CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

02. RB Integrale verordening Sociaal Domein 2022.pdf

Raadscommissie 7 december 2021, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 12: Verordening Sociaal Domein43.203 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Deze berekeningswijze is leidend voor het college bij de berekening van tarieven, welke zijn gebaseerd op de tarieven zoals zijn voortgekomen uit de inkoop bij de diverse zorgaanbieders. Jaarlijks stelt het college een Financieel Besluit vast waarin per voorziening de maximale pgb tarieven worden vastgelegd. Wat betreft het met een pgb inkopen van diensten is het uitgangspunt is dat bij een professional in dienst van een zorgaanbieder een percentage van 90% wordt gehanteerd. Bij de professional die werkzaam is als zelfstandige en/of die een arbeidsovereenkomst heeft met de pgb-houder wordt een percentage van 75% aangehouden. Het is ook mogelijk dat vanuit het pgb diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen worden betrokken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Deze persoon hanteert hiervoor een tarief van 50% van het [laagste] toepasselijke tarief per uur of resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder. Bovendien mogen er geen tussenpersonen of belangenbehartigers uit het pgb betaald worden. Vanaf 1 mei 2019 zullen alle personen die vanuit een overeenkomst van opdracht werken en betaald worden uit een persoonsgebonden budget (pgb), of minimaal het minimumuurloon moeten krijgen, of gebruik moeten gaan maken van een nieuwe regeling, met de zogenaamde ‘verklaring’.

Nog niet alle budgethouders betalen nu het wettelijk minimumloon. Het gaat om de budgethouders die nog tot 1 mei 2019 in de uitzonderingscategorie vallen. De nieuwe ministeriële regeling ‘Hulp uit sociaal Netwerk’ maakt het per 1 mei 2019 mogelijk om betalingen uit een pgb te doen in die situaties waar geen sprake is van een arbeidsrelatie (en er dus geen sprake is van een overeenkomst). Het gaat om hulp in familieverband, burenhulp of vriendendienst. Deze betalingen hoeven dan niet aan het wettelijk minimumloon te voldoen. In artikel 10 lid 7 onder d. is nu de mogelijkheid van zo’n soort betaling opgenomen. Het maximum standaardbedrag is € 141,-- per maand. In de verordening is aangegeven wat onder geïndiceerde diensten wordt verstaan waar het gaat om de Wmo en de Jeugdwet (art. 10.5 lid 5). Jaarlijks stelt het college een Financieel Besluit vast waarbij in ieder geval voor deze diensten een tarief wordt vastgesteld dat is gebaseerd op de inkoop tarieven zoals die zijn overeengekomen. Naast het Financieel Besluit zijn er ook de nadere regels sociaal domein, welke ook door het college worden vastgesteld. Deze regels bevatten een volledige opsomming van alle diensten die zijn ingekocht in het kader van de Wmo en Jeugdwet. Voor vervoers- en woonvoorzieningen geldt dat het pgb in ieder geval niet meer bedraagt

46

dan het bedrag dat het college zelf verschuldigd zou zijn. Dit is in overeenstemming met artikel 2.3.6, vijfde lid onder a, van de wet (vergelijk ook CRVB:2012:BX8897). Voor individueel (rolstoel)taxivervoer stelt het college normbedragen vast (artikel 10.5 lid 8). Daarvan kan overigens worden afgeweken als de omstandigheden daarvoor aanleiding geven, het gaat om maatwerk. Verder kan het college een pgb vaststellen op basis van de goedkoopste offerte zodat de hoogte van het pgb op objectieve wijze kan worden vastgesteld. Het kan gaan om een offerte die het college zelf opvraagt, maar ook een offerte die de cliënt zelf aan het college overhandigt. In het artikel 10.5 lid 12 en 13 gaat het over beschermd wonen waarvan de uitvoering ligt bij de centrumgemeente Amersfoort. De indicatie voor beschermd wonen wordt echter wel door de gemeente zelf afgegeven en bestaat, naast de beschermende woonomgeving (het noodzakelijke verblijf) uit niveaus van bijbehorende noodzakelijke ondersteuning. Bij het stellen van de indicatie wordt bepaald waar de cliënt op is aangewezen. Het kan voor komen dat de cliënt in aanmerking komt voor een pgb, als wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. Wordt het pgb besteed aan een accommodatie die voldoet aan de daaraan gestelde eisen, dan kan het zijn dat de hoogte van het pgb niet toereikend is.

In het verleden kon een (aanvullend) pgb worden verstrekt in de vorm van een woontiatieventoeslag. Per 2021 vervalt de wooninitiatieventoeslag als een lokaal te beschikken toeslag. Centrumgemeente Amersfoort gaat deze bekostiging voortaan regelen via een subsidie vanuit het centrumgemeentebudget. Deze cliënten zijn doorgaans zelf kosten verschuldigd die te maken hebben met de beschermende woonomgeving, zoals woonkosten. Deze wooninitiatieventoeslag is bestemd voor kosten die gemaakt moeten worden voor het organiseren van de ondersteuning van pgb-houders, de gemeenschappelijke ruimte en infrastructuur in het kader van doelmatige ondersteuning. Daarbij geldt vanzelfsprekend dat deze kosten niet gefinancierd kunnen worden uit het pgb of andere voorliggende oplossingen of voorzieningen. Deze regeling wordt door de centrumgemeente uitgevoerd.

Artikel 11. Opschorting, beëindiging Er wordt gesproken van beëindiging als de inwerkingtreding van het besluit ingaat vanaf het heden of naar de toekomst toe. Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot een herziening/intrekking, geen terugwerkende kracht. Er worden voorbeelden genoemd wanneer het college kan overgaan tot beëindiging van de maatwerkvoorziening dan wel pgb. Afhankelijk van de individuele situatie is het college bevoegd om de inzet van een maatwerkvoorziening tijdelijk op te schorten. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarvan (nog) niet duidelijk is of het beëindigen van de maatwerkvoorziening wel op z’n plaats is. Opgemerkt wordt dat de SVB bevoegd is tot onder meer opschorting van de betalingen uit het pgb. Artikel 11a. Opschorting betaling uit het pgb In bepaalde gevallen is opschorting van een betaling uit een pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Door opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Het is aan de SVB om te beslissen over te gaan tot opschorting. Dit kan echter ook op verzoek van het college, mits dit met de toepassing van bij de verordening gestelde regels gebeurt.

