CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

02. RB concept verordening Sociaal Domein 2021.pdf

Raadscommissie 13 januari 2021, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 11: Integrale verordening sociaal domein Woudenberg 202141.362 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

24

a. Voor zover de mogelijkheid bestaat dat hij op enig moment algemeen geaccepteerde arbeid kan verkrijgen waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening; of b. Gericht op het voorkomen van sociaal isolement. 2. Het college stemt de duur van de in het eerste lid bedoelde activiteiten af op de mogelijkheden en capaciteiten van die persoon. 3. Sociale activering wordt ingezet met zo min mogelijk middelen.

Artikel 36. Scholing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholingstraject aanbieden. 2. Een scholingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. het scholingstraject is noodzakelijk voor de toeleiding naar de arbeidsmarkt, en b. duurt maximaal één jaar. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel a, van de wet.

Artikel 37. Aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt Het college kan ondersteuning aanbieden aan personen, zoals bedoeld in artikel 10f, onder a, van de wet ten aanzien van wie het college van oordeel is dat dit nodig is in het kader van de aansluiting onderwijs – arbeidsmarkt.

Artikel 38. Participatievoorziening beschut werk 1. Het college biedt de voorziening beschut werk aan aan een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en deze persoon: a. behoort tot de doelgroep; of b. een persoon is aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt. 2. Het college realiseert maximaal het aantal bij ministeriële regeling verplicht gestelde beschut werkplekken in dat kalenderjaar, tenzij het college een hoger aantal plekken vaststelt voor dat kalenderjaar. 3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid krijgt een persoon van wie is vastgesteld dat deze alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en die nog niet in aanmerking is gekomen voor een beschut werkplek omdat het aantal bij ministeriële regeling verplicht gestelde beschut werkplekken in één jaar al is gerealiseerd, voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. 4.

Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet het college de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur.

25

5. Voordat een indicatie Beschut Werk wordt aangevraagd bij het UWV, wordt eerst beoordeeld of de inzet van andere voorzieningen en/of het doen van vrijwilligerswerk een passende wijze van participatie is.

Artikel 39. Persoonlijke ondersteuning Aan een persoon die behoort tot de doelgroep kan het college persoonlijke ondersteuning bij het verrichten van de aan die persoon opgedragen taken aanbieden in de vorm van structurele begeleiding als hij zonder persoonlijke ondersteuning niet in staat is de aan hem opgedragen taken te verrichten.

Artikel 40. Proefplaatsing 1. Het college kan een persoon die behoort tot de doelgroep, gedurende maximaal zes maanden bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden laten verrichten met het oog op een reële vaststelling van de loonwaarde. 2. De proefplaatsing is gericht op het verkrijgen van een dienstbetrekking bij de werkgever. De werkgever spreekt bij aanvang van de proefplaatsing de intentie uit om bij gebleken geschiktheid en voldoende werkzaamheden belanghebbende een dienstbetrekking aan te bieden. 3. Met de werkgever en belanghebbende wordt een schriftelijke proefplaatsingsovereenkomst gesloten waarin het doel, de duur en omvang, de taken en verplichtingen, de bijdrage van de werkgever in de kosten en de overige gemaakte afspraken worden vastgelegd. 4. Een proefplaatsing kan niet worden ingezet wanneer voor dezelfde persoon bij dezelfde werkgever een werkervaringsplaats is ingezet.

Artikel 41. Loonkostensubsidie en loonwaarde 1. Het college stelt vast of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. Hierbij neemt het college de volgende criteria in acht: a. een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet, die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen en die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie; of b. een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 10d, tweede lid, van de Participatiewet. 2. Het college stelt de loonwaarde van een belanghebbende vast, indien een werkgever voornemens is met deze persoon een dienstbetrekking aan te gaan. 3. Het college gebruikt de in de bijlage omschreven wijze om de loonwaarde van een persoon vast te stellen. 4. Indien de loonwaarde van een persoon nog niet is vastgesteld, kan het college gedurende maximaal zes maanden een forfaitaire loonkostensubsidie toekennen, indien reeds is vastgesteld dat een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie en de werkgever bereid is de persoon reeds een dienstverband aan te bieden. 5. De forfaitaire loonkostensubsidie bedraagt 50% van het WML tot het moment dat de loonwaarde is vastgesteld.

Vanaf de maand volgend op de vaststelling van de loonwaarde wordt de forfaitaire loonkostensubsidie omgezet naar de definitieve loonkostensubsidie.

26

6. Een dienstverband met forfaitaire loonkostensubsidie kan volgen op een proefplaatsing, indien tijdens de proefplaatsing de vaststelling van de loonwaarde nog niet heeft kunnen plaatsvinden.

Artikel 42. Werkvoorzieningen Het college kan aan de belanghebbende die arbeid verricht of gaat verrichten, werkvoorzieningen toekennen die strekken tot behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid.

Artikel 43. Aanspraak op ondersteuning Personen die behoren tot de doelgroep van de wet hebben recht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling of participatie anderszins en op een naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling of participatie anderszins, indien zij er niet in slagen op eigen kracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, en geen beroep kunnen doen op een andere wettelijke voorziening gericht op arbeidsinschakeling of sociale activering.

