CConstaterende datWoudenberg
Koppel je AI →
Document · PDF

02.d Energievisie 90 procent.pdf

Gemeenteraad 4 juli 2024, gemeente WoudenbergBij agendapunt: 6: Ingekomen stukken23.189 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Indien elektrolyse wordt gebruikt om overtollige stroom in waterstof om te zetten als seizoensreserve, dan is dat vermoedelijk op momenten dat de warmtebehoefte nauwelijks aanwezig is. Wel kan de restwarmte die bij elektrolyse ontstaat in bijvoorbeeld een WKO-installatie worden opgeslagen. De businesscase hiervoor moet nog wel blijken. Waterstof als seizoensopslag van energie kan worden ingezet voor het leveren van warmte in de winter als de reguliere warmtebron niet voldoende warmte oplevert (piekwarmte). Omdat waterstof duur en schaars wordt, ligt inzet voor reguliere warmtevoorziening niet voor de hand. Waterstof kan ook via een brandstofcel, een waterstofgasturbine of een waterstof-WKK installatie worden omgezet naar elektriciteit (en warmte). Hierbij is sprake van een efficiency van 50%-70%. Waterstofopslag gebeurt meestal onder hoge druk. Dat levert ook verlies op. Het transport van waterstof gaat ook gepaard met enig verlies, waardoor er in de literatuur vaak sprake is van een efficiency van 25%-50% bij het gebruik van waterstof als energiereserve. Veel van het verlies is echter in de vorm van warmte, dat in principe deels terug te winnen is, en hangt af van de inrichting van de keten en de mogelijkheid het aantal tussenstappen te minimaliseren. Ook gaat de ontwikkeling van zowel elektolysers als van brandstofcellen snel.

De kans is groot dat er in de nabije toekomst met beide processen nog grote efficiëntiestappen gezet worden.

41

Voor de provincie Utrecht is het een uitdaging dat er weinig plekken zijn waar waterstofgas in de ondergrond kan worden opgeslagen, omdat er in de provincie weinig tot geen mijnbouw, zoutwinning of gaswinning is geweest. Dat maakt opslaglocaties vinden moeilijk. Waterstof kan fysiek opgeslagen worden als een (gecomprimeerd) gas, cryogene vloeistof of met behulp van andere materialen waaraan het tijdelijk gebonden kan worden. De eerste twee vormen, en met name gecomprimeerd gas, worden vandaag het meeste toegepast. Waterstof wordt dan opgeslagen in composiet hogedrukvaten van 200, 350 of 700 bar. Compressie is nodig om de benodigde ruimte te beperken. Nadeel is dat er door het comprimeren 10 tot 15% van de energie verloren gaat, afhankelijk van de gewenste druk. Daarnaast blijft er ook bij opslag onder druk een behoorlijk ruimtebeslag indien er grootschalig waterstof moet worden opgeslagen. Daarom ligt opslag in de ondergrond op plekken waar wel mijnbouw heeft plaatsgevonden meer voor de hand. In het PEH wordt bij Lage Weide een aftakking van de nationale waterstofbackbone aangekondigd. Opgewekte waterstof zou daar ingevoerd kunnen worden en elders worden ondergronds worden opgeslagen.

Waterstof zal een rol spelen bij de seizoensopslag van energie, het opwekken van hoge temperaturen voor industriële processen, het leveren van piekwarmte in de gebouwde omgeving en het aandrijven van zware mobiliteit. Voor overige toepassingen is voor waterstof geen rol.

42

C. De energiegebruikende sectoren In dit hoofdstuk worden op basis van de indeling van de klimaattafels de energiegebruikende sectoren besproken om op die wijze inzicht te verkrijgen in de transities van het energiegebruik van de toekomst.

C.1. Gebouwde Omgeving Met de term gebouwde omgeving verstaat deze Energievisie zowel woonwijken, utiliteitsbouw (zoals scholen en winkelcentra), kantoren als een groot deel van de bedrijventerreinen. Bij industrie kijkt deze energievisie alleen naar de echt grote energiegebruikers conform de definitie die bij de klimaattafels gebruikt wordt. In deze paragraaf wordt ook het vraagstuk van nieuwbouw behandeld, waaronder we zowel nieuwe woningen, utiliteitsbouw als bedrijven verstaan. De energievraag van nieuwbouw is, door nieuwe energienormen, beduidend lager dan van bestaande bouw. Bij nieuwbouw zijn er daarnaast veel meer mogelijkheden om vanaf de planvorming te sturen op het slim inrichten van het energiesysteem binnen die ruimtelijke ontwikkeling. In de provincie Utrecht is er een grote bouwopgave waarbij deze opgave nog moet worden ingepast in het energiesysteem. De elektriciteitsvraag die in de gebouwde omgeving ontstaat door elektrisch vervoer blijft hier buiten beschouwing omdat deze bij de paragraaf over mobiliteit terugkomt. Voor het energiesysteem is de energievraag van elektrische voertuigen wel van belang omdat elektrische voertuigen voor een belangrijk deel zullen worden opgeladen door publieke en private laadpalen in de gebouwde omgeving.