Echter het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb, Daarvoor is nu lid twee opgenomen. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek conform artikel 6:3 van de Awb: voorbereiding op eventueel intrekken of herzien.

47

Artikel 11.b Herziening of intrekking Voor de cliënt geldt een wettelijke plicht op grond van artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en 2.3.8 van de wet maatschappelijke ondersteuning tot het desgevraagd of onverwijld mededeling doen van feiten of omstandigheden die van belang zijn voor de voortzetting van het recht op een maat-werkvoorziening dan wel pgb. Sinds 1 augustus 2016 geldt deze verplichting (in geval van een pgb) ook jegens de SVB. Het (deels) ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden, wordt herzien/intrekken genoemd. Evenwel informeert het college cliënten of hun vertegenwoordiger hierover in begrijpelijke bewoordingen en geeft daarbij ook aan wat de consequenties zijn van het niet nakomen van deze plicht. Herziening/intrekking van het bedoelde besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden, waarbij de aanspraak afwijkend wordt vastgesteld of er in het geheel geen aanspraak heeft bestaan. Een reden om tot herziening of intrekking over te gaan heeft te maken van het verstrekken van onjuiste inlichtingen die tot een andere besluit zou hebben geleid indien de cliënt wel de juiste inlichtingen had verstrekt.

Verder kan het niet of niet volledig voldoen aan de gestelde verplichtingen aan het pgb (hoofdstuk 2, artikel 10 van de verordening) leiden tot herziening of intrekking van het toekenningsbesluit. In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen ten aanzien van cliënten (of in dat artikel bedoelde derden). Namelijk indien de cliënt opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid. Daarmee heeft de wetgever verzuimd om in gevallen waarin anderszins ten onrechte een maatwerkvoorziening wordt verleend of tot een hoog bedrag in de vorm van een pgb is betaald niet kan worden teruggevorderd. Voor die gevallen is een bevoegdheid neergelegd in dit artikel. Uit de uitspraak van de centrale raad van beroep van 17-5-2006, 04-2122 ZW, CRVB:2006:AX5819 kan onder meer worden afgeleid dat in zo’n geval het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de cliënt kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling worden ook de (gemaakte) kosten van een maatwerkvoorziening in natura verstaan.

Daarmee wordt aangesloten bij de wettelijke mogelijkheid van het vorderen van de geldswaarde. Uit de jurisprudentie die onder de Wmo 2007 tot stand is gekomen blijkt dat een terugvorderingsbepaling in de verordening voldoende grondslag biedt om tot terugvordering over te gaan. Of sprake is van onverschuldigde betaling (artikel. 6:203 e.v. van het burgerlijk wetboek) zal in de praktijk geen problemen opleveren, mits het college een herzienings- of intrekkingsbesluit neemt. Dit artikel biedt ook de bevoegdheid om over te gaan tot verrekening. Naast met het oog op de beoordeling van de kwaliteit, dient het college, al dan niet steekproefsgewijs, ook te onderzoeken of de verstrekte maatwerkvoorzieningen in natura en pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt en of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en uit gesprekken met de aanbieder.

Hieraan staat behoefte omdat bij twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 2.3.9 van de wet maatschappelijke ondersteuning onvoldoende houvast biedt. Op grond hiervan kan het college periodiek (ook) onderzoeken of er aanleiding is om een besluit tot verstrekking van een maatwerkvoorziening of toekenning van een pgb te heroverwegen.

48

In lid 2, sub d. is de mogelijkheid opgenomen dat het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 van de wet maatschappelijke ondersteuning en 1.2 van de jeugdwet kan herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat de cliënt langer dan een vier weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Zorgverzekeringswet. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg op basis waarvan het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken. De Wet langdurige zorg is een uitsluitingsgrond voor de Wmo. Dat betekent dat een voorziening op grond van de Wmo herzien en ingetrokken wordt nadat een indicatie op grond van de Wlz is verleend. Dit artikel is niet van toepassing op de Participatiewet, omdat dit al in de Participatiewet zelf is opgenomen. Opschorting, herziening, intrekking en terugvordering is niet mogelijk als iemand niet meewerkt in het kader van een re-integratieverplichting. In dat geval is het wel mogelijk de uitkering af te stemmen (te verlagen) op het gedrag van de cliënt. Artikel 11c. Terugvordering en verrekening van het pgb Intrekking of herziening van een voorziening op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet kan leiden tot ten onrechte of teveel verleende ondersteuning.

Deze bepaling regelt dat het college in dat geval ook bevoegd is de geldswaarde terug te vorderen van de teveel of ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura, dan wel van het teveel of ten onrechte verstrekte pgb. Terugvordering van de geldswaarde is natura is niet geregeld in de wet. Het is daarom van belang deze bepaling op te nemen in de verordening om dit op grond van de Wmo 2015 te kunnen verrekenen, bijvoorbeeld in het geval van een terug te vorderen pgb. Uit CRVB:2006:AX5819 kan onder meer worden afgeleid dat in zo’n geval het ontbreken van een wettelijke bepaling op grond waarvan van de jeugdige en/of ouder(s) kan worden teruggevorderd, niet aan terugvordering in de weg staat, nu (ook) in het publiekrecht als in het algemeen rechtsbewustzijn levend beginsel is aanvaard, dat een zonder rechtsgrond verrichte betaling ongedaan moet worden gemaakt. Onder een zonder rechtsgrond verrichte betaling worden ook de (gemaakte) kosten van een maatwerkvoorziening in natura verstaan. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. De bevoegdheid tot terugvordering betreft een kan-bepaling. Hoewel daarvoor rechtvaardiging kan worden gevonden zal het college bij de toepassing hiervan een afweging moeten maken tussen de bij het te nemen besluit betrokken belangen.