Artikel 44. Verplichtingen van de cliënt 1. Een persoon die behoort tot de doelgroep, als bedoeld in de wet, die deelneemt aan een voorziening is gehouden te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de wet en deze verordening, alsmede aan de verplichtingen die het college van burgemeester en wethouders aan de aangeboden voorziening heeft verbonden. 2. Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid, die deelneemt aan een voorziening, niet voldoet aan de in het eerste lid genoemde verplichtingen, dan kan het college diens uitkering of inkomensvoorziening verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Woudenberg 2015. 3. Indien een niet-uitkeringsgerechtigde of een Anw-er, die gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan de in het eerste lid genoemde verplichtingen, dan kan het college van burgemeester en wethouders de kosten van de voorziening geheel of gedeeltelijk verhalen op deze cliënt.

Artikel 45. Inkomstenvrijlating In alle gevallen waarin zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 31 tweede lid onder n van de wet, is sprake van een vrijlating die bijdraagt aan de arbeidsinschakeling.

Paragraaf 6.2 Individuele Studietoeslag Artikel 46. Doelgroep Individuele Studietoeslag 1. Een belanghebbende die behoort tot de doelgroep voor ondersteuning bij de arbeidsinschakeling kan een verzoek, zoals bedoeld in artikel 2, indienen om een Individuele Studietoeslag. Om hiervoor in aanmerking te komen is het vereist dat belanghebbende op de datum van de aanvraag aan de volgende voorwaarden voldoet; de belanghebbende: a. is 18 jaar of ouder;

27

b. heeft recht op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten; c. heeft geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de wet, en d. is een persoon van wie is vastgesteld dat hij door een structurele medische beperking tijdens de studie geen inkomsten kan verwerven; e. woont zelfstandig, waaronder ook verstaan wordt zelfstandig wonen onder begeleiding. 2. Geen recht op studietoelage bestaat als er sprake is van andere inkomsten naast de studiefinanciering.

Artikel 47. Hoogte, duur en uitbetaling van de toeslag 1. De hoogte van de toeslag bedraagt € 100 per maand. 2. De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt, zolang de belanghebbende recht heeft op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of recht heeft op een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten, gedurende maximaal vier jaar. 3. De toeslag wordt maandelijks uitbetaald.

Artikel 48. Nadere uitvoeringsregels Het college kan bij uitvoeringsbesluit nadere regels stellen in het belang van een zorgvuldige uitvoering van de Individuele Studietoeslag.

Paragraaf 6.3 Tegenprestatie Artikel 49. Inhoud van een tegenprestatie 1. Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: a. naar zijn aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; b. niet zijn bedoeld als re-integratie instrument; c. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en d. niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. 2. Het college kan ter nadere uitvoering van deze verordening een beleidsplan vaststellen, waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden, voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.

Artikel 50. Het opdragen van een tegenprestatie Bij het opdragen van een tegenprestatie betrekt het college de volgende factoren: a. het vermogen van de belanghebbende om een tegenprestatie te verrichten; b. de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende; c. de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende; d. als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden gehouden.

28

Artikel 51. Duur en omvang van een tegenprestatie De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van drie maanden per jaar gedurende acht tot 24 uur per week.

Artikel 52. Mantelzorg Het college draagt geen tegenprestatie op indien een belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is.

Paragraaf 6.4 Individuele Inkomenstoeslag Artikel 53. Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier.

Artikel 54. Langdurig laag inkomen 1. Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 101% van de toepasselijke bijstandsnorm. 2. Niet voor de individuele inkomenstoeslag komt in aanmerking de belanghebbende die een opleiding volgt als bedoeld in de WTOS, dan wel een studie volgt als genoemd in de WSF 2000.

Artikel 55. Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. De individuele inkomenstoeslag bedraagt per jaar 1: a. Voor een alleenstaande € 431,00 b. Voor een alleenstaande ouder € 553,00 c. Voor gehuwden € 615,00 2. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 3. Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend. 4. De in het eerste lid genoemde bedragen worden jaarlijks in december aangepast aan de bijstandsnorm, naar boven afgerond op hele euro’s en bekendgemaakt via het gemeente nieuws.

1 Genoemde bedragen gelden per 1 januari 2021

29

Paragraaf 6.5 Afstemming 6.5.1 Algemene bepalingen Artikel 56. Het besluit tot opleggen van een verlaging In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de uitkering als bedoeld in de artikelen 9a, twaalfde lid, en 18, tweede, vijfde en zesde lid, van de Participatiewet, de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAW en de artikelen 20 en 38, twaalfde lid, van de IOAZ worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de uitkering wordt verlaagd, en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging.

Artikel 57. Horen van belanghebbende 1. Voordat een verlaging wordt opgelegd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid, of d. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.

Artikel 58. Afzien van verlaging 1. Het college ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of b. de gedraging meer dan een jaar voor constatering daarvan door het college heeft plaatsgevonden. 2. Het college kan afzien van een verlaging als het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3. Als het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld. 4. Bij een eerste verwijtbare gedraging kan het college besluiten een waarschuwing te geven. Deze waarschuwing telt mee bij de vaststelling van recidive.

Artikel 59. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging 1. Een verlaging wordt toegepast op de uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende bijstandsnorm. 2. Indien de verlaging niet kan worden opgelegd omdat de bijstand of uitkering is beëindigd, dan wordt de maatregel alsnog gerealiseerd door middel van herziening van de eerder verstrekte bijstand. De herziening kan niet worden

30

toegepast over een ander tijdvak dan waarop de verwijtbare gedraging betrekking heeft.

Artikel 60. Berekeningsgrondslag 1. Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet, of b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel a, moet in de paragrafen 6.5.2, 6.5.3 en 6.5.4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘bijstandsnorm inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand’. 4. Bij toepassing van het tweede lid, onderdeel b, moet in de paragrafen 6.5.2, 6.5.3 en 6.5.4 ‘bijstandsnorm’ worden gelezen als ‘de verleende bijzondere bijstand’.