C.1.1. Bespaarmogelijkheden gebouwde omgeving Het energiegebruik in de gebouwde omgeving bestaat uit twee componenten. Het energiegebruik door de apparaten in het gebouw en het energiegebruik voor het koelen en verwarmen van gebouwen en het leveren van warm water. Er werd in 2022 in de gebouwde omgeving voor 4 TWh aan elektriciteit gebruikt en voor 7 TWh aan gas (dit gasgebruik is niet allemaal voor warmteopwekking) en voor 1,8 TWh aan stadswarmte. In 2021 werd er daarnaast 0,5 TWh aan duurzame warme gebruikt, niet zijnde stadswarmte. C.1.1.1. Bespaarmogelijkheden apparaten Voor het beperken van het energiegebruik van apparaten in gebouwen is de provincie Utrecht sterk afhankelijk van de ontwikkeling in Europa. Europese regelgeving is sterk gericht op het beperken van energiegebruik door normering. Onderdeel daarvan is communicatie naar consumenten via de energielabels van apparaten. Dit zou het energiegebruik in de gebouwde omgeving moeten terugdringen. Tegelijkertijd wordt er door de toegenomen welvaart ook meer apparatuur in de gebouwde omgeving gebruikt. Daarom gaat veel onderzoek uit van een instandhouding van de huidige vraag naar energie voor de niet-warmte gerelateerde energievraag in de gebouwde omgeving. Voor de niet-warmte gerelateerde energievraag zijn er twee mogelijke besparingsroutes.

De technische, waarbij op Europees niveau reeds beleid is ingezet om apparatuur energiezuiniger te krijgen en om niet-zuinige apparaten door nieuwe, zuinigere apparaten te vervangen. Daarnaast is het een kwestie van gedragsverandering. Mensen moeten ervoor zorgen dat de consumptie van energie zo veel mogelijk beperkt wordt door niet nodeloos apparaten aan te laten staan. Daar kan verdere bewustwording en een prijsprikkel werken.

43

C.1.1.2. Energiebesparingsmogelijkheden warmtevraag In de provincie Utrecht zijn veel gebouwen (nog) niet goed geïsoleerd. Daarbij is soms zelfs niet bekend wat de staat van isolatie van de woning is. Er is dus een kans dat er meer slecht geïsoleerde woningen zijn. Tegelijkertijd zit er een vertraging in het toekennen van energielabels. Doorgaans wordt een energielabel aangevraagd voorafgaande aan de verkoop van een gebouw, terwijl de koper vaak overgaat tot verbouwing waarbij geïsoleerd wordt. Bij verhuur werkt dit mechanisme maar beperkt, daar wordt vaak voorafgaand aan verhuur verbouwd. In de gebouwde omgeving is bij veel woningen nog spraken van een slechte isolatie.

Het energiegebruik van woningen wordt in labels gevangen: G – Zeer hoog energieverbruik – >380 kWh per vierkante meter; F – Hoog energieverbruik – 335 < 380 kWh per vierkante meter; E – Redelijk hoog energieverbruik – 290 < 335 kWh per vierkante meter; D – Gemiddeld energieverbruik – 250 < 290 kWh per vierkante meter; C – Redelijk laag energieverbruik – 190 < 250 kWh per vierkante meter; B – Laag energieverbruik – 160 < 190 kWh per vierkante meter; A – Zeer laag energieverbruik – 105 < 160 kWh per vierkante meter; A+ – Zeer laag energieverbruik – 75 < 105 kWh per vierkante meter; A++ – Zeer laag energieverbruik – 50 < 75 kWh per vierkante meter; A+++ – Zeer laag energieverbruik – < 50 kWh per vierkante meter; A++++ – 0 kWh per vierkante meter. Belangrijk is hierbij wel om aan te tekenen dat een A++++ woningen nog steeds impact heeft op het energienetwerk. Het energiegebruik van de woning wordt weggenomen door de opwek van de woning, doorgaans voor elektriciteit met zonnepalen. Dit levert in de zomer overtollige elektriciteit op en in de winter en nacht is er een vraag naar energie van buiten. In principe kan een woning worden gebouwd zonder dat er een energievraag is van buiten de woning, maar door de prijs van batterijen is dit erg duur en niet doelmatig. Er zijn meerdere mogelijkheden om overheidshulp te krijgen bij isoleren.

De praktijk is dat niet alle inwoners overgaan tot isolatie, zelfs als er vouchers beschikbaar zijn waarmee de kosten (grotendeels) elders worden neergelegd. Inwoners vinden de rompslomp beangstigend en, zeker als de bewoners van een woning op leeftijd zijn, is men niet altijd bereid om de overlast te aanvaarden. Daarom is bij de isolatieopgave ontzorgen belangrijk. Ook helpt het als positieve ervaringen van buren breder gedeeld worden. Een belangrijk element in het nemen van de stap om te verduurzamen zijn positieve ervaringen van bekende derden. Het Nationaal Isolatie Programma stelt als doel om deze groep extra te ondersteunen en slecht geïsoleerde woningen zo snel mogelijk uit te faseren. Daarnaast ervaren veel bewoners die willen verduurzamen problemen bij het vinden van een startpunt. Sommigen zijn niet bekend met subsidiemogelijkheden, vinden deze ingewikkeld en onzeker, hebben wel spaargeld maar andere prioriteiten dan verduurzaming, of hebben moeite met lenen. Bovendien is het verduurzamen van een woning een complexe taak die voor bijna elke woning en bewoner een unieke uitdaging vormt. Technisch en financieel advies en begeleiding zijn nodig en gemeenten helpen hier doorgaans mee. Offertes zijn lastig te begrijpen en te vergelijken, waardoor het vinden van de juiste oplossing nog moeilijker wordt.

