordening Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
Wezel Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en in de provincie Utrecht de Groene contour. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura-2000 gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en de Groene contour geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaals beleid valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn.
(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed;
5
f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2011-2021). De planlocatie is grotendeels verhard. Onverharde delen worden gekenmerkt door een weiland en een kunstmatig ingerichte tuin. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: conifeer en Engels raaigras. Op de muren van de bebouwing is geen beschermde muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos en wezel (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: boommarter, das, rode eekhoorn en steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De boommarter en rode eekhoorn komen voornamelijk voor in bosgebieden en boomrijke gebieden. Op de planlocatie zijn enkele bomen aanwezig, maar is geen sprake van een boomrijk gebied.
Tevens vormt de planlocatie geen essentiële verbinding tussen belangrijke gebieden voor de boommarter en rode eekhoorn. Boommarters en rode eekhoorns zijn voornamelijk waargenomen in de boomrijke gebieden rondom Maarn en Maasbergen (>900 meter ten zuiden van de planlocatie). Binnen een straal van 900 meter zijn geen waarnemingen van de boommarter en rode eekhoorn bekend (NDFF 2011-2021). Wegens het ontbreken van geschikt habitat is het uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de rode eekhoorn en boommarter. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op deze soorten zijn uitgesloten. De das leeft meestal in kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. Belangrijke kenmerken van het dassenhabitat zijn de aanwezigheid van een groot voedselaanbod, goed vergraafbare bodem, aanwezigheid van voldoende dekking en weinig verstoring (BIJ12 Kennisdocument Das, 2017).
6
De planlocatie wordt gekenmerkt door een hoge mate van verharding. Onverharde delen worden gekenmerkt door een weiland en een kunstmatig ingerichte tuin. Op de planlocatie zijn geen sporen welke mogelijk tot de das behoren (c.q. vluchtpijpen, uitwerpselen en pootafdrukken) waargenomen. Tevens ontbreken waarnemingen van de das binnen een straal van 1,7 km (NDFF 2011-2021). Wegens de hoge mate van verharding, afwezigheid van voldoende beschutting, weinig goed vergraafbare bodem, afwezigheid van sporen en verstoring door bewoning is het uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de das. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de das zijn uitgesloten. De steenmarter heeft een voorkeur voor steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De steenmarter komt vooral voor in de nabijheid van dorpen en boerderijen. Hij heeft een voorkeur voor gebieden met oude schuren, heggen, bosjes en greppels. Vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter zijn beschermd. Een vaste rust- of verblijfplaats van de steenmarter wordt vaak bezocht waardoor er veelal sporen (c.q. uitwerpselen, prooiresten etc.) aanwezig zijn. Op de planlocatie zijn oude schuren aanwezig. Echter zijn er geen tot weinig geschikte dakruimten aanwezig. Tevens zijn er geen sporen (c.q.
uitwerpselen, pootafdrukken, prooiresten etc.) in en rondom de schuren waargenomen. Derhalve zijn er geen redenen om aan te nemen dat de steenmarter frequent gebruik maakt van de planlocatie als vaste rust- en/of verblijfplaats. Binnen een straal van 2 km is slechts één waarneming van de steenmarter bekend en dit betreft een verkeersslachtoffer op de E35 (circa 1,5 km ten zuidwesten van de planlocatie). Wegens het ontbreken van sporen van de steenmarter en het ontbreken van waarnemingen in de directe omgeving, is het uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de steenmarter. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de steenmarter zijn derhalve uitgesloten. De planlocatie heeft mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten.
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en tweekleurige vleermuis (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden.
Wegens het ontbreken van (geschikte en bereikbare) ruimten in een dak- en/of muurconstructie is het op voorhand uitgesloten dat de bebouwing met nummers 2 t/m 9 een functie vervullen voor gebouwbewonende vleermuizen. De woning (gebouw 1) is opgebouwd uit een ouder gedeelte met een nieuwere aanbouw. Bij panden na 1920 is er vaak een open luchtspouw aanwezig. Het oudere gedeelte van het pand stamt uit 1930/ 1934 (Bagviewer.kadaster.nl), waardoor het aannemelijk is dat deze is voorzien van een open luchtspouw. Het oudere gedeelte bevat geen open stootvoegen of andere openingen in de muren, maar wel kierende kantpannen (figuur 4).