6.5.2 Niet nakomen van de niet geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 61. Gedragingen Participatiewet Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen of een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a en 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1° het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet; 2° het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet; 3° het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de

arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; 4° het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet;

31

5°

het niet meewerken aan een taaltoets als bedoeld in artikel 18b lid 2 van de Participatiewet. c. derde categorie: het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet al geregeld is in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.

Artikel 62. Gedragingen IOAW en IOAZ Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt verkregen, behouden of een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de IOAW of de artikelen 37 en 38 van de IOAZ niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: a. eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; b. tweede categorie: 1° het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; 2° het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 3° het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de IOAW of

artikel 38, eerste lid, van de IOAZ; 4° het niet of onvoldoende verrichten van een door het college opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAW of artikel 37, eerste lid, onderdeel f, van de IOAZ; c. derde categorie: 1° het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 2° het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 3° het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; 4° het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAW en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, onderdeel e, van de IOAZ, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 5° aan de beëindiging van de dienstbetrekking van belanghebbende een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van

32

6°

7° 8°

Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt, of; de dienstbetrekking van belanghebbende is beëindigd door of op zijn verzoek zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd, of; belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, of; belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

Artikel 63. Hoogte en duur van de verlaging De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de artikelen61 en 62 van de verordening, wordt vastgesteld op: a. 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie.

6.5.3 Niet nakomen van de geüniformeerde verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling Artikel 64. Duur verlaging bij schending geüniformeerde arbeidsverplichting Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de bijstandsnorm gedurende een maand.

Artikel 65. Verrekenen verlaging Het bedrag van de verlaging, bedoeld in artikel 64, wordt toegepast over de maand van oplegging van de maatregel en de volgende twee maanden als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

6.5.4 Overige gedragingen die leiden tot een verlaging Artikel 66. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op het benadelingsbedrag. 2. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag tot € 1000;

33

b. 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1000 tot € 2000; c. 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2000 tot € 4000; d. 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij een benadelingsbedrag van € 4000 of hoger. 3. Onder ‘tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan’ wordt in ieder geval begrepen het op onverantwoorde wijze besteden van vermogen, het niet tijdig aanvragen van een voorliggende voorziening, het onvoldoende solliciteren voorafgaand aan de bijstandsverlening, het doen van een schenking, voorafgaand aan of tijdens de bijstandsverlening, voor zover bijstandsverlening redelijkerwijs was te voorzien en het niet of onvoldoende verzekerd zijn tegen gebruikelijke risico’s, zoals brand, ziekte of wettelijke aansprakelijkheid.

Artikel 67. Zeer ernstige misdragingen 1. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, wordt een verlaging opgelegd van: a. 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen; b. 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het eerste lid genoemde personen. 2. Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college, zijn ambtenaren of de personen die werken in opdracht van het college, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, wordt een verlaging opgelegd van: a. 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het tweede lid genoemde personen; b. 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het tweede lid genoemde personen. 3.

Er is sprake van een zeer ernstige gedraging indien belanghebbende agressief gedrag vertoont, waarbij er sprake is van verwijtbaarheid en dit gedrag in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.

Artikel 68. Niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op 10% gedurende een maand.

34

6.5.5 Samenloop, recidive en controle Artikel 69. Samenloop van gedragingen 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is. 3. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, wordt geen verlaging opgelegd, voor zover voor die schending een bestuurlijke boete wordt opgelegd. 4.

Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van zowel een in deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet genoemde verplichting als een in artikel 17, eerste lid, van de Participatiewet genoemde verplichting, waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet verantwoord is.

Artikel 70. Recidive 1. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 61, onder b of c, 62, onder b of c, 66, eerste lid, of 68 van de Participatiewet opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 2. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in de artikelen 61, onder a, 62, onder a of 67 van de Participatiewet opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. 3. Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging honderd procent van de bijstandsnorm gedurende twee maanden.

Artikel 71. Controle tijdens en na beëindiging van de bijstand Het college voert heronderzoeken uit om de rechtmatigheid van de uitkering te controleren, evenals onderzoeken naar de reden van beëindiging van de uitkering, binnen door het college nader te bepalen termijnen en neemt op basis daarvan besluiten

35

met betrekking tot de rechtmatigheid van de uitkering en de wederzijds tussen het college en de belanghebbende resterende verplichtingen en de afhandeling daarvan.

Artikel 72. Controlemiddelen 1. In het beleidsplan Hoogwaardige Handhaving kan het college de wijze van controle beschrijven en de handelwijze bij inconsistenties; 2. Het college maakt ter controle voorts gebruik van bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van samenloopsignalen die daaruit voortkomen; 3. Het college onderzoekt overige signalen en tips die relevant zijn voor het recht op bijstand.

Hoofdstuk 7

Beslistermijn schuldhulpverlening

Artikel 73. Beslistermijn schuldhulpverlening De beschikking tot schuldhulpverlening of de afwijzing ervan, bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, wordt genomen binnen een termijn van acht weken na de dag waarop het eerste gesprek, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van die wet, heeft plaatsgevonden.

Hoofdstuk 8 Hardheidsclausule, betrekken van ingezetenen bij het beleid en slotbepalingen Artikel 74. Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van cliënt afwijken van hetgeen bij deze verordening is bepaald, voor zover toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 75. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college kan nadere regels vast stellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.

36

Artikel 76. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2021 en vervangt de Integrale verordening sociaal domein Woudenberg 2020. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Integrale verordening sociaal domein gemeente Woudenberg 2021.

Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van: 21 januari 2021

K. Wiesenekker Raadsgriffier

T. Cnossen voorzitter

37

Toelichting op de Verordening sociaal domein Woudenberg Algemeen Met ingang van 2015 is er veel veranderd in het sociaal domein. De meest belangrijke aandachtsgebieden in het sociaal domein zijn zorg, welzijn, werk, inkomen, onderwijs, gezondheidszorg en vrije tijdsbesteding. Met de invoering van de Jeugdwet, de Participatiewet en de nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning is de gemeente Woudenberg verantwoordelijk geworden voor de ondersteuning en dienstverlening aan een grotere groep inwoners. Deze extra verantwoordelijkheid biedt kansen voor de gemeente en voor onze inwoners: • Kansen om verbindingen te leggen tussen de verschillende terreinen in het sociaal domein. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid voor een integrale benadering/bredere kijk op vraagstukken. •

Kansen om maatwerk te bieden bij het zoeken naar oplossingen. Hierbij gaan we uit van de inwoner of het gezin en betrekken we deze in de oplossingen.

•

Kansen voor minder bureaucratie, korte lijnen, kleinschalige dienstverlening, dichtbij de inwoners, duurzame oplossingen, snellere signalering en tijdig ingrijpen bij knelpunten of problemen.

•

Kansen voor kwaliteit- en doelmatigheidsvergroting.

In deze toelichting wordt de verordening artikelsgewijs toegelicht. In de algemene bepaling wordende visie achter deze verordening en de ontwikkelingen voor de toekomst geschetst. De toepasselijke wetten in het sociaal domein vormen geen samenhangende eenheid. Wij staan voor de opdracht, waar sprake is van een inwoner of een gezin, tot een integrale benadering te komen. Bij het nemen van besluiten zal acht moeten worde geslagen op het doel van de wetgeving en het effect van het besluit op de andere leefdomeinen, en de zorgplicht die de gemeente heeft. Waar de regelgeving lijkt te conflicteren zijn er de grondwaarden die dominant zijn voor het te nemen besluit. Deze grondwaarden zijn verwoord in de onderdelen a t/m c in deze algemene bepaling. De grondwaarden a en b zijn ontleend aan het Verdrag inzake de Rechten van het kind. Onder kind wordt verstaan ieder mens jonger dan 18 jaar. Keuzen die gemaakt worden op het terrein van het sociaal domein mogen er niet toe leiden dat een kind niet actief kan deelnemen aan de samenleving of niet in staat is een bevrediging, volwaardig en behoorlijk leven te leiden of noodzakelijke (aangepaste) (gezondheids)zorg, onderwijs, training en sport en s[el ontbeert. Vergelijkend hiermee is de toegankelijkheid van wat wordt aangeboden in onze leefdomeinen voor gehandicapten en chronisch zieken.

Grondwaarde c is ontleend aan de het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De onderdelen d t/m f komen voort uit de door de gemeenteraad Van Woudenberg vastgestelde visie op het sociaal domein. Van inwoners wordt verwacht dat zij maatschappelijk participeren en ook anderen in staat stellen deel te nemen aan het maatschappelijk leven. Eigen kracht en verantwoordelijkheid zijn daarbij het uitgangspunt voor zowel de inwoner die een probleem ondervindt als wel zijn/haar netwerk. Als gemeente faciliteren we algemene voorzieningen die eigen kracht, participatie en het helpen van elkaar mogelijk maken.

38

Als het inwoners niet lukt om zelf of met hulp van de eigen omgeving, knelpunten op te lossen, helpt de gemeente samen met partners de juiste weg te wijzen of ondersteuning te bieden. We sturen er op dat deze ondersteuning zo veel als mogelijk is gericht op het versterken van de eigen kracht van de inwoner, het gezin en het sociaal netwerk. Waar mogelijk houden inwoners daarbij de regie, zij kunnen immers zelf het beste aangeven wat ze willen en nodig hebben. Het kiezen voor een integrale benadering van ondersteuningsvragen wordt nu ondersteund door een integrale verordening voor het sociaal domein. Deze draagt bij aan het vinden van integrale antwoorden op ondersteuningsvragen. Echter voor het gehele sociale domein is niet één wet, maar worden diverse wetten gehanteerd. Ondanks dat heeft de gemeente in deze verordening voor de drie aparte wetten (Jeugdwet, Wmo en Participatiewet) integraal beschreven wat de manier van benadering van ondersteuningsvragen is. In aparte hoofdstukken zijn de onderdelen uitgewerkt die specifiek voor één wet gelden. Het totaal van deze hoofdstukken geeft kaders voor de besluitvorming op een aanvraag. De verordening geeft invulling aan één integraal proces in het sociaal domein met als vertrekpunt: ‘één individu of gezin, één plan’.