Tot slot kampen veel woningeigenaren met problemen zoals een slechte fundering, asbest, vochtige kruipruimtes, koudebruggen en achterstallig onderhoud, waardoor verduurzaming

44

nog uitdagender wordt. Daarom is ondersteuning essentieel, zelfs als bewoners zelf aan de slag willen gaan. Drie andere belangrijke partijen in de isolatieopgave zijn woningbouwcorporaties, andere verhuurders en VvE’s. Voor de eerste twee geldt dat zij vanaf 2030 geen woningen met energielabel E, F of G mogen verhuren. Woningbouwcorporaties nemen daarnaast al een tijd een rol in het isoleren van hun woningbezit zodat hun bewoners lagere stookkosten hebben. Ook veel andere verhuurders doen dit, ook omdat het de verhuuropbrengsten doet stijgen. Tegelijkertijd is er bij veel verhuurders nog spraken van stilstand. VvE’s hebben een eigen rol in het isoleren van woningen, een rol die ze niet altijd nemen omdat de belangen van de leden van een VvE niet altijd synchroon lopen. Naast de warmtevraag geldt in de toekomst vermoedelijk ook de koudevraag. Als het klimaat opwarmt, zal dit een koudevraag opleveren. Deze koudevraag invullen met airconditioning gaat een impact hebben op de leefbaarheid van de stedelijke omgeving (hitte-eilanden) en is niet energieefficiënt. Ook voor koude zijn er isolatiemaatregelen om te voorkomen dat woningen nodeloos opwarmen. Overheden ondersteunen isolatie voor het beperken van de warmtevraag, die deels ook effect heeft op de koudevraag, maar richten zich beperkt niet op het koudevraagstuk. In de toekomst wordt koude een groter vraagstuk.

Daarbij zou het goed zou zijn de koudevraag via specifieke isolatiemaatregelen te beperken zodat die niet nodeloos via elektronisch actieve koeling gaat. Actieve koeling vindt weliswaar plaats in perioden dat er overdag veel zonne-energie voorradig is, maar het leidt tot ondoelmatig energiegebruik en gedurende nachten zullen mogelijk reserves moeten worden aangesproken. Op dit moment is er zowel voor het beperken van energieconsumptie voor niet-warmte gerelateerde energievraag als voor warmte gerelateerde energievraag voor veel mensen nog een te kleine prikkel om energie te besparen. Voor beide geldt ook dat er een gedragscomponent is aan het beperken van de energievraag. Specifiek voor de warmtegerelateerde energievraag is er ook de isolatieopgave. Door te isoleren kan de energievraag sterker beperkt worden. Voor het energiesysteem van de toekomst is het beperken van de energievraag van groot belang. Percentage gelabelde woningen met geldig energielabel - 2023 - Provincie Utrecht Woningen met energielabel A t/m A++++

39,8%

Woningen met energielabel B

15,2%

Woningen met energielabel C

23,1%

Woningen met energielabel D

9,3%

Woningen met energielabel E

5,6%

Woningen met energielabel F

3,7%

Woningen met energielabel G

3,2%

60,5% van de woningen heeft een geldig energielabel Tabel 4: Bron Klimaatmonitor

C.1.2. Transitiepaden warmtevraag gebouwde omgeving Zoals in paragraaf 3.3 is aangegeven, zijn er twee mogelijke routes om aan de warmtevraag te voldoen; de individuele en de collectieve oplossing. Welke oplossing gekozen wordt, hangt primair af van gemeenten (burgers kunnen bij elkaar komen om een collectieve warmteoplossing gezamenlijk mogelijk te maken, maar hier is doorgaans steun van de gemeente essentieel). Gemeenten beschrijven in de Transitievisie Warmte (TVW) en straks in het verplichte warmteprogramma onder de omgevingswet welke warmteoplossingen binnen de gemeente voor elke wijk gekozen wordt. Er is ook de mogelijkheid om aan te geven dat hier nog geen duidelijkheid over is. Veel TVW’s richten zich 45

primair op de isolatieopgave en hebben nog maar beperkt keuzes gemaakt voor de warmteoplossing. In veel TVW’s is alleen daar waar de businesscase zeer duidelijk was een keuze gemaakt, bijvoorbeeld doordat een goede warmtebron dicht bij een wijk met een grote dichtheid en warmtevraag ligt. In de aanloop van het schrijven van deze Energievisie is met gemeenten een tweetal warmteateliers georganiseerd waarin meerdere scenario’s voor de warmtetransitie de revue zijn gepasseerd.

In het derde scenario is er boven op de geplande warmtenetten in de TVW’s (27% van de gebouwde omgeving) er in nog eens een extra 10% van de gebouwde omgeving met warmtenetten voorzien. Het scenario 4 wordt als niet realistisch gezien omdat daar te veel kosten mee gemoeid zijn. Daarmee zou inzetten op meer warmtenetten 110 MW minder piekvraag moeten opleveren, wat ruimte biedt voor ongeveer 50.000 extra woningen (Stedin gaat uit van een piekvraag van 15-25 MWp per 10.000 woningen. Daarmee is er op dit moment weinig duidelijkheid over welke warmteoplossing gekozen gaat worden. De impact daarvan is groot. Een keuze voor collectieve warmteoplossingen vraagt heel veel van gemeenten. Warmtenetten zijn lastig uit te rollen omdat de investeringslast fors is en inwoners overtuigd moeten worden om te participeren. Dit in een periode dat de financiering van gemeenten al onder druk staan. Het helpt niet dat warmtenetten bij veel mensen de vrees oproept dat kosten voor warmte zullen stijgen. Daarmee is er voor inwoners, behalve als ze hun hr-ketel moeten vervangen, geen financiële motivatie om over te stappen op een duurzaam alternatief. Een hoge gasprijs is een belangrijke motivator voor mensen om de overstap te maken naar de fossielvrije toekomst.