7
Deze kunnen toegang verlenen tot de open spouw of een ruimte tussen de dakpannen en het dakbeschot, welke als verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen kunnen fungeren. De nieuwe aanbouw bevat wel open stootvoegen. Hoewel de muren geïsoleerd zijn, is er alsnog een open ruimte in de spouw aanwezig. Deze open ruimte kan gebruikt worden als verblijfplaats door gebouwbewonende vleermuizen. Om vast te stellen of de woning (gebouw 1) een functie vervult als rust- en/of verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden (zie Vervolgstappen). Schuren met houten plafondbalken kunnen gebruikt worden als hangplaats van de gewone grootoorvleermuis gedurende foerageeractiviteiten (BIJ12 kennisdocument gewone grootoorvleermuis, 2017). Tevens kunnen gewone grootoorvleermuizen gebruik maken van bebouwing. Gezien de ligging in agrarisch gebied zal de gewone grootoorvleermuis in het onderzoek worden meegenomen.
Figuur 4
Visuele representatie van potentiële invliegopeningen voor vleermuizen. Links: kierende kantpannen. Rechts: open stootvoegen.
Op de planlocatie is de te kappen boom geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. De te saneren boom bevat een grote holte (figuur 5). Het is onbekend of de holte naar boven is ingerot. Derhalve zal de holte als ‘geschikt’ worden beschouwd, en meegenomen worden in het onderzoek naar vleermuizen.
Figuur 5
8
De holte in de te kappen boom. Het is onbekend of deze holte naar boven is ingerot. Derhalve zal onderzocht dienen te worden of de holte een functie vervult als verblijfplaats voor vleermuizen.
Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Bebouwing op de planlocatie vervult mogelijk een functie als oriëntatiestructuur. Deze functie is, gezien de bebouwing en bomen in de omgeving, niet essentieel. Tevens vormt de planlocatie geen essentiële verbinding tussen gebieden waar mogelijk veel foerageeractiviteiten plaatsvinden, zoals boomrijke gebieden. De beoogde ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve invloed op essentiële vliegroutes en foerageergebieden. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting.
Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Wegens het ontbreken van oppervlaktewater op de planlocatie is het op voorhand uitgesloten dat de planlocatie een functie vervult als aquatisch habitat voor (beschermde) amfibieën. Binnen een straal van 500 meter rondom de planlocatie zijn echter wel wateren aanwezig. Het is onbekend of deze voldoen aan de eisen van de bovengenoemde beschermde amfibieën. Waarnemingen van de bovengenoemde beschermde amfibieën ontbreken wel in deze wateren (NDFF 2011-2021).
Waarnemingen van de Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker zijn allen op meer dan 1,2 km van de planlocatie (NDFF 2011-2021). De planlocatie is grotendeels verhard en vorstvrije structuren, zoals stenenstapels, zijn niet waargenomen. Wegens het ontbreken van oppervlaktewater, het ontbreken van vorstvrije structuren en het ontbreken van waarnemingen van beschermde amfibieën nabij de planlocatie, is het uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de Alpenwatersalamander, kamsalamander en poelkikker. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op deze soorten zijn uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende inheemse reptielen: hazelworm, ringslang en zandhagedis (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. De hazelworm leidt een verborgen leven en bevindt zich vaak onder vegetatie of dood hout. De zandhagedis is gebonden aan duin en heidegebieden, en wordt vooral aangetroffen in droge struikheideterreinen. De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats.
9
De planlocatie is grotendeels verhard. Onverharde delen worden gekenmerkt door weiland en een kunstmatig ingerichte tuin. Duin- en heideterrein zijn derhalve afwezig en derhalve wordt ook het voorkomen van zandhagedis uitgesloten. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor eveneens niet aan het habitat van de ringslang voldaan wordt. Ook is er geen sprake van voldoende beschutte omstandigheden voor de hazelworm. Tevens vindt er verstoring door bewoning op de planlocatie plaats. Waarnemingen van de bovengenoemde beschermde reptielen zijn voornamelijk afkomstig uit waterrijk gebied, zoals Anderstein (circa 400 meter ten zuiden van de planlocatie), en vanaf landgoederen ten zuiden van Maarn. Wegens het ontbreken van geschikt habitat is het uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de hazelworm, ringslang en zandhagedis. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van het volgende beschermde insect: gevlekte witsnuitlibel (NDFF 2011-2021).