De vraag staat centraal in één proces, waarbij wordt gezocht naar maatwerk en verbinding op het gehele sociale domein (ongeacht de vraag van de inwoner en het terrein waarbinnen de vraag valt). Inwoners die zich met ondersteuningsvragen bij de gemeente melden, kunnen van de gemeente verwachten dat zij goed onderzoek verricht en dat dit onderzoek in goede samenspraak met de inwoners om wie het gaat uitgevoerd wordt. Samen met betrokkenen komt de gemeente tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Toepassing en begrippen In dit artikel zijn bepalingen gedefinieerd, die niet in de landelijke Jeugdwet, Wmo of Participatiewet voorkomen en/of die kenmerkend zijn voor de situatie in onze gemeente. Artikel 41 van de Participatiewet ziet zowel op aanvragen levensonderhoud als bijzondere bijstand. Artikel 44 van de Participatiewet ziet op inkomen. Artikel 53a van de Participatiewet ziet op de eenmalige gegevensuitvraag via SUWI en wordt uitgevoerd tijdens het rechtmatigheidsonderzoek. In de verordening 2020 is het begrip algemeen gebruikelijke voorziening toegevoegd (art. 1 lid b). In de verordening wordt wel over zo’n soort voorziening gesproken maar een definitie ontbrak. Aangezien dit leidde tot onduidelijk is deze nu wel opgenomen. Met de nieuwe uitspraak van de rechter (ECLI:NL:CRVB:2019:3535) lijkt de CRvB een meer objectieve invulling te geven aan de vraag of iets algemeen gebruikelijk is. De CRvB geeft aan dat een voorziening algemeen gebruikelijk is als deze: • niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; • daadwerkelijk beschikbaar is; • een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en; • financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau.

De rechtbank heeft zich eveneens uitgelaten over de aanvraagprocedure in de Jeugdwet (Rechtbank Rotterdam 18-3-2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2333). De gemeente in deze uitspraak had een integrale verordening Wmo en Jeugdwet. Uit deze verordening volgde

39

dat pas een aanvraag voor jeugdhulp kon worden ingediend, nadat een melding was gedaan. Dit is conform de procedure zoals die in de Wmo 2015 is vastgelegd. De rechtbank oordeelt echter dat deze bepaling bij een verzoek om jeugdhulp in strijd is met de Awb en daarom verbindende kracht mist. Dit betekent dat een aanvraag op grond van de Jeugdwet ook zonder melding als aanvraag moet worden behandeld.

Hoofdstuk 2. Integrale benadering De integrale benadering is van essentieel belang om met inwoner(s) en het/de betrokken team(s) te komen tot het verhelderen van de vraag, die de inwoner heeft op één of meerdere gebieden binnen het sociaal domein. Artikel 2. Melding hulpvraag In dit artikel staat beschreven hoe een inwoner een hulpvraag kan stellen aan de gemeente. Een hulpvraag kan binnen komen bij de Coöperatie De Kleine Schans. De vragen kunnen mondeling, telefonisch of digitaal worden gesteld. Ook kan iemand anders namens de inwoner (op verzoek van de inwoner) om hulp vragen. Voor aanvragen levensonderhoud in het kader van de Participatiewet worden meldingen digitaal gedaan via werk.nl. Uitzonderingen op deze regel zijn mogelijk als mensen digitaal niet vaardig zijn. Te denken valt bijvoorbeeld aan vergunninghouders of laaggeletterden. Artikel 3. Vooronderzoek In het vijfde lid wordt gesproken over het overleggen van de noodzakelijke gegevens. De gemeente werkt volgens de richtlijnen van de Wet Bescherming Persoonsgegevens om de privacy van de inwoner te waarborgen. Het derde en vierde lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college om gratis cliëntondersteuning te bieden aan inwoners met een hulpvraag (artikel 2.2.4 lid 1 sub a van de Wmo).

De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van inwoners te geven. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning voor de inwoner gratis is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar inwoners met een hulpvraag informatie en advies kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit. Overeenkomstig artikel 2.3.2 lid 3 van de Wmo is bepaald dat het college de inwoner na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Cliëntondersteuning kan worden geleverd door een partij die de gemeente heeft gecontracteerd, maar een inwoner kan zich ook laten ondersteunen door iemand uit het eigen netwerk. Artikel 4. Gesprek Het gesprek over de hulpvraag kan overal in de gemeente plaatsvinden, zoals bij de inwoner thuis. In dit artikel staat een aantal punten genoemd die in het gesprek aan de orde kunnen komen.

Er zijn nog meer punten die behandeld kunnen worden, afhankelijk van de hulpvraag. Bijvoorbeeld de financiële situatie van de inwoner. Ten aanzien van lid 1, d wordt in de onderzoeksfase ook rekening gehouden met het huidige informele netwerk en de rol die sociale contacten spelen bij het huishouden.

40

Artikel 5. Verslag In het kader van de beantwoording van de ondersteuningsvraag is het van belang dat de cliënt en de medewerker die het onderzoek uitvoert zoveel mogelijk van dezelfde informatie kunnen uitgaan. Het verslag waarmee het onderzoek wordt afgesloten wordt aan de cliënt verstrekt, tenzij er een plan van aanpak wordt opgesteld. In dat geval maakt het resultaat van het onderzoek deel uit van het plan van aanpk en hoeft er niet een apart verslag te worden opgesteld. Het verslag als zodanig is geen beschikking waartegen bezwaar en beroep mogelijk is. Mocht de uitkomst van het onderzoek, ook na een eventuele second opinion, niet tot overeenstemming leiden omdat de inwoner niet de voorzieningen ontvangt die hij denkt nodig te hebben, dan kan daar een aanvraag voor worden ingediend waarna aan de hand van een voor bezwaar vatbare beschikking het besluit van de gemeente juridisch getoetst kan worden. Bij werk en inkomen is dit proces anders ingericht. De gegevens uit het onderzoek en het gesprek over de aanvraag bijstand voor levensonderhoud met de cliënt worden in een rapportage beschreven op grond waarvan geconcludeerd wordt of er al dan niet recht op bijstand bestaat. Dit besluit wordt in een beschikking meegedeeld aan de cliënt. De cliënt heeft zelf de benodigde gegevens schriftelijk overlegd.