Er kunnen verschillende redenen zijn waardoor de cliënt de voorziening niet meer nodig heeft of deze overbodig wordt. De voorziening kan dan om redenen van duurzaamheid, voorkomen dat voorzieningen die het milieu kunnen belasten niet juist worden afgevoerd, of vanwege het bestaan van een restwaarde door de gemeente in overleg met de cliënt of dienst vertegenwoordiger opgehaald worden. Mocht cliënt of diens vertegenwoordiger de voorziening hebben verkocht dan kan de restwaarde van de desbetreffende voorziening teruggevraagd worden of worden verrekend met een eventueel nieuw toe te kennen pgb. Het college kan het geld wat een zorgverlener ten onrechte uitbetaald heeft gekregen middels het derdenbeding direct terugvorderen. Dit kan alleen als uit het onderzoek van het college blijkt dat de onterechte betaling is veroorzaakt door toerekenbaar handelen van die zorgverlener. De terugvordering is mogelijk wanneer aan de volgende voorwaarden voldaan is: a. het college moet het pgb hebben ingetrokken en b. de intrekking moet het gevolg zijn van het uit onderzoek gebleken toerekenbaar handelen van de aanbieder. Artikel 11d. Fraudepreventie en controle

49

De gemeenteraad is verplicht om bij verordening regels vast te stellen voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Diverse bepalingen in dat kader zijn overigens ook ondergebracht in andere artikelen van deze verordening. De Jeugdwet bevat geen wettelijke verplichting om een toezichthouder aan te wijzen, maar sluit deze mogelijkheid ook niet uit. Met deze bepaling in de verordening wordt hiervoor een grondslag geboden. De aan te wijzen toezichthouder handelt op basis van de bestuursrechtelijke bevoegdheden. Deze zijn vastgelegd in de artikelen 5:11 tot en met 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht. Het toezicht betreft de uitvoering van de wet (de rechtmatigheid). Het toezicht op de kwaliteit van de wet is door de Minister belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en de Inspectie Veiligheid en Justitie (IVenJ).

Hoofdstuk 3

Voorzieningen

Artikel 12 Algemene voorzieningen In de verordening is onderscheid gemaakt tussen algemene- (vrij-toegankelijke) en maatwerk(niet vrij-toegankelijke) voorzieningen. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een algemene (vrij-toegankelijke) voorziening. Hier kunnen de cliënten gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. Artikel 12 t/m 15 Deze artikelen geven een beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente op grond van de verschillende wetten, respectievelijk Jeugdwet, Wmo 2015, Participatiewet en IOAW/IOAZ. Artikel 13. Vormen van jeugdhulp In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd: 1°. ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen; 2°.

het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en 3°. het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht. Dit artikel geeft een nadere uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt over de door het college te verlenen maatwerkvoorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen. Uit de memorie van toelichting op de wet (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3) komt naar voren dat de burger recht heeft op een duidelijk beeld van het aanbod van voorzieningen binnen de gemeente.

50

Het begrip 'voorziening' binnen de Jeugdwet is een lastig te vatten begrip. De wetgever waagt zich dan ook niet aan een definitie, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een maatwerk voorziening. Een maatwerkvoorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij-toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrijtoegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente of door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige en/of zijn ouder(s) deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben. Voorzieningen in de zin van de Jeugdwet zijn gerelateerd aan de drieledige wettelijke definitie van jeugdhulp (zie vorige pagina). Een voorziening kan derhalve een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten. Een beschrijving is gewenst omdat de wetgever gemeenten opdraagt ervoor te zorgen dat de burger zich een beeld kan vormen van de voorzieningen in het kader van jeugdhulp. In deze verordening worden de algemene categorieën genoemd. Vanwege de transformatie zullen vormen van jeugdhulp aan verandering onderhevig zijn. In nadere regels wordt dit uitgewerkt en ter besluitvorming aan college voorgelegd. Artikel 14.

Vormen van Wmo Dit artikel spreekt voor zich Artikel 15. Maatwerkvoorzieningen: vormen Participatiewet en IOAW/IOAZ Met het eerste lid wordt benadrukt dat ondersteuning ook eenvoudigweg kan bestaan uit praktische hulp, advies of doorverwijzing naar andere organisaties. Er hoeft niet per definitie sprake te zijn van de inzet van een instrument of voorziening. Re-integratie-instrumenten worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is. Re-integratie moet bovendien de kortste weg naar arbeid zijn. De voorzieningen onder a tot en met g worden afzonderlijk uitgewerkt in het hoofdstuk Participatiewet. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling een limitatieve lijst van inzetbare voorzieningen/instrumenten op te nemen. Immers, reintegratie is maatwerk, en het op voorhand beperken van instrumenten kan er in het individuele geval toe leiden dat geen werk aanvaard kan worden. Dat wordt voorkomen met onderdeel i. Bij onderdeel j kan worden gedacht aan reiskosten die het normale maatschappelijk verkeer te boven gaan, bedrijfskleding, kinderopvang etc.

Artikel 16. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet en Wmo, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt), door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet –artikel 2.6.4, eerste lid, van de Wmo ). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, ondersteuning op grond van de Wmo , kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet- artikel 2.6.6 van de Wmo 2015). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het

51

vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Artikel 17. Klachtregeling De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (art. 3.2, eerste lid, onder a, van de wet). Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.

Hoofdstuk 4

Specifieke bepalingen Jeugdwet

Toeleiding naar de jeugdhulp niet via de gemeente De toeleiding naar maatwerkvoorzieningen jeugdhulp kan naast de toegang via de gemeente ook op andere manieren plaatsvinden. Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist De Jeugdwet regelt dat de jeugdhulp ook toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige en/of zijn ouder(s) precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien toe op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket.

Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is (zie hoofdstuk 3). Omdat de gemeente verder geen nadrukkelijke rol speelt in bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist, regelt deze slechts een enkel aspect met betrekking tot het proces (zie artikel 17). Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting

52

Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezagsbeëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren.

Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. Toegang via Veilig thuis(voorheen advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling) Tenslotte vormt ook Veilig Thuis een toegang tot jeugdhulp. Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt voor zover nodig op basis van een melding of er sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Deze toegang is al in de Jeugdwet geregeld en komt niet terug in deze verordening.