Met de invoering van het Europese Emissie handelssysteem voor de gebouwde omgeving in 2027 (ETS 2) zal de gasprijs vermoedelijk oplopen omdat de prijs van de gekochte emissierechten verrekend wordt met de gasprijs die de consument betaald. De kosten voor de individuele oplossing en voor de collectieve oplossing ontlopen elkaar in veel wijken maar beperkt. Bij het maken van studies om kosten tussen warmteoplossingen te maken, moeten veel aannames worden gedaan over de ontwikkeling van materiaalkosten, energieprijzen en rentelasten, waardoor een prijsverschil van 20% of minder wordt gezien als niet-significant vanwege de foutmarge. Dat betekent dat er op dat moment een veelheid van andere factoren relevant worden voor het kiezen van de warmteoplossing. Vanuit het energiesysteem bekeken is vooral de noodzaak om energie op te slaan en het gebruiken van een veelheid aan warmtebronnen van belang. Met individuele warmteoplossingen is 46

warmteopslag beperkt mogelijk, en het is onmogelijk om restwarmte te gebruiken of andere warmtebronnen aan te spreken. Het benutten van lokale warmtebronnen zorgt ook, zoals in de NPE terecht benoemd, voor meer autonomie, stabielere energieprijzen en verlaging van de druk op de ruimte. Individuele oplossingen zijn voor minder daadkrachtige inwoners moeilijker te implementeren. Daarnaast is het ruimtebeslag van een warmtepomp groot voor kleine woningen. Een warmtepomp heeft vaak ook een negatief effect op de leefbaarheid door geluidoverlast en hitte eilanden in de zomer. Dat pleit, vanuit het oogpunt van een efficiënt gebruik van energieinfrastructuur, ervoor om, waar mogelijk, te kiezen voor warmtenetten als de kosten van een collectieve oplossing niet significant afwijken van een individuele oplossing. De keuze is uiteindelijk aan gemeenten en de bewoners die een aanbod krijgen voor een warmtenet aansluiting. De komende paar jaar zal er een keuze moeten worden gemaakt voor de warmteoplossing. Zonder keuze zal het aantal warmtepompen in buurten toenemen. Na de investering in een warmtepomp, waarvoor vaak ook de isolatie dient te worden verbeterend, is een warmtenet geen wenkend perspectief meer. Dan dient immers, via ofwel de vastrechtkosten of via de warmteprijs, de investering in het warmtenet te worden betaald.

Daarom is het belangrijk dat er snel een keuze wordt gemaakt waar een warmtenet de passende warmteoplossing is. Het zou ook helpen als de Rijksoverheid enkel subsidies voor warmtepompen geeft als er zeker geen collectieve duurzame warmteoplossing met overheidsgeld zal worden aangelegd. Kies waar mogelijk voor warmtenetten als de maatschappelijke kosten van een collectieve oplossing niet significant afwijken van een individuele oplossing. Het is belangrijk hier snel duidelijkheid over te bieden aan de inwoners van de provincie. Indien er wordt gekozen voor een individuele oplossing, is het belangrijk om te kijken naar de aanstuurbaarheid van warmtepompen. Op dit moment is 17% van de geïnstalleerde warmtepompen direct of indirect verbonden met internet. Slechts 6% van de warmtepompen is niet te verbinden met internet. Dit biedt de mogelijkheid om warmtepompen slim aan te sturen, waarbij er gestuurd wordt op netbewust verwarmen van de woning. Om een warmtepomp goed te kunnen gebruiken, is een goede isolatie belangrijk. Daarmee is een woning met een warmtepomp een warmtebatterij. Dit vraagt nog wel veel technische uitwerking om tot standaarden en goede aansturingsstrategieën te komen en er zal aanvullende regelgeving nodig zijn, maar kan op termijn een middel zijn om de impact van warmtepompen op het energiesysteem enigszins te kanaliseren.

C.1.3. Transitiepad bedrijventerreinen Voor bedrijventerreinen geldt dat er een sterke stijging van de piekvraag naar elektriciteit te verwachten is. Dat is overigens in veel van de literatuur ook omdat daarbij rekening wordt gehouden met de elektriciteitsvraag voor het opladen van voertuigen. Er wordt ook meer elektriciteitsvraag verwacht omdat er bij bedrijven niet alleen warmte wordt gebruikt voor gebouwverwarming maar ook voor proceswarmte. Dat vraagt vaak hogere temperaturen en daarmee meer energie. Deze stijgende elektrificatiebehoefte wordt momenteel maar zeer beperkt ingevuld omdat er netcongestie op grote aansluitingen is afgekondigd. De verwachting is dat dit in de toekomst wel grote effecten zal hebben op de elektriciteitsvraag in de provincie.