De rapportage over deze gegevens en de omstandigheden van de cliënt worden om die reden niet aan de cliënt voorgelegd. Artikel 6. Aanvraag De aanvraag op basis van de Jeugdwet/Wmo kan mondeling of schriftelijk worden gedaan. Als de cliënt het verslag (plan van aanpak) ondertekent en het plan is voorzien van zijn naam, burgerservicenummer (BSN), geboortedatum en een dagtekening, kan het fungeren als aanvraagformulier voor een maatwerkvoorziening. Een maatwerkvoorziening in het kader van de Participatiewet betreft ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Doorgaans wordt een re-integratietraject door de medewerker in overleg met de cliënt uitgezet zonder dat er sprake is van een expliciete aanvraag door de cliënt. Artikel 7. Advisering Als dat voor het onderzoek nodig is, kan een externe adviseur worden gevraagd op bepaalde aspecten van het onderzoek te adviseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de beoordeling van iemands medische of psychische situatie in relatie tot de ondersteuningsvraag. Dat kan het geval zijn tijdens de melding of nadat de aanvraag is ingediend. Aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat indien de cliënt beperkingen ondervindt die objectiveerbaar zijn, vast te stellen aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden (zie centrale raad van beroep, 26-11-2009, zk.nmr 09-5702 Wmo-VV, CRVB:2009:BK4567 en 10-10-2012, zk.nmr 11-5873 Wmo, CRVB:2012:BY0324).

In het geval van een woningaanpassing kan het college ook om advies vragen om bijvoorbeeld vast te laten stellen wat de goedkoopst passende bijdrage is. De cliënt wordt geacht medewerking te verlenen aan het onderzoek door gehoor te geven aan een oproep van de medisch adviseur of het -via een machtiging- toestemming verlenen om medische informatie te mogen inwinnen bij de huisarts of specialist. Wordt de bedoelde medewerking niet verleend, dan kan dat tot gevolg hebben dat het college het recht op een maatwerkvoorziening niet kan vaststellen. Daarbij geldt wel dat het college het recht op

41

een maatwerkvoorziening niet op andere wijze dan door het verlenen van de medewerking en/of de bedoelde machtiging kan vaststellen (zie centrale raad van beroep, 17-10-2012, zk. Nmr 10-5275 Wmo, CRVB:2012:BY0448). De hier bedoelde plicht geldt ook voor de huisgenoten als aannemelijk is dat door hen geen of slechts beperkt gebruikelijke hulp kan worden verleend. Artikel 8. Inhoud beschikking De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel is de essentie opgenomen die in ieder geval in de beschikking moet worden opgenomen. Artikel 9. Algemene criteria maatwerkvoorziening In de inleiding van de Jeugdwet wordt in overweging genomen dat het wenselijk is dat hulp op maat wordt geboden, er meer ruimte voor professionals is en tot het demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren, waarbij het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen en het participeren in de samenleving allereerst bij de cliënten en hun omgeving zelf ligt.

De inleiding van de Wmo beschrijft dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven, en dat van burgers mag worden verwacht dat zij elkaar naar vermogen daarin bijstaan. Burgers die zelf dan wel samen met personen in hun naaste omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op door de overheid georganiseerde ondersteuning en dat de ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen, erop gericht moet zijn dat burgers zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Het ligt in de rede dat overheidsverantwoordelijkheid voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie zo dicht mogelijk bij de burger worden belegd. De genoemde afwegingsfactoren zijn daar mede op gericht. Passende ondersteuning wordt geboden zo licht als het kan, zo zwaar als het moet. Waarbij de beoordeling van wat passende ondersteuning is aan de professional wordt overgelaten. De professionals in het sociaal team nemen besluiten. Daarnaast waarborgt het college conform artikel 2.3 van de Jeugdwet een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van het inzetten van de aangewezen voorziening.

Het college heeft daartoe onder meer professionals in een sociaal team aangesteld. Deze professionals hanteren op basis van het vooronderzoek (artikel 5), het gesprek (artikel 6), het verslag (artikel 7) en de aanvraag (artikel 8) de genoemde afwegingsfactoren in dit artikel en nemen een besluit om een overige voorziening of een maatwerkvoorziening te treffen. Artikel 10 Regels voor persoonsgebonden budget (Jeugdwet/Wmo) Paragraaf 10.1 tot en met artikel 10.5

Dit artikel regelt aan welke voorwaarden moet worden voldaan om de zorg in de vorm van een pgb te ontvangen. Het college stelt algemene voorwaarden vast, voorwaarden voor ondersteuning door informele aanbieder en pgb-beheerder. Bovendien wanneer een pgb niet mogelijk is. Hiermee is voor zowel client als uitvoering duidelijk wat van het

42

gebruik van een pgb mag worden verwacht en kan de gemeente beter sturen op rechtmatigheid. Tevens staat beschreven in artikel 10.5 op welke wijze de hoogte van een pgb wordt bepaald. De hoogte van het pgb moet toereikend zijn om daarmee de ondersteuning in te kunnen kopen welke voldoet aan de kwaliteit met betrekking tot het doel waarvoor het is verstrekt. Daarbij geldt het principe van de goedkoopst passende bijdrage als bedoeld in artikel 20.a en 20.b van deze verordening. Het college kan op grond van artikel 8.1.1. van de jeugdwet en artikel 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een pgb verstrekken. De eisen voor een pgb in de Jeugdwet zijn strenger dan in de Wmo. Naast de eisen over de kwaliteit van de zorg en het in staat moeten zijn om als pgb budgethouder op te treden bepaalt de Jeugdwet dat de jeugdige of zijn ouders zich gemotiveerd op het standpunt moeten stellen dat zij de maatwerkvoorziening die wordt geleverd door een aanbieder, niet passend achten. Met andere woorden, bij de Jeugdwet wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de jeugdhulp/zorg wordt verleend door gecontracteerde aanbieders tenzij dat in het concrete geval niet passend is. De voorwaarden en weigeringsgronden in dit artikel volgen direct uit artikel 8.1.1. jeugdwet en 2.3.6 Wmo 2015.