Hoofdstuk 5

Specifieke bepalingen Wmo

Artikel 20.a Primaat en kortdurende maatschappelijke ondersteuning De hoofdregel volgens de verordening is dat het primaat van de collectieve maatwerkvoorziening geldt, zoals de Regiotaxi. Bij de beoordeling of het primaat kan worden toegepast wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van de cliënt. Het primaat van de Regiotaxi was al bekend (en toegestaan in de jurisprudentie) onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de Wmo 2007. Het spreekt voor zich dat het college zich wel op het standpunt moet kunnen stellen dat een collectieve verstrekking een passende bijdrage levert aan de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt. Ook is het zo dat de maatwerkvoorziening voor een kortdurende periode kan worden verleend. De maatwerkvoorziening kan mogelijk ontwikkelingsgericht ingezet worden hetgeen aansluit bij de bedoeling van de wetgever. Met ontwikkelingsgerichte ondersteuning wordt beoogd de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt te versterken en/of verbeteren. Dat is (indirect) ook het geval als tijdelijk een maatwerkvoorziening wordt verleend omdat degene van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd dat (nog) niet kan maar dat wel kan leren. Onder het bepaalde in dit artikel kan ook toeleiding naar algemene voorzieningen

53

of voorliggende voorzieningen worden verstaan. Denk bijvoorbeeld aan de toeleiding naar de zorg of diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw).

Artikel 20.b Specifieke criteria maatwerkvoorzieningen Lid 1 onder a In dit artikel is bepaald dat de maatwerkvoorziening de cliënt in aanvaardbare mate in staat moet stellen tot zelfredzaamheid en participatie. Het begrip ‘zelfredzaamheid’ bevat twee elementen: 1. het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen; 2. het voeren van een gestructureerd huishouden. Het begrip wordt gebruikt om te bepalen in hoeverre iemand zelfredzaam is. Bij ‘participatie’ gaat het om het deelnemen aan het maatschappelijke verkeer, dit wil zeggen dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, op gelijke voet met anderen in redelijke mate mensen kan ontmoeten, contacten kan onderhouden, boodschappen kan doen en aan maatschappelijke activiteiten kan deelnemen. Daarvoor is het ook een vereiste dat de cliënt zich kan verplaatsen. Denk in dit geval aan de mogelijkheid van het verlenen van een vervoersvoorziening (zie artikel 14 van de verordening). In welke mate iemand zelfredzaam moet kunnen zijn en kan participeren is niet in de wet bepaald omdat het mede afhankelijk is van de individuele situatie van de cliënt, het gaat om maatwerk. De wet schrijft dan ook voor dat de maatwerkwerkvoorziening daar een passende bijdrage aan moet leveren. Wat passend is, is strikt genomen een open norm die slechts in beperkte mate in de verordening is ingekaderd.

De verplichting om een maatwerkvoorziening te verstrekken, gaat echter niet zo ver dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning dient in een redelijke verhouding te staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had. In het artikel is daarom toegevoegd dat het in het algemeen om een aanvaardbaar niveau moet gaan. Tevens is opgenomen dat de maatwerkvoorziening wordt verleend mede met het oog op het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven (wonen). Dit kan alleen van het college worden gevergd als dat ook op een verantwoorde wijze mogelijk is. Dat wil zeggen dat sprake moet zijn van op maatschappelijke participatie gerichte ondersteuning waarbij de mate van zorgbehoefte in ogenschouw wordt genomen. Deze toevoeging heeft te maken met de mogelijke aanspraak op toegang tot de Wet langdurige zorg (Wlz). De Wmo is bedoeld voor structurele ondersteuning. Kortdurende ondersteuning kan worden geboden vanuit andere wetgeving of het eigen netwerk.

Lid 1 onder b Het college is in voorkomende gevallen slechts gehouden de naar objectieve maatstaven gemeten goedkoopst passende bijdrage te bieden. Deze voorwaarde komt overeen met de ‘goedkoopst compenserende voorziening’ zoals onder de Wmo 2007 wordt gehanteerd. Maatwerkvoorzieningen die kostenverhogend werken zonder dat zij de maatwerkvoorziening passender maken, komen in principe niet voor toekenning in aanmerking. Het college moet zich wel op het standpunt kunnen stellen dat de beoogde maatwerkvoorziening als passende bijdrage kan worden gekwalificeerd. Lid 1 onder c Omdat een maatwerkvoorziening een maatwerkvoorziening is, spreekt het voor zich dat deze ook in overwegende mate op de cliënt gericht is. Het is echter niet uitgesloten dat

54

tijdelijke ondersteuning aan huisgenoten en/of het sociale netwerk van de cliënt ook tot de mogelijkheden behoort, mits de ondersteuning zoals gezegd in overwegende mate op de cliënt is gericht. De maatwerkvoorziening beoogt aldus de cliënt zelf passend te ondersteunen, rekening houdend met wat hij verder al heeft of mogelijk zou kunnen krijgen aan ondersteuning. Lid 1 onder d De Wmo 2015 kent, in tegenstelling tot de Wmo 2007, geen specifieke bepaling waarin het college in ieder geval niet gehouden is een maatwerkvoorziening te verlenen. Echter valt niet in te zien waarom het college gehouden is een maatwerkvoorziening te verlenen indien een andere wettelijke regeling kan voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Vanwege het ontbreken van een generieke weigeringsgrond lijkt de Wmo 2015 een complementair karakter te hebben. Echter de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt speelt in de Wmo 2015 een hele belangrijke rol. Dat brengt mee dat het in principe onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt valt een beroep te doen op een ‘andere wettelijke regeling’ die een aanspraak meebrengt met het oog op de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning.