47

Voor bedrijventerreinen is er, afhankelijk van de ontwikkelgraad van het bedrijventerrein, mogelijkheid voor bedrijven om samen de impact op het energiesysteem te beperken door energievraag, -opwek en -opslag op elkaar af te stemmen en zo de piekvraag te verlagen. KWR heeft een verkenning uitgevoerd naar de effecten van het verduurzamen van het energiesysteem bij drie grote bedrijventerreinen in de provincie Utrecht, te weten Lage Weide, Isselt en AmbachtNijverkamp. Door de lokaal opgewekte elektriciteit op het bedrijventerrein te gebruiken om het naar warmte of waterstof (power to X (PtX)) om te zetten en deze middelen te gebruiken om in de energiebehoefte van de bedrijventerreinen te voorzien, kon een groot deel van de verwachte elektriciteitsvraag worden beperkt. Hoewel er meer investeringen nodig waren om een gezamenlijk energiesysteem op te zetten, waren de uiteindelijke kosten lager dan als er enkel een simpele elektrificatie zou plaatsvinden.

Dit laat de mogelijkheid zien om lokaal bij bedrijventerreinen het energiesysteem zo in te richten dat door conversie van energiestromen en buffering minder piekvermogen nodig is en de kosten lager worden. Dit vraagt wel de aanleg van een warmtenet en veel gezamenlijke infrastructuur, zoals bijvoorbeeld een waterstofinfrastructuur.

De energievraag van bedrijven laat zich in sommige gevallen ook sturen. Een koelinstallatie kan bijvoorbeeld door voorafgaand aan een vraagpiek extra te koelen, afzien van energievraag in de piek. Indien bedrijven weten op welke momenten extra elektriciteitsvraag vermeden dient te worden, dan kunnen zij hierop inspelen. Dat kan wel alleen indien de informatie beschikbaar komt welke momenten dit zijn. Het zou daarbij helpen als er een prijsprikkel komt om energiegebruik op een elektriciteitspiek extra te belasten. Plan het energiesysteem van bedrijventerreinen zo dat er maximaal wordt gestuurd op het beperkten van de impact op het energiesysteem door energievraag, -opwek en -opslag op elkaar af te stemmen en zo de piekvraag te verlagen. Voor het energiesysteem is het ook belangrijk dat er snel met non-firm aansluitovereenkomsten wordt gewerkt, waarbij bedrijven een aansluiting kunnen krijgen maar het risico lopen dat er bij netcongestie geen energie geleverd kan worden. In een energiesysteem waar veel opwekcapaciteit weersafhankelijk is en er bij gebrek aan opwek reservecapaciteit moet worden aangesproken (in de 48

vorm van moleculen, batterijen of op de internationale energiemarkt) is het belangrijk om ook de energievraag te kunnen terugbrengen. Daar zijn non-firm aansluitovereenkomsten met een duidelijke systematiek een goed middel voor om energiegebrek te verdelen. Daarbij moet nog wel een integrale maatschappelijke analyse plaatsvinden om te bepalen welke instanties zoals ziekenhuizen of scholen voorrang op energie moeten krijgen.

C.1.4. Transitiepad nieuwbouw Bij nieuwbouw van woningen en bedrijven(terreinen) wordt het belangrijk om in een vroeg stadium op zoek te gaan naar manieren om de impact op het energiesysteem van de nieuwe ruimtelijke projecten te beperken. Dat kan door bij het aanleggen direct te kijken naar de warmteoplossing en hoe de piekbelasting van de nieuwe ontwikkeling zo klein mogelijk kan worden. In fase 1 van een bouwproject moet netcongestie al als risico worden meegenomen; de actuele status van de netcapaciteit moet als uitgangspunt worden genomen voor een impactanalyse. Hierna worden in fase 2 van een bouwproject verschillende (warmte-)oplossingen uitgewerkt in de haalbaarheidsstudie. Daarmee wordt duidelijk wat de (technisch, juridisch, organisatorisch) best haalbare oplossing is voor overgang naar de contracteringsfase. Dat vraagt bijvoorbeeld actief zoeken naar alternatieve warmtebronnen, opwekmogelijkheden en energiebuffercapaciteit binnen het plan. Daarmee is er dus snel al sprake van een warmtenet, waarbij gegeven de isolatienormen voor nieuwbouw een LT- of ZLTwarmtenet passend is. Hiervoor is het ook belangrijk om te kijken hoe de in te plannen utiliteitsbouw een rol kan spelen als warmtebron, bijvoorbeeld door het leveren van restwarmte aan een warmtenet. Ook is het belangrijk om bij de bouw al te kijken naar mogelijkheden van warmteopslag.

Bij het plannen van nieuwe bedrijventerreinen komt daar nog de mogelijkheid bij om te sturen op energieprofielencomptabiliteit. Is het bedrijventerrein zo te plannen dat niet alle bedrijven tegelijkertijd hun piekvermogen nodig hebben. Ook is het goed om bedrijfsactiviteiten die in potentie veel restwarmte opleveren alleen toe te staan op plekken waar deze restwarmte kan worden geleverd aan een warmtenet. Voor alle nieuwbouw is het belangrijk dat de noodzakelijke installaties binnen de gebouwen maar beperkt extra piekvraag opleveren. In de toekomst zal anders gebouwd moeten worden, bijvoorbeeld installatie-arm of passief. Om dit mogelijk te maken vergt het aanpassingen in bijvoorbeeld het bouwbesluit.

Bij nieuwbouw wordt het belangrijk om in een vroeg stadium op zoek te gaan naar manieren om de impact op het energiesysteem van de nieuwe ruimtelijke projecten te beperken.