De beoordeling of er recht bestaat op een persoonsgebonden budget is op grond van artikel 8.1.1, tweede lid, van de jeugdwet en artikel 2.3.6, tweede lid, van de Wmo 2015 voorbehouden aan het college. De aanspraak op een persoonsgebonden budget is wettelijk bepaald voor de cliënt die dat wenst. Daarmee is echter niet zonder meer gezegd dat er ook recht bestaat op een persoonsgebonden budget. Het college beoordeelt of aan de voorwaarden wordt voldaan. Opgemerkt wordt dat het college ook nog op grond van artikel 8.1.1, vierde lid onder b, van de jeugdwet en artikel 2.3.6, vijfde lid onder b, van de Wmo 2015 bevoegd is het persoonsgebonden budget te weigeren. Omdat cliënten vaak kwetsbare personen betreffen, is als voorwaarde voor verstrekking van een pgb opgenomen dat de zorgverlener een recente VOG overhandigt. Voor wat betreft de zorgaanbieders in natura volgt deze verplichting uit de gestelde kwaliteitseisen. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 8.1.1., vierde lid onder a van de jeugdwet en artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de Wmo 2015). De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden.

Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers‐ of opvangvoorzieningen. De cliënt is in beginsel zelf verantwoordelijk voor inkoop van kwalitatief verantwoorde ondersteuning. Het college heeft echter wel een rol bij de beoordeling of sprake is van goede kwaliteit (artikel 8.1.1, lid 2 onder c, van de jeugdwet en artikel 2.3.6 lid 2, onder c, van de Wmo 2015). Bij het beoordelen van de kwaliteit aangaande de Wmo weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6 lid 3 Wmo 2015).

43

Het beheren van het pgb kan door zowel de cliënt als door een pgb-beheerder worden uitgevoerd. Indien de pgb-beheerder het pgb gaat beheren, dan zijn de regels over het pgb beheer waar cliënt wordt genoemd van overeenkomstige toepassing op de pgbbeheerder. Aan de pgb-beheerder worden in artikel 10.3 eisen gesteld. Niet iedereen is in staat om naar behoren een pgb te beheren. In artikel 10.4 wordt beschreven in welke gevallen geen pgb mogelijk is. Alvorens de cliënt een aanvraag doet voor een voorziening, wordt van hem verwacht dat hij eerst een beroep doet op zijn familie en vrienden. Er wordt geen pgb verstrekt waarvan het gebruikelijk is dat de activiteiten door het sociaal netwerk worden verricht, zoals het ondernemen van (sociale) activiteiten met de cliënt, het doen van de boodschappen, het verrichten van lichte huishoudelijke taken, het verlenen van eenvoudige hulp bij de administratie, het maken van afspraken met specialisten en het vervoeren naar artsen e.d. In dit artikel wordt ook gehoor gegeven aan artikel 2.9, onder c van de jeugdwet en artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz.

39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Voor het pgb tarief geldt net als voor de ZIN tarief, dat het een reëel tarief moet zijn. Dit betekent dat onderbouwd moet kunnen worden dat het tarief dekkend is voor alle kosten die de pgb-aanbieder redelijkerwijs moet maken om de zorg, volgens de door de gemeente gestelde condities, uit te voeren. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen professionele pgb-aanbieder en informele pgb aanbieders (sociaal netwerk). Het ZIN tarief is opgebouwd uit de volgende kostencomponenten: huisvesting, risico-opslag, overhead, werkgeverslast, vakantiegeld, eindejaarsuitkering, onregelmatigheidstoeslag en loon. Indien het college een indicatie voor ondersteuning heeft vastgesteld kan het voorkomen dat de cliënt het college verzoekt om een pgb met terugwerkende kracht te verlenen.

Vooropgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor een pgb moet worden voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van artikel 10.5 het vierde lid onderdeel a. tot en met c. Het ligt niet voor de hand dat hier snel met succes een beroep op kan worden gedaan. Voor het beoordelen of wordt voldaan aan de voorwaarde om in aanmerking te komen voor een pgb zal de jeugdige en/of zijn ouder(s) een pgb-plan moeten opstellen (artikel 10.1). Ook is opgenomen dat de budgethouder verplicht is om gebruik te maken van de modelovereenkomst van de SVB (artikel 10 lid 5). De modelovereenkomsten van de SVB zijn ter bescherming van de budgethouders opgesteld. Door op te nemen dat de budgethouder hier gebruik van dient te maken wordt geborgd dat alle noodzakelijke gegevens in de overeenkomst worden opgenomen en dat de belangen van de budgethouder mede worden gediend. De CRvB (zie: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:CRVB:2017:1803) heeft op 17 mei 2017 een uitspraak gedaan over verboden delegatie. De raad stelt dat