Denk aan het afsluiten van en/of gebruik te maken van een aanvullende zorgverzekering (vergelijk uitspraak centrale raad van beroep, 28-9-2011, 10-2587 Wmo, CRVB:2011:BT7241 en uitspraak centrale raad van beroep, 22-5-2013, 10-6782 Wmo, CRVB:2013:CA1427), ook al is die niet in alle gevallen dekkend. Daaronder valt ook de inzet van gelden uit een dergelijke aanspraak met het oog op een specifieke bestemming. Lid 2 onder a In de lijn met de jurisprudentie die onder de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en Wmo 2007 tot stand is gekomen is het college ook onder de Wmo 2015 niet gehouden voorzieningen te verlenen die voor de cliënt als algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen (vergelijk uitspraken centrale raad van beroep CRVB:2009:BK5657, CRVB:2010:BN1265, CRVB:2015:87 en RBSGR:2011:BQ5651). Verwezen wordt naar de begripsbepaling in de verordening. Deze bepaling heeft dan ook als doel te voorkomen dat een voorziening wordt verstrekt waarvan, gelet op de omstandigheden van de cliënt met beperkingen, aannemelijk is dat deze daarover zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Een voorziening is algemeen gebruikelijk als deze: 1. normaal in de handel verkrijgbaar is; en 2. niet specifiek is bedoeld voor mensen met beperkingen; en 3. niet substantieel duurder is dan vergelijkbare producten; en 4.

financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau. De persoon als de cliënt Een vierde vraag is aan het college te beoordelen. Namelijk of op het moment van de aanvraag sprake is van een voorziening die naar geldende maatschappelijke opvattingen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de cliënt (aanvrager) behoort. Hierbij is het inkomen in principe niet van belang (vergelijk uitspraak rechtbank Arnhem, 16-8-2012, zk. nmr AWB 11/5564, RBARN:2012:BX8032). Dit betreft een abstracte toets, die los staat van het werkelijke inkomen van de aanvrager (zie ECLI:NL:RBGEL:2020:1711). De financiële mogelijkheden van de aanvrager zijn, gelet op de huidige stand van de jurisprudentie van de CRvB, niet relevant voor de beoordeling van het begrip ‘algemeen gebruikelijk’. Wat moet precies verstaan worden onder een 'inkomen op minimumniveau'? De jurisprudentie op dit punt is nog niet uitgekristalliseerd (zie CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3690) en ECLI:NL:RBDHA:2021:2084. Wij gaan ervan uit dat het bij

55

een inkomen op minimumniveau om bijstandsniveau gaat. Om te bepalen wat financieel draagbaar wordt geacht met een inkomen op bijstandsniveau sluiten wij aan bij reserveringscapaciteit van 5% van de bijstandsnorm (in overeenstemming met wat de reserveringscapaciteit op bijstandsniveau volgens Nibud is), ongeacht of de aanvrager zelf een minimuminkomen heeft. Bij algemeen gebruikelijk sluit het college aan bij het uitgangspunt zoals bij alle materiële voorzieningen geldt, de circulariteitsprincipe. Alles wat tweedehands gebruikt kan worden heeft voorkeur.

Lid 2 onder b Als de beoordeling van de aanvraag betrekking heeft op reeds eerder in het kader van deze of hieraan voorafgaande verordeningen is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn daarvan nog niet is verstreken, dan wordt de aanvraag afgewezen. Als deze voorziening nog voldoende ondersteuning biedt en technisch nog niet is afgeschreven, dan komt de cliënt niet opnieuw in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. De noodzaak is dan niet aanwezig. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt als de eerder vergoede of versterkte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten. Hieronder wordt ook verstaan het risico dat verzekerd kan worden met bijvoorbeeld de opstalverzekering. Verder wordt van de cliënt die een voorziening meeneemt op vakantie naar het buitenland verwacht dat daarvoor een adequate verzekering wordt afgesloten in geval van schade of verlies. Voor zover een derde verantwoordelijk kan worden geacht voor de schade, zal de cliënt deze derde aansprakelijk moeten stellen. Dat valt onder de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt.

Lid 2 onder c Met het oog op te verlenen maatwerkvoorzieningen mag het college ook rekening houden met redelijkerwijs te vergen medewerking van de cliënt, diens huisgenoten, zijn mantelzorger of aanbieder of van anderen uit diens sociale netwerk. Op voorhand kan niet worden gesteld wanneer daarvan sprake is, dat is afhankelijk van de individuele situatie. Te denken valt aan het reorganiseren van taken in het huishouden opdat geen (volledige) aanpassing van de keuken nodig is. Ook kan bijvoorbeeld worden gevergd dat de woning anders wordt ingericht of het huishouden anders wordt georganiseerd opdat geen woonvoorziening hoeft te worden verleend (vergelijk uitspraak centrale raad van beroep, 1-6-2011, zk.nmr 10-1031 wmo, CRVB:2011:BQ8290). Er zijn uiteraard meer voorbeelden denkbaar. Lid 2 onder d Hoewel de wet geen generieke weigeringsgrond kent, behoort het evenwel tot de eigen verantwoordelijkheid van cliënt die een melding doet of een aanvraagt indient om naar volle vermogen een beroep te doen op andere wettelijke aanspraken die tot het hetzelfde resultaat leiden. Dat geldt ook voor het besteden van middelen die met eenzelfde doel kunnen worden verleend. Het college beoordeelt of hier sprake van kan zijn. Artikel 21.

Regels voor bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen Voor een algemene voorziening waarbij geen sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie mag de gemeente de hoogte van de eigen bijdrage zelf bepalen tot maximaal de kostprijs. De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet), een bij verordening aangewezen algemene voorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet) en een algemene voorziening (artikel 2.1.4, zesde

56

lid, van de wet). Dat kan op drie manieren en deze zijn vastgelegd in de artikelen 21 en 22. Artikel 22. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s Als hoofdregel geldt dat een bijdrage in de kosten is verschuldigd. In tegenstelling tot de Wmo 2007 biedt de Wmo 2015 de mogelijkheid een bijdrage te vragen indien een woningaanpassing (in natura of als pgb) wordt verleend ten behoeve van een minderjarige. Voor de hoogte van de bijdrage wordt vanzelfsprekend aansluiting gezocht bij het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Het derde lid geeft het college de bevoegdheid om nadere regels te stellen waaronder begrepen het bepaalde in dit lid. Gelet op de nagenoeg identieke redactie van de toepasselijke regelgeving (wet en algemene maatregel van bestuur) op grond van de Wmo 2007 en de Wmo 2015 wordt aangenomen dat de aard van de bevoegdheid zich niet verzet tegen de opdracht tot nadere regelgeving aan het college (vergelijk uitspraak centrale raad van beroep, 17-11-2010, zk.nmr 08/5873 Wmo + 08/6006 Wmo + 08/6008 Wmo CRVB:2010:BO6880 en uitspraak centrale raad van beroep, 5-6-2013, zk.nmr 10-6227 Wmo, CRVB:2013:CA2989). Alleen voor de bijdrage in de kosten voor algemene voorzieningen ligt dat anders (uitspraak centrale raad van beroep, 18-5-2016, zk.nmr 16-948 Wmo 2015, CRVB:2016:1404).