C.1.5. Gebouwde omgeving in het Energiesysteem De gebouwde omgeving is in de provincie Utrecht de grootste energievrager. Tegelijkertijd zijn er veel opties om energieopwekking en -opslag in de gebouwde omgeving te maximaliseren en de energievraag, en zeker de piekvraag, te minimaliseren. Het slimmer inrichten van het energiesysteem in de gebouwde omgeving is voor de provincie Utrecht van groot belang bij het ontwerpen van het Energiesysteem. De keuze voor de warmteoplossing is daarbij van groot belang. Daar moet de komende tijd snel duidelijkheid over komen.

49

C.2 Mobiliteit De sector mobiliteit omvat het verkeer en vervoer over weg, water en over het spoor. Binnen de provincie rijden er vooral NS-treinen. Deze rijden sinds 2017 voor 100% op duurzame stroom en hebben daarmee geen transitieopgave. Dat geldt ook voor het OV-systeem dat conform de nieuwe concessie in 2028 volledig emissieloos moet zijn. De transitieopgave geldt zeker wel voor verkeer en vervoer over de weg en over het water.

C.2.1 Bespaarmogelijkheden mobiliteitssector De grootste inzet op het besparen van het energiegebruik in de mobiliteitssector is het toepassen van de trias mobilica: verminderen, veranderen en verschonen. • •

•

Het verminderen richt zich op het vermijden van mobiliteit door minder vervoersbewegingen noodzakelijk te maken, bijvoorbeeld door op afstand te vergaderen of thuis te werken. Het veranderen richt zich op het minder energie-intensief maken van afgelegde kilometers. Voor personenvervoer kost actief transport (lopen of fietsen) het minst energie (en vermindert luchtverontreiniging en geluidhinder). Daarna komen, in oplopende volgorde, vormen van elektrisch fietsvervoer, openbaar vervoer en uiteindelijke automobiliteit, waarbij lichtere auto’s minder energie kosten dan zwaardere auto’s. Binnen de sector geldt het adagium om te streven naar de volgorde Stappen-Trappen-OV-Deelmobiliteit-Personenauto in de keuze voor modaliteit. Vervoer over water of over het spoor is minder energie-intensief dan vervoer over de weg. Verschonen richt zich op alle modaliteiten het verduurzamen van de energiebron achter de aandrijving van het vervoersmiddel. Elektrificatie van vervoer levert al een flinke besparing van benodigde energie op omdat elektrische aandrijving veel efficiënter is dan de brandstofmotor.

Het toepassen van de trias mobilica: verminderen, veranderen en verschonen is een belangrijke basis voor energiebesparing in het mobiliteitssysteem.

C.2.2. Transitiepaden mobiliteit Voor mobiliteit zijn er in de NPE drie mogelijke transitiepaden naar een duurzame mobiliteitssector. Elektrisch, duurzame koolstof (biofuels en e-fuels) en waterstof. Door RED3 (renewable energy directive 3), waardoor minstens 42,5% van de energievoorziening van Europa in 2030 duurzaam moet zijn, zal een grotere druk zijn op het bijmengen van biobrandstoffen in de bestaande brandstofstromen. Daarnaast zal er een versterkte elektrificatie zijn van mobiliteit. De snelheid van de elektrificatie is daarbij afhankelijk van het landelijke beleidskader. Kijkend naar de ontwikkelingen op dit moment, ligt het voor de hand dat elektriciteit de belangrijkste energiebron wordt voor mobiliteit. Omdat de beschikbaarheid van duurzame koolstoffen beperkt is, is de verwachting dat het bijmengen van biobrandstoffen en e-fuels een tijdelijk oplossing zal zijn. Enkel voor een beperkt segment van de mobiliteitsketen waar andere oplossingen bijzonder lastig zijn, zullen duurzame koolstoffen op termijn de energiebron zijn. Voor bestelbussen en lichtere vrachtwagens zal er vanaf 2025 met het ingaan van zero-emissie zones - in onze provincie in Amersfoort en Utrecht - al een sterke prikkel zijn om te verduurzamen. Volgens de ingestelde regelgeving zullen alleen elektrische en waterstofbedrijfsvoertuigen in de zero-emissie zone toegelaten worden.

De verwachting is dat er na 2030 ook in andere gemeenten zero-emissie zones zullen volgen en bestaande emissie-zones ook voor personenvervoer zullen gaan gelden.

50

In de toekomst kan, zeker voor zware mobiliteit en (land)bouwmobiliteit, waterstof een belangrijke rol spelen in de energiemix voor mobiliteit. Er wordt momenteel door het Convenant waterstof in mobiliteit provincie Utrecht gewerkt aan een waterstof-ecosysteem in de provincie Utrecht. Voor de binnenvaart is het nog onduidelijk welke energiebron op termijn toegepast gaat worden. Voor de provincie is dit een van de mobiliteitsmodaliteiten waar duurzame koolstoffen een eindoplossing kunnen zijn. Voor een ander deel is waterstof een belangrijke kanshebber als energiebron. De komende tijd komen de eerste door waterstof aangedreven schepen in de vaart. Indien batterijtechnologie zich voldoende ontwikkelt qua elektriciteitscapaciteit, gewicht en ruimtebeslag, zijn elektrische binnenvaartschepen ook een optie. Dit vraagt de ontwikkeling van walfaciliteiten voor duurzame binnenschepen. Waterstof kan een belangrijke energiebron voor (zware) mobiliteit worden.