44

de bevoegdheid om nadere regels te stellen over de hoogte van het pgb en het vaststellen van het pgb niet kan worden gedelegeerd aan het college. De essentialia van het voorzieningenpakket dienen in de verordening te worden vastgelegd. Volgens de CRvB behoort de berekeningswijze van de hoogte van de pgb tarieven tot de essentialia. In dit artikel is de berekeningswijze pgb vastgelegd met betrekking tot differentiatie van de tarieven. Deze berekeningswijze is leidend voor het college bij de berekening van tarieven, welke zijn gebaseerd op de tarieven zoals zijn voortgekomen uit de inkoop bij de diverse zorgaanbieders. Jaarlijks stelt het college een Financieel Besluit vast waarin per voorziening de maximale pgb tarieven worden vastgelegd. Wat betreft het met een pgb inkopen van diensten is het uitgangspunt is dat bij een professional in dienst van een zorgaanbieder een percentage van 90% wordt gehanteerd. Bij de professional die werkzaam is als zelfstandige en/of die een arbeidsovereenkomst heeft met de pgb-houder wordt een percentage van 75% aangehouden. Het is ook mogelijk dat vanuit het pgb diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen worden betrokken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

Deze persoon hanteert hiervoor een tarief van 50% van het [laagste] toepasselijke tarief per uur of resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder. Bovendien mogen er geen tussenpersonen of belangenbehartigers uit het pgb betaald worden. Vanaf 1 mei 2019 zullen alle personen die vanuit een overeenkomst van opdracht werken en betaald worden uit een persoonsgebonden budget (pgb), of minimaal het minimumuurloon moeten krijgen, of gebruik moeten gaan maken van een nieuwe regeling, met de zogenaamde ‘verklaring’. Nog niet alle budgethouders betalen nu het wettelijk minimumloon. Het gaat om de budgethouders die nog tot 1 mei 2019 in de uitzonderingscategorie vallen. De nieuwe ministeriële regeling ‘Hulp uit sociaal Netwerk’ maakt het per 1 mei 2019 mogelijk om betalingen uit een pgb te doen in die situaties waar geen sprake is van een arbeidsrelatie (en er dus geen sprake is van een overeenkomst). Het gaat om hulp in familieverband, burenhulp of vriendendienst. Deze betalingen hoeven dan niet aan het wettelijk minimumloon te voldoen. In artikel 10 lid 7 onder d. is nu de mogelijkheid van zo’n soort betaling opgenomen. Het maximum standaardbedrag is € 141,-- per maand. In de verordening is aangegeven wat onder geïndiceerde diensten wordt verstaan waar het gaat om de Wmo en de Jeugdwet (art. 10.5 lid 5).

Jaarlijks stelt het college een Financieel Besluit vast waarbij in ieder geval voor deze diensten een tarief wordt vastgesteld dat is gebaseerd op de inkoop tarieven zoals die zijn overeengekomen. Naast het Financieel Besluit zijn er ook de nadere regels sociaal domein, welke ook door het college worden vastgesteld. Deze regels bevatten een volledige opsomming van alle diensten die zijn ingekocht in het kader van de Wmo en Jeugdwet. Voor vervoers- en woonvoorzieningen geldt dat het pgb in ieder geval niet meer bedraagt dan het bedrag dat het college zelf verschuldigd zou zijn. Dit is in overeenstemming met artikel 2.3.6, vijfde lid onder a, van de wet (vergelijk ook CRVB:2012:BX8897). Voor individueel (rolstoel)taxivervoer stelt het college normbedragen vast (artikel 10.5 lid 8). Daarvan kan overigens worden afgeweken als de omstandigheden daarvoor aanleiding geven, het gaat om maatwerk. Verder kan het college een pgb vaststellen op basis van de goedkoopste offerte zodat de hoogte van het pgb op objectieve wijze kan worden vastgesteld. Het kan gaan om een offerte die het college zelf opvraagt, maar ook een offerte die de cliënt zelf aan het college overhandigt.

45

In het artikel 10.5 lid 12 en 13 gaat het over beschermd wonen waarvan de uitvoering ligt bij de centrumgemeente Amersfoort. De indicatie voor beschermd wonen wordt echter wel door de gemeente zelf afgegeven en bestaat, naast de beschermende woonomgeving (het noodzakelijke verblijf) uit niveaus van bijbehorende noodzakelijke ondersteuning. Bij het stellen van de indicatie wordt bepaald waar de cliënt op is aangewezen. Het kan voor komen dat de cliënt in aanmerking komt voor een pgb, als wordt voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. Wordt het pgb besteed aan een accommodatie die voldoet aan de daaraan gestelde eisen, dan kan het zijn dat de hoogte van het pgb niet toereikend is. In het verleden kon een (aanvullend) pgb worden verstrekt in de vorm van een De wijziging van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening

bepaalt in artikel 4a, derde lid, dat de gemeente bij verordening een wettelijke termijn moet opnemen waarbinnen de gemeente na het eerste gesprek over de hulpvraag moet besluiten of iemand voor een schuldenregeling in aanmerking komt. De termijn mag maximaal 8 weken bedragen. Hoewel deze termijn nu ook al geldt en vastligt in de Algemene wet bestuursrechttiatieventoeslag. Per 2021 vervalt de wooninitiatieventoeslag als een lokaal te beschikken toeslag. Centrumgemeente Amersfoort gaat deze bekostiging voortaan regelen via een subsidie vanuit het centrumgemeentebudget. Deze cliënten zijn doorgaans zelf kosten verschuldigd die te maken hebben met de beschermende woonomgeving, zoals woonkosten. Deze wooninitiatieventoeslag is bestemd voor kosten die gemaakt moeten worden voor het organiseren van de ondersteuning van pgbhouders, de gemeenschappelijke ruimte en infrastructuur in het kader van doelmatige ondersteuning. Daarbij geldt vanzelfsprekend dat deze kosten niet gefinancierd kunnen worden uit het pgb of andere voorliggende oplossingen of voorzieningen. Deze regeling wordt door de centrumgemeente uitgevoerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/1350/documents/27364