Vanaf 1 januari 2019 is in artikel 3.7 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bepaald dat de bijdrage niet meer bedraagt dan € 17,50 per bijdrageperiode voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen. Onverwijld blijft natuurlijk dat de kostprijs bepalend blijft voor het totaal van de eigen bijdrage gedurende de looptijd van de voorziening. De bijdrage in kosten voor een maatwerkvoorziening mag niet meer bedragen dan de kostprijs. De cliënt betaalt dus niet meer dan de gemeente verschuldigd is aan kosten voor het verstrekken van de maatwerkvoorziening. De duur van de eigen bijdrage voor een woningaanpassing is gelijk aan de afschrijvingstermijn van de voorziening, mits de aankoopprijs niet is overschreden. Voor de Beschermd wonen geldt artikel 3.7. van het Uitvoeringsbesluit niet. In artikel 3.11 en volgenden is bepaald dat de bijdrage hierin wordt daarbij berekend op basis van het bijdrage plichtig inkomen van de ongehuwde cliënt dan wel van de gehuwde cliënten tezamen. In het nieuw toegevoegde onderdeel c van het vijfde lid van artikel 22 is opgenomen dat de kostprijs van een voorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing ook bepaald wordt door de wijze van verstrekken van de voorziening te weten bruikleen, huur of eigendom. Het is van belang dat de eigen bijdrage van € 19,00 per maand de kostprijs van de voorziening niet te boven mag gaan.

Dit zal zeker bij de voorzieningen waar een dienst wordt geleverd nooit het geval zijn. Het zou wel kunnen voorkomen bij een hulpmiddel of woningaanpassing. Wanneer deze in eigendom wordt verstrekt, kan er een moment komen dat de kostprijs is betaald. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs. De gemeente mag voor die voorziening dan geen eigen bijdrage meer heffen. Wanneer de voorziening in bruikleen of huur is verstrekt, kan de eigen bijdrage worden geheven zolang de cliënt van de voorziening gebruik maakt Lid 8: Onder a Sportvoorziening: Het college kan een cliënt vragen deel te nemen aan een sport om participatie mogelijk te maken. Op die manier bereikt het college dat een cliënt anderen ontmoet en daarmee sociale verbanden aan kan gaan. Het gaat hier daarom niet

57

om het sporten maar om het mee kunnen doen. De cliënt zal voor het leggen van contacten grotendeels afhankelijk moeten zijn van sporten. Onder b Bezoekbaar - / logeerbaar maken: Dit betreft een voorziening ten behoeve van een kind dat in een Wlz instelling verblijft. Voor voorzieningen ten behoeve van kinderen onder de 18 jaar geldt geen eigen bijdrage. Onder C Tijdelijke huisvesting: Er is geen eigen bijdrage verschuldigd voor tijdelijke huisvesting. In uitzonderlijke situaties kan een vergoeding worden geboden voor tijdelijke dubbele woonlasten, bijvoorbeeld wanneer cliënt gedurende de uitvoering van de woningaanpassing niet in de eigen woning kan wonen. Onder d Huurderving: De huurderving wordt maximaal zes maanden aan de woningcorporaties betaald om een aangepaste woning of een 0-treden woning enige tijd beschikbaar te stellen voor cliënten die door het college verzocht worden om te gaan verhuizen van een niet adequate woning naar een adequate woning. Dit is geen betaling aan een cliënt en valt daarom niet onder de eigen bijdrage. Onder e Verwijderen woonvoorziening: Na het beëindigen van een indicatie voor een woonvoorziening verwijdert het college deze. Een woonvoorziening kan in bruikleen zijn geweest of herbruikbaar zijn. Ook kan van verwijderen sprake zijn om de woning weer in de originele staat te brengen voor de volgende bewoner.

Daarbij draagt het college zorg voor een nette afwerking. Hiervoor is geen eigen bijdrage verschuldigd. Onder f Woonsanering: Alleen als er sprake is van onverwachte kosten is er sprake van woonsanering voor de vervanging van zaken zoals gordijnen en vloerbedekking, bijvoorbeeld wegens allergieën of problemen met de luchtwegen. Het is dan niet gepast om eigen bijdrage te heffen waardoor cliënt in financiële problemen kan komen. Onder g Verhuis- en herinrichtingskosten: Er is geen eigen bijdrage verschuldigd voor PGB verhuis- en herinrichtingskosten omdat dit alleen verstrekt wordt op verzoek van het college. De gemeente maakt onderscheid tussen het verhuizen van een niet geschikte woning naar een geschikte woning en het vrijmaken van een reeds aangepaste woning. De verhuis- en herinrichtingskosten wordt als stimulans verstrekt (op verzoek van het college) om te verhuizen naar een reeds aangepaste woning wanneer in de bestaande woning hoge kosten verwacht worden. Hiermee worden dure woningaanpassingen voorkomen. Of als wanneer de persoon voor wie de woning was aangepast, is verhuisd of wanneer een partner is overleden waarvoor de aangepaste woning noodzakelijk was en die aangepaste woning vrij gemaakt kan worden door de achterblijver te stimuleren te verhuizen.