C.2.3. Mobiliteit in het energiesysteem Op termijn zal ook voor mobiliteit elektriciteit de ruggengraat worden van het energiesysteem. Dat vraagt veel van het energiesysteem. Veel voertuigen zullen daarbij op eigen terrein worden opgeladen, al zal een deel ook van publieke laadpalen gebruik maken. De impact van laadstations op bedrijventerreinen zal ook groot zijn. Veel bedrijventerreinen in de provincie Utrecht kenmerken zich door een groot aantal logistieke bedrijven en distributiecentra. Het wagenpark dat daarmee samenhangt zal voor een belangrijk deel elektrisch worden. Daarom wordt het aanstuurbaar maken (slim laden) van auto’s, bestelbussen en vrachtwagens, zowel op de openbare weg als op eigen terrein, van groot belang voor het energiesysteem. Daarnaast zullen er langs snelwegen en op strategische plekken in het wegensysteem ook snellaadstations komen. Deze snellaadstations hebben een hoge vermogensvraag. Deze kan oplopen tot 350 kW en de eerste 1MW lader laat naar verwachting niet lang op zich wachten. Als vrachttransport ook elektrisch aangedreven wordt, zal dat met grotere energievraag bij snellaadstations gepaard gaan. De impact hiervan op het elektriciteitssysteem is groot. Zoals in paragraaf 3.1.3 aangegeven, kunnen de accu’s van elektrische auto’s een belangrijke vorm zijn van elektriciteitsopslag en ook gebruikt worden om congestie te verminderen.

Het slim aansturen van het opladen van elektrische auto’s en de ontwikkeling van vehicle-to-grid-potentieel is daarom belangrijk voor het energiesysteem. Het potentieel van vehicle-to-grid (V2G) is de komende jaren beperkt omdat er nog weinig auto's zijn die over de technologie beschikken om ook energie te leveren aan het net. Eind 2024 is er naar verwachting een vloot van 500 deelauto's in gebruik in de gemeente Utrecht die een voorloper is op dit gebied. Inzet van auto's van particulieren zal naar verwachting nog enkele jaren op zich laten wachten. De potentie van V2G kan pas echt worden ingezet als ook elektrische auto’s in privébezit worden aangeboden als batterij. Daarbij is een barrière dat slechts een deel van de publieke en private laadpalen en elektrische auto’s geschikt zijn voor V2G. Voor laadpalen is hierop te sturen, voor de elektrische auto’s is het wachten op actie van producenten of regelgeving van de Europese Unie. Op termijn zal de potentie van V2G mogelijk afnemen doordat zelfsturende auto’s zullen leiden tot minder auto’s in privébezit en daarmee minder auto’s die stil staan en beschikbaar zijn als batterij. Vehicle-to-grid oplossingen en slim opladen bieden een goede basis om extra energieopslag en elektriciteitsvraagsturing tot stand te brengen. 51

Voor het energiesysteem is waterstof, ondanks de ondoelmatigheid van twee conversies en opslag onder hoge druk, een belangrijke oplossing. Door in te zetten op waterstof kunnen zowel elektriciteitsvraagpieken verminderd worden als elektriciteitsopwekkingspieken ingezet worden voor waterstofproductie. Daarnaast is het gebruik van waterstof in de mobiliteit een belangrijke drager van de businesscase voor waterstof als reserve-energiebron. Als elektrolysers en compressors alleen in gebruik zijn als elektriciteit ruim voorradig is, dan dient de prijs per kilo waterstof voldoende hoog zijn om de businesscase rond te krijgen. Op dit moment is alleen de mobiliteitssector in beeld om deze meerprijs te betalen omdat waterstof daar kan concurreren met de energieprijzen die nu reeds betaald worden voor fossiele brandstoffen.

52

C.3. Industrie In deze Energievisie wordt industrie gedefinieerd conform de definitie van de Klimaattafels. Dat betekent dat enkel energie-intensieve bedrijven en instellingen binnen de definitie van industrie vallen. Er is weinig energie-intensieve industrie in de provincie Utrecht en daarmee speelt het een beperkte rol in het energiesysteem. Momenteel is de energievraag ongeveer 2,2 GWh en wordt vooral aardgas gebruikt. Omdat het slechts om een beperkt aantal bedrijven gaat, waarbij de verdeling van energievraag ook nog eens vertekend wordt doordat de glasfabriek in Leerdam verreweg de grootste energievraag heeft van alle industrie in de provincie Utrecht, is deze paragraaf beperkt van omvang.

C.3.1. Besparingsmogelijkheden industrie Voor veel energie-intensieve bedrijven is te verwachten dat elektrificatie besparingsmogelijkheden biedt. Er is bij veel van de betrokken bedrijven echter nog geen definitieve keuze gemaakt voor het transitiepad dat zal worden ingezet om de productie fossielvrij te maken. Dat maakt het lastig om duidelijke uitspraken te doen over de besparingsmogelijkheden.

C.3.2. Transitiepaden industrie Voor de transitiepaden zijn er ruwweg drie mogelijkheden, of een combinatie van deze mogelijkheden. Elektrificatie, waterstof of groen gas. Het is uiteindelijk aan het bedrijf zelf om te bepalen welke verduurzamingsroute ze kiezen. Vanuit de cluster 6 aanpak wordt momenteel verkend welke routes bedrijven daarbij kiezen en wat er nodig is om deze transitie tot stand te brengen.