Het habitat van de gevlekte witsnuitlibel bestaat uit vennen en plassen. De larven leven tussen waterplanten en in de verlandingszone. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor het eveneens ontbreekt aan waterplanten en een verlandingszone. Wegens het ontbreken van geschikt habitat is het derhalve uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de gevlekte witsnuitlibel. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de gevlekte witsnuitlibel zijn derhalve uitgesloten. Op de planlocatie is tevens geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif en koolmees. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten.
Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De woning op de planlocatie bevat een pannendak. Dergelijke daken kunnen gebruikt worden als nestlocatie door huismussen. Tevens is op de planlocatie voldoende jaarrond groen aanwezig om als functioneel leefgebied te fungeren. Derhalve kan niet op voorhand uitgesloten worden dat de woning (gebouw 1) een functie vervult als nestlocatie voor huismussen. Om vast te stellen of huismussen gebruik maken van de planlocatie als nestlocatie, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie Vervolgstappen). Gebouw 2 is eveneens voorzien van een dak met dakpannen en dakbeschot. De dakgoot loopt echter een stuk door onder de dakpannen. Aangezien deze van relatief glad materiaal gemaakt is, is het mogelijk lastiger voor huismussen om een ruimte tussen de dakpannen en het dakbeschot te bereiken. Derhalve is gebouw 2 beperkt geschikt voor huismussen. Zekerheidshalve zal deze in het huismusonderzoek meegenomen worden. De overige bebouwing is ongeschikt voor huismussen door het ontbreken van een (geschikte) ruimte tussen de dakbekleding en het dakbeschot.
De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De kantpannen en nokpannen van de woning (gebouw 1) kieren onvoldoende om een functie als invliegopening voor gierzwaluwen te vervullen.
10
De overige bebouwing is op voorhand ongeschikt voor gierzwaluwen wegens een ongeschikte verblijfsruimte, beperkte hoogte en/of ontoegankelijkheid. Tevens is de planlocatie gelegen in het buitengebied en maken gierzwaluwen weinig gebruik van verspreide bebouwing. Deze koloniebroeders vereisen een hoog aantal geschikte verblijfplaatsen in de nabije omgeving, en dat is in het buitengebied veelal niet aanwezig. Wegens bovengenoemde redenen is het uitgesloten dat de bebouwing een functie vervult voor gierzwaluwen. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op gierzwaluwen zijn uitgesloten. In de kapschuur (gebouw 4) zijn braakballen en krijtsporen van een kerkuil aangetroffen (figuur 6). Het aantal braakballen betrof circa 6. Gezien het aantal braakballen en de locatie op twee verschillende plekken in de schuur, kan niet op voorhand uitgesloten worden dat deze schuur een functie vervult als vaste rustplaats van uilen. Om vast te stellen of uilen daadwerkelijk gebruik maken van de planlocatie, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden (zie Vervolgstappen). De kapschuur is tevens geschikt voor steenuil. Ondanks ontbreken van sporen zal deze soort volledigheidshalve meegenomen worden in het aanvullend onderzoek.
Figuur 6
Braakballen en krijtsporen van een kerkuil in gebouw 4.
Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogelsoorten. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
11
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland of de Groene contour. Op een afstand van circa 8 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Kolland & Overlangbroek’ (figuur 7). Op een afstand van circa 80 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 8). Op een afstand van circa 530 m ligt de Groene contour (figuur 9).
12
Figuur 7
De planlocatie ligt op een afstand van circa 8 km tot het Natura 2000-gebied ‘Kolland & Overlangbroek’ (bron: natura2000.eea.europa.eu).
Figuur 8
De planlocatie ligt op een afstand van circa 80 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl).
Figuur 9
De planlocatie ligt op een afstand van circa 530 m tot de Groene contour (bron: ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en de Groene contour geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van alle bebouwing en de realisatie van 3 woningen met bijgebouw. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.
Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien er sprake is van een grote afstand (8 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
13
Beoordeling (c) houtopstanden Binnen de beoogde ontwikkeling wordt één boom gekapt. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
14
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie vervult mogelijk een essentiële functie voor vleermuizen, huismussen, kerkuil en steenuil. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of de Groene contour. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en ‘nee, tenzij’-toets zijn niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep Beschermings- Soortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels Huismus Kerkuil Steenuil
15
Artikel 3.5
Artikel 3.1 Artikel 3.1 Artikel 3.1
Nee Nee Ja Nee Nee Nee Nee
Ja Ja Ja
Verblijfplaatsen
Nestlocaties/foerageergebied Rustplaatsen Rustplaatsen
Tabel 3
Overzicht van de potentie voor verblijfplaatsen van de verschillende vleermuissoorten (soortenbescherming) en essentiële vliegroute en/of foerageergebied. Vleermuissoort Potentie Boom Gebouw Onderbouwing bewonend bewonend Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
(Massa)winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Ja
Ja
Ja
Laatvlieger
Ja
Nee
Ja
Meervleermuis
Nee
Nee
Ja
Watervleermuis
Nee
Ja
Nee
Franjestaart
Ja
Ja
Nee
Gewone grootoorvleermuis Rosse vleermuis
Ja Ja
Ja Ja
Ja Nee
Tweekleurige vleermuis
Nee
Nee
Ja
Vleermuizen algemeen Essentiele vliegroute
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Essentieel foerageergebied
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Geschikte openingen in bebouwing Hoge bebouwing met bufferende vermogen Geschikte openingen in bebouwing Geschikte openingen van voldoende grootte in bebouwing Afwezigheid verspreidingsgegevens Afwezigheid verspreidingsgegevens Aanwezigheid boomholte(s) met voldoende inrotting Ligging in agrarisch gebied Aanwezigheid boomholte(s) met voldoende inrotting Afwezigheid van zeer hoge bebouwing
Geen aantasting van lijnvormige structuren Geen aantasting van houtopstanden met struweel en oppervlaktewater
Tabel 4 Overzicht van de aanwezige potentie per vleermuissoort en per type verblijfplaats. Vleermuissoort Zomer Kraam Paar Winter Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Franjestaart Gewone grootoorvleermuis Rosse vleermuis Laatvlieger
Tabel 5
Ja Nee Ja Ja Ja Ja
Ja Ja Nee Ja Ja Ja
Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van Gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
8 km
Geen
N.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
80 m
Geen
N.v.t.
Groene contour
530 m
Geen
N.v.t.
Tabel 6
16
Ja Ja Ja ja Ja Ja
Overzicht van beschermde Houtopstanden.
Houtopstanden
Aanwezig
Kap
Melding
Struiken
Ja
Ja
N.v.t.
Bomen
Ja
Ja
N.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen, huismussen, kerkuil en steenuilen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus en uilen: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd).
Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie Het saneren van alle bebouwing aan de Ringelpoel 15 en 17 te Woudenberg en de realisatie van 3 woningen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni (met een tussenperiode van 10 dagen tussen de veldbezoeken), conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). Een technische inspectie kan worden uitgevoerd middels het inspecteren van de dakruimte. Buiten het broedseizoen kan dit tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat er geen onderscheid gemaakt kan worden tussen oud nestmateriaal en recentelijk gebruikte nesten. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar nestlocaties, rustplaatsen én leefgebied van de kerkuil en steenuil uitgevoerd te worden. Aanvullend onderzoek dient uitgevoerd worden in de periode februari t/m half oktober middels 3 veldbezoeken. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen 3 rondes in het voorjaar en 2 in het najaar plaats te vinden.
De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 4 uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute.
17
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a.
op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
18
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Levendbarende hagedis Zootoca vivipara, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Zandhagedis Lacerta agilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita (voorheen Bufo calamita), versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl
19
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. ing. D. de Boer Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
20
Bijlage 1 Fotografische impressie
21
Figuur 1
Gebouw 1 zal gesaneerd worden.
Figuur 2
Gebouw 2 zal gesaneerd worden.
22
Figuur 3
Gebouw 3 zal gesaneerd worden.
Figuur 4
Gebouw 4 zal gesaneerd worden.
23
Figuur 5
Gebouw 5 zal gesaneerd worden.
Figuur 6
Gebouw 6 zal gesaneerd worden.
24
Figuur 7
Gebouw 7 zal gesaneerd worden.
Figuur 8
Gebouw 8 (voor) en 9 (achter) zullen gesaneerd worden.
Figuur 9 Gebouw 10 zal gesaneerd worden.
25
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
26
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b
27
ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b). Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
28