Lid 9: Via een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) krijgt de gemeente de mogelijkheid bepaalde vormen van vervoer uit te zonderen van het abonnementstarief. Voor het collectief vraagafhankelijk vervoer geldt geen eigen bijdrage. Hiervoor geldt een ritbijdrage. Bij verplaatsingen boven 600 zones ontvangt de pashouder geen korting op de bijdrage en betaalt de pashouder en eventuele meereizende het door vervoerder in rekening gebrachte (commerciële) zonetarief.

58

Artikel 23. Criteria financiële tegemoetkoming In dit hoofdstuk van deze verordening zijn regels opgenomen over de bevoegdheid van het college een tegemoetkoming in de meerkosten te verlenen aan de genoemde doelgroep die een beperkte financiële draagkracht heeft. De wet biedt het college geen andere mogelijkheid om forfaitaire bedragen (meerkosten) rechtstreeks aan de cliënt te kunnen uitbetalen. Het betreft een inkomensondersteunende maatregel die in principe naast het verlenen van een maatwerkvoorziening bestaat. Het is echter wel zo dat als het college een maatwerkvoorziening zou (moeten) verlenen, de cliënt daarvoor een bijdrage in de kosten verschuldigd is. De bevoegdheid om een tegemoetkoming meerkosten te verlenen vormt daarom bij uitstek maatwerk in het individuele geval. Een forfaitaire tegemoetkoming kan daarom meer op zijn plaats zijn. De mogelijkheden van het verlenen van een tegemoetkoming meerkosten is verder begrensd tot een aantal kostensoorten. Verder zorgt het derde lid ervoor dat geen dubbele vergoedingen worden verstrekt. Artikel 24. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat onder een maatwerkvoorziening (in natura) ook een financiële tegemoetkoming kan worden verstaan (o.a. CRVB:2018:396).

Eerste lid aanhef en onder a en b Het gaat om tegemoetkomingen in de kosten van het gebruik van eigen auto en verhuiskosten en/of inrichtingskosten die het gevolg zijn van de toepassing van het primaat van verhuizen of het plaatsen van een losse woonunit. Bij het gebruik van eigen auto zal het college rekening houden met de volledige of gedeeltelijke samenvallende vervoersbehoefte van de cliënt en zijn partner. Eerste lid aanhef en onder c Omdat de wet uitgaat van maatwerk kan niet worden uitgesloten dat ook andere kosten dan genoemd onder a en b in aanmerking kunnen komen voor een financiële tegemoetkoming. Het zal in de praktijk gaan om situaties waarin het college geen (volledige) maatwerkvoorziening in natura verleent (lees: hoeft te verlenen) of kan verlenen omdat dit in de uitvoering eenvoudigweg niet mogelijk is. Vergelijk respectievelijk het verlenen van een bruikleenauto of de brandstof voor het gebruik van de eigen auto. Het kan bijvoorbeeld ook voorkomen dat de cliënt stroomkosten heeft die enkel en alleen het gevolg zijn van het gebruik van een maatwerkvoorziening (CRVB:2017:2777). Ook huurderving kan onder dit artikellid vallen. De kosten van het saneren van de woning kunnen ook onder een financiële tegemoetkoming vallen met dien verstande dat de hoogte altijd gebaseerd wordt op een redelijk afschrijfprincipe. Er zijn meer voorbeelden denkbaar.

59

Artikel 25. Kwaliteitseisen De Wmo 2015 maakt de gemeenten integraal verantwoordelijk voor de kwaliteit van de maatschappelijke ondersteuning, de handhaving en het toezicht. De wet bevat een basisnorm voor kwaliteit van voorzieningen die aanbieders direct bindt (zie hoofdstuk 3 van de wet), waaronder begrepen de eisen over de deskundigheid van beroepskrachten. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Die standaarden kunnen als richtinggevend kader voor gemeenten dienen. Uitgangspunt hierbij is dat deze standaarden de benodigde ruimte voor maatwerk, om goed in te kunnen spelen op de situatie van de cliënt, intact laten. In deze verordening is een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Het jaarlijkse verplichte cliëntervaringsonderzoek draagt eraan bij dat het college kan toezien op de kwaliteit. Artikel 26. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen en pgb’s De gemeente Woudenberg heeft op grond van de Wmo 2015 een toezichthoudend ambtenaar aangesteld.

Deze toezichthoudend ambtenaar wordt gevraagd periodiek, al dan niet steekproefgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen met het oog op de behoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan te onderzoeken. Artikel 27. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning De aanbieder is ten aanzien van maatwerkvoorzieningen verplicht een regeling voor medezeggenschap van cliënten vast te stellen over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn. Het gaat om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder (art. 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels aan gemeenten overgelaten. Het college ziet er hoe dan ook op toe dat dit ook daadwerkelijk gebeurt (lid 2).

Artikel 28. Meldingsregeling calamiteiten en geweld maatschappelijke ondersteuning In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het vierde lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Artikel 29. Jaarlijkse waardering mantelzorgers Met de inwerkingtreding van de Wmo 2015 is het mantelzorgcompliment van de rijksoverheid vervallen. In plaats daarvan moet het college zorgdragen voor een jaarlijkse

60

blijk van waardering voor de mantelzorgers van haar cliënten. De wijze waarop is vrij. Gekozen is om een het college de beschikking te geven over een vast bedrag per jaar, zijnde € 5.000, waarvoor zij in overleg met betrokkenen activiteiten ter waardering kunnen ontplooien. Zo kan op de Dag van de mantelzorger een jaarlijkse waardering van de mantelzorgers in Woudenberg worden verzorgd. De invulling van deze dag kan jaarlijks verschillen. De gemeente biedt daarnaast gedurende het jaar nog andere activiteiten aan ter ondersteuning van mantelzorgers. Hiervoor is mantelzorgbeleid opgesteld.