C.3.3. Industrie in het Energiesysteem Omdat industrie een kleine rol heeft in het energiesysteem, kan het ook maar beperkt worden ingezet als bron van restwarmte. Hierbij speelt mee dat een warmtenet beter niet te afhankelijk wordt van een bedrijf voor de warmtevoorziening omdat daarmee een verandering binnen het bedrijf, bijvoorbeeld een faillissement of een andere invulling van de bedrijfsactiviteiten, een grote impact heeft op de lokale warmtevoorziening. Tegelijkertijd is het wenselijk om warmte niet verloren te laten gaan waardoor het gebruik van restwarmte noodzakelijk is maar het warmtesysteem robuust genoeg moet zijn om met het wegvallen van warmtebronnen om te kunnen gaan. Voor de proceswarmte die binnen industriële activiteiten noodzakelijk is, kunnen elektriciteit, indien de benodigde temperatuur niet te hoog is, of duurzame gassen (zoals waterstof of groengas) een bron zijn. Voor bestaande industriële bedrijven wordt het zoeken om deze relatief schaarse bronnen (waarbij voor elektriciteit vooral transportcapaciteit op korte termijn schaars is) beschikbaar te stellen. Voor nieuwe industriële bedrijven is het belangrijk dat bij het ruimtelijk inplannen van het bedrijf rekening wordt gehouden met de beschikbaarheid van waterstof op de vestigingslocatie en de mogelijkheid om restwarmte nuttig in te zetten.

Daarmee zou, als het traject van de waterstofaftakking naar de provincie Utrecht bekend is, dit aanleiding kunnen zijn voor het inrichten van een bedrijventerrein op dit traject voor hoge-temperatuurbedrijven waarvan de restwarmte elders inzetbaar is. Voor nieuwe industriële bedrijven met een hoge warmtevraag is het belangrijk dat bij het ruimtelijk inplannen van het bedrijf rekening wordt gehouden met de beschikbaarheid van waterstof op de vestigingslocatie en de mogelijkheid om restwarmte nuttig in te zetten.

53

C.4. Landbouw De sector landbouw is, wat betreft het energieverbruik, een relatief kleine sector in de provincie Utrecht. Het energiegebruik van de sector was in 2020 iets meer dan 0,4 GWh. In de provincie Utrecht zijn er twee glastuinbouwgebieden (Harmelerwaard en polder Derde Bedijking bij Mijdrecht) die samen verantwoordelijk zijn voor een belangrijk deel van de energievraag van de landbouwsector. In de provincie Utrecht is de melkveehouderij de grootste sector binnen de landbouw, gevolgd door de overige graasdieren. Een deel hiervan is intensieve veehouderij. Deze is vooral in het oosten van de provincie te vinden. De provincie heeft ook veel fruitteelt, voornamelijk in het Kromme Rijngebied. Momenteel wordt er een nieuwe landbouw- en voedselvisie opgesteld.

C.4.1. Bespaarmogelijkheden landbouwsector Op termijn is het de verwachting dat de glastuinbouw in de Harmelerwaard gaat verdwijnen. Daarmee verdwijnt op dat moment een belangrijk deel van de energievraag van de landbouwsector. Er kan daarnaast bespaard worden door randapparatuur in de stallen en op de boerderij up-to-date te houden, maar het is onduidelijk wat het potentieel is van deze verduurzaming.

C.4.2. Transitiepaden landbouwsector De transitiepaden van de landbouwsector hangen voor een belangrijk deel af van de landbouw- en voedselvisie. Op dit moment heeft de landbouwsectro veel potentie om energie op te wekken. Zowel door mest te laten vergisten tot groengas, als door zonnepanelen op daken van boerderijgebouwen of op landbouwgrond. De eiwittransitie kan op termijn zorgen dat er minder mest beschikbaar is om te vergisten en er minder staldaken zijn om zonne-energie mee op te wekken. Veel boerderijen hebben te maken met een beperkte netcapaciteit en veel opwekcapaciteit in de vorm van zonnepanelen op de boerderijdaken en andere percelen. Hierdoor fluctueert de netspanning binnen het netvlak, waardoor omvormers van zonnepanelen tijdelijk uitgeschakeld worden (curtailen). Dit biedt de mogelijkheid om de zonnestroom die nu niet gebruikt kan worden op een andere manier in te zetten. Dat zou bijvoorbeeld naar een batterij kunnen of door omzetting naar waterstof. Een batterij blijkt in de praktijk weinig verschil te maken voor het curtailen van de zonnestroom, daarvoor is de capaciteit van batterijen doorgaans te klein. Waterstofproductie kan wel, en zou zelfs kunnen helpen om waterstoftractoren te tanken, maar op dit moment zijn de kosten voor de elektrolyser, de compressor en de opslag van waterstof te hoog om waterstofproductie op boerderijschaal interessant te maken.

Dit kan veranderen door het dalen van de prijzen van de noodzakelijke apparatuur, samenwerking tussen boerderijen waardoor er schaalvoordelen zijn, of door het stijgen van andere energieprijzen in de toekomst. In de toekomst zou de energievraag voor de landbouwsector kunnen stijgen door de toename van robotisering en het continue monitoren van gewassen. Het is moeilijk te kwantificeren of dit zich gaat voordoen en in welke mate dit een impact op het energiesysteem gaat hebben.

C.4.3. Landbouw in het Energiesysteem De landbouwsector is in de provincie Utrecht maar een beperkte energievrager, maar biedt wel veel opties om verschillende vormen van energie op te wekken. Daarbij is het belangrijk dat de noodzakelijke infrastructuur tot stand kan worden gebracht om deze opgewekte energie goed te gebruiken.

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeentebestuur.woudenberg.nl/api/v1/meetings/2593/documents/54340