Hoofdstuk 6

Specifieke bepalingen Participatiewet

Paragraaf 6.1 Re-integratie Algemene toelichting De Participatiewet kent vele regels en uitvoeringsbesluiten die vanuit Rijkswege zijn vastgesteld en daarmee lokale invulling van de uitvoering strak in kaderen. Op een aantal onderdelen kan de gemeente eigen beleid stellen. In dit hoofdstuk wordt dit nader ingevuld. De gemeenteraad heeft de opdracht gekregen bij verordening regels stellen waarin het beleid van de gemeente ten aanzien van haar re-integratietaak wordt neergelegd. Hieruit moet onder andere aandacht blijken voor de in de Participatiewet onderscheiden doelgroepen en de daarbinnen te onderscheiden subgroepen. Dit leent zich niet voor het formuleren van gedetailleerde regels die op iedere situatie van toepassing zijn. Immers, re-integratie is maatwerk. Het is volledig afhankelijk van iemands mogelijkheden en beperkingen wat in het concrete geval een passend re-integratietraject is. Daarom wordt aan het college de bevoegdheid gegeven om op een aantal punten eigen afwegingen te maken. Artikel 10 van de Participatiewet bepaalt dat personen uit de doelgroep aanspraak hebben op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en de door het college noodzakelijk geachte voorziening binnen de kaders van de re-integratieverordening. Daarom is ervoor gekozen in de verordening de voorzieningen vast te leggen die het college in ieder geval kan aanbieden.

Regionale afstemming Hoofdstuk 6 paragraaf 1 en 2 (re-integratie en individuele Studietoeslag) is voor een groot deel regionaal opgesteld. Dit is bewust gedaan om binnen de arbeidsmarktregio Amersfoort een eenduidig aanbod aan werkgevers te kunnen doen. Hiermee wordt voorkomen dat werkgevers gaan shoppen bij een gemeente die een royaler aanbod doet. Ook is het qua uitvoering voor het Werkgeverservicepunt efficiënter werken. Artikelsgewijze toelichting Artikel 30. Begrippen Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, IOAW/IOAZ, Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Doelgroep De doelgroep wordt gevormd door personen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Participatiewet. Het betreft:  personen die algemene bijstand ontvangen;

61

    

personen als bedoeld in artikel 34a, vijfde lid onderdelen b en c, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA), artikel 35, vierde lid, onderdelen b en c, van de WIA en artikel 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA tot het moment dat het inkomen uit arbeid in dienstbetrekking gedurende twee aaneengesloten jaren ten minste het minimumloon bedraagt en ten behoeve van die persoon in die twee jaren geen loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 10d van de Participatiewet is verleend; personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van de Participatiewet; personen met een nabestaanden- of wezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (hierna: ANW); personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (hierna: IOAW); personen met een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (hierna: IOAZ); personen zonder uitkering; en, die voor de arbeidsinschakeling zijn aangewezen op een door het college aangeboden voorziening.

Inkomen Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking worden genomen. Aangezien individuele inkomenstoeslag een vorm van bijzondere bijstand is, is het niet nodig expliciet te bepalen dat een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag buiten beschouwing moet worden gelaten bij de vaststelling van het inkomen. Het wordt niet wenselijk geacht een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag in aanmerking te nemen als inkomen, omdat dit het ongewenst effect kan hebben dat een persoon geen recht op een individuele inkomenstoeslag heeft omdat hij een te hoog inkomen heeft gehad in de referteperiode vanwege een eerder verstrekte toeslag. Wat voor een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag geldt, dat geldt ook voor een eerder verstrekte langdurigheidstoeslag op grond van de WWB zoals die luidde vóór 1 januari 2015. Peildatum De peildatum is de dag waarop het recht op individuele inkomenstoeslag is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen (artikel 29 van deze verordening). Deze datum komt meestal overeen met de meldingsdatum.

De peildatum kan in ieder geval niet vóór de dag liggen waarop belanghebbende zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Hiermee is door de gemeenteraad aansluiting gezocht bij artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet.

Referteperiode Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel 54 onder ‘Langdurig’. Bijstandsnorm (nieuwe term toegevoegd) Voor de definitie van het begrip bijstandsnorm kan aansluiting worden gezocht bij artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet: de van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in paragraaf 3.2 van de Participatiewet verminderd met de op de grond van

62

paragraaf 3.3, door het college vastgestelde verlaging. In dat geval moet onder ‘bijstandsnorm’ ook de kostendelersnorm worden geschaard. Bijstandsnorm Onder de ‘bijstandsnorm’ wordt in deze verordening verstaan de in de situatie van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke norm, vermeerderd met toeslagen, en verminderd met verlagingen, alles inclusief vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW of de IOAZ wordt onder bijstandsnorm verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in artikel 5 van de IOAW en artikel 5 van de IOAZ. Benadelingsbedrag Het benadelingsbedrag is de netto-uitkering waarop eerder, langer of tot een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Voor het bepalen van het benadelingsbedrag wordt uitgegaan van het nettobedrag van de uitkering, zoals ook het geval is bij het benadelingsbedrag in het kader van de bestuurlijke boete. 2 Artikel 31. Budget- en subsidieplafonds Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 32. Algemene bepalingen over re-integratievoorzieningen De Participatiewet schrijft niet uitputtend voor welke voorzieningen het college aan moet bieden.

Het enige criterium is dat de voorziening gericht moet zijn op de arbeidsinschakeling en moet bijdragen aan het (op termijn) mogelijk maken van reguliere arbeid door een persoon. Al naar gelang de afstand van een persoon tot de arbeidsmarkt kan een voorziening gericht zijn op bijvoorbeeld sociale activering en het voorkomen van een isolement (zoals het doen van vrijwilligerswerk met behoud van uitkering), het leren van vaardigheden of kennis, of het opdoen van werkervaring (bijvoorbeeld via gesubsidieerd werk). Ook is het mogelijk dat een gemeente in individuele gevallen een persoonsgebonden re-integratiebudget ter beschikking stelt. Beëindigingsgronden Het college kan een voorziening beëindigen in de gevallen zoals opgenomen in artikel 3 van deze verordening. Een voorziening wordt bijvoorbeeld beëindigd als een persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt. Voor de persoon zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a onder 2, van de Participatiewet wordt op dit punt een uitzondering gemaakt. Het gaat om de persoon zoals bedoeld in artikel 34a, vijfde lid, onderdelen b en c, 35, vierde lid, onderdelen b en c en 36, derde lid, onderdelen b en c, van de WIA.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/1226/documents/34154